NB Eerder verschenen in De Vrije Fries  82 (2002, themanr. Genootschapscultuur in Friesland

Klaas Zandberg

Maar liefst drie opeenvolgende generaties van de familie Beucker Andreae speelden een vooraanstaande rol in het Friesch Genootschap. Daniël Hermannus (1772-1828) was medeoprichter van het genootschap, groot verzamelaar en inspirerend onderzoeker, Johan Henrik (1811-1865) werd penningmeester en deed van zich spreken door vele publicaties en lezingen, Hajonides (1845-1925) was 27 jaar lang penningmeester. Kennelijk zat historische belangstelling de familie in het bloed, want ook verwanten als G.J. Voorda, S. Fockema Andreae en A.J. Andreae waren zeer actief in de geschiedbeoefening (1).

De oudste geschiedenis van het geslacht
De eerste generaties - die overigens nog geen familienaam voer­den - waren allen erfgezetene boeren te Hitzum. De stamvader was Meynert Jans, die in 1553 het boerenbedrijf op de pastorie­sate van Hitzum overname van Hil Jans weduwe.

Gatse Andries (1657-1736) de oudste zoon uit het eerste huwe­lijk van Andries Gatses (1620-1678) met Rinske Pytters de Wein (1635-1666) studeerde in 1682 af als medisch doctor aan de universiteit van Franeker. Naar de mode van die tijd verlatiniseerde hij zijn naam tot Gajus Andreae. Na zijn studie vestigde hij zich als geneesheer te Makkum. In 1686 trouwde hij met Tha­mara Reneman (1661-1737), dochter van de Harlinger predikant Daniël Reneman (1636-1716). Gajus ging theologie studeren. In april 1694 werd hij bevestigd tot predikant en op 16 juli 1694 vertrok Gajus met zijn vrouw vanuit Vlissingen naar Oost-Indië. Van 1695-1704 was hij predikant in Oost-Indië. Na zijn terug­keer praktizeerde hij wederom als geneesheer, ondermeer in Har­lingen, Ried en Blija.

Zijn zoon Daniël Hermannus Andreae (1697-1771), geboren op het Oostindische eiland Onrust, was vanaf 1721 tot aan zijn overlij­den predikant te Blija en Hogebeintum. Door zijn huwelijk in 1733 met Taestke Margaretha (van) Beucker (1710-1772) werd de familie Andreae verbonden met de families (van) Beucker en Voorda. Ook deze families brachten in de 17e en 18e eeuw een aanzienlijk aantal rechtsgeleerden voort.

Henricus, de oudste zoon van Daniel en Teatske, Henricus (1735-1806), studeerde aan de universiteit van Franeker. In 1757 promoveerde hij tot doctor in de rechten en in 1758 liet hij zich inschrijven als advocaat bij het Hof van Friesland. In 1762 werd hij benoemd tot secretaris van de grietenij Het Bildt. Deze functie vervul­de hij tot begin 1796. Op nieuwjaarsdag 1771 overleed zijn oom Johannes (van) Beucker (1708-1771). Uit diens huwelijk met Taetske Margariet Frieswijk (1713-1762) waren 4 kinderen gebo­ren, die allen op jonge leeftijd overleden. Henricus werd be­noemd tot zijn erfgenaam op voorwaarde dat hij de familienaam Beucker aan de zijne zou toevoegen. Vanaf 1771 voerde Henricus dan ook de familienaam Beucker Andreae.

In hetzelfde jaar trouwde hij met Baukje Maria Lycklama à Nije­holt (1730-1805) geboren te Franeker als oudste dochter van burgemeester Albertus Lycklama à Nijeholt (1705-1753). Haar va­der was later secretaris van de grietenij Hennaarderadeel. Zij was eerder gehuwd geweest met Dirk Jan Dibbetz (1731-1764), met wie zij in 1761 vertrok naar Oost-Indië, waar haar man was benoemd tot raad van justitie. Na slechts drie jaar keerde zij als weduwe met haar zoontje Reinier terug. Reinier (de Klerk) Dibbetz (1764-1808) was tijdens de Bataafse Republiek enige tijd griffier van de Representanten van Friesland.

Zoals ook het geval was bij de andere voorname families (Buma, Dorhout, Huber, Heloma, Bergsma en Van Sloterdijk) die begin 19e eeuw wisten door te dringen tot de gewestelijke elite, had het geslacht Beucker Andreae in het laatste kwart van de 18e eeuw eigenlijk al dezelfde scholingsgraad, functies en rijkdom als de echte Friese elite. Alleen de politieke invloed, het maatschappelijk aanzien en huwelijksstrategie bleef nog wat achter. Yme Kuiper, de kenner van de Friese elite, deelt ze in bij het ‘oude lokale patriciaat' (2).


Mr. Daniël Hermannus Beucker Andreae (1772-1828)
Daniël Hermannus Beucker Andreae was het enigste kind uit het huwelijk van Henricus en Baukje Maria Lycklama à Nijeholt. Zijn jeugd bracht hij door in zijn geboortedorp Sint Annaparochie, waar hij werd onderwezen door twee predikanten. Drie dagen na zijn zeventiende verjaardag werd hij ingeschreven aan de universiteit van Franeker. In 1795 promoveerde hij tot doctor in de rechten. Een dag later liet hij zich inschrijven als advocaat bij het Hof van Friesland. Aangezien hij sympathiseerde met het patriotse gedachtengoed accepteerde hij in oktober 1795 de functie secretaris van de commissie van achttien uit de Representanten van Friesland. Een jaar later verloor hij deze betrekking, nadat hij in de intern-politieke machtsstrijd het onderspit had gedolven. Hij vertrok uit Friesland, eerst naar Groningen en later naar Den Haag. In augustus 1796 werd hij benoemd tot substituut-secretaris van het departement van financiën. Na een verblijf van zes jaar in Den Haag, waar hij diverse ambtelijke functies vervulde, keerde hij terug naar Friesland. In 1802 werd hij benoemd tot drost van het 11e drostambt van Friesland (Ferwerderadeel, Het Bildt en Menaldumadeel). In 1803 trouwde hij met Catharina Elizabeth Huber (1779-1822). Door dit huwelijk werd de familie Beucker Andreae verbonden met de familie Huber. De familie Huber behoorde tot één van de aan­zienlijkste families in Friesland. Een aantal bekleedde hoge functies in het bestuur en de rechtspraak. Het echtpaar ging in 1804 wonen op het buitengoed Schatzenburg onder Dronrijp. Door een reorganisatie werd Daniël in 1806 benoemd tot drost - in oktober 1807 werd de titel drost gewijzigd in baljuw  - van het 2e district van Friesland. In 1809 verkocht hij zijn buitengoed Schatzenburg aan zijn schoonvader Johannes Lambertus Huber (1750-1826) en ging te Ferwerd wonen. In 1811 werd hij benoemd tot rechter van instructie bij de rechtbank van eerste aanleg te Leeuwarden, waar hij ook ging wonen. Na ruim een jaar nam hij ontslag als rechter en werd hij benoemd tot griffier bij dezelfde rechtbank. Deze functie vervulde hij tot aan zijn overlijden. In 1821 werd hij eveneens lid van de gemeenteraad.


Daniel Hermannus als wetenschapper en verzamelaar
Daniel Hermannus werd door zijn tijdgenoten beschouwd als een veelzijdig en begaafd man. De Leeuwarder Courant noemde hem in 1828 "een' van deszelfs grootste geleerden, die, hoewel niet als boekenschrijver roem verworven hebbende, in zeer vele uiteenloopende vakken van wetenschap eene grondige en volledige kennis bezat; zoodat zij, die tot hem in betrekking waren, of in zijnen aangenamen en leerrijken omgang deelden, daarover telkens verbaasd stonden. Als wijsgeer, regtsgeleerde, geschied-, aardrijks- wis-, landbouw- en kruidkundige zoude hij, indien zijne zucht, om alle vakken van wetenschap te beoefenen, hem daarin niet had belemmerd, waardiglijk eenen Hoogleeraarstoel hebben kunnen bekleeden" (3). Goffe Jensma typeert hem als een "typisch negentiende eeuwse burger" en een "zoeker" (4). Beucker Andreae was zeker geen ‘vinder'. Tot publiceren kwam hij niet of nauwelijks. Wel legde hij een enorme bibliotheek aan van boeken en manuscripten op alle terreinen van de kunst en de wetenschap. De catalogus van de na zijn dood geveilde bibliotheek telde meer dan 6000 titels. Tijdens zijn leven stelde hij deze vaak zeldzame publicaties beschikbaar aan geleerden en anderen zonder aanzien des persoons. Door zijn brede wetenschappelijke kennis had hij zit­ting in tal van commissies zowel in als buiten Friesland. Natuurlijk was was hij ook actief in de Maatschappij tot Nut van't Algemeen. Bijzondere belangstelling had hij voor taal. Beucker Andreae bestuurde enkele leesgezelschappen en was een gewaardeerd lid van de Maatschappij van Nederlansche Letterkunde te Leiden. Opmerkelijk was zijn positieve houding ten opzichte van het Fries: "De Friesche Landtaal, die hij grondig verstond, beminde hij en achtte hij zoo hoog, dat hij het ontwerp wenschte uit te voeren, om, door gezet onderwijs in die moedertaal, op alle scholen door het geheele gewest, dezelve mede algemeen te doen spreken, schrijven en lezen", aldus zijn biograaf M.J.W. de Crane (5). 

Zijn grootste interesse was de botanica. Naast zijn studie van de levende planten, deed hij ook studie naar de kruidkundigen in de zestiende en zeventiende eeuw. Hij legde een voortreffe­lijk herbarium aan van voornamelijk Friese flora.

Vanzelfsprekend was hij betrokken bij de oprichting van het Friesch Genootschap in 1827; helaas ook het eerste lid dat werd afgevoerd wegens overlijden. Een deel van zijn bijzondere bibliotheek zal ongetwijfeld bij andere actieve genootschapsleden terecht zijn gekomen. Hij heeft ook zeker anderen geinspireerd tot wetenschapsbeoefening.


Mr. Johan Henrik Beucker Andreae (1811-1865)
Johan Henrik Beucker Andreae was de derde zoon uit het huwelijk van Daniël Hermannus en Catharina Elizabeth Huber. Zijn eerste onderwijs ontving hij op de school van hoofdonder­wijzer P.H. Burggraaff te Leeuwarden. Daarna volgde hij onder­wijs aan het te Leeuwarden gevestigde instituut van Jean Paul Trautman uit Geneve. In 1828 ging hij naar de latijnse school te Sneek. Na twee jaar verliet hij Friesland en vervolgde zijn studie aan de latijnse school te Zutphen. In het najaar van 1831 liet hij zich inschrijven aan de universiteit van Utrecht. Naast zijn studie was hij actief lid van een aantal studenten­gezelschappen. Hij promoveerde in 1840 tot doctor in de rechten op een rechtshistorisch. Het proefschrift 'De origine juris municipalis Frisici' kreeg, zelfs tot in het buitenland, veel aan­dacht. Na zijn studietijd ondernam hij een grote reis naar Italië, Sicilië en Griekenland. Over deze reizen publiceerde hij een aantal malen. Na bijna twee jaar te hebben gereisd, vestigde hij zich in 1842 als advocaat bij het Provinciaal Gerechtshof van Friesland te Leeuwarden. Hij trouw­de in 1843 met Baukje Bolman (1822-1886). In 1851 werd hij benoemd tot burgemeester van Leeuwarden. Deze func­tie vervulde hij tot zijn dood. Politiek staat hij te boek als gematigd liberaal (6).

Verder vervulde hij vele maatschappelijke functies, hij was on­der andere regent van het Diakoniehuis, voogd van het Nieuwe Stads Weeshuis en schoolopziener van achtereenvolgens het zevende, het eerste en vierde schooldistrict in Friesland. Ook in het letterkundig gezelschap Constanter en de vrijmetselaarsloge De Friesche Trouw was hij actief.

In 1852 werd hij, tijdens een bezoek van koning Willem III, benoemd tot Comman­deur in de Orde van de Eikenkroon. Naar aanleiding van zijn op­treden tijdens de grote brand van de Prins Frederikkazerne werd hij in 1860 benoemd tot Ridder in de Orde van de Neder­landse Leeuw.


Johan Henrik Beucker Andreae als wetenschapper en verzamelaar
Net als zijn vader had Johan Henrik belangstelling voor verschillende takken van wetenschap. Geschiedenis was echter zijn grootste hobby. Hij deed veel onderzoek in archieven en verzamelde geschiedkundige stukken. Van de re­sultaten van zijn geschiedkundig onderzoek gaf hij lezingen (over o.a. de Schotanussen, Aucke Stellingwerf en de Voorda's) in de vergaderingen van het Friesch Genootschap. Een aantal van deze lezingen werd gepubliceerd in De Vrije Fries en De (nieuwe) Friesche Volksamanak. Van 1849 tot 1852 was hij penningmeester van het Friesch Genootschap, maar werkend lid was hij al vanaf 1843. Hij maakte deel uit van de commisie ter bestudering van de correspondentie van Viglius en Hopperus en een commissie voor de gewestelijke archieven. Ook is het aan Beucker Andreae te danken dat het genootschap actie ondernam om de voormalige bibliotheek van de Franeker universiteit voor Friesland te behouden (7). Hoewel hij een aimabel persoon was, ging Beucker Andreae een conflict niet altijd uit de weg. In de Leeuwarder Courant van 19 november 1850 wees hij jhr. Mr. De Haan Hettema in tamelijk scherpe bewoordingen ("zeer verwarde en door niemand begrepen wordende inzigten") terecht.

Net als zijn vader bouwde Johan Henrik een uitgebreide bibliotheek op. Zijn woning (Tweebaksmarkt (nr. 47) zal gekraakt hebben onder deze zware boekenlast. De catalogus van de nagelaten bibliotheek Johan Henrik werpt licht op diens verzamelwoede. Zijn zwager Dirks merkt in het voorwoord van deze catalogus al op: Het is vooral in de boekerij, dat zich het beroep, de studiezin, ja de reislust van den bezitter er van afspiegelt. De bibliotheek van Beucker Andreae werd door de boekhandelaar Swarts publiek verkocht in 1867.

De catalogus maakt melding van ruim 2000 boeken, waaronder enkele handschriften (o.a. Leeuwarder gilderollen, later waarschijnlijk door Eekhoff aangekocht!) en enkele tientallen kaarten, prenten, schilderijen en foto's. De afdelingen geschiedenis (algemene en ‘vaderlandsche') en taal- en letterkunde zijn ongeveer even groot (rond de 600 items). Rechtsgeleerdheid (ruim 250 items), godsgeleerdheid (ruim 80), natuurwetenschap (ruim 80), en onderwijs (een kleine 50 items), aardrijkskunde (enkele tientallen items) en wijsbegeerte (ruim 20) zijn eveneens vertegenwoordigd. Boeken over Friesland (taal, geschiedenis etc.) zijn met 212 items (waarvan zo'n 30 in het Fries geschreven) ook talrijk. Bekende werken als het ook voor de historicus van die tijd onmisbare charterboek van Schwartzenberg e.a. bronnenuitgaven, de Vrije Fries en verslagen van het Fries Genootschap treffen we aan (8). 

In 1853 heeft hij het grootste gedeelte van de archiefbescheiden geordend en in een inventaris beschreven. Het eigen familiearchief gebruikte hij ook ten behoeve van lezingen en publicaties.

Van zijn tamelijk omvangrijke oeuvre is een rapport uit 1850 over de toestand van de arbeiders op het Friese platteland wel de bekendste (9).


Andere leden van de familie Beucker Andreae
Hajonides (1845-1925) volgde de voetsporen van zijn vader slechts ten dele. Hij begon zijn  carriere achtereenvolgens bij de Nederlandsche Bank en als gemeenteontvanger van Leeuwarden. Succes oogstte hij als oprichter en directeur van de Algemeene Friesche Levensverzekerings Mij. Hij bekleedde ook allerlei nevenfuncties: o.a. voogd SAK, vz van Eigen Brood Bovenal, vz. Van de Spaarbank, lid gemeenteraad (en enkele malen tijdelijk wethouder), voogd NSW. Net als zijn vader werd hij penningmeester van het Friesch Genootschap, een functie die hij maar liefst 27 jaar uitoefende. Hajonides was intelligent en werkte hard, maar vooral achter de schermen. De Leeuwarder Courant noemt hem in een In Memoriam: "een goed burger, een energiek man, die zijn levenswerk met succes bekroond heeft gezien" en "een van de laatste vertegenwoordigers van het Leeuwarden van vroeger" (11).

In de loop van de 20e eeuw vertrokken de meeste telgen uit het geslacht Beucker Andreae uit Leeuwarden. Hajonides Beucker Andreae (1905-1989) had eveneens historische belangstelling en verrichtte genealogisch onderzoek. Hij gaf in juni 1983 de familiepapieren aan het Gemeentear­chief Leeuwarden in bewaring (12).

NOTEN

  1. Dit artikel is voor een deel gebaseerd op de inleiding van Jan Metzlar's Inventaris van het familiearchief Beucker Andreae (vervaardigd in 1996; niet-gepubliceerd, maar in typoschrift aanwezig in het Historisch Centrum Leeuwarden).
  2. Yme Kuiper, in Nederlands Patriciaat (‘sGravenhage 1993), p. XXII-XXIII.
  3. Mr. J.W. de Crane, Levensschets van mr. Daniel Hermannus Beucker Andreae (Leeuwarden 1829), p. 2-3.
  4. Goffe Jensma, Het rode tasje van Salverda. Burgerlijk bewustzijn en Friese identiteit in de negentiende eeuw (Leeuwarden/Ljouwert 1998), p. 38.
  5. De Crane, Levensschets p. 18-19.
  6. Yme Kuiper, in Leeuwarden 750-2000 (Franeker 1999), p. 267.
  7. I. Telting, Levensschets van mr. Johan Henricus Beucker Andreae (Leeuwarden 1865), p. 10.
  8. Deze veilingcatalogus is bewaard gebleven in de aan het HCL verbonden Stedelijke Bibliotheek (cat.-nr.  D 902).
  9. Vgl. Goffe Jensma (ed), Tien Friezen over armoede en zedenbederf. De bronnen van J.H. Beucker Andreae's Rapport betreffende een onderzoek naar den zedelijken en materielen toestand der arbeidende bevolking ten platten lande en van de middelen om dien zooveel mogelijk te verbeteren (Leeuwarden/Ljouwert 1998).
  10. Leeuwarder Courant, 22 december 1925.
  11. Het omvangrijke familiearchief (8 strekkende meter) is een van de belangrijkere in Friesland. De aanwezige archiefbescheiden geven een beeld van het persoonlijk en openbaar leven van een aantal leden van voorname Friese families in het laatste kwart van de achttiende en in de negentiende eeuw. Niet alleen uit telgen van het geslacht Beucker Andreae, maar ook van patricische families als Voorda en Suringar en adellijke families als Lycklama a Nijeholt, Buma en Huber. De meeste archiefbescheiden die deel uitmaken van het familie­archief zijn door vererving in bezit gekomen van Johan Henrik Beucker Andreae (1811-1865). Het resterend gedeelte - voornamelijk zijn persoon­lijk archief - is na zijn overlijden in 1865 aan het archief toegevoegd. Voor zover valt na te gaan is het archief tot 1983 in verschi­llende kantoorpanden van de Algemeene Friesche Levensverzeke­ring-Maatschappij bewaard. Zie verder de inventaris van Metzlar.

Terug