Inleiding


Herhaaldelijk werd in den laatsten tijd gevraagd naar een vervolg op Eekhoff’s Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden. Dit practische en steeds veel geraadpleegde werk werd in 1846 uitgegeven. Bij de groote veranderingen, welke er in en om de stad plaats gegrepen hebben, is het niet te verwonderen, dat de behoefte aan eene voortzetting van zijn arbeid zich levendig doet gevoelen. Daar ik, als archivaris, de bescheiden der Gemeente onder mijne berusting heb, voelde ik mij gedrongen om aan dezen dikwijls uitgesproken wensch te voldoen. Evenals de heer Eekhoff heb ik mij in de volgende bladzijden enkel bepaald tot het geven van eene geschiedkundige plaatsbeschrijving van Leeuwarden; de eigenlijke geschiedenis der stad: die van de ontwikkeling harer bevolking in den ruimsten zin, streng daarvan afscheidende.

De laatste zestig jaren zijn zoowel voor ons land, als voor Leeuwarden in het bijzonder, een tijdperk van ongestoorden vrede en welvaart geweest. Onafgebroken heeft het Gemeentebestuur zijne krachten kunnen wijden aan de verbetering en de verfraaiing van de stad en haar uiterlijk voorkomen is dan ook in dit tijdsverloop geheel veranderd. Grachten, die als verkeerswegen hare beteekenis hadden verloren, werden gedempt en vervangen door breede, aan weerszijden met boomen beplante straten; nieuwe kanalen zijn gegraven ten gerieve van de steeds toenemende scheepvaart. Twee belangrijke uitbreidingen, één naar de zuidzijde en één naar den oostkant, hebben de stad, welke niet langer door hare bolwerken is ingesloten, aanmerkelijk vergroot. Wel zijn bij de eerste uitbreiding der stad lommerrijke wandelingen en fraaie beplantingen verloren gegaan, doch het Gemeentebestuur beijverde zich dit gemis zooveel mogelijk te vergoeden door den aanleg van nieuwe plantsoenen en parken.

Niet slechts aan de zuid- en aan de oostzijde der stad, ook elders verrezen nieuwe wijken, terwijl verschillendende oude stadsgedeelten, welke bouwvallig of voor de gezondheid schadelijk waren, werden weggebroken.

Oude gebouwen werden verfraaid en naar de eischen des tijds ingericht en men stichtte tal van nieuwe om aan vroeger ongekende behoeften van het maatschappelijk leven te voldoen. Als men overweegt, welke diep ingrijpende veranderingen dit in de laatste halve eeuw heeft ondergaan, als men denkt aan den machtigen invloed, welken alleen reeds de aanleg van spoorwegen daarop heeft uitgeoefend, om van zoovele andere in het dagelijksch leven van toepassing gebrachte uitvindingen niet te spreken, dan kan men zich verklaren, dat de physionomie van iedere stad, die niet in zoete rust ligt te sluimeren, zich in dit tijdperk moest wijzigen. Zoo is het ook met Leeuwarden gegaan; in de laatste zestig jaren is de stad meer veranderd, dan vroeger ooit in gelijke tijdruimte het geval is geweest.

De beschrijving van hare ontwikkeling heb ik in twee afdeelingen gesplitst, waarvan de eerste de kanalen en straten en den toestand der stad in het algemeen, en de laatste de gebouwen en instellingen behandelt. Daar de geschiedenis van Leeuwarden, uit een topographisch oogpunt beschouwd, in dit tijdvak twee hoofdmomenten aanwijst: de beide groote uitbreidingen, heb ik in het eerste gedeelte achtereenvolgens de wijzigingen der stad tot omstreeks 1870, de uitbreiding naar het zuiden, de veranderingen van 1870-1906 en de uitlegging naar het oosten nagegaan. Ter verduidelijking zijn er drie kaarten aan toegevoegd, n.l. de plattegrond der stad uit 1845, welke, reeds in Eekhoff’s werk werd opgenomen, den toestand weergeeft, zooals die bij het begin van het hier behandelde tijdvak was, het grondplan van de uitbreiding naar het zuiden en de kaart van het tegenwoordige Leeuwarden.

Een woord van hartelijken dank breng ik hierbij aan allen, die mij met hunnen inlichtingen zoo welwillend ter zijde stonden."

Moge dit werk, dat alleen van plaatselijk belang is, door Leeuwardens ingezetenen gunstig worden ontvangen.

R. Visscher


Inhoud:

I. Kanalen en straten

II. Gebouwen en Instellingen

Terug