Wandeling door een gedeelte der stad in 1860

Buiten de drie hierboven beschreven dempingen, heeft de stad tot op 1869 geene ingrijpende veranderingen ondergaan. De krachtsinspanning, tot het in stand brengen dezer belangrijke werken vereischt, was dan ook groot en werd met een gunstigen uitslag bekroond. Het terrein achter het Paleis van Justitie en het plantsoen van den Arentstuin waren aan de stad toegevoegd en de kleine huisjes aan deze voormalige achterbuurten maakten van lieverlede voor betere woningen plaats. Ook de gedempte Nieuweburen won in aanzien door het afbreken van oude woningen, terwijl het Gemeentebestuur zorg droeg, dat de nieuwe gevels op eene rooilijn werden geplaatst door gratis gemeentegrond tot dit doel af te staan. Het Schoenmakersperk, aan de westzijde nog door armoedige huisjes en aan de oostkant door den ouden blauwen achtergevel van het Nieuwestads-Weeshuis begrensd, was in een pleintje herschapen:- het Perkswaltje had een netter voorkomen gekregen door den aanbouw van het Nieuwe Sint Anthony-Gasthuis. Het onstaanvan de Sint Anthony-straat en de verbouwing van het Diaconie-huis gaven in 1873 aanleiding tot de verbetering van den
“Zak”, terwijl de Bollemanssteeg in 1860 gedeeldelijk verlegd werd door afbraak van eenige huizen, welke de Gemeente daar deed slechten.

Deze groote veranderingen bepaalden zich, zooals van zelf spreekt, tot enkele gedeelten der stad: elders werden wel hier en daar eenige wijzigingen aangebracht, doch deze waren van minder beteekenis. Doch, al zijn vele straten in het centrum der stad onveranderd tot op onzen tijd blijven bestaan, toch verschilt de aanblik, die zij omstreeks 1860 aanbood, zooveel van haar tegenwoordig voorkomen, dat het wellicht zich tevens de gelegenheid opent, om de kleine veranderingen, die hier en daar plaats grepen, te vermelden. Ik verzoek u, mij daartoe te willen vergezellen op eene wandeling door enkele gedeelten der stad op een weekmarktdag in den zomer van 1860 aanbood, zooveel van haar tegenwoordig voorkomen, dat het wellicht niet van belang ontbloot kan zijn een overzicht te geven van den toestand van Leeuwarden op dit tijdstip, waarbij zich tevens de gelegenheid opent, om de kleine veranderingen, die hier en daar plaats grepen, te vermelden. Ik verzoek u, mij daartoe te willen vergezellenop eene wandeling door enkekle gedeelten der stad op een weekmarktdag in den zomer van 1860.

Wij begeven ons van het Stadshuis langs den lommerrijken Eewal, waarvan de breedgetakte linden de droomerige gracht beschaduwen, naar een der centra van beweging: de Wortelhaven. Daar wordt “beurs” gehouden in het huis van de Weduwe Adama, op de plek, waar in 1870 het nieuwe postkantoor zal verrijzen. Deze hulpbeurs echter, welke in 1856 werd gesticht, blijkt reeds niet meer te voldoen aan de bestaande behoeften. De graanhandelaren zijn genoodzaakt hunne waar tot buiten op straat uit te stallen, waardoor deze aan de wisseling van het weer is blootgesteld. Daarom zullen zij ook in 1866, uit eigen beweging, eene nieuwe marktplaats zoeken en die vinden in de concertzaal van Van der Wielen, waarin tot September 1880 des Vrijdags beurs is gehouden. In het hoekhuis van Eewal en Wortelhaven is de “roggedragerskelder” gevestigd, welke in 1869 naar het Raadhuisstraatje en in 1871 naar de Nieuwe Kade werd overgebracht.

Iets verder gaande, komen wij op de oude Vischmarkt of Koningspijp, waarvan sedert 1854 de vischbanken zijn verdwenen. In dit jaar werd de zeevischmarkt overgebracht naar het nieuwe gebouw aan de Oosterkade, terwijl alleen de riviervisch nog op de oude plaats werd geveild. Thans is ook deze markt hier sinds lang opgeheven en getuigde tot in 1903 nog slechts de oude pomp bij de Koningspijp van de plaats, waar vroeger de vischmarkt werd gehouden.

Welk een aardig kijkje heeft van de Koningspijp! Naar het oosten tot de Amelandspijp ligt de wal vol zakken graan, terwijl de hooge boog van deze pijp, die eerst in 1893 werd verlaagd, de drukke aardappelmarkt aan de andere zijde nog voor ons oog verbergt. Naar het westen, tot aan de Korfmakerspijp, wordt de handel van graan in het klein gedreven, en naar het zuiden vertoont de Koningsstraat, die nog met hare potkasten prijkt, eene ongewone beweging als verbindingsweg met de groote groenmarkt, welke op de Tweebaksmarkt wordt gehouden. Wij vervolgen onze weg tot de Korfmakerspijp, die toegang geeft tot de Korfmakersstraat. De uitgang tot deze straat, welke in 1877 door het afbreken van het hoekhuis van de Korfmakersstraat en Over de Kelders werd verbreed, is zoo nauw, dat er eene groote vaardigheid wordt vereischt van de koetsiers der dilligences van Van Gend en Loos, om hier met hun zware, logge wagens in en uit te rijden. Wie zou het dat stille pleintje, de Korfmakersstraat, thans aanzien, dat het eens voor Leeuwarden het hartje van het wereldverkeer is geweest ! Van daar toch reden de gele, met drie paarden bespannen postkoetsen naar Zwolle en Groningen af: en daar was het eerste telegraafbureau, dat in 1856 werd geopend, gevestigd.

Langs de Kelders en op de Brol heerscht dezelfde marktdrukte, die men daar in 1906 ook nog zal kunnen vinden: alleen heeft de Brol nu nog zijne vogelmarkt en zien wij op onze wandeling den wal tegenover de Kelders bezaaid met frissche, jonge groenten. De schaduwrijke Belkumermarkt is mede een druk verkeerspunt: daar worden matten en karpetten, eendekorven, aardappelen en vruchten te koop aangeboden. En boven al dat marktgevoel en geschreeuw uit laat de slanke, sierlijke Nieuwetoren ieder half uur zijn vroolijk carillon horen, waarop de stadgenooten ’s Woensdags en ’s Vrijdags ook van elf tot twaalf uur worden vergast.

Verder gaan we: door het smalle Nauw, waar men bij eenig gedrang steeds gevaar loopt van den hoogen wal in het water te storten, naar de Nieuwestad. Hier wordt onder het oude Waaggebouw een der meest belangrijke markten gehouden: de boter- en kaashandel in het groot. De gracht ligt hier vol schepen, die de ronde kazen en de tonnetjes boter aanbrachten, welke onder op de pilaren rustende luifel van de Waag, (waaraan voor den Vrijdag nog verlengstukken worden gehecht), eene schaduwrijke plaats vinden. Een hooge voetbrug, de Waagsbrug, tusschen de Tontje- en Lange Pijpen gelegen, geeft den handelaren gelegenheid om snel hunne kantoren op het Heerenwaltje te bereiken: dat schilderachtige, smalle grachtje, waarover vier bruggetjes toegang verleenden tot de huizen aan de overzijde, die uit het water oprijzen.

Het Waagsplein, omringd door overdekte dischjes, is een en al gewoel. Daar wordt de kaas in ’t klein verkocht, daar vindt men den handel in boomen, bloemen en tuinzaden. Op de beide vleugels der Lange Pijp worden huiden te koop aangeboden: dan volgt de vleeschmarkt, gehouden aan de noordzijde van de Nieuwestad, tusschen de Lange- en Nieuwe pijpen. Deze laatste prijkt met eene uitstalling van oud ijzer, welke zich ook langs de zuidzijde der Nieuwestad tot de Duco-Martenapijp voortzet, terwijl daartegenover, op de Deinumer Zuupmarkt, aardappelen verkocht worden.

Zoo zijn we langzamerhand buiten het groote marktgevoel geraakt en begeven we ons langs het Schavernek, waar de trekschepen naar Harlingen, Franeker, Sneek en Bolsward afvaren, en het Ruiterskwartier, naar het Zaailand. Dit uitgestrekte plein, ontstaan door de demping der Oude Heerengracht, werd in 1851 bevloerd tot aan de herberg van J. Meyer, welke wij thans midden op het plein, ter hoogte van de Oude Lombartssteeg, voor ons zien liggen. Ten zuiden van het plein loopt de harddraversbaan, welke aan de overzij gedeeltelijk door een reeks van lage huizen, waarboven het Heerenlogement uitsteekt, gedeeltelijk door plantsoen, begrensd wordt.

Voortgaande, bevinden wij ons al spoedig weer te midden der drukte, want we bereiken nu Leeuwardens beroemde veemarkt, die zich hoe langer hoe meer uitbreidt. Daar zij steeds meer ruimte eischt, werd aan de varkensmarkt in 1857 eene plaats ten zuiden en ten westen van de herberg van Meyer aangewezen terwijl de schapenmarkt, in 1853 reeds naar het westen vooruitgeschoven, thans ten noorden van dit huis wordt gehouden. Ten oosten daarvan strekt zich de eigenlijke veemarkt uit. Hier ziet men Frieslands rijkdom in volle pracht: die lange rijen van zware koeien, met haar glanzige huid en groote goedige oogen. Dat er geen koop gesloten kan worden, zonder dien met een glaasje te bekrachtigen, bewijst wel het groot aantal herbergen te dezer plaatse, waaronder “De Blaauw Poort”, “Het Graauw Paard”, “De Roskam” en nog eens “Lands Welvaren” boven andere uitblinken.

Wij steken den Wirdumerdijk over en laten den molen “De Fortuin” op den Wirdumerpoortsdwinger aan onze rechterhand liggen, om langs “Amicitia”, de Huizumerburg te bereiken, met haar aardig kijkje over de Weaze. Tot in 1851 lag er over dit water voor de Blokhuissteeg nog eene brug: de Muntebrug, welke bouwvallig geworden, in dit jaar werd weggebroken, omdat er door de opening van de passage langs de Munteburg, geene behoefte meer aan bestond. Langs den Nieuwen Weg, die in 1861 bevloerd zal worden, komen we aan het Blokhuisplein, waar zich de oude gevangenis verheft, met haren blauwen gevel en haren dreigenden hoektoren, in de volksmond het “Wybren-Wybrensgat” genoemd. Het Blokhuisplein, dat over de Rhalapijp toegang geeft tot den Ossekop en de Uniabuurt, prijkt met hooge boomen, waaraan het den naam “Onder de Boompjes” te danken heeft.

Over de Druifsbrug gaande, komen we eerst aan de Druifstreek waar de boterhandel in het klein wordt gedreven, en daarna aan de deftige, stille Tweebaksmarkt, waar onder de hooge boomen aan de walkant, de groote groenmarkt wordt gehouden, die vroolijke tinten werpt op het grijs der steenen. De gracht, anders weinig bevaren, ligt heden vol groenteschuitjes. ’t Is een rustige streek, die Tweebaksmarkt en Turfmarkt, met hare vele openbare gebouwen: het College aan de westzijde, en de Galileerkerk, het Ritske-Boelema-Gasthuis, dat in 1849 werd opgericht op de plek, waar tot dien tijd het fraaie “Landshuis” had gestaan, en de Canselarij aan den oostkant. Ongemerkt zijn we de Tuinen genaderd en staan voor eene houten trapjesbrug: de Hooge Brug, die over het vaarwater de Tuinen ligt. Een blik slaan wij op het mooie hoekhuis van de Turfmarkt met zijn trapjesgevel, dat uit het water oprijst, dan laten wij de Hooge Brug links liggen en begeven ons langs de Tuinen, waar vele beurtschepen aanleggen, naar de Oosterkade. Deze is, sedert het afgraven van den wal aldaar en het opmetselen van een nieuwen walmuur in 1846, zeer verbeterd. Om een regelmatigen bouw te bevorderen heeft het Gemeentebestuur ook hier gratis eene plek grond afgestaan aan ieder, die zijne woning in de nieuwe rooilijn vooruit wilde zetten. Velen hebben daarvan gebruik gemaakt, zoodat deze voormalige achterbuurt niet weinig in aanzien is gestegen. Daarenboven heeft het Gemeentebestuur groote plannen met de Oosterkade: men denkt er n.l. ernstig over hier het nieuwe Beursgebouw te plaatsen, waaraan zoo grote behoefte bestaat. Daartoe zijn hier, in 1858, zeven woningen door de Gemeente aangekocht en geslecht, en op deze open plek nabij Droevendal vestigen nu de bewoners der buurt groote verwachtingen.

Aan het einde van de Oosterkade, welke in 1854 langs den wal met eene rij boomen werd beplant, bevindt zich sedert 1851 de nieuwe vischmarkt. Wij verlaten thans de oude stad met het pontje, dat hiernevens gereed ligt om ons over de gracht te zetten, en willen nu de wijzigingen in oogenschouw nemen, welke de buitenbuurten in het tijdvak 1847-1870 ondergingen.


Terug