Wandeling door de buitenbuurten der stad in 1860

In het voor ons liggende tijdvak zijn de buitenbuurten over het algemeen weinig veranderd. Wel deed zich, bij de toenemende bevolking, langzamerhand de behoefte aan eene uitbreiding der stad gevoelens, maar men gaf toch blijkbaar de voorkeur aan het wonen binnen de oude muren, ofschoon er hier en daar, op verspreide plaatsen, meerdere huizen werden aangebouwd en er zelfs enkele nieuwe buurten verrezen.

Het pontje heeft ons afgezet op den Grachtswal tusschen het Marcelis-Goverts-Gasthuis en het Grachtswalbruggetje over de Soldatengracht. Men is sedert 1859 druk in de weer om hier, in plaats van de oude houten walbeschoeiing, een flinken steenen walmuur op te trekken. De boomen, die hier vroeger eene weldadige schaduw verspreidden, zijn voor dit werk geveld. Doch zullen in 1861 door nieuwe worden vervangen. De bestrating van deze veelgezochte wandeling, die door hare aaneengeschakelde huizenrij tegen den fellen oostenwind is beschut, laat veel te wenschen over, zoodat het Gemeentebestuur in 1863 fl. 6100 tot verbetering daarvan beschikbaar zal stellen.

Bij de voormalige herberg de “Roode Boer” gekomen, slaan wij linksaf en betreden den puinweg: Achter de Hoven. Aan onze rechterhand ligt een geheel onbebouwd stuk land: de Oude Bleek, waarover wij de rijen woningen van Groot- en Klein Tulpenburg heen kunnen zien: aan onze linkerzijde is achter de “Roode Boer” eene reeks van huisjes aangebouwd, terwijl de sloot, die deze ervan van den weg afscheidde, voor en na door de eigenaren is gedempt. Langs de “Harmonie”, eene uitspanning met grooten tuin, bereiken wij den toegang tot het exercitieveld, dat in 1863 door den spoorweg naar Groningen, zal worden doorsneden. Dit exercitieveld, dat hier in 1773 voor de bezetting was aangelegd, dient sedert 1850 alleen voor de stedelijke schutterij. In dit jaar werd n.l. de exercitieplaats voor het garnizoen overgebracht naar het Groot-Meenschar aan het Kalverdijkje, daar het oude veld, bij schietoefeningen, gevaar voor de omwonenden opleverde.

Langs vriendelijke buitenhuizen en zomerverblijven, waarboven Marienburg hoog uitsteekt, slingert zich deze bevallige wandeling door tuinen en gardenierslanden in zuidoostelijke richting, totdat zij zich bij het fraaie buiten “Zorgvliet” naar het noord-oosten wendt en eindelijk bij de Poppebuurt met hare lijnbanen op het Vliet uitloopt. Gaat men de hooge Poppebrug over, dan vindt men, aan de overzijde van het Vliet gekomen, geen gebaanden weg: slechts een smal voetpaadje door het land leidt naar het Looyersbruggetje, waar de bestrating van het Noordvliet een einde neemt. Eerst in 1877 werd deze tot de Poppebrug doortrokken, nadat in 1869 het Old-Burger-Weeshuis en in 1877 de heer Bakker, eigenaar van den oliemolen aldaar, eene strook gronds aan de Gemeente tot den aanleg van een klinkertpad hadden afgestaan.

Eene nijvere streek is dat Vliet, met zijne lijm- en zout-ziederijen en oliemolens, zijne houtzagerij en zijn tichelwerk, zijne pottebakkerij en zijne scheepstimmerwerven ! Wel zal het spoedig de scheepstimmerwerf, in de nabijheid van het buiten “Welgelegen” moeten missen, daar de Gemeente deze in 1861 aankocht om er eene school te stichten, en werd de vroeger zoo bloeiende wolspinnerij en chicorei-fabriek van de Firma Heuveldop in 1847 door brand vernield, waardoor deze industrie hier sedert verloren ging, maar toch behoudt deze buurt het levendig verkeer, dat eene drukke scheepvaart altijd meebrengt.

Zooals boven is meegedeeld, liet de Gemeente in 1861 een walmuur langs beide oevers van het Vliet maken. Deze strekt zich langs het Noordvliet tot aan de opvaart bij den weg naar Cambuur uit en zal in 1867 door eene houten walbeschoeiing langs het “Slot van ’t Vliet” voortgezet worden, terwijl de steenen wal langs het Zuidvliet in 1865 tot nabij “Welgelegen” is doorgetrokken. In 1860 werd de Boomsbrug verlaagd en in 1861 de Witte Brug in een ijzeren ophaalbrug herschapen; de Blauwbrug behield echter haar oude voorkomen.

Achter het Noordvliet, bij de Boomsbrug, ligt de dichtbevolkte Weerklank. Tot in 1858 liep door deze buurt eene vuile, voor de gezondheid zeer nadeelige sloot, welke in dit jaar door de Gemeente is gedempt, terwijl het terrein door rioleering en bestrating zeer werd verbeterd.

Zoo zijn wij weer tot de stadsgracht genaderd en zetten onze wandeling langs den buitensingel voort. Spoedig vertoont zich de zoetwatervijver, waarvan de hooge wallen met statig geboomte zijn beplant; dan volgen warmoezerijen, terwijl bij de Cambuursterbrug eene rij kleine huizen is aangebouwd. Wij laten het Cambuursterpad, de herberg de Bleek, die vroeger van den Groninger Straatweg werd afgescheiden door eene sloot, welke in 1857 is gedempt, en dezen straatweg rechts liggen en begeven ons naar Olde Galileen. De bebouwing dezer streek laat nog veel te wenschen over: de bestrating is er verwaarloosd en vervallen: de bijna dichtgegroeide slooten, die in den zomer grootendeels droogliggen en in mestvaalten veranderen, verpesten hier de lucht. Hier en daar zijn ze naar willekeur gedempt en bebouwd, ’t geen de onregelmatigheid nog verhoogt. Zoo vernauwt een hoefstal den toegang tot deze buurt en staan iets verder twee huisjes midden op het voetpad. Erger nog is het in de zijstraten: daar bereikt de verwarring haar toppunt. De oorzaak van dezen toestand ligt hierin, dat de grond particulier eigendom is en iedere eigenaar daarvan naar goedvinden gebruik heeft gemaakt: hetgeen de Gemeente later, toen zij met kracht de verbetering van deze buurt ter hand nam, veel moeite heeft veroorzaakt.

In 1863 kocht de Vereeniging “Eigen Brood bovenal” ten oosten van het voetpad op Olde Galileen een stuk grond aan, waarop zij in het volgende jaar 66 arbeiderswoningen liet aanbouwen, terwijl tevens in 1864 de Lindebuurt, eene verbinding tusschen Olde Galileen en den Hoekstersingel door een particuliere onderneming ontstond.

Langs Olde-Galileen vindt men rechts vele warmoezerijen, terwijl er aan de kant van de Dockumer Ee verscheiden fabrieken gebouwd zijn, als eene chicoreifabrieke, eene dakpannenfabriek, eene scheepstimmerwerf e.a. Ook aan de overzijdevan de Dockumer Ee, langs den trekweg, welke bij Camstraburen op de stad uitloopt, vindt men deze industrieen: eene kalkbranderij en een pelmolen en een houtzaagmolen geven daar aan vele menschen werk.

De streek Camstraburen werd in 1859 bij de nieuwe verbinding van de Dockumer Ee met de stadsgracht doorsneden, waarbij o.m. het huis en de fraaie tuin van den heer Ruitenschild verdwenen. Het afgesneden, oostelijk gedeelte van Camstraburen kreeg daarna den naam van Eebuurt. In 1877 zal de toegang naar deze buurt worden verbreed, door het slechten van het hoekhuis aldaar. Langs de Spanjaardslaan staan slechts enkele woningen, en daar, waar zich later het Rengers-park uit zal strekken, ligt thans nog eene boerderij. Aan den Noordersingel daarentegen is reeds eene rij huizen opgetrokken. De eigenaars dezer perceelen zullen in 1865 vergunning verkrijgen om de sloot voor hunne woningen te dempen.

Aan den Noordersingel ligt de druk bezochte en bij de jeugd zoo wel bekende uitspanning “De Gouden Bal”, welke de leerlooierij van dien naam heeft vervangen. En ofschoon deze herberg in 1876 werd afgebroken, om op hare beurt plaats te maken voor de Singelstraat, toch leeft die naam nog in het volk voort, en heet deze wandeling nog algemeen: “Langs den Gouden Bal”. Onder het dichtbegroeide bladerdak van deze laan, langs de breede gracht en de frissche groene weide, waarover de blik onbelemmerd kan dwalen, gaan wij voort en bereiken al spoedig de zwem- en badinrichting welke, in 1851 door den heer Neuhaus opgericht, in 1852 overging aan de Societeit “Zwem- en Badlust”. Aan de overzijde der gracht, op het nog onafgegraven Klein Fentje op den Noordwesterdwinger, staat de molen De Leeuw, die aardig boven het groen uitsteekt. Wij laten den Harlinger straatweg, welke, op eene enkele boerderij na, nog geheel onbebouwd is, rechts liggen, en betreden bij de Vrouwepoortsbrug den schaduwrijken puinweg, die naar het voormalige Verlaat voert. Langs de herberg van Niemendal komen wij aan den molen “Het Lam” welke in 1830 van den Hoeksterpoortsdwinger naar de plek, waar het Marssumerbinnenpad eindigt, is overgebracht. Schuin daartegenover verheft zich op den Lieve-Vrouwepoortsdwinger de molen “De Arend”, terwijl op den Verlaatsdwinger, die de zuidwesthoek van de stad vormt, de Hooge Berg met den molen “De Hoop”, ligt. Naar het westen kan men het oog vrij laten gaan over de verre, onafzienbare weiden: niets belemmert hier nog het uitzicht. De tweede stadsvijver toch, met zijn golvend en beplant terrein, zal hier eerst in 1874 worden aangelegd en de broodfabriek, aan deze singel gelegen, werd pas in 1865 gebouwd.- Niet ver van de Verlaatsbrug staat de Harlingerstal voor de paarden van den trekvaartdienst op Harlingen. Toen echter de trekschuit plaats had moeten maken voor den spoorweg, werd de Harlingerstal sedert 1866 tot petroleumpakhuis gebezigd.

Wij gaan de nieuwe Verlaatsbrug, welke hier in 1859 is aangebracht, over. De oude sluis met hare veel bezochte herberg is verdwenen, maar de lommerrijke laan, die zich van hier naar de voormalige Wirdumerpoort slingert, is blijven bestaan. Halverwege deze laan ziet men den koepel van den heer Crommelin en aan het einde, bij den straatweg naar Zwolle, welke zich hier met eene bocht naar het zuiden wendt, bevind zich de herbert van Pieter de Boer.- Wij steken de vaste Wirdumerpoorts-brug, het zogenaamde “ Thijske-Tiltje”, niet over en keeren de rug toe aan den Wirdumerpoortsdwinger met den molen “De Fortuin”, om langs de Klanderij, of Nieuwe StadsHerberg, en de herberg “De Posthoorn”, de Potmargebrug te bereiken, welke in 1857 de oude pijp van dien naam heeft vervangen. Zoo komen wij langs de Romkeslaan en het weiland “de Oude Bleek” bij het uitgangspunt van onze wandeling, den weg Achter de Hoven terug.

Zooals uit dit overzicht blijkt, is de stad tot op dit tijdstip binnen hare oude wallen besloten gebleven. Wel ondergingen de buitenbuurten hier en daar enige wijzigingen, maar over het algemeen bleef de toestand zoo, als die sedert een paar eeuwen had bestaan. Groot zijn de veranderingen, welke hier sedert hebben plaats gegrepen en die haar een geheel ander voorkomen hebben gegeven. Daartoe behoort in de eerste plaats de uitbreiding van de stad naar het zuiden, welke wij thans zullen bespreken.


Terug