Tot op 1867, het jaar waarin het ontwerp van de uitbreiding der stad door het Gemeentebestuur werd goedgekeurd, had men bij de bebouwing der buitenbuurten geen geregeld plan gevolgd. Naar willekeur lieten enkele particulieren hier en daar huizen zetten, maar van eene door den Raad vooruit vastgestelde uitlegging van de stad was nooit sprake geweest. Wat heeft dan hiertoe aanleiding gegeven?

Van de vele oorzaken, welke tot zulk eene uitkomst samenwerken, is , in dit geval, de aanleg der spoorwegen wel de voornaamste geweest. Het tegenwoordige geslacht kan zich het maatschappelijk leven niet meer zonder die snelle verkeersmiddelen denken, docht welk een revolutie hebben zij bij hunne verschijning niet teweeggebracht! Handel en nijverheid namen hand over hand toe: de bevolking groeide snel aan; op ieder gebied ontwikkelde zich de behoefte om met de buitenwereld meer voeling en gelijken tred te houden. In October 1863 werd de spoorweg naar Harlingen geopend; in Mei 1866 volgde die naar Groningen, en in September 1868 reed de eerste trein van Leeuwarden naar Heerenveen, waarmee de directe verbinding met het hart des lands tot stand kwam.

Bij de feestelijke opening van den spoorweg naar Harlingen bediende men zich nog van het hulpstation, dat aan het Hollanderdijkje was gebouwd; het eigenlijke station, gelegen op de plaats, waar wij het thans nog kennen, werd in Februari 1864 geopend. Om een toegang tot dit station te verkrijgen, legde het Rijk den weg aan, welke van den Overijsselschen straatweg langs het erf van Pieter de Boer loopt.

Zoo stond het station dan op eenigen afstand van de oude wallen. Wat was nu natuurlijker, dan dat het Gemeentebestuur, gevoelende dat eene uitbreiding der stad noodzakelijk was geworden, daartoe het oog sloeg op het terrein, dat de stadsbuitensingel van de spoorlijn scheidde? Behalve een perceel, dat aan het Rijk toebehoorde, was deze grond echter geheel in handen van particulieren en de eerste zorg der Overheid was dan ook om in het bezit van deze landerijen te geraken. In 1864 en 1865 kocht de Gemeente de weilanden der heeren Dorhout, Bekker en Feyens aldaar, terwijl in het laatste jaar ook de herberg “Bellevue”, de voormalige koepel van den heer Crommelin, aan haar overging. De hiertoe benodigde gelden, samen fl. 50.000 bedragende, werden gevonden uit eene realisatie van inschrijvingen der Gemeente op het Grootboek.

Ook het land, dat het Rijk in 1862 had aangekocht om als opslagplaats bij den aanleg van den spoorweg en den aanbouw van het station te dienen, en waarop thans de Sophialaan ligt, werd na lange onderhandelingen het eigendom der Gemeente. Nadat de beide partijen den 5en December 1866 daaromtrent eene voorlopige overeenkomst hadden gesloten, werd den 29sten October 1870 eene acte van ruiling opgemaakt, waarbij Leeuwarden in het bezit van dezen grond kwam en daartegen aan het Rijk de drie bouwpercelen afstand, welke de Rijks Hoogere Burgerschool van de nieuwe kade afscheidden, onder voorwaarde, dat de Gemeente op het door haar verkregen terrein een straatweg van 30 M. loopende van de Prins Hendriksbrug tot het Stationsplein zou aanleggen, en aan dit plein een breedte zou geven van 50 M.

Zoodra men nu meester was van het terrein, kon men met de uitlegging van der stad een aanvang maken. Den 18den October 1866 diende de architect F. Romein daartoe een plan bij den Raad in, dat op 11 April 1867 werd goedgekeurd. Dit hoogst belangrijke werk hield niet alleen de bebouwing van den nieuwen aanleg in, maar omvatte ook de verandering der stad ten zuiden van het Zaailand en de verlegging van de buitengracht aldaar. Op het grondplan waren ten noorden der gracht drie nieuwe straten aangebracht: eene tegenover de Lombarts-steeg, de latere Zuiderstraat: eene tegenover de Oude Doelesteeg, de latere Prins Hendrik-straat, waarvan reeds een begin aanwezig was in de Zuiderwalsteeg, en eene tegenover de Haniasteeg, de latere Schoolstraat. In Februari 1867 besloot de Raad tot de onteigening van de huizen en gronden, tot doorbreking van deze straten benoodigd, over te gaan. Men heeft echter zijne toevlucht niet tot dezen maatregel behoeven te nemen, daar al deze perceelen bij minnelijke schikking aan de stad zijn verkocht. Voor de panden aan de oostzijde en op den noordwesthoek van de Zuiderwalsteeg gelegen, betaalde de Gemeente alleen reeds fl. 28.559. Ook voor de nieuw ontworpen kade moest zij een plekje gronds aankoopen, en wel het zuidelijk deel van den tuin van Jhr. Engelen, welke aan den ouden stadswal uitkwam met een stukje van het daar naast gelegen erf van den heer Minnema de With.

Den 9den Mei 1868 werd het eerste gedeelte der uitbreiding, dat de verlegging van de gracht en de werken aan de noordzijde van dit water omvatte, voor fl. 51824 aanbesteed. Met kracht en ijver toog men aan den arbeid. De gracht, welke zich in fraaie bochten van het Verlaat tot de Wirdumerpoortsbrug slingerde, werd in eene rechte lijn van het westen naar het oosten gelegd en de hierdoor gewonnen aarde met den grond, welke men door de afgraving van enkele gedeelten van den aanleg tusschen de Verlaats- en Wirdumerpoortsdwingers verkreeg, gebruikt tot ophooging der omliggende terreinen, waarop de kaden, de straten en den weg naar het station zouden komen te liggen: langs de gracht werden stevige walmuren opgetrokken en tegenover de Zuiderwalsteeg de fundamenten gelegd voor eene nieuwe draaibrug met twee doorvaarten: de latere Prins Hendrikbrug, welke in September 1868 voor fl. 7474 werd aanbesteed. Spoedig was ook de kade, die eerst den naam van Zuiderkade droeg, doch na het bezoek van Koning Willem III in Willemskade herdoopt werd, gereed. Zij strekte zich van de Zuiderplantage tot den “Hoogen Berg” uit en verving het sierlijke plantsoen, met zijne wandelpaden en bloemperken, waarin zich vroeger vele inwoners der stad hadden verlustigd.

Bij den aanvang van 1869 was men zoo ver met deze werken gevorderd, dat de Raad in Januari besloot tot de uitgifte van bouwterreinen ten noorden van de gracht. De toen in exploitatie gegeven perceelen hadden samen eene oppervlakte van 12.560 cA. In den loop van het jaar werden daarvan 23 verkocht n.l.: zeven in het Zaailand, waarvan er drie aan de Spaarbank werden toegewezen, acht aan de Willemskade en acht aan de Prins Hendrikstraat. Al deze perceelen waren in 1870 bebouwd: de Spaarbank, ontwassen aan het oude locaal van het Nutsgebouw op het Heerenwaltje, werd op 12 November van dat jaar in gebruik genomen. Maar met den verkoop van de overige gronden ging het minder vlot. Wel werden in 1870 nog vijf panden aan de Willemskade voor fl. 10.000 verkocht, doch naar de perceelen ten westen van de Prins Hendrikstraat maakte niemand gading. De reden hiervan was, dat deze plek deel uitmaakte van de oude bedding der gracht en de koopers zelf de kosten van ophooging van dit terrein moesten dragen. Daarom besloot de Raad deze tien perceelen publiek te doen verkoopen, hetgeen op 12 December 1871 plaats vond. Samen brachten zij fl. 8633 op.

Van het geheele bouwterrein bleef thans alleen nog de plek gronds open, welke naast de Rijks-Hoogere-Burgerschool gelegen, tot handelsbeurs was bestemd. Herhaaldelijk werden gunstige aanbiedingen tot aankoop van deze perceelen afgewezen, totdat de Raad in 1873 besloot ook dit terrein in openbare veiling te brengen, daar men voor het bouwen van eene Beurs den blik op een ander punt had geslagen, en wel op het westelijk gedeelte van de oude veemarkt tegenover het Paleis van Justitie. In Februari 1873 werd deze grond voor de som van fl. 33498 aan de Voogden van het Old-Burger-Weeshuis toegewezen. Het geheele bouwterrein ten noorden van de gracht had daarmede fl. 82309 opgebracht.

Intusschen was men druk in de weer geweest met het maken van rioleeringen en bestratingen en den aanleg der gasbuizen en der waterleiding voor de brandblussching in dit nieuwe stadsgedeelte. Op 7 Maart 1869 waren de bestratingen op de beide kaden, den nieuwen Stationsweg (sedert 1874 Sophialaan genoemd), de Zuiderstraat en de Prins Hendrikstraat voor fl. 11658 aanbesteed. Eerst in 1872, nadat de Gemeente in 1870 het huis E. 271 in het Zaailand had aangekocht, werd ook de Schoolstraat, zoo geheeten naar de school, welke men daar wilde stichten, doorgebroken en tegelijk met het westeinde der Willemskade geplaveid.

In den loop dezer jaren had zich de behoefte aan eene uitbreiding der veemarkt dringend doen gevoelen. In November 1870 werd daarom een plan tot vergrooting genomen. Het gevolg hiervan was, dat men besloot tot den aankoop van het huis en het erf van Meijer, hetwelk, midden op het plein gelegen, die uitbreiding in den weg stond. In 1871 werd dit pand, dat de Gemeente voor fl. 25.000 had gekocht, afgebroken. Tot eene vergrooting van de oude veemarkt op het Zaailand is het echter niet gekomen: nadat verschillende plannen waren besproken, besloot de Raad den 9en Juli 1872 eene nieuwe veemarkt te doen aanleggen op het terrein der uitbreiding, en wel ten noorden van den Staatsspoorweg, tusschen de Harlingervaart en de Sophialaan.

In deze belangrijke raadsvergadering werd tevens vastgesteld, dat men de bouwterreinen ten zuiden der gracht in exploitatie zou brengen. Het daartoe door den Architect Romein ontworpen stratenplan werd den 9en Januari 1873 goedgekeurd. Daarop waren de volgende nieuwe straten geprojecteerd: van het oosten naar het westen liepen: de Willemskade zuidzijde, de Van Swietenstraat, de Lange Marktstraat, de Sophialaan met het Stationsplein, en de Baljeestraat. Het geheele bouwterrein was in 102 perceelen verdeeld, en nadat de gelegenheid tot aankoop op 27 Februari 1873 was opengesteld, werden er in den loop van dit jaar reeds 52 panden in koop toegewezen, samen voor de som van fl. 104.514, terwijl in 1874 slechts zeven perceelen voor fl. 10.708 en in 1875 vijf voor fl. 10.120 werden verkocht. In dit laatste jaar stond de Raad het terrein gelegen tusschen de nieuwe veemarkt en de Harlingervaart voorloopig aan de heeren dr. M. Baart de la Faille en Oudschans Denz af, daar deze het plan hadden opgevat hier eene ziekenverpleging en badinrichting te stichten. Aan dit voornemen is echter geen gevolg gegeven, zoodat de Gemeente, met het oog op eene mogelijke uitbreiding van de veemarkt, - welke inderdaad in 1904 heeft plaats gehad, - dezen grond voor zich heeft behouden.

Het gereedmaken van het laaggelegen terrein vorderde intusschen zeer veel inspanning. Voor zoover dit werd ingenomen door de ontworpen straten en wegen en de veemarkt moest het door de Gemeente worden opgehoogd en om de hiertoe benoodigde aarde te vinden, besloot de Raad tot de afgraving van dat deel van den voormaligen Wirdumerpoortsdwinger, ’t welk in 1835 was blijven bestaan. In 1873 ging men hiertoe over, nadat de Gemeente eerst den hier staanden molen “de Fortuin” met het molenaarshuis had aangekocht en doen afbreken. Weldra bleek het echter, dat deze maatregel verre van afdoende was. Men moest naar een ander middel tot verkrijging van eene groote hoeveelheid aarde omzien, en daartoe viel het oog op den “Hoogen Berg” op den Verlaatsdwinger, een der meest geliefkoosde wandelingen van Leeuwardens ingezetenen. Hoewel noode, nam de Raad den 27sten December 1873 het besluit tot afgraving van deze hoogte tot bij den molen “de Hoop” en in Februari 1874 werd dit werk voor fl. 4.025 aanbesteed.

Welk eene bedrijvigheid heerschte er in die jaren op het terrein der uitbreiding! Rioleeringen en waterleidingen voor de brandblussching werden aangebracht: bestratingen en trottoirs gemaakt, de walmuur langs de Sneekerkade opgetrokken, huizen gebouwd en de veemarkt met hare ijzeren hekken, palen en leuningen, ingericht voor 2052 runderen, 1568 kalveren, 3200 schapen en 876 varkens, aangelegd. Deze markt, die der Gemeente fl. 86280 had gekost, werd den 17en April 1874 in gebruik gesteld. Hierop bevond zich tevens het gebouw voor het weegtoestel en de kantoren voor de ontvangst der marktgelden, terwijl er in 1876 nog eene woning voor den marktmeester aan toegevoegd werd.

Het villaterrein ten oosten van de veemarkt werd niet in exploitatie gebracht, daar men, bij eene mogelijke verplaatsing van het spoorwegstation, een breeden toegangsweg tot dit gebouw wenschte te behouden. Daaraan danken wij thans het fraaie plantsoen aan de Sophialaan, waarin in 1884 eene tent werd geplaatst.

Overeenkomstig het contract, in 1870 met het Rijk gesloten, werd voor het station een bestraat plein aangelegd, ter breedte van 50 M. In 1872 had de Gemeente reeds den Stationsweg met zijne beide zijtakken naar de Wirdumerpoortsbrug en de Schrans, welke het Rijk in 1863 had doen aanleggen, in onderhoud en beheer van den Staat overgenomen. Om een trottoir langs dien weg te kunnen maken tot aan den Overijsselschen Straatweg, welke toen nog met eene bocht naar het zuiden liep, kocht zij eene strook gronds aan van het land behoorende bij de herberg van Pieter de Boer, ten westen van het tegenwoordige Zuiderplein. Een gedeelte van dit land, grenzende aan de door de Gemeente gemaakte Baljeestraat, welke gedurende geruimen tijd allen alleen aan de westzijde is bebouwd gebleven, werd in 1888 in bouwperceelen verkocht. De koopers dezer perceelen verkregen de vergunning om de sloot, welke dit terrein van de Baljeestraat, de noordzijde van den Stationsweg, en de westkant van eene zijstraat van dezen weg.

Inmiddels bleef de nauwe doorvaart onder de vaste Wirdumerpoortsbrug eene belemmering voor de scheepvaart langs de nieuwe buitengracht. Daarom besloot de Raad in 1875 tot de verandering van deze brug in eene draaibrug met twee doorvaartsopeningen. In verband hiermede werd de gracht op dit punt verwijd, het terrein aldaar verlaagd en de walmuren langs de Willemskade verlengd, terwijl er een nieuwe walmuur, met los- en ladingplaats, langs de binnenzijde der gracht van de Wirdumerpoortsbrug tot de Huizumerbrug werd gemaakt, en die van de Wirdumerpoortsbrug tot de Potmargebrug werd verbeterd, waarbij men tevens de richting der gracht een weinig wijzigde. De nieuwe brug kwam in hetzelfde jaar gereed. Aan de uitvoering van het geheele werk legde de Gemeente fl. 47.490 ten koste.

De Rijks-straatweg naar Zwolle, welke men over de Wirdumerpoortsbrug bereikt, liep destijds nog met eene bocht om het Klanderij-land, dat aan de Gemeente toebehoorde. Om deze kromming af te snijden, ging zij in 1875 eene ruiling met het Rijk aan, waarbij zij een gedeelte van het Klanderij-land voor den aanleg van den nieuwen weg aan den Staat afstond en het terrein, waarop de oude straatweg van de Wirdumerpoortsbrug tot aan den overweg over de spoorlijn lag, benevens de driehoek lands, gevormd door de beide zijtakken van den Stationsweg, in eigendom verkreeg. De oude Klanderij bleef voorloopig nog bestaan: zij werd in 1891 afgebroken.

Thans bleef er ten noorden van de gracht nog het ruime en welgelegen bouwterrein open, dat ontstaan was door de algeheele afgraving van den Wirdumerpoortsdwinger. Reeds in November 1875 werd er een verzoek bij den Raad ingediend tot aankoop van grond aldaar. Dit werd echter geweigerd, daar het Gemeentebestuur deze plek wenschte te bestemmen voor een Beurs- en Waaggebouw. Eindelijk, nadat men sedert 1795 pogingen in het werk had gesteld tot verkrijging van een geschikte handelsbeurs, waaraan de behoefte zoo dringend werd gevoeld, en die veelal waren afgestuit op oneenigheid over de plaats, waar men de nieuwe Beurs zou stichten, had men eene plek gevonden, waarvan de gunstige ligging ieder in het oog sprong. Hier moest de Beurs staan! en daarmede een Waaggebouw verbonden worden, want de Oude Waag op de Nieuwestad bood, ofschoon zij op marktdagen door het aanbrengen van losse luifels vergroot werd, te weinig ruimte aan voor de aangevoerde boter. Het besluit tot stichting van een Beurs- en Waaggebouw, ter oppervlakte van 1600 cA., werd den 12en Juli 1877 genomen en men droeg den Gemeente Architect den heer Romein op, een ontwerp hiervoor in te zenden. Nadat de Raad diens plan had goedgekeurd, werd de bouw der Beurs in 1878 voor ruim fl. 140.000 aanbesteed, welke som later, door teleurstellingen bij het werk, nog met fl. 40.000 is vermeerderd. In 1880 kwam het gebouw gereed en werd in September van dat jaar geopend.

Met het tot stand komen van het Beurs- en Waaggebouw kan men deze uitlegging der stad als nagenoeg voltooid beschouwen. Zoo had Leeuwarden dan, binnen een tijdsverloop van twaalf jaren, eene uitbreiding verkregen, waarvan de geschiedenis der stad in den loop der eeuwen slechts een voorbeeld wist aan te wijzen, n.l. de aanbouw van de Nieuwestad, omstreeks 1450. Toen moest men tot de beveiliging der plaats nieuwe wallen opwerpen en nieuwe grachten graven. Thans zijn de eerste voor goed geslecht en dienen de laatste niet meer tot angstvallige afsluiting, maar tot een druk en levendig handelsverkeer. Welk een ruimen en frisschen indruk maakt de stad thans niet op ieder, die haar van de zuidzijde nadert: welvaart en keurige netheid springen hier het eerst in het oog.

Het groote plan van 1868 was dus, hoewel met zware krachtspinspanning, verwezenlijkt. Thans weten wij, dat dit slechts het begin is geweest van de evolutie van Leeuwarden, dat later zulk eene belangrijke uitbreiding naar het oosten heeft verkregen. In dien tusschentijd eischten verschillende andere werken, welke wij thans zullen nagaan, de zorg van het Gemeentebestuur.


Terug