Vielen er in het vorige tijdvak meer veranderingen binnen de oude wallen, dan daarbuiten te vermelden, thans nu de stad eenmaal hare groote uitbreiding naar het Zuiden heeft verkregen, treedt zij geheel buiten hare vroegere grenzen en zet zich naar alle richtingen uit. Het is het gewone verschijnsel, dat men in dit tijdvak bij iedere stad van eenige betekenis waarneemt en dat grootendeels moet worden toegeschreven aan de zucht tot centralisatie, die onzen tijd kenmerkt, en daarnevens aan de betere zorg voor de hygiene. De bevolking van Leeuwarden is in dit tijdvak dan ook driemaal zoo sterk toegenomen, als in het vorige: van 1846 tot 1870, dus in 24 jaar, steeg het zielenaantal van 23.000 tot 25.000, terwijl in de daarop 36 volgende jaren het aantal inwoners van 25.000 tot 34.000 is geklommen. Toch zou deze vermeerdering van bevolking de groote uitbreiding van de stad niet geheel verklaren, indien niet tevens de welvaart was toegenomen, waardoor men beter kan voldoen aan het verlangen naar ruimer en gemakkelijker woningen. De dicht bebouwde binnenstad bood daartoe weinig gelegenheid meer; men moest derhalve wel zijn toevlucht tot de buitenwijken nemen. In de loop dezer jaren vallen er dan ook, behalve de boven beschreven dempingen slechts enkele veranderingen van straten binnen de oude stad voor, welke wij thans nader willen beschouwen.

De ingang tot de Korfmakersstraat, tegenover de Korfmakerspijp, was, zooals boven reeds is meegedeeld, zeer nauw. Om dezen te verwijden kocht de Gemeente het winkelhuis “De Gouden Ring”, dat op den hoek van de Korfmakersstraat en de Voorstreek stond, aan en liet het afbreken. Van het daardoor vrijvallende terrein werd eene strook ter breedte van 1.75 M. aan den naastleger verkocht en het overige bij de openbare straat getrokken, waardoor deze op dit punt veel ruimer is geworden.

Daar de toegang tot verschillende straten in de binnenstad aan hetzelfde euvel lijden, trachtte het Gemeentebestuur bij de verbouwing van hoekhuizen zooveel mogelijk stukjes grond te verkrijgen om, door het afronden van de scherpe hoeken, de passage gemakkelijker te maken. Dit geschiedde o.m. in 1872, bij de verbouwing van het huis, staande op den hoek van de Minnemastraat en de Kelders; in 1882 met het perceel, dat den hoek van de Groote Kerkstraat en de Kleine Hoogstraat vormt; in 1894 met het hoekhuis van de Koningsstraat en de Tweebaksmarkt; in 1898 met het huis op de hoek van de St. Jacobsstraat en de Klokstraat en elders.

Vóór de hernieuwing van het Sint Anthony-Gasthuis in 1877, had de Groote Kerkstraat langs dit gebouw slechts dezelfde geringe breedte, welke zij nu nog tusschen de Beyerstraat en de Kleine Hoogstraat vertoont. Bij de verbouwing van het gesticht besloten de Voogden den voorgevel van het Gasthuis 250 M. meer naar het zuiden te verplaatsen en de gewonnen ruimte deels tot stoep te gebruiken en deels aan de Gemeente aan te bieden tot verbreeding van de straat, op voorwaarde, dat de Gemeente het brandriool, ’t welk slechts tot het Diaconiehuis liep, tot den hoofdingang van het Gasthuis zou doortrekken. Gaarne aanvaardde de Gemeente dit aanbod, waarbij zij niet alleen eene zeer gewenschte verbreeding aan dit deel van de Groote Kerkstraat kon geven, maar tevens ook den grond aan de St. Anthonystraat en aan de Beyerstraat ontving, welke vrijviel door de ronde hoeken, die aan het gebouw werden gebracht. De laatste straat bleef in het midden betrekkelijk nauw, daar het huis sectie A 1098 en de daaraan grenzende tuin van het oude Cammingha-horn (A 1097) daarin vooruitstaken. Om de Beyerstraat hier eene betere rioollijn te geven, kocht de Gemeente in 1883 een strook grond van genoemden tuin aan, en liet op hare kosten den voorgevel van het huis A 1098 verplaatsen.

Het Schoenmakersperk is sedert de demping der oude gracht aldaar, in 1863 zeer verbeterd. De kleine, bouwvallige huisjes aan de westzijde van dit pleintje zijn voor en na door de Voogden van het St. Anthony-Gasthuis aangekocht en in vroolijke tuinen herschapen: de sombere, blauwgetinte achtergevel van het Nieuwe Stads-Weeshuis werd in 1888 door den netten gevel van den nieuwen vleugel van dit gesticht vervangen: de kei-bestrating heeft in 1890 veel van hare verschrikking verloren, door den aanleg van een breed trottoir langs de westzijde en eindelijk werd, in 1903, de toegang tot den Prinsentuin zeer verbeterd door de afbraak van het huis Nieuweburen nr. 1. In 1890 heeft men de walmuur langs de Noordergracht van het Schoenmakersperk tot de Noorderbrug opgetrokken en in het volgende jaar kwam de bestrating van dezen weg tot stand.

Ook in vunzige achterbuurten op den Wissedwinger is langzamerhand verbetering gebracht. Door daar telkens armoedige woninkjes aan te koopen en af te breken, heeft men er meer lucht en licht gekregen, terwijl een groot bouwvallig huis, waarin verschillende gezinnen plaats vonden, vervangen is door eene rij nieuwe woningen. Naast het Gemeentebestuur komt aan de Vereeniging “Eigen Brood bovenal” allen lof voor dit goede werk toe: herhaaldelijk is het voorgekomen, dat zij hier panden aankocht en deed slechten, om den vrijvallenden grond aan de Gemeente te schenken.

Om een beteren toegang te verkrijgen tot de St. Dominicuskerk in de Speelmanstraat werd van katholieke zijde in 1886 het huis op den Eewal, vroeger door den heer Quintus bewoond, aangekocht. Een gedeelte daarvan bestemde men tot dit doel, terwijl het overige deel aan de Friesche Levensverzekering-Maatschappij werd overgedragen. Het voor den toegang vrijgemaakte terrein, ter grootte van 165 Ca., bood men der Gemeente aan, die deze plek grond voor den openbaren dienst aanwees en gedeeltelijk op hare kosten deed bestraten. Zoo ontstond in 1887 de Huygensstraat, dus genoemd naar het geslacht Huygens, dat dit huis in de 16e eeuw woonde en waarvan een der leden in 1531 en 1532 burgemeester van Leeuwarden is geweest.

In 1884 ontstond in het hart der stad een pleintje, deels door de verdwijning van een van Leeuwarden’s schoonste sieraden: de Nieuwetoren, deels door de slooping van een zijner oudste gebouwen: de voormalige St. Jacobskapel, die ten westen van den toren aan de Klokstraat lag. De toestand van den toren had het Gemeentebestuur reeds lang zorg gebaard, totdat hij door de Decemberstormen van 1883 zoo werd geteisterd, dat men het noodig achtte, hem te slechten. Voor 880 gld. werd hij op afbraak verkocht. De oude St. Jakobs-kapel, welke sinds 1581 als stedelijk eigendom werd beschouwd en tot allerlei doeleinden is gebruikt, was zoo bouwvallig geworden, dat zij noodzakelijk moest worden afgebroken. De door de amotie dier beide gebouwen ontstane ruimte werd in 1887 voor den openbaren dienst bestemd en met keien bestraat.

De voormalige Zuidwesterdwinger, waarop vroeger de “Hooge Berg” had gelegen, was zoals boven is meegedeeld, in 1874 gedeeltelijk afgegraven, om daardoor de benoodigde aarde te verkrijgen tot ophooging van het laaggelegen terrein ten zuiden van de stadsgracht. Een deel van den dwinger, n.l. dat, waarop de molen “De Hoop” lag, was echter blijven staan. Om over het geheele terrein te kunnen beschikken, kocht de Gemeente dezen molen in 1884 voor fl. 1.562 aan en liet hem het volgende jaar afbreken. Daar nu de vraag naar bouwterrein steeds grooter werd, besloot de Raad den dwinger thans geheel te doen afgraven en den vrijkomenden grond in bouwperceelen uit te geven, en dit des te gereeder, naarmate hij daarvan verbetering verwachtte van den slechten toestand van het Arendsklooster, dat, achter de Schoolstraat, aan den voet van den dwinger lag. Door de afgraving toch zouden licht en lucht vrijeren toegang tot deze dicht bevolkte achterbuurt krijgen en liet het zich aanzien, dat de eigenaren der bouwvallige woningen hunne panden in beteren toestand zouden brengen. Bij het afgraven van den dwinger bleek het, dat de oudergrond geheel waardeloos was, zoodat de Gemeente, in plaats van deze aarde te kunnen verkoopen, aan het uitgraven en vervoer daarvan fl. 650 ten koste legde. In 1887 was men met het bouwterrein gereed: op het bouwplan, dat in 21 perceelen was verdeeld, waren twee straten ontworpen: de Arendsstraat, die evenwijdig loopt met de Schoolstraat en de Westerkade langs de Stadsgracht. Het aanbrengen der rioleeringen en bestratingen werd in eigen beheer uitgevoerd. De bouw perceelen, die in openbare veiling werden verkocht, brachten samen fl. 12.193 op en werden spoedig bebouwd. Omtrent het Arendsklooster is de verwachting verwezenlijkt: de toestand van die buurt is veel verbeterd, vooral ook door de uitbreiding van Gemeenteschool no. 4, waarvoor in 1890 eenige perceelen aldaar door de Gemeente werden aangekocht en afgebroken.

Na het slechten van “De Hoop”, in 1885 bleef er van de talrijke molens, welke vroeger op de stadsvesten gestaan hadden, nog maar een over, n.l. “De Arend” op den Lieve-Vrouwpoortsdwinger. In 1895 kocht de Gemeente ook dezen molen met het molenaarshuis voor fl. 5.000 aan. Nog zes jaar lang heeft hij lustig gedraaid, totdat hij, in December 1901, wegens bouwvalligheid op afbraak werd verkocht. Jammer, dat dit molentje, dat hier zoo aardig boven het groen uitstak, ook moest verdwijnen. De Lieve-Vrouwepoortsdwinger werd daarop in het volgende jaar tot plantsoen aangelegd.

Sedert in 1905 aan de eigenaars van de panden in de Torenstraat vergunning is verleend tot het maken van een uitgang uit hunne woningen op den ouden stadswal, is de palissadeering achter deze huisjes weggenomen en de rij hooge olmen daarlangs geveld, terwijl de weg daarop in 1906 van riolen is voorzien. Waarschijnlijk zal die buurt daar thans, door vernieuwing der huisjes, langzamerhand een beter voorkomen krijgen. Jammer slechts, dat die lage oude schuur met hare bemoste roode pannen, die aan den voet van den Oldehoof stond, plaats heeft moeten maken voor een modern, betrekkelijk hoog gebouw, dat ten toren, van de westzijde gezien, voor een deel verbergt.

Voor onze aan boomen zoo arme stad mag de aanleg van een openbaren tuin binnen de oude wallen zeker eene aanwinst worden genoemd. In den winter van 1881 werd, bij wijze van werkverschaffing, het plantsoen op de Oude Veemarkt gemaakt volgens het ontwerp van den heer H.C. Zwart. Zomers wordt er van dit schaduwrijke, fraai aangelegde plekje een druk gebruik gemaakt.

Zooals uit dit overzicht blijkt, zijn de veranderingen, welke de binnenstad in dit tijdvak heeft ondergaan, niet talrijk geweest. Naar buiten heeft Leeuwarden daarentegen zeer ontwikkeld: hare singels zijn thans grootendeels bebouwd en sommige buurten hebben eene aanzienlijke uitbreiding verkregen, om van de uitlegging der stad naar het oosten, sedert de opening van het Nieuwe Kanaal, niet te spreken. Laten wij eerst den aanbouw der buitenbuurten sedert 1870 nagaan, om daarna met de beschrijving van het ontstaan der wijk langs het Nieuwe Kanaal te eindigen.


Terug