Het nieuwe kanaal en de weg Achter de Hoven

Evenals de aanleg der spoorwegen de onmiddelijke aanleiding is geweest tot de uitbreiding der stad naar het zuiden, zoo ligt ook aan hare uitlegging naar het oosten het ontstaan van een nieuwen verkeersweg ten grondslag: n.l. het graven van het Nieuwe Kanaal, dat deel uitmaakt van de verbeterde aansluiting van Leeuwarden op het grootscheepsvaarwater van Groningen naar Stavoren en De Lemmer. Het vaarwater van Leeuwarden naar Garijp, dat de verbinding met dezen waterweg vormt, had men, terwijl vele kanalen in Friesland in de laatste jaren water uitgediept, op het oude peil (1.70 M. beneden zomerpeil) gelaten en bovendien ondervonden de schippers in de nabijheid van Leeuwarden groote moeilijkheden door de geringe afmetingen van het Vliet en de kronkelingen van de nauwe Potmarge. Reeds in 1882 werd er een voorloopig plan tot doorgraving van een kanaal van de Zuidergracht naar de Tynje, waarvan de kosten op fl. 361.000 waren geraamd, ter sprake gebracht, doch de tijd was toen daarvoor nog niet rijp.

In 1888 werd deze zaak opnieuw aangegrepen en thans krachtiger doorgezet. Onderhandelingen over dit hoogst belangrijke werk, dat zoowel voor de Provincie als voor de Gemeente van het grootste gewicht was, werden met Gedeputeerde Staten aangeknoopt, bij wie het plan eerst weinig bijval ontmoette. In 1889 namen zij het echter, in verband met de voorgenomen verbetering van de vaart van Harlingen naar Leeuwarden, in overweging en de volgende jaren verstreken met de bespreking der geschilpunten over de uitvoering. Deze waren talrijk: de vraag rees, of het werk door de Provincie, met subsidie van de Gemeente, of omgekeerd, door de Gemeente met eene toelage van de Provincie, tot stand zou worden gebracht; men was het oneens over de richting van het Nieuwe Kanaal, over onderdeelen van den aanleg en eindelijk over de wijze van de tolheffing, totdat de Raad den 26sten Mei 1891 besloot tot het maken van het verbindingskanaal van de Zuidergracht met de Tynje, indien de Provincie hiervoor eene subsidie van fl. 135.000 verleende, het Nieuwe Kanaal, met uitzondering der bruggen en der walmuren, in onderhoud en beheer overnam en de verbetering der vaarwaters van de Tynje naar Garijp en van Leeuwarden naar Harlingen voor hare rekening uitvoerde. Deze resolutie werd den 22sten September daarop zoo gewijzigd, dat de voorwaarde tot verdieping van het kanaal van Leeuwarden naar Harlingen verviel, waarop de Gedeputeerde Staten den 18en October hunne goedkeuring aan het genomen besluit hechtten.

Hiermede was de verwezenlijking van het plan tot doorgraving van het Nieuwe Kanaal tot zekerheid geworden en moest de Gemeente in de eerste plaats zorgen, dat zij de landerijen, welke dit vaarwater zou doorsnijden, in eigendom verkreeg. Doch dit niet alleen. Men was overtuigd, dat het van het grootste belang voor de Gemeente zou zijn, indien zij tevens in het bezit kon geraken van de gronden, welke aan weerszijden van het ontworpen kanaal lagen, om deze later als bouwterrein te kunnen verkoopen en handelde dienovereenkomstig. Reeds voor het Raadsbesluit nog was gevallen, had de Gemeente te dien einde eene zathe en landen Achter de Hoven, benevens eenige landerijen onder Huizum samen ter grootte van 2.236 Are voor fl. 85.238 van den heer J. Bieruma Oosting verkregen en, zoodra den 9en Februari 1892 de richting en de breedte van het te graven kanaal waren vastgesteld, ging zij tot 1895 geregeld voort met de aankoop der hier liggende goederen. Buiten de zooeven genoemde bezitting werden aan landerijen aangekocht:

Een huis en gardeniersland van Jhr. Mr. I.F. Van Humalda van Eysinga, groot 17.356 c.A.
Eene zathe en anden op Kleyenburg, toebehoorende aan de familie Beekhuis, groot 137.692 c.A.
Een perceel weiland van W. Talsma, groot 12.990 c.A.
Eenige perceelen weiland van de Wed. C. Lubberts-Plet, groot 25.300 c.A.
Een huis met gardeniersland van de Wed. W. Hooft-Beugelaar, groot 18.738 c.A.
Een perceel weiland van de familie A. de Vries, groot 6.670 c.A.
Een perceel weiland van S. Jansen en J.A. van der Noord, groot 7.720 c.A.
Een stuk land van Jkvr. C. du Tour van Belinchave, groot 335 c.a.

terwijl de Gemeente ruiling van grond aanging: 1. Met den heer W.L. van der Vegte, die zijn plaats, welke ter hoogte van de Tweede Kanaalsbrug lag, aan haar afstond en daarvoor de van den heer Oosting aangekochte boerderij aan den weg Achter de Hoven, later Johannastate genaamd, met eene toehaak van fl. 8.000, ontving en 2. met den heer Feitz, van wien, tegen 1100 cA. land, 355 cA. in ruil werd overgenomen. In het Nieuwe Kanaal versmolt mede een deel van het oude exercitieveld, dat in het geheel eene oppervlakte had van 23.470 c.A., terwijl het overige deel bij het bouwterrein werd gevoegd.

Aan den Grachtswal moesten zeven huizen ten behoeve van de doorgraving verdwijnen, en wel die van de familie Tigler Wybrandi, Mevr. de Wed. A. Winterswijk - Kutsch, de heeren J. Keizer en C.M.I. van den Heuvel Reynders en drie van de familie Kuipers, welke laatste de Gemeente slechts door onteigening heeft kunnen verkrijgen. Hiernaast stond de heer J.L. van Sloterdijck gratis een stuk tuingrond, ter grootte van 172 c.A. af, om aan de kade de gewenschte breedte te kunnen geven.

Zoo had de Gemeente de beschikking verkregen over een terrein van 451.237 c.A., waaraan zij, met inbegrip van het exercitieveld, dat eene waarde van fl. 11.735 vertegen-woordigde, ruim 3 ton ten koste heeft gelegd. Via deze gronden is door het kanaal een oppervlakte van 63.150 c.A. ingenomen, zoodat er voor het ontstaan der nieuwe wijk 388.087 c.A. overbleef.

Het graven van het kanaal met bijbehorende werken was intusschen den 24sten April 1894 door de heeren J. van Veen en A. van Seters aangenomen voor fl. 207.400. Het werd uitgevoerd onder toezicht van den ingenieur L. van Krimpen, die het plan van het kanaal had ontworpen en het bestek had opgemaakt. Het nieuwe vaarwater, loopende van de Zuidergracht tot de Tynje, kreeg een lengte van 1.700 M., terwijl de bodemswijdte van het eerste kanaalpand van den Grachtswal tot den weg Achter de Hoven, op 35 M., en die van het tweede kanaalpand, van den weg Achter de Hoven tot op de Tijnje, op 24. ½ M. werd gebracht. De Raad had dit verschil in breedte vastgesteld met het oog op de geschiktheid van het eerste kanaalpand tot aanlegplaats voor schepen en wilde daarmede voorkomen, dat de doorvaart op eenigerlei wijze belemmerd zou worden. Volgens zijne besluiten van 9 Februari en 9 Augustus 1892 werden langs het eerste kanaalpand walmuren opgetrokken en langs het tweede beschoeiingen gemaakt, terwijl er in den Grachtswal en in den weg Achter de Hoven draaibruggen met twee doorvaarten, elk ter breedte van 7 M., werden aangebracht. Langs het tweede kanaalpand legde men aan weerszijden verharde wegen aan. Bij de in het verstek begrepen werken behoorde o.m. het verplaatsen van den watermolen op Kleyenburg naar de zuidzijde van het kanaal, en het stellen van een jasker aan de noordzijde daarvan ten behoeve der landen, welke door het nieuwe vaarwater van hunne bemaling werden beroofd.

Op 25 November 1895, ’s morgens te acht ure, had de opening van het Nieuwe Kanaal zonder eenige officieele plechtigheid plaats en dadelijk reeds werd er een druk gebruik van gemaakt. Geen schip van eenigen diepgang nam meer zijn weg langs de vroeger zooveel bevaren Potmarge, welke nu, sedert er in 1905 een dam in is gelegd om te verhinderen, dat het afvoerwater van de stroocartonfabriek de stadsgrachten zal verontreinigen, voor de doorvaart naar de Tijnje geheel onbruikbaar is geworden. De scheepvaart naar dezen waterweg verdeelt zich nu over het Vliet en het Nieuwe Kanaal.

Toen het Nieuwe Kanaal gereed was, kon men overgaan tot het in exploitatie brengen der terreinen, welke zich aan weerszijden daarvan bevonden. Inmiddels had de heer W.C.A. Hofkamp, Directeur van Gemeentewerken, een grondplan ontworpen voor den aanleg der wegen ten noorden van het kanaal, tusschen den Grachtswal en den weg Achter de Hoven, waarop ook, ten zuiden van dit kanaalpand, de latere Emmakade zuidzijde, de Verkorte Weg en de Maria Louisa-straat waren geprojecteerd. Dit plan werd den Raad aangeboden, die het nu lange overweging den 2en Maart 1896 goedkeurde, met uitzondering evenwel van de daarop aangebrachte harddraversbaan. Tevens besloot men, dat de ontworpen wegen van riolen en buizen voor de gas- en waterleiding voorzien, bestraat en beplant zouden worden.

Den 14en April daarop stelde de Raad de voorwaarden vast voor de uitgifte in verkoop of in erfpacht van de geprojecteerde bouwperceelen. Toevallig echter behoorden de eerste terreinen, waarnaar gading werd gemaakt, niet tot de reeds afgebakende bouwblokken. Den 21sten Juli 1896 stond de Gemeente n.l. eene plek gronds ten zuiden van het kanaal bij de tweede Kanaalbrug, ter oppervlakte van 40 Are, in erfpacht af aan de Vereeniging: “De Cooperatieve Stoomzuivelfabriek te Leeuwarden”, terwijl zij den 11en Augustus daarop, aan gene zijde van de in 1895 gebouwde brugwachterswoning, een tweede perceel, groot 4 ½ Are, verkocht voor de oprichting van eene lebbendrogerij. Deze drogerij is hier sedert weer verdwenen, doch het daarbij behoorende woonhuis is blijven bestaan.

De stichting van de stoomzuivelfabriek bracht mede, dat de Gemeente reeds spoedig overging tot den aanleg van den weg langs de zuidzijde van het Nieuwe Kanaal. Bij de aanbesteding van dit werk bleek het dat de verschillende inschrijvingen de door den Directeur van Gemeentewerken gemaakte begrooting verre overschreden, zoodat de rioleering en de bevloering van het gehele stratennet in eigen beheer zijn uitgevoerd. Men toog met zoveel ijver aan den arbeid, dat de weg, waaraan eene breedte van 43 M. werd gegeven, op het tijdstip, waarop de fabriek in werking trad, voor het verkeer kon worden opengesteld. Tevens werden ook de Maria Louisastraat en de Verkorte Weg bevloerd, daar het Gemeentebestuur reden had aan te nemen, dat hier spoedig aanvragen om bouwterrein ingewacht konden worden. Het eerste woonhuis op het terrein der uitbreiding verrees dan ook in 1897 aan den Verkorte Weg. Het werd weldra door andere gevolgd, zoodat er binnen korten tijd aaneengesloten rijen huizen langs beide genoemde straten en het eerste gedeelte van de Emmakade waren aangebouwd.

De weg Achter de Hoven, waarop zoowel de Verkorte Weg als de Maria Louisastraat uitloopen, is door het ontstaan van het Nieuwe Kanaal ten eenenmale van karakter veranderd. De oude laan, die, zoals haar naam aanduidt, vroeger alleen langs warmoezerijen en buitenhuizen liep, behoort thans tot aan den overweg van het Staatsspoor tot het nieuwe stadsgedeelte en ook verder is deze vroeger zoo fraaie wandeling, waaraan Maria Louisa haar lusthuis stichtte, grootendeels bebouwd. Doch deze verandering dateert niet geheel van den aanleg van het Nieuwe Kanaal: eigenlijk is zij reeds begonnen op het tijdstip, waarop de spoorweg naar Groningen en de hier liggende bloemkweekerijen doorsneed en den zuid-oostelijken hoek van het excercitieveld afscheidde. Destijds lagen aan den zuidkant van den weg, aan deze zijde van de spoorlijn, slechts twee woningen: n.l. een huis op den zuidoosthoek van de tegenwoordige Fabriekssteeg en de tuinmanswoning van Hornstra. Na het overlijden van dezen bloemist werd de bij zijn huis behoorende grond in bouwperceelen verkocht, waarop hier omstreeks 1876 de “Johannisbuurt”, benevens eene rij woningen langs den hoofdweg, verrees. Langzamerhand zijn er meer huizen gezet, zoodat deze streek thans geheel volbouwd is. In 1899 werd het zooeven genoemde huis op den hoek van de Fabriekssteeg afgebroken en door nieuwe woningen vervangen, waarbij de Gemeente eene ruiling van grond met den eigenaar aanging om aan de steeg eene betere richting en meerdere breedte te geven, terwijl de huizen in de rooilijn werden geplaatst.

Aan de noordzijde van den weg strekten zich tot voor enkele jaren grootendeels tuinen en warmoezerijen uit, welke alleen door de Florabuurt werden onderbroken. Hier lagen n.l.: 1 op den hoek van den weg, waar deze zich naar het oosten buigt, de tuin met het zomerverblijf van den heer Nauta Andreae, die in 1887 door de Gemeente werd aangekocht met het doel om hier mettertijd eene school te stichten, doch welk terrein zij voorshands eerst als tuingrond en later als cokes-bergplaats verhuurde: 2. De tuin van den heer Corbelijn Battaerd, welke vroeger deel had uitgemaakt van de uitspanning "De Harmonie” en die eerst in 1906 als bouwterrein is eexploiteerd: 3. De gardenierslanden van Jhr. Mr. I.F. Humalda van Eysinga en Mevrouw de Wed. Hooft-Beugelaar, welke in 1893 ten behoeve van het Nieuwe Kanaal werden aangekocht, terwijl men eindelijk bij den overweg den toegang tot het exercitieveld vond.

In 1876 had men den puinweg Achter de Hoven ten behoeve van de toenemende bevolking tot dit punt bevloerd en de bermslooten, welke deze laan van de belendende perceelen afscheidden, gaandeweg gedempt, naarmate de aanbouw van woningen dit vorderde. Toen nu, na den aanleg van de Maria Louisastraat en den Verkorte Weg op beide bovengenoemde perceelen, in 1898 ook de noordzijde van den weg Achter de Hoven werd bebouwd, ontstond hier eene ruime straat, waaraan het Gemeentebestuur, met het oog op het ontwerp van een tramlijn naar Veenwouden, eene breedte van 12 M. verleende. Daarmede was de metamorphose van deze voormalige buitenbuurt bereikt, al werd deze eerst in onze dagen voltooid door de stichting van Gemeenteschool no. 12 en den aanleg van de Kanaalstraat.

Met den weg Achter de Hoven was het aanvankelijk in exploitatie gegeven terrein aan de zuidzijde van het Kanaal volbouwd, zoodat men er in 1899 tot eene nieuwe indeeling van bouwperceelen alhier overging. Hierbij werd rekening gehouden met den voorgenomen aanleg der bovenvermelde tramlijn, die, den weg Achter de Hoven verlatende, tot nabij de tweede Kanaalbrug langs de bermsloot van den spoorweg naar Groningen zou loopen. Men stelde daarvoor eene strook gronds beschikbaar tusschen deze sloot en den beplanten wandelweg, die het einde der Maria Louisastraat in rechte lijn verbindt met den weg bij den tweede Kanaalbrug. Langs deze laan loopt de in 1902 ontworpen Willem Lodewijkstraat. In 1903 maakte men een begin met den aanbouw van huizen langs deze straat en spoedig daarop volgde de bebouwing van de Johan Willem Frisostraat, de Gijsbert Japicxstraat, de Oranje Nassaustraat en de aanleg van het Oranje-Nassau park, terwijl de huizenrij langs de Emmakade steeds aangroeide. In het tiental jaren, welke na het graven van het Nieuwe Kanaal verloopen zijn, werden er op het terrein der uitbreiding aan de zuidzijde van het kanaal ruim 150 gebouwen gesticht, waaronder verschillende fabrieken en werkplaatsen, zooals een stoomzuivelfabriek, eene fabriek voor het maken van vruchtensap, eene werkplaats voor houtbewerking, een gebouw voor den groothandel in thee, eene boekbinderij e.a.

In 1906 kwam er eene nieuwe verbinding van de Emmakade met den weg Achter de Hoven tot stand en wel door de Kanaal-straat, welke op het bovengenoemde erf van den heer Corbelijn Battaerd werd aangelegd. Bij de voorbereiding der plannen tot uitbreiding der stad had het Gemeentebestuur reeds het oog op dit terrein geslagen om den Grachtswal in rechte lijn tot den weg Achter de Hoven door te kunnen trekken: men kon het echter over den koop niet eens worden. In 1905 verkocht de heer Battaerd deze perceelen aan den heer A.G. van der Mey. Het door deze ingediende bouwplan werd den 27sten December 1905 door den Raad goedgekeurd en in de eerste maanden van het volgende jaar ontstond de nieuwe straat, terwijl men tevens een begin maakte met het bouwen van huizen daaraan. Op den hoek dezer straat aan de Emmakade is een terrein open gehouden voor de stichting van een gebouw, dat tot brug-wachterswoning en politiepost zal dienen.

Het overzicht over de ontwikkeling der stad aan de zuidzijde van het Kanaal tot 1906 zou met deze beschrijving niet volledig zijn, indien de bebouwing van den weg Achter de Hoven aan gene zijde van den overweg van den staatsspoor en het ontstaan van de straten, welke daarop uitkomen, hier niet ter sprake werd gebracht. Nog staan hier enkele boomen en liggen hier eenige tuinen en warmoezerijen, welke aan den vroegeren toestand herinneren, maar voor een groot deel is deze voormalige laan in eene straat herschapen. Deze verandering is langzamerhand tot stand gekomen: eerst werden hier in 1868, toen de Zuiderwalsteeg voor de Prins Hendrikstraat plaats moest maken, de arbeiderswoningen aangebouwd, die de Hendriks- en Mariabuurten vormen: daarna stichtte Jhr. Mr. P.B.J. Vegelin van Claerbergen in 1872 het hofje Fribourg: in 1885 werd, ten behoeve van den aanbouw van woningen, de bermsloot langs de zuidzijde van den weg Achter de Hoven, van Marieburg af toe voorbij de Hendriksbuurt, gedempt: in 1898 zette men eene reeks huizen tegenover Johannastate: in 1905 verrezen de verschillende Vegelinstraten en de Ypeystraat tusschen deze state en de Hendriksbuurt, terwijl in 1906 ook de warmoezerijen werden bebouwd, welke aan de bocht van den weg tegenover het vroegere buiten Zorgvliet lagen. Dit buiten is reeds lang verdwenen en het daarbijbehoorende “bosch” is geveld en heeft plaats gemaakt voor gardenierslanden, terwijl het woonhuis werd vervangen door eene boerderij, die later als bleekerij dienst deed. In Februari 1905 ging dit huis in de vlammen op: op dezelfde plek heeft men nu nieuwe woningen gebouwd.

Het gedeelte van den weg achter de Hoven, dat in noordoostelijke richting hierlangs loopt, heeft nog zijn oude karakter behouden en tot aan de tweede Kanaalbrug biedt deze laan naar het oosten een ruim vergezicht over weilanden en naar het westen een aardig kijkje op de stad aan. Hoe lang echter zal de bouwspeculatie deze fraaie wandeling nog onaangetast laten?

Heeft de stad zich dus ten zuiden van het Nieuwe Kanaal zeer ontwikkeld, niet minder breidde zij zich ten noorden van dit vaarwater uit. Zoals boven is meegedeeld, werd het grondplan voor den aanleg der wegen ten noorden van het Nieuwe Kanaal, van de eerste tot de tweede Kanaalbrug, den 2den Maart1896 vastgesteld. Hierop waren ontworpen: de Emmakade noordzijde en de straten, welke later naar Vredeman de Vries, Menno van Coehoorn, Claes Bockes Balck, Pieter Feddes en Bothe van Bolswert genoemd zijn, terwijl er tusschen de Emmakade en de Vredeman de Vriesstraat, die in eene wijde bocht op de kade rust, een terrein werd opengehouden, waaraan later eene bestemming gegeven zal worden. Toen aan het einde van 1897 de Emmakade en de Vredeman de Vriesstraat hare voltooiing naderden en de verkoop van bouwterreinen hier veel te wenschen overliet, besloot de Raad dit grasveld niet in een kostbaar plantsoen te herscheppen, doch het eenvoudig tot sportterrein te bestemmen. Intusschen had men in dit jaar eene kleine wijziging in het grondplan moeten brengen: het bleek n.l. dat de heer Dorama, wonende aan het Zuidvliet, volgens een vroeger met de Gemeente gesloten contract recht had op den aanleg van eene straat ten zuiden van zijn erf. Dientengevolge werd het oostelijk deel van het Molenpad, bij de Hellingbuurt, een weinig naar het noorden verlegd en vormt thans een gedeelte van de Johannes Semsstraat.

In 1898 kocht de Gemeente twee perceelen weiland achter den Grachtswal, welke zij reeds vroeger te vergeefs getracht had in eigendom te verkrijgen, van de Erven van baronesse C. du Tour van Bellinchave aan. De aanwinst van dit terrein in de nabijheid der oude stad was van groot belang voor den aanleg van nieuwe verbindingswegen, terwijl eene strook gronds daarvan al dadelijk werd gebezigd tot verbetering van bouwblok I, dat zeer ondiep was. Bij de indeeling van het grondplan had de Raad den 14en April 1896 tevens de voorwaarden voor de uitgifte van bouwterreinen vastgesteld, en in Maart 1897 werd het eerste perceel, ten noorden van het Nieuwe Kanaal bij de tweede Kanaalbrug gelegen, toegewezen aan den heer G. Jellema, die kort daarop ook een gedeelte van het bouwblok I, bij de eerste Kanaalbrug, aankocht. Over het algemeen beantwoordde de verkoop van bouwterreinen in de eerste jaren niet aan de verwachting, die men daarvan had gekoesterd. Zoo had men zich voorgesteld, dat er spoedig vele aanvragen zouden inkomen naar de perceelen, welke het dichtst bij den Grachtswal waren gelegen, doch juist hiernaar werd weinig gading gemaakt door den ongeschikten vorm van dit bouwblok. In 1898 stichtte de heer G. Jellema hierop het uit de rooilijn vooruitspringende huis, doch daar de verkoop van de overige perceelen op zich liet wachten, besloot de Raad in 1899 het ten westen daaraan grenzende gedeelte in openbare veiling te brengen en de andere perceelen te vergrooten. Tevens werden de voorwaarden tot uitgifte van bouwperceelen gewijzigd. Dit had het gewenschte gevolg: de verkoop van bouwterreinen nam dermate toe, dat in 1900 verschillende panden tot eene gezamenlijke oppervlakte van ruim 1 H.A. werden toegewezen en de aanbouw van huizen snel vorderde.

Inmiddels bleken de veranderingen, welke het oorspronkelijk grondplan moest ondergaan, van dien aard, dat de Raad het in 1900 introk en een nieuw plan voor de uitbreiding vaststelde. Hierop waren, nevens de boven-genoemde straten, de Margaretha de Heerstraat en de Johannes Semsstraat ontworpen, terwijl men in beginsel besloot tot den aanleg van de Wybrand de Geest-, de Sybrandus Leo- en de Willem Lorestraten. Thans, na verloop van vijf jaren zijn deze straten alle geheel of gedeeltelijk voltooid, daarnaast ontstonden nieuwe wegen, en nog verkeert het terrein in volle evolutie. Het laatste grondplan dateert van 20 Februari 1906 en alles wijst er op, dat verschillende nog niet daarop ontworpen verbindingswegen eens doorgetrokken zullen worden.

De meeste wegen zijn door de Gemeente in eigen beheer aangelegd: soms echter geschiedde dit op particulier initiatief, onder haar toezicht. Zoo vroeg en verkreeg de heer G. Jellema in 1901 vergunning tot aanleg van straten bij de tweede Kanaalbrug, onder voorwaarde, dat het daaraan gelegen terrein volbouwd moest zijn voor 1 October 1903: zoo stichtte de aannemer H. Arends in 1900 de woningen aan de door hem gemaakte Bisschopstraat en legde de heer K. Key in 1904 de Jacob van Akenstraat aan, welke beide op het Molenpad uitloopen; terwijl in 1905 het bouwplan van den heer A. Pijkstra werd goedgekeurd, die langs de door hem opgerichte werkmansbuurt bij de tweede Kanaalbrug de Rembrandt- en Saskiastraten heeft aangelegd, welke onderling door de eerste, tweede en derde Rembrandtdwarsstraat worden verbonden. Volgens dit bouwplan is ten noorden van de derde Rembrandtdwarsstraat eene straat gemaakt, welke men eenmaal met de Willem Lorestraat in verbinding hoopt te brengen.

Laatstgenoemde straat heeft haar ontstaan te danken aan de demping van de sloot, die vroeger achter de Chicoreibuurt langs liep. In 1902 verkreeg de Gemeente de vrije beschikking hierover en weldra had het vuile water met den daaraan grenzenden gemeentegrond plaats gemaakt voor een flinken rijweg met trottoirs. Later werd de Willem Lorestraat doorgetrokken langs Pietersburen en achter Pietersburen. Hier vindt men thans nog twee nauwe, vuile slooten, doch men heeft gegronde hoop, dat ook deze mettertijd zullen verdwijnen en met name de Zoutsloot, bij demping, eene nieuwe verbinding met het Zuidvliet zal vormen, als voortzetting van de Sibrandus Leostraat. Deze laatste straat werd in 1903 aangelegd, toen men met de uitgifte der perceelen op bouwblok VI een aanvang maakte, terwijl de bebouwing van dit terrein in het volgende jaar ook de bevloering van de Claes-Bockes Balck-, Pieter Feddes- en Bothe van Bolswertstraten tengevolge had. Bouwblok VI was reeds in 1901 in exploitatie gebracht en daarmee de Johannes Semsstraat ontstaan, en, nadat in November 1902 het Bestuur der ambachtschool een groot gedeelte van het bouwblok III, ter oppervlakte van 4126 c.A. had aangekocht en hierop de nieuwe ambachtsschool stichtte, werd in 1904 de Menno van Coehoornstraat aangelegd, die door de voormalige Hellingbuurt op het Zuidvliet uitloopt.

Het in 1898 verkregen terrein kwam eerst geheel tot zijn recht, toen de Gemeente er in 1904 in slaagde het huis op den Grachtswal tegenover de Oosterbrug van de Erven der Weduwe van Asperen aan te koopen. Dit werd geslecht en zoo ontstond er een nieuwe toegangsweg tot den Grachtswal. In 1906 werden de Margaretha de Heerstraat en de Wybrand de Geeststraat, waarvan nog slechts een klein gedeelte was aangelegd, doorgetrokken, nadat het vorig jaar de Voogden van het Old-Burger Weeshuis eene plek gronds ter groote van 1805 c.A. tot stichting van een nieuw Gabbema-Gasthuis aan de Wybrand de Geeststraat, en het Bestuur van de Vereeniging voor Christelijk School-onderwijs een terrein, groot 20 A., aan de Margaretha de Heerstraat hadden aangekocht. Het plan bestaat, dat de Wybrand de Geeststraat mettertijd met het Molenpad in verbinding zal worden gebracht door verlenging van de Bisschop- en Jakob van Aaken-straten.

Inmiddels waren er in 1905 reeds stemmen opgegaan voor de bebouwing van het terrein, dat vroeger tot sportterrein was aangewezen. Dit grasveld, dat eene oppervlakte van 2 1/5 H.A. bezat, was te gunstig gelegen om het niet voor dit doel te gebruiken. De 12den December 1905 besloot de Raad dan ook dit veld in exploitatie te brengen: het is in twee bouwblokken verdeeld, welke door eene met bomen beplante straat gescheiden zullen worden. Op het punt, waar deze straat op de Emmakade uitloopt, hoopt men eerlang eene brug over het Nieuwe Kanaal te maken, die aan den anderen oever tegenover het Emmaplein zal komen te liggen. Tot sportterrein werd nu voorloopig het bouwblok V bestemd, dat, tegenover de ambachtsschool gelgen, door de Vredeman de Vries-, de Menno van Coehoorn-, de Claes Bockes Balck- en de Pieter Feddestraten wordt begrensd en eene oppervlakte van 90 A. beslaat.

Thans staan er ten noorden van het Nieuwe Kanaal, tusschen de beide bruggen, 222 gebouwen, waaronder eene fabriek; n.l. de kachelfabriek der Firma Faber en Zeilinga.

Ook aan gene zijde van de tweede Kanaalbrug is eene fabriek verrezen: in 1899 werd daar een stuk land van ruim 1 H.A. aan de heeren Landeweer en Molema afgestaan voor de oprichting hunner stoomscheepstimmerwerf. Voor het overige zijn er geene nieuwe gebouwen langs den Kanaalweg noordzijde gesticht.

In 1905 werd deze weg in verbinding gebracht met het Kalverdijkje door een grintweg, die even ten oosten van de oude Poppebrug het Vliet kruist. Men is van zins hier eene ijzeren ophaal-brug te leggen, waardoor de hooge houten voetbrug weldra overbodig zal worden.

Zóó vertoont zich thans, aan het einde van het jaar 1906, het terrein van den uitleg der stad naar het oosten. Het ligt voorde hand, dat de nieuwe wijk in de eerstvolgende jaren vele veranderingen zal ondergaan: zij verkeert nog slechts in wording.

Met deze laatste groote uitbreiding is tevens de beschrijving der waterbouwkundige werken, welke van 1846-1906 in Leeuwarden zijn uitgevoerd, voltooid. Wanneer men een terugblik werpt op het hier behandelde tijdvak, dan springt het in het oog, dat de stad zich in deze jaren buitengewoon heeft ontwikkeld. Hare wallen verbrekende, heeft zij zich naar alle zijden uitgebreid en de nieuwe stadsgedeelten, flink ontworpen en ruim en frisch gebouwd, maken een hoogst gunstigen indruk van netheid en welvaart. Ook de oude stad is in den loop der jaren veel veranderd.
Waar zij vroeger door talrijke kanalen werd doorkruist, zijn deze thans grootendeels gedempt en in breede wegen herschapen, terwijl andere straten werden verbeterd. Kortom, alles wijst op de steeds waakzame zorg van het Gemeentebestuur.

De huizen hebben in de metamorphose gedeeld. Nieuwe gebouwen zijn verrezen, bouwvallige woningen afgebroken en vele oude gevels hebben, dikwijls ten koste van de sierlijkheid, voor moderne plaats moeten maken. De opsomming der veranderingen, welke particuliere huizen hebben ondergaan, valt buiten de grens van dit werk. Doch het overzicht over de topographische geschiedenis der stad zou niet volledig zijn, indien daarin niet de beschrijving van hare openbare gebouwen en instellingen werd opgenomen. Daartoe gaan wij thans eens over.


Terug