1. Het Stadhuis

Al heeft de gemeente-administratie in den loop der jaren eene enorme uitbreiding verkregen en zijn er verschillende takken van dienst aan toegevoegd, toch staat het stadhuis nog nagenoeg onveranderd daar, zooals het hoofdgebouw in 1715 en het bijgebouw met de groote raadszaal een halve eeuw later uit de handen der bouwmeesters te voorschijn zijn gekomen. De behoefte aan meerdere plaatsruimte doet zich dan ook dringend gevoelen en reeds wordt er eene aanzienlijke vergrooting van het stadshuis voorbereid, waartoe de Gemeente voor en na alle panden heeft aangekocht, welk zij nog niet bezat in het vierkant der gebouwen, gelegen tussen het Raadhuisplein en de St. Jacobsstraat, het Hofplein
en het Raadhuisstraatje. Doch deze plannen verkeeren nog in een staat van wording, zoodat ik mij hier moet bepalen tot de vermelding van de enkele, geringe wijzigingen, die het stadshuis in de laatste zestig jaar heeft ondergaan.

De groote raadszaal, welke in 1846 nog slechts met twee vorstelijke beeltenissen prijkte, n.l. met die van prinses Maria Louisa en Koning Willem I, is thans ook versierd met de portretten van Koning Wilem II en Koning Willem III, van koningin
Emma en Koningin Wilhelmina, welke alle door de voogden van het St. Anthony-Gasthuis aan de Gemeente zijn geschonken. De beide eerste, die door den Leeuwarder schilder J. J. G. van Wicheren werden gemaakt, zijn in 1868 door het Gemeentebestuur aanvaard; dat van de Koningin-Regentes Emma, van de hand van Christoffel Bisschop, werd na het bezoek der beide Koninginnen in 1892 vervaardigd en in 1893 in de raadszaal geplaatst, terwijl de beeldtenis van Koningin Wilhelmina, ter herinnering aan het bezoek van Hare Majesteit in 1905 aangeboden en door onzen voormaligen stadgenoot J. H. Jurres geschilderd, in 1906 werd verkregen.

Deze mooie raadszaal, die zich tevens zoo uitstekend voor gastmalen en receptien leent, die onze Koningen en Koninginnen binnen hare wanden mocht zien en hare deuren gastvrij opende voor allerlei bijeenkomsten, (o.m. hebben de Staten van Friesland hier vergaderd, totdat het Paleis van Justitie gereed was) is gelukkig vrij wel ongerept gebleven; alleen is bij den aanleg der gasleiding in het stadhuis in 1867 de vroegere kristallen lichtkroon voor gasornamenten vervangen en heeft men in 1907 eene ventilatie in de zoldering aangebracht. Het plein voor de raadszaal werd in 1903 hernieuwd.

Het hoofdgebouw van het stadhuis onderging in dit tijdperk weinig of geen verandering, om enkele kleine verbeteringen als het plaatsen van banken in de vestibule in 1876, het aanbrengen van een tochtportaal aldaar in 1878 en het maken van twee ramen in den zuidelijken muur der nieuwe raadszaal in 1907 niet te noemen. De gemeente-administratie, welke in eene veel te enge ruimte was besloten, heeft echter in 1881 beslag gelegd op een gedeelte van de aangrenzende Hoofdwacht. Reeds in 1846 was er een vertrek in den westelijken vleugel van dit gebouw aangewezen voor de behandeling van de militiezaken en de patienten, terwijl de bovenzaal in dezen vleugel voor de zittingen van den militieraad was ingericht. In 1881 nu werd deze zaal in twee vertrekken gesplitst en door de bureaux van den burgerlijken stand en de bevolking ingenomen, terwijl voortaan de zittingen van den militieraad en de loting voor de nationale militie in het bovenlocaal der oude waag werden gehouden. Het overige gedeelte van de boven-verdieping der hoofdwacht werd in 1882 door de bureaux van Gemeentewerken betrokken, terwijl de grondverdieping thans bijna uitsluitend als politiebureau dienst doet. De geheele inrichting is echter te bekrompen. Voor de werk-zaamheden welke het Gemeentebestuur thans zijn opgedragen, wordt veel meer ruimte vereischt, dan een stadhuis kan aanbieden, dat in 1715 aan de behoeften voldeed, zoodat eene aanzienlijke uitbreiding van dit gebouw thans niet lang meer kan uitblijven.

Mede aan het Raadhuisplein, op den hoek van de Weerd, ligt het gebouw, dat van 1807 tot 1899 tot zeten heeft verstrekt aan het Gemeentebestuur van Leeuwarderadeel. In laatstgenoemd jaar werd deze overgebracht naar een huis in de Schrans, zoodat dit bestuur thans in de kom zijner eigene gemeente vergadert. Het oude grietenijhuis, dat in 1843 met het naastbijgelegen pand was vergroot, werd verkocht en dient sinds tot particuliere doeleinden.


2. De Torens

Wanneer men een gezicht op Leeuwarden, genomen van de zuidzijde, uit de 17e en 18e eeuw beschouwt, dan steken er boven de wallen der stad talrijke torens en torentjes uit: de Oldehove, de Nieuwetoren, de torentjes op de Hervormde en Waalsche kerken, die op het stadhuis, de poorten, het blokhuis en particuliere gebouwen, -ja, het schijnt wel, alsof de stad om hare torens bestaat en alsof die spitsen zich in vroolijken wedijver willen meten met den reus onder hen: den zwaren, statigen Oldehove met zijn stompe kruin, die sedert eeuwen de stad aan zijn voet bewaakt.

Van al deze torens bestaan er slechts enkele meer, doch onder deze is de Oldehove ons gebleven, al zwijgt in de laatste jaren zijne welluidende en machtige stem, die eertijds het lief en leef der stad in zware tonen verkondde. Het metselwerk van den Oldehove, welke reeds bij zijn opbouw in 1529 aan-merkelijk was verzakt, vertoonde in latere jaren groote scheuren, hetgeen waarlijk niet te verwonderen is, als men bedenkt, dat het Stedelijk Bestuur, vertrouwende op de hechtheid van dit bouwwerk, gedurende langen tijd slechts fl. 50 voor het jaarlijksch onderhoud beschikbaar stelde en het eene bijzonderheid was, dat er in 1877 fl. 2.200 aan het herstel van den toren werd besteed. In 1889 plaatste men er een bliksemafleider op de den Oldehove en in hetzelfde jaar werden op op-hangpunten der klokken versterkt. Doch het zwaaien en dreunen der zware klokken bleek de muren zeer te benadeelen, en, ofschoon de ontstane scheuren in de laatste jaren telkens weer werden gedicht, toch zijn de klokken na den verjaardag der Koningin in 1902 niet meer geluid.

In 1904 nam de Raad de restauratie van den Oldehove in ernstige overweging. Een voorstel om hieraan fl. 22.820 ten koste te leggen werd ingehouden, daar het Gemeentebestuur eerst eene poging bij het Rijk wilde aanwenden om of den Oldehove in eigendom aan den Staat over te dragen, of eene rijkssubsidie voor het herstellingswerk te verkrijgen. Thans is er bericht ontvangen, dat het Rijk niet ongenegen is eene som in de kosten der restauratie bij te dragen, zoodat het behoud van dezen mooie toren, het sieraad van Leeuwarden, gewaarborgd is. Moge de Oldehove, wiens geschiedenis met die van Leeuwarden is samengegroeid, nog lang over het wel en wee der stad waken!

Zijn jongere makker, de slanke Nieuwetoren, wiens vroolijk carillon zoo lustig weerklonk, bestaat niet meer. Deze toren, die omstreeks 1540 naast de oude St. Jacobskapel is verrezen en dus in het hart der stad stond, had sinds lang een dreigend scheeven stand aangenomen en maakte een onderwerp van voortdurende zorg voor het Gemeentebestuur uit. Toen bij nu door de Decemberstormen van 1883 nog duchtig werd geteisterd, besloot de Raad in Januari 1884 dit bouwwerk te slechten. De toren werd voor fl. 880 op afbraak Verkocht: - de weerhaan die gedurende drie en een halve eeuw hoog in de lucht heeft geschitterd, wordt nu op het Friesch Museum ten toon gesteld, en de klokken en het fraaie carillon staan thans stom en zwijgend op den zolder van het bureau der Gemeentewerken. Wel heeft de Raad in 1885 nog het plan tot stichting van een nieuwen toren overwogen, doch daar de stemmen over dit voorstel tweemaal staakten, is daarvan niet gekomen.

In het jaar, waarin de Nieuwetoren viel, verrees er een andere fraaie toren binnen Leeuwarden, die hoog boven zijne omgeving uit-steekt: n.l. de toren, behoorende bij de nieuwe St. Bonifaciuskerk. Daar er bij een bouw dezer kerk van de stichting van dezen toren melding zal worden gemaakt, ga ik deze hier stilzwijgend aan voorbij.

De Oldehove, de Nieuwetoren en de St. Bonifaciustoren zijn nu de drie groote torens, welke Leeuwarden in het hier beschreven tijdperk heeft gekend. Wat de kleinere torentjes aangaat: dat op het stadhuis bestaat nog steeds: het torentje op het dak van de in 1850 hernieuwde St. Dominicuskerk heeft in 1865 zijne klokken verkregen: terwijl de torentjes op de Groote-, de Galieer- en de Waalsche kerken, welke volgens de staatsregeling van 1798 aan de Burgerlijke Gemeente toebehoorden, in 1902, met hunne uurwerken, aan de Nederduitsch Hervormde Gemeente zijn overgedragen.

 

De Hervormde Kerken


3. De Kerkgebouwen

De drie kerken der Nederduitsch Hervormde Gemeente zijn in de jaren 1842-1846 geheel gerestaureerd. Sedert hebben zij geene groote verbouwingen meer ondergaan. Buiten het gewone jaarlijksche onderhoud en eenige noodzakelijke herstellingen, vallen er slechts enkele veranderingen te vermelden, welke hoofdzakelijk door de vermeerderde behoeften des tijds in het leven zijn geroepen: zoo werd de verlichting der kerken bij de avond-godsdienstoefeningen in 1860 zeer verbeterd door het aanbrengen van gas en bestrijdt men de winterkoude thans niet enkel meer door warme stoven. In 1882 werden daartoe acht kachels voor fl. 2.000 aangekocht, waarvan in 1896 zes door nieuwe zijn vervangen.

Bij de verbouwing van de Groote- of Jacobijnerkerk in 1842 was het verwulf boven de kerkekamer, het daarvan grenzend vertrek en het portaal, dat toegang tot het torentje geeft, blijven bestaan. In 1852 zijn de steenen bogen hier weggebroken en werd daarvoor een plafond van hout aangebracht. Nadat men in 1880 de leibedekking van het dak gedeeltelijk door zink had vervangen, bleek het bij eene inwendige restauratie in 1901 opnieuw, dat het dak en ook het torentje, hetwelk zich daarop bevindt, herstelling behoefden. Dit heeft aanleiding gegeven tot een verschil van gevoelen tusschen het Gemeentebestuur van Leeuwarden en de kerkvoogden der Nederduitsch Hervormde Gemeente omtrent den eigendom der torentjes op de Hervormde kerken, dat in 1902 door eene dading is beslecht. Hierbij heeft Leeuwarden afstand gedaan van haar recht op de torentjes en de uurwerken der Groote-, Galileer- en Waalsche kerken, (dat op de Westerkerk was reeds in 1845 afgebroken), onder bijbetalen van fl. 864 voor afkoop van het onderhoud daarvan.

Aan het orgel in de Groote Kerk zijn herhaaldelijk herstellingen gedaan, zoo in 1853, 1856 en 1857, totdat het in 1883 door de firma L. van Dam en Zoon geheel werd vernieuwd.

Ook de orgels in de Galileer- en Westerkerk zijn meermalen verbeterd. In 1899 onderging eerstgenoemde kerk eene restauratie, thans (1907) hebben de kerkvoogden besloten de Westerkerk te doen herstellen, waarvoor eene som van fl. 6.000 is toegestaan. Deze verbetering geldt vnl. de verzekering der draagkracht van de kraak, welke niet meer voldoende wordt geacht. Bij beide kerken werd in 1882 een catechisatie-locaal aangebouwd.

De Waalsche kerk bestaat thans niet meer als zoodanig, daar de Waalsche gemeente alhier in 1888 werd opgeheven. Het kerkgebouw dezer Gemeente verviel daarop, volgens de overeenkomst op 31 Maart 1799 door de Nederduitsch Hervormde Kerk. Deze verkreeg tevens, voor zoo lang als de voormalige Waalsche Kerk tot godsdienstige doeleinden zal worden gebezigd, het vruchtgebruik van de kosterij en het orgel, terwijl de overige bezittingen der Waalsche Gemeente waarvan in 1890 de Fransche inscriptie werd verwijderd, wordt thans gebruikt voor de godsdienstoefening voor kinderen, huwelijksvoltrekkingen en doopbedieningen.

Buiten de vier bovengenoemde kerken bezit de Nederduitsch Hervormde Gemeente hier nog een klein bedehuis, achter de Oosterkade gelegen, dat men door eene steeg, welke aan deze kade uitkomt, bereikt. Het is enkel bestemd voor het houden van bijbellezingen voor behoeftigen. Deze godsdienstoefening werd in 1845 ingesteld door de commissie van toezicht op het godsdienstonderwijs, welke dee uitmaakt van den kerkeraad der Nederduitsch Hervormde Gemeente. Vijf jaar later richtte zij hiervoor een klein kerkje op, dat den 3en December 1850 werd ingewijd, waarop het van de emeritus predikant ds. Samuel Crommelin een orgel ten geschenke ontving. Iedere week wordt hierin geregeld een dienst gehouden.

 

De Doopsgezinde Kerk

In 1850 heeft de Doopsgezinde kerk eene aanzienlijke verbouwing ondergaan. Zij werd daarbij tevens uitgebreid, waartoe de kerkeraad een stukje tuingrond van den heer Adama aankocht en twee achter de kerk gelegen huisjes liet afbreken. Den 13en Maart 1850 werd het werk door den heer H. J. Keyzer voor fl. 8.890 aangenomen. Tijdens de verbouwing mocht de Doopsgezinde Gemeente voor hare godsdienstoefeningen gebruik maken van de Luthersche kerk, die daartoe welwillend was aangeboden.

Den 20sten October 1850 werd het hernieuwde kerkgebouw, dat inwendig ook geheel gerestaureerd en van gasverlichting voorzien was, geopend. Aan de verbetering van het orgel, dat in 1848 juist voor fl. 615 was hersteld, had men nog fl. 430 ten koste gelegd. In 1872 besloten de diakenen tot de verwarming der kerk tijdens de godsdienstoefeningen.

Het nieuwe metselwerk bleek echter den tijd niet te kunnen trotseeren; reeds veertig jaar later dreigde de kerk in te zullen storten en moest onverwijld worden gesloten. Thans vond de Doopsgezinde Gemeente een toevluchtsoord in de verlaten Waalsche kerk. De herstelling van het gebouw had in 1889 voor fl. 5.790 plaats. Sedert heeft het geene belangrijke veranderingen meer ondergaan. De aan het kerkplein gelegen kerkekamer werd in 1871 zeer vergroot door den aanbouw van eene ruime vergaderzaal, waarin ook de Friesche Doopsgezinde Societeit hare bijeenkomsten houdt.
Deze zaal ziet uit op een vriendelijken tuin, die bij de kerk behoort en een aardig plekje groen vormt te midden van de achtergevels deze dicht bebouwde wijk. Toen in 1902 het locaal bestemd voor het godsdienstonderwijs niet meer voldoende bleek te zijn, is er op dit gebouw eene tweede verdieping geplaatst, die twee flinke catechisatiekamers bevat, terwijl het oorspronkelijk daarvoor gebruikte vertrek gedeeltelijk tot trappenhuis en gedeeltelijk tot bureau is ingericht.

 

De Lutherse Kerk

De kerk der Evangelische Luthersche Gemeente, welke in 1773 tijdens de ambtsvervulling van den predikant A. Sterk, hernieuwd en uitgebreid was, is sinds dien tijd slechts weinig veranderd. In 1861 liet de kerkeraad gasverlichting in het gebouw aanbrengen, terwijl de verwarming der kerk uit 1874 dateert. Daar het dak veel te wenschen overliet, werd dit in 1888 geheel afgebroken en vervangen door eene nieuwe houten bekapping, welke met pannen is gedekt. In het koor der kerk is in 1894 eene wijziging gebracht door het maken van eene verhooging voor den kansel en het wegnemen van het doophek.

Daarentegen zijn de bij deze kerk behoorende gebouwen, n.l. de in 1843 gestichte pastorie, de kosterij en het ten oosten van de kerk gelegen huis ten deele vergroot en ten deele afgebroken en opnieuw opgetrokken. Achter de kosterij bevindt zich de kerkekamer. In 1880 is deze vernieuwd, vergroot en met twee verdiepingen verhoogd, welke laatste bij de aangrenzende pastorie zijn getrokken. De oude kosterswoning is daarop in 1894 afgebroken en door eene nieuwe vervangen, terwijl de kerkeraad twee jaar daarna ook de beide ten oosten van de kerk liggende kleine woninkjes, liet slechten en hier een flink huis stichtte, waarvan de gevel in overeenstemming werd gebracht met dien van de kosterij.

 

De Gereformeerde Kerken

Van de hier bestaande kerkelijke gemeenten heeft de Christelijke Afgescheidene Gereformeerden zich in den loop der laatste zestig jaren wel het meest ontwikkeld. Door hare verbinding, in 1869 met de Kerken onder ’t Kruis en in 1892 met de Nederduitsch Gereformeerde Kerk, is zij zeer in aanzien toegenomen en, waar dit kerkgenootschap eertijds slechts een kerkje bezat, beschikt zij thans over drie kerkgebouwen.

Het oorspronkelijk kerkje, dat hier in 1842 werd gesticht, lag aan den opgang van de Nieuweburen (de Vijzelstraat) en den tegenwoordigen Noorderweg, toenmaals Noorderkade. Slechts korten tijd voldeed dit gebouw aan de behoeften der steedsd aangroeiende Gemeente: reeds in 1845 rezen er klachten over het gebrek aan ruimte en de ondoelmatigheid van dit bedehuis. In 1857 besloot de Gemeente tot de stichting eener nieuwer kerk, waartoe zij eene stalling met erf aan het Hoeksterpad, tegenover de gasfabriek, voor fl. 2100 aankocht. De bouw der kerk werd voor fl. 5.500 opgedragen aan den heer W. van Bloemen. Den 2en Januari 1859 kon zij worden opengesteld. Doch ook het nieuwe bedehuis bleek spoedig te klein, zoodat de kerkeraad, daartoe in staat gesteld door de offervaardigheid van den toenmaligen predikant ds. Jans, in 1863 eenige woningen achter dit gebouw aankocht en deze liet afbreken om de kerk met het opengevallen terrein te vergrooten. Op den 3en April 1864 kon zij weer worden heropend. Bij deze plechtigheid liet zich voor het eerst het nieuwe orgel hooren, dat het in 1862 aangeschafte kabinetorgel had vervangen.

Later heeft het gebouw nog herhaaldelijk verbeteringen ondergaan: zoo werden er in 1878 nieuwe lichtramen in aangebracht en maakte men in 1887 een uitgang met vleugeldeuren tegenover den preekstoel; in 1891 werd de kerk inwendig verbouwd en in 1893 maakte de oude kansel voor een nieuwen plaats.

In 1864 liet de kerkeraad de naast de kerk gelegen kosterij tot eene pastorie verbouwen. Slechts kort heeft dit huis daartoe gediend, daar de Gemeente in 1881 een perceel in Droevendal aankocht en het tot predikantswoning bestemde. Zeven jaar later voegde men eene nieuwe vergaderzaal bij de Noorderkerk had opgericht, vertimmerd en wordt nu alleen voor godsdienstonderwijs gebruikt.

Intusschen had de Christelijke Afgescheidene Gerefomeerde Gemeente zich in 1869 met de Kerken onder ’t Kruis vereenigd; zij stelden hun statuut vast en noemden zich vervolgens de Christelijke Gereformeerde Kerk.

In 1886 bracht de doleantie, ontstaan door een conflict van hare aanhangers met de synodale organisatie der Nederduitsch Hervormde Kerk, eene scheuring in dit lichaam te weeg. De doleerenden, die den naam van Nederduitsch Gereformeerde Kerk aannamen, vertrouwden hunne stoffelijke belangen toe aan eene vereeniging “De Kerkelijke Kas” geheeten, welke hier op 4 Januari 1888 een heerenhuis met tuin in de Groote Kerkstraat, toebehoorende aan de Erven van den heer J. van Andringa de Kempenaer, voor fl. 16.300 aankocht. In den uitgestrekten tuin stichtte deze vereeniging thans eene groote kerk, waaraan zij ruim fl. 13.000 ten koste legde. Het woonhuis werd gedeeltelijk tot pastorie, vergaderzaal en catechisatiekamers ingericht en gedeeltelijk verhuurd. Den 6en Januari 1889 had de eerste godsdienstoefening in het nieuwe kerkgebouw plaats. Vijf jaar later werd er nog eene gaanderij in aangebracht, terwijl ook het tegenwoordig in deze kerk gebruikte orgel, dat door de firma Bakker en Timminga werd vervaardigd, uit 1894 dateert.

Achter de kerk was nog een gedeelte van den oorspronkelijken tuin onbebouwd gebleven. In 1905 heeft men dit terrein gebruikt voor de stichting van een consistoriegebouw met twee ineenloopende vergader- zalen, n.l. een voor de oorspronkelijke Christelijke Gereformeerde- en een voor de vroegere Nederduitsch Gereformeerde kerk, welke thans zijn samengesmolten. In 1892 hadden n.l. de Christelijke Gereformeerde kerk, die daarvoor haar Statuut van 1869 introk, en de Nederduitsch Gereformeerde kerk zich classicaal en synodaal vereenigd onder den naam van “De Gereformeerde Kerken in Nederland”. De plaatselijke kerken behielden echter hare zelfstandigheid en bleven hier ter stede voorloopig voortbestaan als de Gereformeerde kerk van Leeuwarden. De vereeniging “De Kerkelijke Kas” werd opgeheven en hare eigendommen gingen op deze kerk over.

Een aantal leden der Christelijke Gereformeerde kerk, die sedert 1892 de Gereformeerde ker van Leeuwarden A. heette, konden zich met deze samensmelting der Christelijke Gereformeerden en der Nederduitsch Gereformeerde kerken niet vereenigen. Zij scheidden zich af, namens hun ouden naam: Christelijke Gereformeerde Kerk weer aan en stichtten in een pakhuis aan het Molenpad een eigen kerkgebouw, dat op 10 Juli 1895 in gebruik werd genomen.

 

De Katholieke Kerken

Zestig jaar geleden bestonden er te Leeuwarden vier kleine Katholieke kerken, n.l. de St. Dominicuskerk, op den hoek van de Speelmansstraat en de Bontepapesteeg, welke door de Dominicanen en de St. Antoniuskerk in Bontepapesteeg, die door de Franciscanen was gesticht, benevens de St. Willebrorduskerk tegenover de Korenmarkt en de St. Bonifaciuskerk aan de Vleeschmarkt op de Nieuwestad, welke aan de orde der Jezuiten hun ontstaan te danken hadden.

Nadat Leeuwarden bij de invoering der Pauselijke hierarchie in twee parochien was ingedeeld, die door de binnengracht zijn gescheiden, werden in 1854 twee dezer kerken opgeheven en wel de St. Antonius- en de St. Willibrorduskerk. Het eerste gebouw is gebruikt voor de vergrooting der daaraangrenzende St. Dominicuskerk, het tweede heeft eerst, sedert 1860, als weeshuis voor meisjes, en daarna van 1883-1887 als hospitaal dienst gedaan, totdat het in laatstgenoemd jaar werd verhuurd en thans tot kachelmagazijn is ingericht. Van de beide overgebleven kerken bestaat thans nog alleen de St. Dominicuskerk; de kerk op de Nieuwestad werd in 1884 gesloten, zoodra er eene nieuwe, groote St. Bonifaciuskerk in de kom der zuidelijke parochie van Leeuwarden was verrezen.

De St. Dominicuskerk is in het hier beschreven tijdvak tweemaal hernieuwd en uitgebreid. In 1846 bevond zich deze kerk, vroeger ook “het Klooster” genaamd, daar zij deel heeft uitgemaakt van het voormalige Witte Nonnenklooster, nog op de bovenverdieping van het gebouw op den hoek van de Speelmansstraat en de Bontepapesteeg, waarvan de benedenverdieping door de pastorie werd ingenomen. Dit perceel werd in 1850 geheel afgebroken en op dezelfde plaats bouwde men een nieuwe kerk, welke, met de daarnaast aangebrachte pastorie, voor fl. 38.000 werd aanbesteed. Zij is op den 16en Augustus 1869 ingewijd. Eenige jaren later onderging deze kerk eene belangrijke verbouwing, doordat zij vergroot werd met de voormalige St. Antoniuskerk, welke daarachter gelegen was. Dit oude gebouw werd afgebroken en op nieuw opgetrokken, doch de fundamenten hiervan verzakken thans dermate, dat de kerk zoo niet lang meer gebruikt zal kunnen worden op deze plek voorbereidt. De toegang tot deze kerk werd in 1887 veel verbeterd door het ontstaan van de Huygenstraat.

De nieuwe St. Bonifaciuskerk, wier toren hoog boven de omringende gebouwen uitsteekt en op verren afstand zichtbaar is, werd in 1884 voltooid. Zij heeft haar ontstaan te danken aan den wensch der leden van de St. Bonifacius-parochie, om hunne kerk, welke eertijds op de Vleeschmark en derhalve aan gene zijde der grensscheiding stond, naar hunne eigene parochie over te brengen. Langen tijd had men te vergeefs uitgezien naar een terrein, dat ruimte genoeg aanbood voor den bouw van eene kerk met pastorie en kosterswoning, totdat men in 1881 eene gunstige gelegenheid aangreep om een gedeelte van den uitgebreiden Amelandshof aan te koopen. In dat jaar verkocht n.l. de familie thoe Schwartzenberg haar voorvaderlijk erf, dat sedert twee eeuwen aan dit geslacht toebehoorde: het Amelandshuis, met een stuk van den tuin, werd het eigendom van den heer Tj. Gratama, terwijl het overige gedeelte door den heer Swildens voor fl. 17.800 ten behoeve der parochie werd verkregen. Nadat het geheele werk op 26 April 1882 door de heeren Bekhuis en Damstra voor fl. 261.500 was aangenomen, verrezen op deze plek de groote en zeer fraaie St. Bonifaciuskerk en toren met pastorie, welke door den bekenden architect dr. P. H. J. Cuypers zijn gebouwd. De kerk, die eene lengte van 75 M. en in het transept een breedte van 32 M. heeft, maakt met hare statige zuilenrijen en schoone lijnen een plechtigen indruk. Zij werd den 19en November 1884 ingewijd. De toren verheft zich voor den westelijken gevel der kerk tot eene hoogte van 78 M. en is een waar sieraad der stad. In 1894 zijn hierin drie klokken aangebracht, welke aan den tegenwoordigen deken, den heer A. J. Aukes, bij de herdenking van zijne vijf-en-twintigjarige ambtsvervulling zijn geschonken.

De in 1884 gebouwde pastorie dient thans niet meer tot haar oorspronkelijke doel. Reeds spoedig n.l. was deze woning, die eene fraaie gothische vergaderzaal bezat, te groot gebleken, zoodat men in 1887 besloot tot den aanbouw eener nieuwe pastorie. De uitgestrekte tuin bood hiertoe ruimschoots gelegenheid. Het nieuwe huis, dat aan de sacristie grenst, heeft haar ingang in de Baillebuurt. De voormalige pastorie, daartoe door het kerkbestuur afgestaan, werd na de ontruiming, tot ziekenhuis ingericht en het St. Bonifacius-hospitaal, dat tot op dit tijdstip in de oude St. Willebrorduskerk was gehuisvest, hierheen overgebracht. Toen in 1899 de behoefte aan eene nieuwe operatiezaal zich deed gevoelen, werd dit gebouw met een vleugel in den tuin vergroot. In 1905 heeft het St. Bonifacius-hospitaal op nieuwe eene aanmerkelijke uitbreiding verkregen door de schenking van mevrouw Lycklama a Nijeholt, geb. thoe Schwartzenberg, die het Amelandhuis met den daarbij behoorenden tuin van den heer Gratama gekocht en aan het kerkbestuur had aangeboden. Het gebouw werd daarop aan het ziekenhuis toegevoegd en een gedeelte van den tuin gebruikt tot den aanbouw van eene gaanderij voor de patienten en eene kapel voor de zusters, wier oorspronkelijk aantal van drie tot een twintig is gestegen. Zoo zijn het Amelandshuis en het terrein van den vroegeren Amelandshof thans weer in eene hand vereenigd.


De Synagoge

Bij het toenemend aantal Israelieten hier ter stede werd de oude synagoge, die in 1805 in de Sacramentsstraat was gesticht, te klein. Daarom besloot het kerk-bestuur in 1865 tot vergrooting van het gebouw. Het werk werd voor fl. 11.732 aangenomen; men brak de aangrenzende woningen in de Sacramentsstraat af en den 6en Juli 1865 legde de opperrabijn, de heer B. Dusnus, den eersten steen van de nieuwe synagoge. Op den 4en Maart 1905 vierde de gemeente het honderdjarig bestaan van haar kerkgebouw, onder leiding van den tegenwoordigen opperrabijn, den heer S. A. Rudelsheim. Bij deze gelegenheid ontving de gemeente een prachtigen voorhang voor de Heilige Arke van de Dusnusvereniging ten geschenke.

 

De overige Kerkgebouwen

Het Leger des Heils vestigde zich hier in 1891 en huurde voor zijne godsdienstoefeningen een benedenlocaal in de Heerestraat. In 1899 werd het bedehuis van het Leger, waartoe hier nu een zeventigtal leden zijn toegetreden, naar het aan- grenzende perceel overgebracht.

De Apostolische gemeente alhier werd in 1889 in het huis Bagijnestraat no. 36, tegenover de Bollemanssteeg, gesticht.
De benedenverdieping van dit pand is tot kerk ingericht. Ook deze gemeente telt een zestigtal leden.

De Hersteld Apostolische gemeente zette zich in 1903 in zelfs eens Leeuwarden neer. Eerst had zij haar bedehuis in eene woning aan den Groeneweg, hoek Doelestraat; daarna bracht zij dit over naar de Groote Hoogstraat en nu is deze gemeente, die thans 200 zielen telt, voornemens een kerkje te bouwen tegenover Mariënburg, achter de Hoven.

Nog bestaat hier sinds 1904 eene kleine gemeente, welke zich noemt: De Heiligen der Laatste Dagen. Deze kwam eerst bijeen in eene woning in de Klokstraat en heeft nu een bedehuis verkregen in de Gijsbert-Japixstraat.

Van veel ouderen datum is de stichting van de Vrije Evangelische gemeente, die hier reeds meer dan eene halve eeuw gevestigd is. Zij richtte eerst eene voormalige vellenploterij in de Weerklank, welke door haar voorganger Holman was gekocht, voor hare godsdienstoefeningen. In 1894 ging dit pand aan den bloemist Jongstra over, die het eerst nog tijdelijk aan deze gezindte in huur gaf. Spoedig daarop kocht zij het vroegere diaconessenhuis op de Voorstreek aan, waarvan zij de achterzalen tot kerk inrichtte, terwijl zij het overige gedeelte van het gebouw verhuurt.


De Begraafplaatsen

De rustige en fraaie Algemeene Begraafplaats, welke, door den heer L. P. Roodbaard ontworpen, in 1833 werd geopend, heeft in het tijdsverloop der laatste zestig jaren weinig verandering ondergaan. Slechts werd er in 1874, ter voldoening aan de wet van 10 April 1869, een lijkenhuis op gebouwd.

Reeds bij den aanleg van het kerkhof is de noordwesthoek, ter grootte van 6.320 c.A., van het overige gedeelte afgescheiden om tot begraafplaats der Israelieten te dienen. Het Stedelijk Bestuur bood deze plek gronds aan de Israelitische gemeente aan, die de schenking den 9en Maart 1836 als onvervreemdbaar eigendom aanvaardde. Later bleek het, dat de overdracht onwettig was geschied, zoodat er in 1871 eene nieuwe overeenkomst tusschen het Gemeentebestuur en den Israelitischen kerkeraad tot stand kwam. Hierbij ontving de laatste de Israelitische begraafplaats opnieuw in vollen eigendom, terwijl de Gemeente een strookje gronds, groot 70 c.A., van het voormalige kerkhof aan den Groeneweg, dat nog niet door graven was ingenomen, verkreeg om daarmede deze straat te verbreeden.

Sinds lang bezitten ook de Katholieken hunne eigene begraafplaats. Reeds in 1869 verzocht en verkreeg het kerkbestuur der parochie van St. Bonifacius vergunning tot het aanleggen van een kerkhof aan de Spanjaardslaan, tegenover de Algemeene Begraafplaats. Aan dit plan is echter geene uitvoering gegeven. In 1878 werd het denkbeeld opnieuw opgevat en liet men daartoe het oog vallen op een stuk grond aan den Harlingertrekweg. Doch het werd eerst verwezenlijkt, toen de kerkbesturen der beide parochien hier ter stede in 1881 vergunning ontvingen om eene afzonderlijke begraafplaatsen aan te leggen op de door hen in 1880 aangekochte perceelen land: sectie D nos. 178 en 522, gelegen aan den Marssumer straatweg. Het volgend jaar kon het nieuwe kerkhof in gebruik worden genomen. Op het voorplein, waartoe eene gemetselde brug en een hoog hek toegang verleenen, staat de doodgraverswoning. Het eigenlijke kerkhof, dat door eene gracht van het voorplein is gescheiden, is in drie klassen gesplitst en heeft eene oppervlakte van 21.990 c.A. Men hoopt later nog eene kapel op de begraafplaats te stichten.


Terug