De Zwem- en Badinrichting

In 1851 opende de heer J.W. Neuhaus uit Amsterdam hier, met goedkeuring vanhet Stedelijk Bestuur, eene zwemschool met badinrichting. De Raad had hem voor de oprichting van het badhuis eene kleine plek gronds aan den Noordersingel,nabij den Haarlingerstraatweg, in gebruik afgestaan en hem tevens vrijheid ge-geven een gedeelte van de bocht, welke de gracht hier maakt, voor twee zwem bassins af te palen. Het volgende jaar droeg de heer Neuhaus zijne inrichting over aan de hier gevormde “Societeit Zwem- en Badlust”, die het recht van opstal op den grond verkreeg. Deze vereeniging is in 1862 om financieele redenen ontbonden en sedert is de zwem- en badinrichting achtereenvolgens aan verschillende eigenaren echter eenmaal eens overgegaan.

In 1888 heeft het Gemeentebestuur, op verzoek der Friesche Werkliedenvereeniging, daarnaast eene volkszwem-inrichting geopend. Zij werd geexploiteerd door de Gemeente, die in 1889 eene overeenkomst met de vennootschap “De Zwem- en Badinrichting” aanging, om de volks-zweminrichting door middel van eene pomp van versch water te voor-zien. Er werd echter weinig gebruik van deze zwemschool gemaakt, zoodat de Raad haar in 1897 ophief. Hij stelde daarvoor eene gelegenheid tot het nemenvan sproeibaden in de plaats, waartoe de toenmalige eigenaar van de zwem- en badinrichting de toestellen en het water leverde. In 1902 werd de schutting der niet meer gebruikte volkszweminrichting op verzoek van de Nieuwe LeeuwarderIjsclub weggenomen.

Reeds herhaaldelijk heeft men pogingen in het werk gesteld om de zwem- en badinrichting, die den fraaien singel op dit punt zeer ontsiert, naar eene andere plaats over te brengen. Zoo heeft men voor eenige jaren eene nieuwe zwemgelegenheid geopend in de Groote Wielen. Doch de oude zwem- en badinrichting rekt nog altijd haar eigen bestaan.


De IJsbaan

De vereeniging “De IJsclub te Leeuwarden”, welke in 1850 werd opgericht, hieldeerst hare hardrijderijen op een gedeelte van de Noordergracht, achter den Prinsentuin . Aan deze baan, zoo schilderachtig gelegen tusschen de glooiende wallen der gracht, met hun hoogopgaand geboomte, waren groote bezwaren ver-bonden. Door de snelle strooming van het water en de vernieling van het pas bevroren watervlak door booten en schepen, kon deze baan de bepaalde dikte niet verkrijgen, voordat het streng had gevroren. Zoo deed de Leeuwarder IJsclub telken jare de droeve ervaring op, dat de door haar uitgeschreven hardrijderijen achteraan in de rij kwamen, terwijl de invallende dooi daarbij dikwijls nog alle moeite en onkosten verloren deed gaan. Dit was, in trouwe ! voor een Friesch hart onuitstaanbaar! Daarom besloot de directie zich van eene andere ijsbaan te verzekeren, die niet van strooming en stoombootverkeer te lijden zou hebben en bij minder strenge vorst ook dienst zou kunnen doen.

In 1886 kocht de IJsclub daartoe een stuk land, ten noorden van de stad aan de Bleekerstraat gelegen aan. Dit terrein, lang 246 M. en breed 112 M. werd ongeveer 25 c.M. afgegraven. De daardoor verkregen aarde gebruikte men voor den aanleg van breede, schuins oploopende dijken rondom de ijsbaan, vanwaar de niet betalende toeschouwers de harderijderijen zouden kunnen gadeslaan. In den nooordelijken dijk plaatste men een duiker met schuiven. De ijsvlakte heeft in het midden eene baan van 160 M. lengte voor de in Friesland inheemsche hardrijderijen, op “de korte baan”, terwijl destijds voor “de lange baan” welke eerst langs den voet der dijken liep, ongeveer 480 M. kon worden beschikbaar gesteld.

Bij de ijsbaan richtte men eene feest- en muziektent en een bestuurslocaal op. De eerste, aan drie zijden uit steen opgetrokken, terwijl de voorkant enkel uit hout en glas bestaat. Dit ruime locaal, waarin zich het buffet bevindt, biedt een alleraardigst kijkje aan op het gewoel der schaatsenrijders. Het middengedeelte is met eene verdieping verhoogd, welke als muziektent is ingericht. Het directiegebouw, op steenen voet uit hout en glas vervaardigd, en gelegen aan de zuidzijde der baan, bestaat uit twee vertrekken, die door den toegang tot de ijsbaan worden gescheiden.

De nieuwe ijsbaan werd met eene hardrijderij onder de leden der IJsclub ingewijd. Doch, hoeveel moeite men zich ook voor den aanleg der baan had gegeven, toch bleek het mettertijd, dat haar nog gebreken aankleefden: o.m. lag zij niet gelijk en kon “de lange baan” niet de gewenschte afmeting verkrijgen. Daarom kocht het bestuur der IJsclub de perceelen, welke de baan van de Bleekerstraat scheidden, - n.l. de bleekerij, waarnaar deze straat is genoemd en een stuk land van den heer Mr. W. J. van Welderen baron Rengers - aan. Een gedeelte van dezen grond werd in 1895 bij de baan getrokken, terwijl men het andere gedeelte als bouwterrein verkocht. De vergrootte ijsbaan werd nu geegaliseerd en met greppels doorsneden, terwijl men tevens de oostelijke en westelijke dijken, ten behoeve van de “lange baan’” versmalde. Ook beplantte men de kruin der dijken met wilgen. De directietent, die nu grootendeels voor de controle dienst doet, werd naar den nieuwen ingang der baan overgebracht.

Zoo bezit Leeuwarden nu eene ruime en fraaie ijsbaan, der hoofdstad van Friesland waardig. Alleen eene goede kunstverlichting, bij avondfeesten, laat nog op zich wachten.

Nog dient hier te worden vermeld, dat de oude hardrijdersbaan op de Noordergracht niet geheel is verlaten. Een paar jaar na het ontstaan der ijsbaan heeft zich de “Nieuwe Leeuwarder IJsclub” gevormd, die hare hardrijderijen nog op de oude baan houdt, doch met dezelfde moeilijkheden te kampen heeft als vroeger de vereeniging “De IJsclub te Leeuwarden”.


Harddraversbanen

In 1840 was, bij den aanleg van den straatweg naar Harlingen, de harddraversbaan gemaakt op den Marssumerdijk, welke van oudsher voor deze wedstrijden werd gebruikt. Ofschoon de nieuwe baan in alle opzichten voldeed aan de eischen, welke men destijds aan eene harddraversbaan stelde, toch handhaafde de oude baan in het Zaailand zich daarnaast nog tot 1865, doch zij werd alleen voor de draverijen gebruikt, welke men ter gelegenheid van de voorjaars- paardenmarkten hield. Sedert heeft de baan op den Marssumerdijk gedurende een dertigtal jaren het monopolie der draverijen bezeten. Hier hield de Stad hare kermis-harddraverij, welke in 1792 door Magistraat en Vroedschap was ingesteld ter wille van het voordeel, dat de neringdoende ingezetenen van deze druk bezochte wedstrijden trokken, en hier werden, op den gedenkdag van den slag van Waterloo, eens “’s Koningsprijzen” verreden, bestaande uit een gouden zweep en een gouden oorijzer. Op deze feestdagen was de Marssumerdijk het tooneel van grote drukte en levendigheid, terwijl de landerijen aan weerszijden van de baan voor de toeschouwers werden opengesteld. Doch deze van overheidswege georganiseerde harddraverijen bestaan niet meer en eene verandering in den aard der wedstrijden werd oorzaak, dat deze baan, hoewel zij af en toe nog dienst doet, bij lange na niet meer zooveel gebruikt wordt, als vroeger.

De inheemsche harddraverijen op de korte baan zijn n.l. grootendeels verdrongen door de Engelsche wedrennen op de lange baan, die een veel grooter en anders ingericht terrein vereischen. Zulk een terrein vond men in de ijsbaan, welke gedurende enkele jaren door de Groninger- en door de Leeuwarder Sportvereeniging tot dit doel is gebruikt. Het bleek echter spoedig, dat de ijsbaan, die oorspronkelijk niet voor deze sport was bestemd, hiervoor te klein en te gevaarlijk was. Daarom besloten eenige heeren een ruim sportterein aan te leggen, dat zoowel tot renbaan ingericht, als dienstbaar gemaakt zou worden aan allerlei open-lucht-spelen. Zij vormden ”de Friesche Sportclub tot exploitatie van een sportterein te Leeuwarden”, welke daartoe een stuk land, ter grootte van 684 c.A., aan den Harlinger trekweg aankocht. Dit terrein werd in gereedheid gebracht, en aan de stadszijde met schuttingen, en voor het overige door een beplanten dijk afgebakend, terwijl het Gemeentebestuur, voor de verkrijging van een toegang, haar vergunning verleende tot eene gedeeltelijke demping en overbrugging der omringende sloot. Op het terrein, de Wilhelminabaan genaamd, ligt de renbaan, die eene lengte van 823 M. en eene breedte van 15 M. heeft. Aan den aanleg van het sportterein en de oprichting der voor de wedrennen benoodigde gebouwen, als tribune, directie- en consumptietenten, gebouwtjes voor den totalisator en de bookmakers, heeft de Friesche Sportclub nog fl. 12.000 ten koste gelegd. Behalve de renbaan bevinden zich op de Wilhelminabaan ook tennisvelden, terwijl het terrein ’s winters voor voetbal en hockey wordt gebruikt.


De Prinsentuin

Onze aan boomen zoo arme stad omsluit toch eene heerlijk lommerrijke plek binnen hare oude wallen: den Prinsentuin, met zijn fraaien aanleg en zijn prachtig hoog geboomte, zijne kleurrijke bloembedden en goed onderhouden gras- en heesterperken. Veel zorg draagt het Gemeentebestuur steeds voor dit uitverkoren plekje, dat Leeuwarden aan het Huis van Nassau dankt.

De geschiedenis van den Prinsentuin is, tot 1846, uitvoerig door Eekhoff beschreven en daar dit park in het tijdsverloop van 1821-1823 in zijn tegenwoordigen vorm werd aangelegd, blijft mij niets over dan de geringe wijzigingen te noemen, welke men gedurende de laatste zestig jaren in den Prinsentuin heeft aangebracht.

Was in 1840 het westelijk gedeelte van het zoogenaamde tournooiveld van den Prinsentuin afgenomen voor de stichting van eene tusschenschool met bewaarschool, ook het oostelijk gedeelte van den tuin, dat in 1691 als moestuin aan den bloemhof werd toegevoegd, is daarvan afgesneden en tot andere doeleinden gebruikt. In verband met het plan om de Noordergracht op te nemen in het grootscheepsvaarwater, loopende van de Dockumer Nieuwe Zijlen tot Harlingen, besloot de Raad in 1854 eene ver-andering te brengen in den hoofdingang van den Prinsentuin, een stuk van den tuin af te nemen en dit terrein gedeeltelijk te bestemmen tot een algemeenen toegang naar den buitenaanleg langs deze gracht. Hierbij moest de kom, welke in 1822 in het oostelijk gedeelte van de tuin was gegraven, worden gedempt. De hoofdingang van den tuin werd nu naar de westzijde van den daardoor ontstanen weg verlegd, terwijl de Gemeente in 1856 op het afgesneden stuk tuingrond, aan den oostkant van dezen weg, de bewaarschool Achter de Witte Hand liet bouwen. De toegang tot den Prinsentuin is in 1903 zeer verbeterd door de slooping van het huis Nieuweburen no. 1, waarbij mede de voormalige tuin-manswoning, welke tot dit jaar aan den pachter van den tuin werd verhuurd, is afgebroken.

Tegenover het verlies van de beide genoemde perceelen, welke van den Prinsentuin zijn afgenomen, staat eene kleine aanwinst van terrein. Het oude tournooiveld, ten zuiden van den Van Boelenskoepel, was zeer smal en bood weinig gelegenheid tot den aanleg van heester- en bloemperken aan. Toen koning Willem III in 1873 Leeuwarden bezocht, wees Zijne Majesteit er op, dat hierin gemakkelijk verandering gebracht kon worden, indien de Gemeente een gedeelte van den hier zoo breeden stadswal bij den tuin trok. Dientengevolge besloot de Raad in 1874 den Prinsentuin op dit punt te vergrooten en dit terrein met een ijzeren hek van den openbaren weg af te scheiden. Als blijk van ingenomenheid met deze maatregel zond Zijne Majesteit de voor den nieuwen aanleg benoodigde boom- en struikgewassen aan de Gemeente ten geschenke. De Prinsentuin beslaag thans, met de daarop gevestigde gebouwen en den vijver, eene oppervlakte van 19.786 c.A.

Intusschen had de Gemeenteraad, bij eene nieuwe verpachting van den Prinsentuin in 1855, eene vaste commissie uit zijn midden benoemd tot beheer van den tuin. Deze opende eene intekening op een aantal concerten en vermakelijkheden, welke jaarlijks in den stadstuin zouden worden gegeven. Uit de hierdoor ontvangen abonnementsgelden werd een afzonderlijk fonds gevormd, waaruit vele verbeteringen van den tuin geheel of ten deele zijn bekostigd.

Reeds dadelijk verving men de oude muziektent, welke in 1836 aan den vijver was opgericht, door eene nieuwe. Op hare beurt moest deze in 1881 plaats maken voor de tegenwoordige muziektent, die den vorm eener halve maan verkreeg en uit steen is opgetrokken. Onder deze tent, waarvoor fl. 2.900 werd uitgegeven, bevindt zich een kelder.

In 1830 had men, ter eere van het bezoek van koning Willem I met den kroonprins en den erfprins, eene met riet gedekte rotonde naast de brug aan den vijver geplaatst. Daar deze bouwvallig was geworden, werd zij in 1854 gesloopt. Men bracht daarop eene overdekte zitplaats aan de oostzijde van den vijver aan, terwijl in hetzelfde jaar ook de oude luifels onder de lindelanen ter weerskanten van het zomerhuis door eene waranda werden vervangen. Het zomerhuis was in 1842 hernieuwd en hoewel er sedert herhaaldelijk plannen ter sprake zijn gebracht om het geheel te verbouwen en te vergrooten, zijn deze nooit verwezenlijkt. Alleen werd ter gelegenheid van het verblijf van H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes te Leeuwarden in 1892, de luifel van het gebouw afgebroken en vervangen door een paviljoen van twee verdiepingen op gemetselden voet, waardoor het front van het zomerhuis geheel is bedekt. In 1903 is aan den pachter toegestaan, om een gedeelte van het zomerhuis te bewonen.

Het “wijnhuis”,- de voormalige orangerie, welke in 1803 tot eene zomersocieteit was ingericht, - is in 1883 geslecht en op de plek, waar dit heeft gestaan, plaatste men er eene overdekte zitbank, welke een aardig uitzicht verleent op de noordelijken omtrek der stad.

Een van de sieraden van den Prinsentuin is zijn vijver, die eene oppervlakte van 1330 c.A. beslaat. Deze verkreeg zijn tegenwoordigen vorm bij de verandering van den aanleg van den tuin in 1823. Toen deze kom, die men steeds als zeer ondiep en ongevaarlijk had beschouwd, in 1901 werd drooggelegd, om schoon gemaakt te worden, bleek het, dat de bodem in het midden eene plotselinge inzinking vertoont. Ter voorkoming van ongelukken is daarop onder den waterspiegel een rasterwerk om deze plek gemaakt. De fontein, die nu op het eilandje in het midden van den vijver is aangebracht, dateert uit 1888, terwijl men in 1881 eene voliere op den westelijken oever, aan het Tournooiveld, heeft geplaatst. De vijver is het groote aantrekkingspunt van den Prinsentuin. En erecht; de hooge bomen, met hunne prachtige kleurschakeeringen, die zich in het water weerspiegelen, het golvende terrein en de fraaie bloemperken maken dit tot een zeer bekoorlijk plekje.

Gedurende eene lange reeks van jaren was de Prinsentuin de eenige openbare tuin in de stad. Nadat in 1881 eerst het kleine plantsoen op de Oude Veemarkt was aangelegd, heeft Leeuwarden echter in 1906 een ruim en fraai park verkregen, namelijk:


Het Rengerspark

Op 26 October 1902 boden de heer Mr. W. J. van Welderen baron Rengers en zijne echtegenoote Vrouwe C. T. baronesse van Welderen Rengers geboren Looxma aan de Gemeente Leeuwarden drie perceelen weiland, tusschen de Bleekerstraat en de Algemeene Begraafplaats gelegen, aan, om dit terrein, dat eene oppervlakte van 3½ H.A. beslaat, tot eene openbare wandelplaats aan te leggen. Gaarne aanvaardde de Gemeente deze milde schenking, die voor velen eene bron van genot zou worden. De voogden van het St. Anthony-Gasthuis zegden fl. 5.000 en de directeuren der Spaarbank fl. 2.500 voor de totstandkoming van dit park toe, terwijl twee personen, die onbekend wenschten te blijven, fl. 5.000 en fl. 1.000 tot dit doel schonken.

Het Gemeentebestuur noodigde nu dertien deskundigen uit, om een plan voor den aanleg in te dienen, doch hunne ontwerpen overschreden verre de daarvoor beschikbare som. Uit eigen beweging bood daarop een hunner, de heer Copijn, een vereenvoudigd plan aan, volgens hetwelk dit werk, met het maken der toegangen aan de Spanjaardslaan en de Bleekerstraat fl. 14.430 zou kosten. Nadat er nog een voorstel te berde was gebracht om het land tot sportterrein in te richten, besloot de Raad den 25sten October 1904 tot den aanleg van een park, volgens het laatste ontwerp van den heer Copijn. De noordoosthoek van het land, ter grootte van ongeveer 19 Are, werd tot kinderspeeltuin bestemd en van de eigenlijke wandelplaats afgescheiden. In het midden van het park maakte men een grooten vijver, terwijl de uitgegraven aarde diende om het omliggende terrein op te hoogen, dat vervolgens aangelegd en beplant werd.

Het ruime park, dat in April 1906 zonder officiele plechtigheid werd geopend, is een heerlijke aanwinst voor Leeuwarden. Al kan het jonge geboomte, dat later o.m. eene lommerrijke dubbele laan tegenover den ingang zal vormen, nog niet veel schaduw spreiden, toch prijkt het park des zomers nu reeds met een schat aan bloeiende heesters, die fraai afsteken tegen den donkeren afgrond der hooge olmen van de begraafplaats. Het bezit van den Prinsentuin en het Rengerspark is voor Leeuwarden eene ware weldaad, welke door vele ingezetenen zeer wordt gewaardeerd.


Terug