Meningen en uitspraken over Leeuwarden door de eeuwen heen


Dit overzicht is mede samengesteld door Peter de Haan, Hendrik ten Hoeve en Leendert Plaisier. Meer suggesties zijn welkom!

Gregorius Bertolff van Aken:

1527: "... er zijn slechts drie behoorlijke woningen voor lieden van stand; de stad wordt gedomineerd door kleine woningen zonder aanzien, door drek vervuilde onbeschoeide grachten, houten brugen, zelden of nooit geplaveide straten en grote onbebouwde stukken grond" (Vrije bewerking door Theissen, Centraal gezag, blz. 148 en 149, met bronvermelding noot 6: Rijksarchief Brussel, Lettres missives, Carton - 1 bis tot en met 67).

Johannes Fongers:
"De stad is in een bekoorlijke vlakte, als het ware in het hart van Friesland gelegen. De omringende landerijen munten uit in vruchtbaarheid en rijkdom aan vele voor het leven onmisbare zaken. Er is een overvloed van melk, boter, kaas en velerlei gevogelte. De grote hoeveelheid schapen, kalveren, ossen, koeien en varkens verbaast de vreemdeling en landgenoot. De omgeving is rijk aan konijnen en hazen, het fruit van betere kwaliteit dan dat uit het buitenland. De oogst aan tarwe, haver, gerst en gronten is buitengewoon groot. Vele verschillende soorten vis, zowel uit de zoetwatermeren als uit de zee, worden hier aangevoerd. Overal ziet met tuinen, die het oog strelen, en nergens plaatsen met onkruid, doornen of distels begroeit. De straten zijn breed, de gebouwen prachtig. De lucht is er zeer gezond. Daardoor woedt er zelden een epidemie veroorzaakt door bedorven lucht, maar eerder door een of andere besmetting, en dat zeker niet met zo’n verderfelijke kracht als op de meeste andere plaatsen. De ontwikkeling der burgers is van dien aard, dat men zou veronderstellen, dat zij in Griekenland geboren en opgevoed zijn, en niet nabij de koude en het ijs van de poolstreken" (Vrije transcriptie uit: Johannes Fongers, Etymologicum trilingue, Leiden 1607)

Anonimus:
Westfrieslandt
(...) Die Hauptstatt dieses theils ist
Leewarden, die gröste und schönste statt in gantz Westfrieslandt, von wegen der Kirchen, schönen häuser, adelichen wohnungen, tieffen Canalen, die durch die strassen lauffen, sehr berühmt. Wie auch von wegen der sauberheit der gassen, des reichthumbs, und freundtlichen wolgezogenen sitten der Inwohner. Mit Graben und Wällen ist sie auch trefflich befestiget, und ist allda des gantzen landes Kammer und Gerichte, an welches man von den anderen gerichten appelliren mag. Sie ligt mitten in dem lande auf einem ober die massen fruchtbaren bodem, dahin man auf den Canalen auf den herumbligenden Dörffern, und von allen orten zu Schiffe kan alle bringen was man begehret. (...) (Duitse editie van de Joannes Janssonius, Novus Atlas, das ist Weltbeschreibung, II, 1644, achterzijde kaart 40 (Frisia Occidentalis))

Jan ten Hoorn:
“...het is een bloeijende Stad, met aanzienlijke zo gemeene als byzondere Gebouwen vercierd, waar van d’ uitsteekendsten zijn het Hof van Vriesland, en van den Gouverneur” (Reis-Boek Door de Vereenigde Nederlandsche Provincien, Amsterdam 1689).

Henry Havard:
“Ofschoon Leeuwarden, dat niet meer dan vijfentwintigduizend inwoners telt, wel beschouwd niet tot de zeer groote steden kan gerekend worden, zoo bezit het intusschen toch geheel het voorkomen dat aan eene kleine hoofdstad voegt” (Henry Havard, Verleden en heden. Een togt langs de kusten van de Zuiderzee (1874), Haarlem z.j.).

Uit hetzelfde boek:
“Ofschoon in Leeuwarden een groot aantal talentvolle kunstenaars geboren werden, waren er toch maar weinigen wier naam, zoo min bij het groote publiek als bij de geleerden, tot den tegenwoordigen tijd in levendige herinnering is gebleven. Evenwel meenen wij het toch aan hunne nagedachtenis verschuldigd te zijn, om hier met een paar woorden aan te stippen, dat in Frieslands hoofdstad geboren werden: in 1504 dirk Philipsz., redenaar van groot talent, vriend en geloofsgenoot van Menno Simonsz.; in 1527, Vrdeman de Vries, kundig schrijnwerker en teekenaar van meubelen, in een tijdperk dat den eersten rang in de geschiedenis der meubel-soorten inneemt en eindelijk, de geheele familie van Haren.
Deze vermaarde familie van dichters en staatsmannen, is genoeg bekend in de geleerde wereld, dan dat ik er hier ook nog over zou behoeven te spreken. Ik wil er alleen aan herinneren, dat de twee Willem’s van Haren, beide te Leeuwarden het eerste levenslicht zagen en wel de een in 1610 de ander in 1626; in 1715 werd in dezelfde stad geboren Onno Zwier van Haren de schrijver van het heldendicht: de ‘Geuzen’ en van de treurspelen ‘Willem de eerste’en ‘Agon, Sultan van Bantam’; hij zou in zijn land gewis de grootste eer genoten en verdiend hebben, indien niet eene beschuldiging van bloedschande hem genoodzaakt had zich op zijne goederen terug te trekken en daar in stille afzondering te leven”

John Farrington:
“Lewarden or Leovardie is the chiefe city of this province and the residence of the Prince of Frizeland. It’s a large and handsome city and a place where a man might live very agreeably with god company” (An Account of a Journey through Holland, Frizeland, etc. in several Letters to a Friend (1714), Leiden 1994).

Leonhard Christoph Sturm:
Von da (Franeker) hat man noch drey stunden biss Leuwarden welches eine gar annehmliche Stadt ist, allwo sich die Nord-Hol ländische Grobheit wiederum gar mercklich verlieret. Sie ist nach alter Holländischer Manier, doch ohne Aussenwercke vor den Bollwercken, fortificiret und wird doch wegen ihrer Situation vor eine starcke Festung gehalten. Es ist das ganze Frießländische Zeuhauß allda, so doch nichts sonderbahres enthält. Des Stadthalters Schloß konte nicht zu sehen bekommen als ich daselbst Passirete, weil wegen des ertrunckenen Prinzens noch alles in frischer Trauer war. Von aussen hat das Gebäude nichts magnifiques. Aber ein Ziemlich niedlicher Garten ist dahinter. In der Kirche St. Jacobi, so die vornehmste, ist ein marmornes Grabmahl, Graf Wilhelm Ludwigs von Nassau, darauf er geharnischt auf einem Küssen kniend vorgestellet, die Tapferkeit stehet zur Rechten, die Klugheit zur Lincken. Die Architectonische Zierrathen aber sind von einem gar schlechten Gusto, und die Bildhauerische zwar von Passabler Zeichnung, doch ohne allen Geist. In einer grossen Capelle stund ein schöner Zinnerner reich verguldeter Sarg, worinnen des letztens unglücklich ertrunckenen Prinzens Herr Vatter lieget. Sr. Durchleucht Sarg mag nun auch wohl dabey zu sehen seyn. An dem Fürstlichen Kirch-Stuhl und der Canzel ist gar angenehmes Tischerwerck. Von da reiset man weiter nach Dokum 4 und von da nach Gröningen 11 stunden.

  • Leonhard Christoph Sturm (1669-1719) reisde in 1712 door de Zeven Provinciën en bezocht daarbij ook Leeuwarden. Deze Noordduitse bouwmeester, bouwkundedocent en architectuurtheoreticus was van 1694 tot 1702 verbonden aan de Ritterakademie van Wolfenbüttel en vervolgens negen jaar aan de universiteit van Frankfurt (Oder). Zijn bevindingen legde hij neer in een lijvige foliant, de Architectonische Reiseanmerkungen, dat in het jaar van zijn dood verscheen.

Anna van Hannover in een schrijven aan haar schoonmoeder Maria Louise:
Oranjewoudt ce mecredi à 5 heures (datum niet vermeld): "J'enrage que vous ne puissiés en profiter; et que vous soyés enfermé dans le vilain Leeuwarden, entouré d'ennuyans" (vrij vertaald: "Ik wind me op over het feit dat je doet voorkomen alsof je geniet, terwijl je eigenlijk gevangen zit in dat lelijke Leeuwarden, omringd door saaie lieden"
Uit: P. Geyl, Willem IV en Engeland tot 1748.

Mevr. A.B. Schilperoort:
“Leeuwarden heeft zelve niet veel ruime pleinen, maar eenige goed beplante en bebouwde grachten...De kerken munten niet in fraaiheid uit. Onder de gebouwen die zich onderscheiden, moeten het Gouvernementshuis en het Raadhuis genoemd worden” (Het Noorden van ons vaderland, Assen 1840).

Edmondo de Amicis:
“Leeuwarden ziet er uit als een groot dorp. De straten zijn meest alle zeer ruim, met breede grachten doorsneden en buitengemeen kleine huizen, die rood, lilla, aschgrauw, lichtgroen, kortom in alle kleuren van de huizen te Broek geverfd zijn...Van alle steden van Nederland is Leeuwarden de stad waarin een Italiaan zich het verst van zijn geboorteland voelt” (Nederland en zijne bewoners (1873), Leiden 1876).

H.F. Tomalin:
“Mr. E.V. Lucas writes of Leeuwarden that it ‘is large, prosperous, and healthy. What one misses in it is any sense of intimate cosiness. One seems to be nearer the elements, farther from the ingratiating works of man, than hitherto in any Dutch town. The strong air, the openness of land, the 180 degrees of sky, the northern sharpness, all are far removed from the solace of the chimney-corner. It is a Spartan people, preferring hard health to overcoats, and the streets and houses reflect this temperament” (3 Vagabonds in Friesland, London 1907).

Barthold Georg Niebuhr:
“Prachtige huizen ziet men in Leeuwarden in het geheel niet; ofschoon eenige zeer bevallige van nieuweren bouwtrant; de beste zijn overigens ouderwets, en dat van eene der eerste adelijke familien der provincie, aan welke ik aanbevolen was is oud-vaderlijk, somber en niet in het oog vallend. De publieke gebouwen uit de 16e eeuw zijn groot en imposant, volgens de smaak dier tijd, maar bont geschakeerd en alles behalve verheven” (Brieven over Friesland (1808), Leeuwarden 1844).

H. Potter:
“Wat de stad in het algemeen betreft, dezelve is tamelijk luchtig, doch niet zeer regelmatig gebouwd, wel van waterrijke grachten voorzien, en bevat ruim viertien duizend inwooners, waar onder velen vermogend, en de meeste welgesteld zijn, door de groote menigte van neeringen en handteeringen, die hier gedreven worden, bij welke men voegen kan een aanzienlijk aantal van fabrieken, zoo wel binnen als buiten de stad” (Wandelingen en kleine reizen door sommige gedeelten van het vaderland, Amsterdam 1808).

George H. Boughton:
“Leeuwarden is not at all one of the so-called ‘dead cities of the Zuider Zee’. On the contrary, it is a very lively, bright, modernized, flourishing sort of a town. The inhabitants evidently prefer a splendid, Parisian-looking, new store, with a vast expase of plate-glass, and a goodly show of jewelry, confectionery, or drapery, to the small but picturesque show-windows of the olden time. A good idea of the ease and wealth of an old Dutch city may be formed from the number and magnificence of the goldsmiths’ and pastry-cooks’ shops, and in Leeuwarden they are as numerous as gin-palaces and pawnbrokers in a poor quarter of London...We did not see much to impress us in the way of architecture as we drove about Leeuwarden. There were some superior modern houses -large club-house-looking places- and notable government buildings...The Frisian women are generally very handsome, especially about Leeuwarden. The men were fine, sturdy, frank, kindly fellows, and everyone seemed happy and good-tempered” (Sketching Rambles in Holland, London 1885).

Samuel van Valkenburg:
On the northcoast east of the Zuider Zee most of Friesland and the northern part of Groningen belong to the same type of swampy, half-drained or flooded country. Numerous lakes in this regio still remain undrained because their peaty bottoms are not well adapted to agriculture. In summer these Frisian lakes are much used for the sport of sailing. When they freeze during severe winters they are so much used for the national sport of skating that industry is almost crippled for the short time the ice remains good. Leeuwarden, the capital of Friesland, now located in the center of the province, grew up as a seaport on the shore of a former inland basin that now no longer exist” (Samuel van Valkenburg werd op 14 september 1891 te Leeuwarden aan de Willemskade (nr. 13) geboren. Later emigreerde hij naar de Verenigde Staten van Amerika en werd hij hoogleraar geografie aan de Universiteit van Detroit. Uit zijn samen met de beroemde Amerikaanse geograaf Ellsworth Huntington geschreven boek Europe, dat als geografisch handboek in 1935 te New York bij uitgeverij John Wiley & Sons Inc. verscheen, op pag. 335 het bovenstaande citaat over Leeuwarden).

Jacob van Lennep:
Na een kort gesprek bracht hij ons de stad rond, die fraai en luchtig gebouwd is, en wier bevolking jaarlijks met een duizendtal inwoners toeneemt, nu reeds 19.000 zielen bedragende, ’t geen bij de weinige huizen de huren ontzettend stijgen doet. Voor slecht gebouwde huizen zelfs betaalt men den koopprijs van ƒ 35.000.

Idem:
Over de godsdienstigheid der Friezen durf ik geen oordeel vellen. De geest van Liberalisme en Jacobinisme aldaar zoo sterk doorgedrongen, heeft echter naar mijn oordeel ook ten dezen opzichte den nadeeligsten invloed gehad. Liever wil ik als eene diversie de volgende beschrijving geven van de wijze hoe een Fries zijn dag besteedt en hoe er dertig dokters in Leeuwaarden alleen hun brood ruim verdienen:
's Morgens staat vóór het ontbijt het glas jenever ter verfrissching gereed. Na tien of twaalf kopjens thee of koffi ingezwolgen te hebben, neemt men de bitterflesch te baat en spreekt die veelvuldig aan onder het rooken van stinkenden baai. Te elf ure drinkt men koffi en de kan gaat niet van tafel voor dat elk een kop of tien suikerij of bruin water, nescioquid heeft gebruikt; om den berookten en verschroeiden mond te laven neemt men weder toevlucht tot de liqueurkelder; de madera verschijnt vervolgens en voor den eten begeeft men zich in het koffihuis. Elk heeft aan de etenstafel zijne flesch naast zich, die voor dat het nagerecht daar is, geleegd wordt, behalve de zware en fijne wijnen die tusschen beiden rondgaan. Op het dessert staan de vrouwen op: men drinkt al voort, en er wordt van tijd tot tijd koffi gediend. Te zes ure staat men op, drinkt thee gedurende twee uren of langer naarmate de gasten het minimum van twaalf kopjens verder overschrijden. Te acht ure wordt  de flesch weder opgezet en maakt spoedig plaats voor eene andere. Te tien ure is het soupé gereed: men heeft zich inmiddels met koek en kaas, krakelingen, beschuit, bitterkoekjens, kolombijntjens enz. enz. voorbereid. Men spijst goed en vergeet niet de spijs te bevochtigen. Te half twaalf verschijnt het theeblad weder en om al het genotene goed uitezweeten, drinkt men op nieuw eenige kommen van dat verfrisschend maar verslappend vocht.

Bron: Nederland in den goeden ouden tijd. Zijnde het dagboek van hunne reis te voet, per trekschuit en per diligence van Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp door de Noord-Nederlandsche provintiën in den jare 1823

Hendrik Burger:
Voor jongens was Leeuwarden een zalige stad. Niet te groot en niet te klein. Niet te groot: men kende alle personen van belang; men leefde mee met al wat er in de stad gebeurde en - waar men ook woonde - binnen het kwartier kon men buiten zijn bij de weilanden. Niet te klein: deze stad leefde; het meest op Vrijdag. Dan kwam heel Friesland in Leeuwarden saam; dan was er een drukte van belang; de stad vol met boeren en boerinnen; de grachten vol met schepen. En dan - in welke andere stad stond zulk een reusachtig plein als het Zaailand geheel ter beschikking van de schooljeugd?

Havank:
Leeuwarden is een kale, ellendige rotstad geworden, bewoond door klieren van mensen!

Idem:
Het circus in opbouw is het Nationale Nederlandse Circus Frans Mikkenie. Monsieur Charles C.M. Carlier is de Schaduw, van Sûreté Nationale en van Interpol. En het Zaailand is een plein. Het is een plein in het hart van de stad Leeuwarden. Het is een vaag en hopeloos soort van plein, feitelijk alleen maar geschikt om er een circus neer te zetten, of de kermis. Het lijkt op geen enkel ander plein in geen enkele andere stad. Het lijkt bijvoorbeeld helemaal niet op Trafalgar Square in Londen, en evenmin op de Place de La Concorde in Parijs. Het lijkt feitelijk nog het meest op het Zaailand in Leeuwarden.
(Circus Mikkenie, Havank)

Francois Hovius:
Leeuwaarden bij de Friesen Liewerden uitgesprooken, is de fraaiste, grootste, en volkrijkste stad van de geheele provincie, waarvan ze ook de hoofdstad is. Het was ons zeer aangenaam op Saturdag alhier te zijn, wijl de marktdag, die één der beroemste in geheel Nederland is, op deese dag gehouden word. Men heeft weinig dorpen in ’t grootste gedeelte van de geheele provincie, uit welke geen waaren op dien dag naar Leeuwaarden worden gevoerd.

Alexander Cohen:
Dan werd er parade gehouden op het Zaailand, een ruim plein, waarop ook een veel groter stad dan Leeuwarden trots op had kunnen zijn.

Dr. Ph. Kooperberg:
Alles te samen genomen mag nochtans van Leeuwarden en hare bevolking worden getuigd, dat zij eene eereplaats onder de provinciale steden inneemt en in menig opzicht grootere steden des lands naar de kroon steekt.

Wopke Eekhoff:
..., om de banden van liefde en verplichting aan deze stad te versterken, en het gevoel van erkentenis te verlevendigen voor de veelvuldige voorregten en genoegens, welke hare bewoning aanbiedt ...

Harm Wiersma:
Je kunt in Leeuwarden alle kanten op.

Gerrit Ybema:
Ik raak er steeds meer van overtuigd dat de stad geweldige kwaliteiten heeft.

Martin van Amerongen:
Leeuwarden was vooral saai, van een sociaal-democratische saaiheid waarbij de café’s van de blauwe knoop-burgemeester om tien uur dicht moesten. Dat straalde van de stad af. Dat was van een grauwheid die sindsdien aardig is opgeknapt.

Pieter Jelles Troelstra:
Vandaar een zekere deftigheid en hooghartigheid in de leidende kringen.

Hayo Apotheker:
...Leeuwarden, de stad die het vooral van een bezoek moet hebben.

onbekend gebleven lid van de Raad van Bestuur van de Amsterdamse Bank:
Leeuwarden is een ‘graveyard of reputations’.

Geert Mak:
Er waren rangen en standen, en er bestond een wereld tussen de dominees en de straatarme schippers aan de overkant en de stil gedragen schaarste van de Elisabethstraat. En daardoorheen liep dan nog eens de ijzeren scheidsmuur van het geloof: de roden van de openbare School 16, de roomsen van de limonadefabriek die bij ons achter woonden, de heidenen die in de hel kwamen maar wel naar het circus mochten en wij, als veilige vaste burcht aan de Westersingel.

Dezelfde:
De Westersingel in Leeuwarden. Dat was de eerste straat en voor eeuwig de mooiste bomen, gras, water, tjalken aan de overkant, de Oldehove in de verte. In de lente was het altijd Koninginnedag, de klokken luidden, de vlaggen wapperden in de zon, de lucht was vol opwinding en alle straten van de stad stonden even in een gouden lijstje, zelfs de Bildtsestraat, zelfs de eeuwig slapende Fonteinstraat. (Geert Mak noemt in een artikel in de Volkskrant, getiteld ’de Nederlandse straten’, de Westersingel de mooiste straat van het land).

Baukje Wytsma:

Stêd dy’t gjin stêd, wurkster fan it Noarden,ûnhandich skûlplak foar de snoaden.

Mata Hari (in gefingeerde biografie)
Den zevenden Augustus 1876 werd ik te Leeuwarden geboren. Uit mijn jeugd heb ik niet dan aangename herinneringen.

Johannes Fongers (rector aan Leeuwarder Latijnse School, 1607)
Overal ziet men tuinen, die het oog strelen en nergens plaatsen met onkruid, doornen en distels begroeid. De straten zijn breed, de gebouwen prachtig. De lucht is zeer gezond. De ontwikkeling van de burgers is van dien aard, dat men zou veronderstellen, dat zij in Griekenland geboren en opgevoed zijn, en niet zo nabij de koude en het ijs van de poolstreken.

Eddy Evenhuis:
"....Het kon minder. Hoge bomen verliezen stadig blad. En goud? Gewaardeerd op waar gehalte. Leeuwarden. Wind wakkert aan....’

Pieter Boskma:
’Leeuwarden. Mei negentienzesenvijftig. Jonge merels oefenen op een nieuw geluid. De hemel is Mariablauw en de zon schijnt opgetogen als ik word geboren, zingende, naar men zegt, gelijk de vogelen’.

Rutger Kopland:
’Een steen in Leeuwarden. Je staat te lezen en daar staat in Leeuwarden ligt voor mij een steen en die is deze. Maar nu je dit leest ligt hij te zeggen in je hoofd ben ik voor jou geen steen meer’.

Obe Postma:
’Prinsetún. Ljochte dagen komme wer op nij. Fiere bylden geane my foarbij! Alde paden binne my sa djoer, noch is wat fan ’t goede libben oer. Einen kwêkje trou har hjerstesang. O wat hâldt it djip wjerklinken lang! Oer de tún it giele blêdetek, fivers râne hat syn dreambestek’.

Douwe Tamminga:
’Wie eartiids Rome op sân heuvels boud, op trije terpen, fan de see tegnauwd. tynde dit Ljouwert tydlings út syn grêften.... Sjoch, hoe’t libbet en him dreech úntjouwt!’

Jean Pierre Rawie:
"Al had je er verder niets te zoeken, het loonde wel naar Leeuwarden te gaan, alleen om de begraafplaats te bezoeken, de dodenakker aan de Spanjaardslaan. Achter het hek met schedels op de hoeken en het pedante middeleeuws vermaan, verzakte zerken, zuilen, stenen boeken, steun zoekende tegen elkander aan......"

Jan Jacob Slauerhoff:
’Vroeger toen ’k woonde diep in ’t land, vrat mij onstilbaar wee; zoals een gier de lever, want ik wist: geen streek geeft mij bestand, en ’k zocht het ver op zee (.....) Nu weet ik: nergens vind ik vree, op aarde niet en niet op zee, pas aan die laatste smalle ree van hout in zand’.

Douwe Tamminga:
’Mata Hari, spionne en bajadêre, dy wist de wegen in Babylon mar hja soe as ien ú it Noarden stjerre dy iere moarns, foar it peloton (.......) Der falle seis slaggen fan é tuorren (Hark, is dat de slach fan de Aldehou?). Gods graty giet oer frouwen en huorren, oer Parys en it lot fan in deade frou’.

Martin Veltman:
’Misdienaar. Het was in Leeuwarden. Achter de Hoven. Daar woonde ons gezin op nummer twee. Denkend daaraan komen van lieverlee contouren en herinneringen boven: de strafgevangenis daartegenover en het stadsziekenhuis. Het defilé van kinderdroevenissen deelt zich mee als ik hier op de tijd het beeld herover van de jongen die in de dunne ochtend omzichtig opstaat en de tafel dekt, zachtjes het huis verlaat en dan gesjochten ter kerke gaat, toog superpli aantrekt, de bellen luidt, zich opstelt in de rij en tot God gaat, God die zijn jeugd verblijdt.’

Simon Vestdijk: (De Koperen Tuin.)
’En dan de Tuin. Het is heilige grond waarop we ons bevinden. Voor mij was het een wonderlijke tuin, nog voordat je in mijn leven kwam om met me te dansen. Er waren - ze zijn er nog - gouden vogels, ook wel ganzen en pauwen, maar voornamelijk gouden vogels. Het was een gouden tuin. Toen zag ik opeens al die instrumenten, en ik hoorde die mars, en de zon schitterde in het koper, en ze bliezen erop met rode koppen van de inspanning, en toen werd het een koperen tuin’.

Johan van Bergen:
’Eventsjes naar Liwwadden weerom. Dij in gien tieden siên te hewwen en dan na de werpsterhoek inees dien fertrouwde herkenningspuntsjes, mienekus oldehove bonnefaas te ontwaren in dien al mar groater en eigentiedser wuddende skyline. Liwwadden. Op su’n stuit wil un dankbaar kien awwesere omdat ut noadeg kieke mut hoe’t met dij sien moeke is’.

H.J.A. Hofland:
[...] Vervuld van de moed der wanhoop bereikte ik de buitenwijken van Leeuwarden, die, tot overmaat van ramp, tot het meest ontmoedigende horen wat er in ons land op dit gebied te vinden is. De architecten hebben zich telkens weer laten inspireren door de lucifersdoos, en net als de buitenwijkenbouwers in Holland van lieverlee ontdekt dat je zo’n doos op drie manieren kunt neerzetten. Ik werd voortgedreven door de ijzelzone, en daarom gunde ik me geen tijd voor nader onderzoek, maar nog altijd wil ik graag weten hoe het de Leeuwarders is gelukt een indruk van groter kaalheid te vestigen dan bijvoorbeeld de Hagenaars of de Rotterdammers. De schepper heeft het eigentijdse wonen daar met de grootste armzaligheid geslagen, zo ongeveer zou ik het willen uitdrukken; het is de noordelijkste versie van een van Dantes Hellekringen. Bovendien was de hemel asgrauw geworden - aschgrauw: de oude spelling maakt het nog valer, dat is weer een argument tegen iedere nieuwe - en die kleur had zich aan alles wat van steen was, meegedeeld. De reiziger zag zich omvat door een enorme grijsheid.
Ondanks het feit dat het weer niet noemenswaardig veranderde had ik het gevoel dat ik al een nieuw leven was begonnen toen ik de Friese hoofdstad achter me had gelaten. Een aan roekeloosheid grenzend optimisme, dat was het. Bij Hardegarijp moest ik linksaf [...].
(H.J.A. Hofland, Boven en onder de grond op Schiermonnikoog, Thomas Rap, 1979 (herdruk Bezige Bij, 2004), p. 24, 25.)

Margreeth de Boer:
’De verhouding tussen hoofdstad en provincie zou ik willen typeren als liefde "op z’n egeltjes" ’

Albert Demangeon:
’Leeuwarden, fondée à la limite des tourbières et des polder sur les rives de l’ancienne baie du Middelzee, était déjà à l’époque des Normands une fortresse protégeant la route de l’intérieur; elle possédait des droits urbains aux XIIe siècle. Mais le comblement progressif du Middelzee lui avait enlevé au début de XIVe siècle tout contact avec la mer. Devenue ville intérieure, elle joua un rôle politique comme résidence des stathouders de Frise et de Groningue; cité riche, elle avait, aux XVIe et XVIIe siècles, des ateliers célèbres d’orfèvrerie. Mais elle est avant tout, et depuis des siècles, le centre commercial des fertiles campagnes qui l’entourent; des voies d’eau rayonnent de toutes parts, et depuis 1507 un canal l ’unit à Franeker et à Harlingen; des canaux l’entourent et la traversent; ils circulent dans la ville, franchis par les ponts, parfois ombragés d’arbres, bordés de petites maisons roses, grises ou vertes, animés par le constant va-et-vient de la batellerie. On respire à Leeuwarden l’atmosphère frisonne, surtout aux jours de marché; ces jours-là aucun paysan ne reste chez lui, et la ville voit arriver le cortège des équipages ruraux, les fermiers avec leurs automobiles ou leurs voitures attelées de chevaux splendides, les femmes parfois encore gracieusement coiffées de leur casque de cuivre. Vendre le beurre, les grains, le bétail, c’est la grande fonction de Leeuwarden; pour le bétail il ne le cède qu’au marché de Rotterdam, le plus grand du royaume. Les jours ordinaires, le calme revient dans la ville; les petites voitures chargées de tourbe peuvent circuler dans les rues et débiter le combustible à chaque maison; devant leurs portes les ménagères peuvent faire sécher la lessive sur leurs chevalets originaux.’ (Albert Demangeon, Belgique, Pays-Bas, Luxembourg, Paris, 1927 (deel 2 van Vidal de la Blache, P & L. Gallois, Géographie universelle), pag. 173.)

Encyclopaedia Britannica:
LEEUWARDEN or Leuwarden (in Frisian Liewerd and Latinized as Leovardia), a town of Holland, at the head of the provincie of Friesland, 17 miles inland from Harlingen and 32 west of Groningen. It is one of the most prosperous of the secondary towns in the country, and, thanks in great measure to the opening of the railway to Harlingen (1863) and Groningen (1866), full of life and enterprise. To the name of the Frisian Hague it is entitled as well by similarity of history as by similarity of appearence. as the Hague grew up round the court of the counts of Holland, so Leeuwarden round the court of the Frisian stadtholders; and, like the Hague, it is an exceptionally clean, tasteful, and attractive town, with parks, pleasure grounds, and drives. The old gates have been somewhat ruthlessly cleared away, and the site of the town walls on the north and west competes with the Prince's Garden as a public pleasure ground. Besides the town-house (dating from 1715, and interesting mainly for the value of the archives admirably arranged by the Dutch antiquarian Eekhoff), the Prince Frederick barracks, capable of containing one thousand men, the corn exchange, and the beautiful weighhouse (dating from 1546), (moet 1596 zijn) Leeuwarden contains a royal palace, originally the residence of the Frisian stadtholders; the provincial courts, erected in 1850; the so-called chancery (Kanselarij), a fine red-brick mansion built in 1502 (moet zijn 1566-1571, instituut en gebouw worden hier kennelijk doorelkaar gehaald) for the chancellor of the Duke of Saxony, and now used as a house of detention; the penitentiary, rebuilt since 1870, and the largest establishment of the kind in Holland; and, somewhat oddly, the communal buildings of the neighbouring commune of Leeuwarderadeel. The church of the Jacobins deserves mention as perhaps the largest monastic church in the country, and as the burial-place of the Frisian stadtholders (Louis of Nassau, Anne of Orange, &c.) (Louis is natuurlijk William Louis), whose splendid tombs, however, were destroyed in the revolution of 1795. Unlike the Hague, Leeuwarden is by nature and tradition the centre of an extensive and flourishing trade (in grain, cattle, flax, chicory &c.). Its present distance from the sea is made up for by abundant means of communication by road, railway and canal. The canal to Dokkum opens up the rich clay districts of the province; the canal to Harlingen (dating from 1507) furnishes a channel for the trade with England; and other canals give access tot the province of Groningen and the Zuyder Zee, and so to Amsterdam and the provinces of Holland. And, though the industrial development is far from keeping pace with the commercial, Leeuwarden possesses large timber and boat-building yards, iron foundries, copper-works, and lead-works; manufactures sewing-machines, safes, organs, cardboard, oil, and tobacco; and enjoys a wide reputation for its gold and silver wares. The population of the town in 1869 was 24,862; that of the commune increased from 15,686 in 1714 to 27,003 in 1875 (5217 Roman Catholics and 1124 Jews). Volgt en besluit met in kleine letter een beknopt overzicht van de geschiedenis van de stad tot 1580.  9th edition van de Encyclopaedia Britannica Vol. XIV, 410 (Edinburgh 1882)

William Elliot Griffis:
One who would study the origins of his far-off ancestry, when as yet there were no English-speaking people, must come to Friesland and spend hours is the Frisian Museum of Antiquities at Leeuwarden. It is a bright and beautiful city, which I thrice visited.
In the Spaniard Strada's curious picture-map palled "The Belgian Lion," Leeuwarden is the eyeball of the geographical beast, whose scalp is the Frisian archipelago, the muzzle Groningen, the back Holland, Zealand, and Flanders, with all Belgium for his belly and Brabant for his breast. On this map nearly all the names are Latinized. Whether Leeuwarden means "the lion on guard," or "the lion's earth," or "the lion's eye," I care not. The city has always had for me the lion's share of delight. Whether Leeuwarden means "the lion on guard," or "the lion's earth," or "the lion's eye," I care not. The city has always had for me the lion's share of delight. I saw it first with Lyra on the last day of July, after having come from Groningen towards the rising sun. The lovely air was fresh and sweet with all the odors of hay-making time. Everything had "the smell of a field which the Lord hath blessed." The city thoroughfares were crowded with busy people, for it was Friday and market day. Streets and canals were bright with flowers and the fruits of the soil, with rosy-checked and handsome Frisian women, stout farmers, and healthy-looking animals. Our eyes were quite dazzled with flashes from the gold and silver helmets of the cherubim. Whether "because of the angels," or from fashion, every peasant woman covers her head with the metal of which money is made. After a ramble over the city I ascended to the top of the Great Church's tower. The vision was glorious. In the intensely bright and clear air I had a superb view of the plains that lay spread out below.
(Willam Elliot Griffis nam het initiatief tot het aanbieden van de Gratitude Plaquette i.v.m. de erkenning van de Amerikaanse onafhankelijkheid aan de provincie Friesland, in juli 1909 onthuld in het Provinciehuis).
Betrokken van:
http://en.wikisource.org/wiki/The_American_in_Holland/Lion_City_of_the_North

ANWB wandelgids uit 1917:
We gaan de steenen brug - een der vele "pijpen" over en slaan dan rechtsaf in "Het Nauw", dat zijn naam wel eer aandoet, want alleen voor voetgangers is hier passage, terwijl een houten hek nog moet verhoeden, dat deze elkaar in 't water van het smalle grachtje dringen. 

Octave Mirbeau:
De grote passie van de mens in Holland is werken. Niets gaat verloren. Van het minste weten ze een bron van inkomsten te maken. Op de dag dat we door Leeuwarden kwamen, had men op de markt honderdtwintigduizend kievitseieren verkocht. Ze weten het legsel van deze schuwe vogel, net als dat van de kip, te organiseren en uit te breiden.
Uit: Holland per automobiel. Begin 1900.

 

Hans van Straten (geb. 1923)

Leeuwarden

De regen wekt in afgestorven tuinen
een veeg geruis als van een binnenzee;
vèr dwaalt door nevelige bomenkruinen
een oude stompe toren met ons mee,

die niet aflaat als wij de straat inkomen
waar wij aan 't einde van een pelgrimstocht
naar 't huis van Slauerhoff hebben gezocht,
een laatste onderdak voor jongensdromen.

Later zien wij ons weer de markt langsgaan,
de stad wordt stil de avond ingedreven;
de toren is een spookschip in de mist.

Wij hebben ons weer in het jaar vergist
en zwijgend heb ik naast zijn naam geschreven:
"Onvindbaar. In de herfstwind scheepgegaan."

Uit: Herfst in Holland. 1946

Anonimus:
Vooraf echter wil ik u mededeelen dat wij ook een bezoek hebben afgelegd bij den oudsten burger van Leeuwarden den Toren van Oldehove waarnevens eens de oude beroemde Bisschoppelijke kerk stond die in 1595 afgebroken en door een kring boomen vervangen is Doordien deze toren slechts ter halver hoogte is volbouwd geworden bezit hij een plat van waar men op zijn gemak de gansche stad en omtrek ja een groot deel van Friesland kan overzien Bij helder weder moet men hier de torens van nog 6 steden en ongeveer 150 dorpen benevens de eilanden met de schepen in de Wadden ja zelfs in de Noordzee kunnen onderscheiden Hier op dit merkwaardig middelpunt dezer provincie overzag dan mijn oog het voornaamste gedeelte van het Land der Friezen van dat oude nijvere en krachtige volk dat in eeuwen langen strijd tegen d woede van den Oceaan aan den eenen en tegen de overmag van buitenlandsche Vorsten aan den anderen kant bijna 2001 (In: Volksalmanak voor het jaar 1857, uitgegeven door de Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen) 

Hans Werkman:
Perron Leeuwarden is een winderig oord met drie huiverende mensen die zwijgend en los van elkaar staan te nicotineren in een gele cirkel rondom een rookpaal. In de verste hoek van het perron zijn drie wc's, waarvan twee defect en voor de derde staat een man voorzichtig wiebelend de instructies te lezen. Ik lees mee. Je komt in het hok door met je mobiel een 09- nummer te bellen en via je banknummer iets van een euro te betalen. Waanzin. Ik heb niet eens een mobiel bij me.
Hans Werkman. Onderweg naar Oosterlittens, zaterdag 12 maart 2011

Martin Veltman:
Voorstreek
Op zes en twintig woonde Slauerhoff.
Had aangebeld, had maar je paperassen,
je verzen laten zien, met zijn verlof.
Misschien had hij geknikt, gedaan alsof,
misschien je jongenshanden schoongewassen.

Martin Veltman, Uit: Hollandse quintijnen, Amsterdam 1991

Hilbrand Rozema
De vergeten hoofdstad, de minst Friese van de elf steden – het is niks met ons, en het zal ook nooit wat worden, dachten inwoners van Leeuwarden lang. Dat lijkt voorbij. Op zoek naar de ziel van het ‘Pisa van het Noorden’. Lees verder ....
Uit: nd© Gulliver. Nederlands Dagblad, 20 juni 2014

Terug