Sporen van Saskia

Een stadswandeling door het Leeuwarden van Saskia Uylenburgh (1612-1642)

Download hier de routekaart. Om uw kennis omtrent Leeuwarden in de Gouden Eeuw verder te verdiepen, kan desgewenst in de winkel van het Historisch Centrum Leeuwarden voor € 7,50 het wandelgidsje Sporen van de Gouden Eeuw worden aangeschaft.

Er bestaat ook een uitgebreide fietstocht, welk hier in pdf-formaat kan worden gedownload!

Inleiding

Op 22 juni 1634 trad Saske Ulenburgh (1612-1642) - later in Amsterdam veelal Saskia van Uylenburgh genoemd - te St. Annaparochie in het huwelijk met de uit Amsterdam afkomstige kunstschilder Rembrandt Harmensz. van Rhijn (1606-1669). Hij was reeds in juni 1633 met zijn geliefde teruggereisd naar Friesland om aan haar wettige voogd om haar hand te vragen. Eerder dat jaar was Saskia op eigen houtje naar Amsterdam gereisd om haar neef, de kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh, te bezoeken. Het was hier waar ze Rembrandt had leren kennen. Tijdens dit bezoek aan zijn beoogde schoonfamilie, vereeuwigde hij op 8 juni ‘uit de losse pols' een smoorverliefd kijkende Saskia op een door hem meegenomen velletje perkament. Ten teken van haar vruchtbaarheid beeldde hij haar af met een bloem in haar rechterhand. Daaronder schreef hij: ‘dit is naer mijn huysvrou geconterfeyt do sij 21 jaer oudt was den derden dach als wij getroudt waeren, den 8 Junijus 1633'. Het woordje ‘getroudt' dient hier gelezen te worden als ‘verloofd', een gebeurtenis dus die zich op 5 juni van dat jaar zou hebben voltrokken.

  

 

250-saskia_verloofd.jpg 

Dezelfde tekening, waarvan het origineel berust in het Kupferstichkabinett te Berlijn, heeft gediend als basis voor de herinneringsplaquette die in 2007 werd aangebracht op de voorgevel van Saskia's geboortehuis aan de Ossekop. Nadien zou Saskia nog vele malen door ‘haar Rembrandt' worden geportretteerd, waaronder enige malen als de godin Flora.

Doopinschrijving van Saskia in de Grote of Jacobijnerkerk van Leeuwarden op 2 augustus 1612 (Collectie HCL)

Saskia - gedoopt op 2 augustus 1612 (volgens de kalender ‘oude stijl'; volgens de in Holland reeds in 1584 ingevoerde Gregoriaanse kalender zou ze op 12 augustus zijn gedoopt) als Saske Wilenburch - was de jongste van acht kinderen uit het huwelijk van Rombertus Ulenburgh en Siuckien Ulckedr. Aessinga. Haar vader werd rond 1554 in Bergum geboren als zoon van Rommert Pytersz. en Anna Hendricksdr. en studeerde aan de universiteit van Heidelberg. Op 10 september 1578 promoveerde hij tot doctor in de rechten.

Haar moeder was een dochter van Ulcke Reynsz., secretaris van Baarderadeel, en Jelcke Tyaerdtsdr. Ulcke was een vooraanstaand man. Tot 1560 was hij secretaris geweest van Gaasterland. Saskia heeft echter geen van haar vier grootouders gekend.

Het leven van meerdere generaties Ulenburgh werd in meer of mindere mate beheerst door de Opstand tegen het Spaanse gezag, dan wel de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Het verzet had al in 1588 geleid tot de vorming van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De zuidelijke gewesten bleven trouw aan de Spaanse koning. Het uiteenvallen van de Nederlanden leidde ook tot een godsdienstige scheiding. Daar waar het Noorden de calvinistische leer tot staatsgodsdienst verhief, bleef het Zuiden hardnekkig trouw aan het rooms-katholicisme.

 

Na 1580 werd óók in Leeuwarden streng opgetreden tegen de toen illegaal verklaarde geloofsuitoefening door ‘papisten' en ‘wederdopers'. Na felle protesten tegen onder andere de vervolging van andersdenkenden en daarop het installeren van een gematigder stadsbestuur (‘mastoproer' 1610) werden zowel de rooms-katholieke eredienst als de bijeenkomsten van doopsgezinden weer oogluikend toegestaan, mits op aan het oog onttrokken locaties. Zo ontstonden op zolderverdiepingen en in achterhuizen de eerste rooms-katholieke schuilkerkjes en doopsgezinde vermaningen.

Na het overlijden van haar vader op 3 juni 1624 - haar moeder was op 17 juni 1619 reeds overleden - werd Saskia overgelaten aan de zorgen van haar oudere zusters Antje, Titia en Hiske. Antje was later gehuwd met de aan de Franeker Universiteit verbonden Poolse hoogleraar Johannes Maccovius (1588-1644). Professor Maccovius, die vanwege zijn Poolse afkomst ook wel werd aangeduid als Makowsky, gedroeg zich nogal eens als medestudent onder zijn studenten en volgens deze laatsten ‘deed hij niet voor de anderen onder in drinken en vechten'. Van alle portretten van Franeker professoren springt dat van Maccovius eruit vanwege zijn halfdichte linkeroog. Boze tongen beweerden dat hij dit had overgehouden aan een vechtpartij.

Saskia woonde na 1627 in ieder geval een aantal jaren bij haar zus Hiske in Sint Annaparochie. Datzelfde jaar was deze namelijk in het huwelijk getreden met Gerrit van Loo. Gerrit was aanzienlijk ouder dan Hiske en had reeds een eerder huwelijk achter de rug. Hij was secretaris van de grietenij Het Bildt en werd op 14 juni 1628 benoemd tot voogd over de minderjarige Saskia Ulenburgh. Saskia bewoonde met haar zus en zwager het zogenaamde ‘Regthuys' in Sint Annaparochie. Tegenwoordig vindt men er een kledingzaak.

In 1633 moest andermaal in de voogdijschap over Saskia worden voorzien. Een reden hiervoor wordt niet genoemd, doch mogelijk speelde de belabberde financiële situatie van haar zwager een rol. Dirck Jansz., boer op Het Bildt en een tijdgenoot van Gerrit van Loo, schrijft - mogelijk niet geheel objectief - over hem in z'n aantekenboek: ‘Den Secktaris Loo is int leste van November ao. 1632 met het wyef ende veel hastigheit na Leverdt togen ende altemedt macht daeraen meer mobelen hale laten, als die banckerotten doen'.

00-06-schilcampen_5.jpgNa het overlijden van haar zuster Antje op 9 november 1633 trok Saskia waarschijnlijk als huishoudster in bij haar zwager Johannes Maccovius aan de Schilcampen 5 te Franeker. Op dat moment was zij al verloofd met Rembrandt. Hoe Saskia uiteindelijk kennis kreeg aan Rembrandt laat zich raden! Hendrick van Uylenburgh (ca. 1587-1661), een kleinzoon van een oudere broer van haar vader - dus eigenlijk een zoon van een volle neef van Saskia - was namelijk een tamelijk succesvol kunsthandelaar in Amsterdam. De wegen van deze Hendrick en het latere genie Rembrandt hadden zich al ver voor 1633 - het jaar dat Saskia bij haar neef op bezoek kwam - beroepsmatig gekruist.


Rembrandt zal ‘op bestelling' schilderijen aan Hendrick hebben geleverd. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat neef Hendrick beide jongelieden ‘met voorbedachten rade' aan elkaar heeft gekoppeld en daarmee - om in 21ste-eeuwse termen te spreken - een ‘perfect match' heeft tot stand gebracht.

Dat Saskia, al dan niet geholpen door haar familie, haar weg naar het verre Amsterdam heeft gevonden, hoeft ons niet echt te verbazen. De verbinding tussen Leeuwarden en Amsterdam over water was naar toenmalige maatstaven bijna ideaal te noemen. Economische en sociale interactie tussen beide steden bestonden dan ook al sinds mensenheugenis. Vele Friese kooplieden hebben zich vanaf de late Middeleeuwen in Amsterdam gevestigd, waarbij zelfs na meerdere generaties van afwezigheid de contacten met achtergebleven verwanten in het Heitelân niet werden verwaarloosd. Een uitgebreid netwerk van waterwegen stond borg voor een snelle en regelmatige verbinding met Amsterdam en andere Hollandse steden.

Hoewel er aan de hand van Leeuwarder archivalia pas voor het eerst in 1646 onomstotelijk bewijs is voor het bestaan van een beurtveer van Leeuwarden op Amsterdam, suggereerde de Amsterdamse 18de-eeuwse geschiedschrijver Jan Wagenaar reeds dat er waarschijnlijk al in het begin van de 17de eeuw een geregelde dienst tussen beide steden moet zijn onderhouden. Van de zeezijde kende men reeds betrekkelijk vroeg een beurtveer tussen Harlingen en Amsterdam. In 1543 werd door Karel V een octrooi aan Harlinger schippers voor die vaart verleend, dat later door Filips II werd bekrachtigd. De Zuiderzee was vanuit Leeuwarden op twee manieren te bereiken, namelijk via de Harlingervaart en de haven van Harlingen, en eveneens via de route over Grouw, Irnsum, Sneekermeer, Slotermeer en Takozijl of Lemmer. Zo reisde men destijds vele malen comfortabeler via water dan over land. De Friese vrijheidsstrijder Jancko Douwama (1482-1533) verzuchtte al in 1514 in zijn ‘Boeck der Partijen' dat het in de winter ‘quaet was to Lewerden to comen, met dat het landt al under water lach'.

In de vermoedelijk vijftien jaar dat Saskia in Leeuwarden heeft doorgebracht zal zij zich als kind hebben verwonderd over de enorme bedrijvigheid en de veranderingen in haar geboortestad. Er was immers met het sluiten van het Twaalfjarig Bestand - een adempauze tijdens de onafhankelijkheidsstrijd tegen Spanje die tachtig jaar zou duren - juist een periode van relatieve rust aangebroken, waarin de mensen om haar heen de toekomst weer met een beetje vertrouwen tegemoet zagen. Aan de andere kant moet zij als klein meisje ook de nodige tweespalt hebben zien ontstaan tussen de ‘rekkelijken' en ‘preciezen', dan wel de Arminianen en Gomaristen, ook wel aangeduid als Remonstranten en Contraremonstranten. Deze religieuze twisten zullen bij tijd en wijle ook Leeuwarden danig op zijn kop hebben gezet en de nodige gesprekstof in huize Ulenburgh hebben opgeleverd.

Ook moet het koortsachtig op sterkte brengen van de stedelijke verdedigingswerken met het oog op een hervatting van de strijd tegen Spanje een behoorlijke indruk op haar hebben gemaakt, ook al werd er na 1600 in Friesland geen schot meer gelost. Mogelijk zal ze door haar naasten zijn afgeschermd van de wrede terechtstellingen die bij tijd en wijle pal achter haar ouderlijk huis op het schavot voor het Blokhuis plaatsvonden. In de korte periode dat Saskia in Leeuwarden heeft gewoond zijn er tenminste 25 doodvonnissen door het Hof van Friesland bekrachtigd en ten uitvoer gelegd.

Het overlijden van haar moeder in 1619 en de daaropvolgende teraardebestelling, vermoedelijk 's avonds bij toortslicht in de Grote Kerk, zullen het kleine meisje ook behoorlijk hebben aangegrepen. Dit zou ze in juni 1624 nogmaals moeten meemaken.
In het door Rembrandt ten Stadhuize in Amsterdam aangegeven voornemen tot het aangaan van een huwelijk met Saskia, noemt hij als haar verblijfplaats St. Annenkerck (Sint Annaparochie), terwijl hun trouwinschrijving Franeker als woonplaats vermeldt. Kunsthistoricus en Rembrandt-deskundige Ben Broos verklaart deze ogenschijnlijke discrepantie als volgt:

'In maart 1634 overleed te Leeuwarden tante Sas Uylenburgh, weduwe van Gedeputeerde Kempo Wyaerda. Tot ontzetting van de familie bleek niet Saskia, maar haar oudste zus Jelcke de universele erfgename te zijn. Vermoedelijk heeft zij de oude weduwe in haar laatste jaar verzorgd. Samen met andere familieleden heeft Saskia de voor hen teleurstellende wilsbeschikking aangevochten op grond van het vererfrecht. In een van de processtukken met betrekking tot deze zaak werd ze op 20 mei dat jaar vermeld als ‘Saske Ulenburch veniam aetatis by den hove becomen hebbende'. Uiteindelijk is het protest van de verontwaardigde familie niet zonder succes gebleven. Saskia zal er daarom op hebben aangedrongen dat Rembrandt na de dood van Jelcke in 1637 alsnog ging informeren naar haar part in de nalatenschap van peettante Sas. Daarbij kregen zij overigens hulp van neef Hendrick Uylenburgh, die van meet af aan nauw bij deze Friese aangelegenheid betrokken was. Het overlijden van haar peettante en alle gedocumenteerde verwikkelingen daaromheen wekken de indruk dat Saskia tot en met de lente van 1634 in Friesland is geweest en niet in Amsterdam. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat Rembrandt niet precies wist waar zij woonde in de maand voor hun huwelijk.'

Of Rembrandt zelf ooit Leeuwarden heeft bezocht of dat hij lijfelijk aanwezig is geweest bij het aanvechten van het testament van tante Sas, is nimmer aangetoond. Hij zou in 1633, mogelijk samen met Saskia, een beleefdheidsbezoek kunnen hebben afgelegd aan zijn zwager dr. Ulricus Ulenburgh die woonachtig was aan de Turfmarkt tegenover de Kanselarij. Verder speculerend, zou Rembrandt ten tijde van de kennismaking met zijn toekomstige schoonfamilie ook de cultuur van de geboortestad van zijn geliefde hebben willen opsnuiven en zich op de hoogte hebben willen stellen van het werk van in Leeuwarden werkzame vakgenoten als Lambert Jacobs (1598-1636) en Saskia's verre aangetrouwde neef Wybrand de Geest (1592-ca.1663), die mogelijk eveneens tot de vaste leveranciers van neef Hendrick van Uylenburgh hebben behoord.

00-14-uitsnede_lijkstatie_rombertus.jpgSaskia's vader - de rechter persoon op een uitsnede van de uitvaart van stadhouder Willem Lodewijk in 1620 - was met zijn 58 jaar ten tijde van haar geboorte reeds een oude man en had op dat moment het grootste deel van zijn politiek-maatschappelijke carrière reeds achter zich. Zo was hij tussen 1584 en 1587 burgemeester van Leeuwarden, volmacht ten landdage (1584 en 1585), afgevaardigde ter Staten-Generaal (1584 en 1587) en Gedeputeerde Staat van Friesland in 1585, in welke hoedanigheid hij betrokken was bij de oprichting van de Franeker Universiteit. Ook was hij pensionaris van Leeuwarden en Landsadvocaat. Op 8 april 1597 werd hij door de Staten voor het leven benoemd tot Raadsheer bij het Hof van Friesland en op 10 mei van dat jaar als zodanig beëdigd. Rombertus Ulenburgh werd in juli 1584 namens de Friese steden met een instructie naar Willem van Oranje in Delft gestuurd en was daardoor ongewild getuige van de moord op de vader des vaderlands die eerder door Philips II vogelvrij was verklaard. Zelfs zou hij één der laatste personen zijn geweest waarmee de prins heeft gesproken. Volgens Ulenburghs rapport dat hij na terugkeer aan de Staten van Friesland uitbracht, was hij op de ochtend van 10 juli (volgens de in Holland gehanteerde Gregoriaanse kalender) door Willem van Oranje op het Prinsenhof ontvangen.

Na eerst zijn geloofsbrieven te hebben overhandigd en de nodige hoffelijkheden te hebben uitgewisseld, verhaalde Ulenburgh dat hij de prins op de hoogte had gebracht van de actuele zaken die er in zijn gewest speelden. Na enig aandringen van de zijde van de prins is Ulenburgh, na enig tegenstribbelen, uiteindelijk ingegaan op diens aanbod om met hem en zijn gezin te dineren.

Toen kort na het diner andere zaken de volledige aandacht van de prins opeisten en deze zich tegenover Ulenburgh verontschuldigde, hadden beiden vluchtig afscheid van elkaar genomen. Kort daarna zag de Prins, na het afdalen van de trap, recht in de loop van het door Balthasar Gerards gehanteerde vuurwapen, welke laatste van dichtbij de trekker overhaalde en de prins door het hart schoot. Blijkens een onlangs uitgevoerd forensisch onderzoek zou de prins gezien de aard van zijn verwondingen - hij moet namelijk op slag dood zijn geweest - nimmer zijn beroemde laatste woorden ‘Mon Dieu, Mon Dieu, ayez pitié de moi et de ton pauvre peuple' kunnen hebben uitgesproken.

Tijdens verhitte discussies die in de 19de eeuw plaatsvonden over hoe de vrij koele en zakelijke verslaglegging van Ulenburgh ten aanzien van wat zich in Delft had afgespeeld, moest worden geïnterpreteerd, vroeg één van Ulenburghs criticasters zich hardop af of er ook een portret van hem bekend was, en zo jà of hij daarop inderdaad als uit steen gebeiteld en uit ijzer gegoten te zien zou zijn! De Leeuwarder stadsarchivaris en boekhandelaar Wopke Eekhoff onthulde toen dat er inderdaad een afbeelding bestond, doch als hartstochtelijk pleitbezorger van de gewichtige statuur van Ulenburgh wilde hij deze echter niet aanwijzen ‘opdat zij niet misbruikt worde'. Blijkbaar achtte hij het op dat moment een te onvoordelige beeltenis. In zijn publicatie over de Vrouw van Rembrandt uit 1862 gaf Eekhoff uiteindelijk zijn geheim wel prijs aan de openbaarheid. Ulenburghs beeltenis bleek voor te komen op de gravure van de lijkstatie van Graaf Willem Lodewijk uit 1620.

00-19-gezicht_op_leeuwarden_rond_1675.jpg

Uit Saskia's jeugdjaren zijn vrijwel geen afbeeldingen van of gezichten op Leeuwarden bewaard gebleven. Eén van de vroegste werken waarop een redelijk waarheidsgetrouw beeld van de stad wordt gegeven is een stadsgezicht van de hand van Jacob Pieters van der Croos (1642-1683) die tussen 1667 en 1683 in Leeuwarden werkzaam is geweest.

Vrijwel altijd wordt een stadsgezicht op Leeuwarden vanuit het Zuiden vastgelegd, zo ook in dit werk van Van der Croos. Uiteraard zijn de Oldehove en de stadswallen herkenbaar, alsmede de inmiddels afgebroken torens en vele molens rond de stad. De nog vrij compacte stad zal er niet wezenlijk anders bij hebben gelegen dan pakweg een halve eeuw eerder.

DE ROUTE:

De route voert langs een aantal markante plekken in de stad die tijdens de jeugdjaren van Saskia ongetwijfeld een onuitwisbare indruk op haar moeten hebben gemaakt. In hoeverre de herinneringen aan Leeuwarden die ze meenam naar Amsterdam haar dierbaar zijn geweest, is ons niet overgeleverd. Mogelijk heeft ze ‘het gemoedelijke' van een kleine provinciestad net zo ervaren als de huidige Leeuwarders en bewaarde zij herinneringen aan een tamelijk zorgeloze tijd waarin haar beide ouders en andere naaste verwanten nog deel uitmaakten van haar leven.

De wijze waarop de gebouwen zich volgens de te volgen route aan de in de voetsporen van Saskia tredende wandelaar openbaren, is gebaseerd op hoe de in Leeuwarden woonachtig geweest zijnde landmeter en vestingbouwkundige Johannes Sems (Hoeflinga) (Franeker, 1572-Groningen, 1635) de stad tussen 1600 en 1603 in kaartvorm voor het nageslacht heeft vastgelegd. Steekproefsgewijs is gebleken dat Sems hierbij zeer nauwkeurig te werk is gegaan, dit in tegenstelling tot latere navolgers, die zich vaak op zijn kaart baseerden en ‘rücksichtlos' complete - reeds lang gewijzigde - straatwanden intekenden zonder ooit zelf in Leeuwarden te zijn geweest. Dat de naam van Johannes Sems in 1904 dankzij zijn buitengewoon adequaat vervaardigde plattegrond in een straatnaam is vereeuwigd, is dan ook meer dan verdiend.

Alle tastbare locaties zijn van Sems' kaart uitgelicht en als illustratie opgenomen. Daarnaast zijn een enkele maal de bekende, in 1971 gereconstrueerde en in boekvorm uitgegeven, stadsgezichten van de hand van tekenaar J.W.H. (Hans) van der Horst toegevoegd, alsmede de oudste afbeeldingen van de diverse objecten die in het Historisch Centrum Leeuwarden of elders berusten.

Getracht is om van ieder gebouw zoveel mogelijk een relatie met Saskia of haar familie aan te geven. Waar dit niet geheel uit de verf is gekomen, dient men zich te realiseren dat Saskia de gebouwen of straatbeelden wel degelijk heeft gekend en in haar herinnering heeft meegenomen naar Amsterdam.

1.

01a-sems_1603_tournooiveld.jpg

  

De in 1540 gebouwde Stads Schuttersdoelen diende ter vervanging van de oude Doelen in de tegenwoordige Oude Doelesteeg. De verplaatsing van het onderkomen van de schutterij zal in de eerste plaats verband hebben gehouden met de snelle ontwikkeling van de Nieuwestad en het achterliggende Ruiterskwartier tot commercieel centrum van de stad. 

Het Algemeen Gerechtsboek van Leeuwarden (1533) maakt melding van een ruzie die op dinsdag 22 juli 1532 ‘in den Cloeveniers Hoff binnen Leuwaerden' - dus in de Stads Schuttersdoelen - zou hebben plaatsgevonden. De naam kloveniers is afgeleid van de naam van het wapen waarmee werd geschoten. In het Frans heette dit een ‘couleuvrine'. Denk hierbij ook aan Amsterdam, alwaar de kloveniers bijeenkwamen in de Kloveniersdoelen op de hoek van de Kloveniersburgwal en de Doelenstraat. Hier hing later ook hun beroemde, door Rembrandt geschilderde groepsportret ‘De Nachtwacht'.

De schuttersdoelen diende als vergaderplaats voor de Stedelijke Schutterij en het complex, bestaande uit het hoofdgebouw, doeletuin en het aangrenzende tournooiveld, werd tevens gebruikt voor het houden van wapenoefeningen. Het bekleden van een officiersfunctie binnen dit stedelijke weerbaarheidskorps vormde veelal de opmaat voor een politiek-maatschappelijke carrière. Voor zover bekend heeft Rombertus Ulenburgh na het afronden van zijn studie geen functie bekleed binnen dit korps, doch zal hij uit hoofde van zijn bestuurlijke functies de nodige formele contacten hebben onderhouden met het officierskader. Zeker zal hij persoonlijk zijn uitgenodigd op de meerdere dagen durende en met drank overgoten schuttersfeesten die om het andere jaar werden gehouden en waarbij de winnaar van het schieten op de vogel, voor twee jaar tot schutterskoning werd uitgeroepen.

2. -  3.

Het pand Grote Kerkstraat 7 staat bekend als het Heer Ivohuis. De eerst bekende bewoner van het huis was Heer Ivo Johannes, hoofdpastoor en later deken van het Oldehovekapittel. Kennelijk geliefd bij de Leeuwarders, want in een oud geschrift staat het rijmpje: "Heer Ief, heeft het volk lief". Heer Ivo Johannes was ook de naamgever van het Heer Ivostraatje. Heer Ivo bewoonde het huis waarschijnlijk tot zijn dood in 1581.  

  

02a-sems_heer_ivohuis-princessehof.jpg

Daarna werd het achtereenvolgens bewoond door o.a. leden van de adellijke familie Van Donia, Feye Tiercx Heidema en zijn zoon Tarquinius Heidema, advocaat aan het Hof van Friesland). 

Ter plaatse van het huidige pand heeft reeds een ouder gebouw gestaan, dat bewoond was door het uit Oost-friesland afkomstige adellijke geslacht Papinga. Van 1580 tot 1644 was het gebouw eigendom van het geslacht Liauckema. Deze zogenaamde stadsstins heeft de traditionele L-vormige plattegrond met de traptoren in de hoek. De toegang bevond zich in de toren. Volgens de kapconstructie is de westelijke vleugel iets later bijgebouwd. De verdere ontwikkeling van de stins is niet los te zien van die van het westelijk belendende Prinsessehof.
Het middeleeuws Friesland telde meer dan vijfhonderd ‘stinzen', verdedigbare stenen huizen. Ze waren zowel op het platteland als in de steden te vinden. Friesland kende geen centraal gezag en de Friese samenleving kan getypeerd worden als een ‘vetemaatschappij'. Iedere adelijke familie was genoodzaakt tenminste één verdedigbaar steenhuis te hebben. Hoewel het bouwkundig om bescheiden gebouwen ging, waren zij de steunpunten voor de heerschappij van de Friese edelen, de zogenaamde ‘hoofdelingen'.

4. 

03a-sems_holdingahuis.jpg

  

Deze stadsstins werd tussen 1552 en 1554 gebouwd, maar gezien de plaats en vooral de omvang van de hof waarin het huis stond moet het op de plaats van een ouder huis gebouwd zijn. Opdrachtgever tot de bouw was Wilcke van Holdinga die te Anjum op Holdinga State woonde. Volgens de overlevering is in de grote zaal van de stins in 1565 het verbond gesloten tussen meer dan honderd Friese edelen om zich samen met andere Nederlandse edelen tegen de Spanjaarden te verzetten. Van 1693 tot 1756 werd het pand gebruikt als Landschap's Munt, waarna het in 1758/59 werd verbouwd Diaconiehuis. In 1794 brandde het gebouw tot de grond toe af. 

5. 

Omstreeks het jaar 1400 moet in Leeuwarden een weldoener zijn opgestaan die in navolging van de heilige Anthonius de eerste stap tot de stichting van een Sint Anthony Gasthuis zette. Zijn naam en ook het precieze stichtingsjaar zijn helaas niet overgeleverd. 

  

04a-sems_sint_antoon.jpg

Maar dat er al in 1425 van een soort Sint Anthony Gasthuis sprake is, meldt ons een acte waarin Jouke Burmania een pand nabij het Oldehoofster kerkhof schenkt aan deze blijkbaar toen al enige tijd bestaande instelling. Een gasthuis bood destijds onderdak aan permanente en tijdelijke bewoners. Blijvende huisvesting was er voor de proveniers, die door al hun bezittingen te vermaken aan de voogden van het gasthuis, voor de rest van hun leven naar lijf en ziel verzorgd werden. Zij kochten zich dus in in het proveniershuis om te voorzien in de vaak zo nodige zorg tijdens de oude dag. Vaak was het bij de aanzienlijke stand gebruikelijk om charitatieve en kerkelijke instellingen bij testament middels een legaat te bedenken. Het lijkt niet uitgesloten dat leden van de familie Ulenburgh de Leeuwarder armen en behoeftigen eveneens op deze wijze hebben bedacht.

6. - 6a.

05a-sems_aed_levwerd.jpg

  

Het huis Aed Levwerd is naar alle waarschijnlijkheid kort na 1594 gebouwd op de plaats waar tot dan toe een vervallen stins heeft gestaan, althans er is dan sprake van ‘seecker olt ende nu gedemolieert stins, gestaen hebbende in de Groote Kerkstraat tegenover St. Anthonis Gasthuys'. Aanvankelijk werd er van uit gegaan dat in deze oude stins in 1525 de Leeuwarder Latijnsche School, voorloper van het Stedelijk Gymnasium, was  gesticht. Recentelijk onderzoek heeft echter aangetoond dat het schoolgebouw pal achter het perceel Grote Kerkstraat 47 aan het Perkswaltje was gesitueerd.

De Grote - of Wijde Gasthuissteeg werd destijds ook wel aangeduid als ‘Achter de Grote Schole'. Het lijkt aannemelijk dat Rombertus Ulenburgh rond tussen 1570 en 1575 deze school heeft bezocht. Hij werd op 7 september 1575 ingeschreven als rechtenstudent aan de Universiteit van Heidelberg en promoveerde aldaar op 10 september 1578.

7. 

Reeds in 1564, toen "die grouwsaeme plaege der pestilentie binnen deesen Landen begon te wassen", werden er voorzorgsmaatregelen getroffen. In 1576, toen de pest andermaal om zich heen greep, werden deze door het Stadsbestuur uitgebreid. Tot dan toe werden pestlijders in een aantal ‘pestcameren' aan de wal achter de Nieuweburen verpleegd. Maar toen in 1581, 1582 en zelfs nog in 1583 de pest hier opnieuw verschrikkelijk huishield, bleken deze vertrekken bij lange na niet toereikend om in de dringende behoefte te voorzien, waarna tal van andere locaties werden aangewezen om zieken te verplegen. Zelfs de kerken van Nijehove en Hoek en een gedeelte van het Galileër-klooster werden volgestouwd met pestlijders. Zodra de plaag enigszins afnam, werden het zieken- en washuis van het Dominicaner Klooster aan de westzijde van de kloostertuin en ten noorden van de kerk van Nijehove, geheel vernieuwd en uitgebreid tot Stads Pesthuis.

  

06a-sems_pesthuis.jpg

In 1611 werd op dezelfde plek een geheel nieuwe verpleeginrichting opgetrokken dat daar tot het jaar 1675 dienst heeft gedaan, waarna het werd verbouwd tot Stadsweeshuis. Niet aangetoond is dat de pest gedurende Saskia's jeugdjaren in Leeuwarden ooit epidemische vormen heeft aangenomen. De jaren dat de pest in Leeuwarden wel vele slachtoffers maakte waren naast de hiervoor genoemde jaren: 1602-'03, 1635-'36, 1656-'57 en 1666. Volgens overlevering moeten de torenklokken destijds wekenlang bijna onophoudelijk hebben gebeierd om de vele doden die ten grave moesten worden gedragen te beluiden.

06c_aquarel perkswal d279.jpg

De onbekende vervaardiger van het vroeg 17de eeuwse schilderij dat in de 19de eeuw door Sjoerd Bonga in waterverf werd nageschilderd, moet met zijn rug naar het Pesthuis hebben gestaan. Afgebeeld is de voormalige gracht of sloot die vanaf de Voorstreek langs de Nieuweburen en de achtererven van de huizen aan de noordkant van de Grote Kerkstraat richting de Oldehoofsterwaterpoort liep.

Links de ingang van de Pijlsteeg, met daarvoor de oude Gerkesbrug. De oude situatie is heden ten dage nauwelijks meer herkenbaar. In de 19de eeuw verrees langs de Groeneweg en het Perkswaltje het Nieuw St. Anthonygasthuis.

Deze omgeving stond vanaf de tweede helft van de 16de eeuw bekend als dé rosse buurt van Leeuwarden. In 1559 werd het gebied door het stadsbestuur als zodanig aangewezen in een poging om het losbandige leven van de Leeuwarders en het schuin marcherende soldatenvolk te reguleren. Bordelen werden vanaf dat moment alleen nog maar toegestaan in ruwweg het gebied aan weerszijden van de huidige Groeneweg, van de Prinsentuin tot aan de Vijzelstraat. Het wereldje van pooiers en lichtekooien liet zich ook in de zestiende eeuw moeilijk de wet voorschrijven. Daarnaast moeten de sekshuizen destijds ware speelholen zijn geweest. Wie zich bezondigde aan het ‘chaerten, boegelspel ofte andere boevenspel, 't zy buyten den huyse off in eenig bordeel' kreeg een boete van 14 stuivers. In 1580 beklaagde zelfs stadhouder Bernard van Merode zich over de wantoestanden nabij de Stadsdoelen: ‘Alzoo wy onderricht zijn, ende zelffs dagelycx genoechsaem bespeuren dat vele dronckaers sich op de Doelen versamelen.' In 1582 werd een nieuwe verordening uitgevaardigd: niemand mocht ‘eenige hoeren, boeven en leechgangers in 't heymelick oft openbaer onderholden soe als hier voormaels dyckwyls geordineert ende verbooden is geweest.' De betrapte dames werden voortaan - desnoods met de schandstenen om de nek - Leeuwarden uitgezet.

8.

Het feit dat de St. Vituskerk in 1285 als liggend in ‘Oldehove' wordt aangeduid, impliceert dat de parochiekerk van Nijehove toen reeds bestond. Volgens recente inzichten zal deze aan Maria gewijde kerk rond het jaar 1200 op instigatie van de Cammingha's zijn gesticht. Na de reformatie werd besloten om in deze kerk geen godsdienstoefeningen meer te houden. Nadat er tot 1608 pestlijders en oorlogsslachtoffers waren verpleegd, diende het gebouw een tiental jaren als opslagplaats voor 's Lands krijgsbehoeften. In 1619 kreeg het gebouw een bestemming waaraan het de latere naam van ‘het Klokhuis' ontleende.  

  

07a-sems_nijehove.jpg

Een deel van het gebouw werd toen verhuurd aan Hans Falck van Neurenberg om als klokgieterij te dienen.

9.

07e-sems_grotekerk.jpg

  

Nadat in 1245 de Dominicanen zich te Leeuwarden hadden gevestigd, zou rond 1275 zijn aangevangen met de eerste fase van de bouw van de kloosterkerk die we tegenwoordig nog kennen als de Grote - of Jacobijnerkerk. In 1484 legateerde Tyemck Wibren Boulsmedochter een aanzienlijk legaat aan de paters ‘to hiara tymmer to der tzerke'. Dit hield verband met de eerste uitbreiding van de kerk. De laatste grote uitbreiding vond rond 1500 plaats. 

Hoe het kloostercomplex er ongeveer uit heeft gezien weten we dankzij de ontdekking van een stadsplattegrond uit 1572 die ooit in opdracht van Caspar di Robles werd vervaardigd. In 1580 werd door de hervormden definitief bezit genomen van zowel kerk als klooster. Kosten noch moeite werden gespaard om het aanzien van de voormalige kloosterkerk te vergroten en haar te verheffen tot hoofdkerk.

Gezien deze status van hoofdkerk en het feit dat meerdere leden van de familie Ulenburgh er zijn begraven, waaronder Saskia's gelijknamige peettante naar wie zij werd vernoemd, ligt het voor de hand dat de familie eveneens kerkte in dit godshuis. Naar alle waarschijnlijkheid is Saskia er op 2 augustus door ds. Johannes Bogerman (1576-1637), die van 1604 tot 1634 hoofdpredikant van Leeuwarden was, gedoopt. Overigens werd in Friesland tot 1701 de Juliaanse tijdrekening gevolgd die aanvankelijk 10 dagen achterliep op de in Holland rond 1582 ingevoerde Gregoriaanse kalender. Feitelijk zal het pas op 12 augustus 2012 400 jaar geleden zijn dat Saskia ten doop werd gehouden. Helaas is nimmer een (leesbare) grafzerk van de ouders van Saskia teruggevonden.

10. 

Vóór de reformatie in 1580 maakte de kerk deel uit van het Dominicaner kloostercomplex van de Witte Nonnen, dat in 1507 gesticht was. Nadat het gebouw voor diverse doeleinden door de stad was verhuurd en onder andere enige tijd als school had gediend werd de voormalige kloosterkapel uiteindelijk in 1659, na ruim een kwart eeuw gesteggel, overgedragen aan de Waals Gereformeerde Gemeente om er godsdienstoefeningen te houden.

 

                

08a-sems_1603_waalse_kerk.jpg

 

11. 

09a-sems_1603_woonhuis_wybrand_de_geest.jpg

    

De bekende Friese schilder Wybrand de Geest was gehuwd met Hendrickje Fransdr. Uylenburgh, een dochter van een veel oudere neef van Saskia. Dat Wybrand de Geest (1592-1663?) een door hem gehuurd huis in Leeuwarden gekocht had, was bekend. De akte van 1 november 1644 was evenwel lange tijd niet terug te vinden. Onlangs werd ontdekt dat de akte inderdaad van 1 november 1644 dateert, maar het consent pas werd verleend in 1645.  

 

Claeske Nicolay, weduwe van advocaat Dr. Gellius Bruinsma, verkocht in 1661 haar woning "op de Orangie Ewal" op de hoek van de Minnemastraat. Als belendende huiseigenaar ten zuiden werd Sr. Wybrandt de Geest. De Minnemastraat lag ten oosten van het verkochte hoekpand. Op de afgebeelde uitsnede van de plattegrond Johannes Sems is een niet meer bestaande steeg zichtbaar die de Minnemastraat met de Grote Hoogstraat verbond. Niet lang daarna zal de steeg aan het openbare verkeer zijn onttrokken en aan beide zijden zijn bebouwd met woningen, waaronder het latere woonhuis/atelier van Wybrand de Geest.

12. 

Op de hoek van de Voorstreek en de Minnemastraat stond tot 1960 het haast onherkenbaar verbouwde Minnemahuis. Ten tijde van Saskia's geboorte werd deze mogelijk uit de 12de eeuw daterende stins door de toenmalig eigenaar, de geestelijke Sicke van Liauckama, als woning afgestaan aan zijn zuster Gerlant. Deze was getrouwd met Schelte van Aebinga, die alle goederen van zijn veelal absente zwager beheerde. Hij deed dat blijkbaar naar volle tevredenheid, want op 25 augustus 1615 verkocht Sicke het Minnemahuis aan Schelte.

  

010a-sems_1603_minnemahuis.jpg

Deze stierf al drie jaar later, op 16 oktober 1618, waarbij hij Minnemahuis naliet aan zijn weduwe, die het nadien nog lang heeft bewoond. In de jaren ‘80 van de 19de eeuw werden kap en zoldervloer gesloopt, waarna het pand met een verdieping werd opgehoogd en van een nieuwe vlak beëindigde kap werd voorzien. Daarmee rees het huis weer als vanouds ver boven zijn belendingen uit. Nieuwe vensters en een pleisterdecoratie over het volle front gaven de buitenkant een volledig eind 19e eeuws aanzien. Geen wonder dat men het middeleeuwse karakter niet meer onderkende en het in 1960 zonder enig protest kon worden gesloopt.

13. 

011a-sems_1603_benthem.jpg

     

In 1594 kocht 's Lands Ammunitiemeester-Generaal Jan Bernardusz. van Benthem een pand ‘Bij de Vismarkt'  (Voorstreek), direct naast het pand op de noordhoek van de Koningstraat. In 1609 werd de houten brug, waarop de vismarkt sinds mensenheugenis werd gehouden, vervangen door een stenen brugplein. Hierop werden vaste visbanken geplaatst die pas in 1641 zouden worden overkapt.

Ook het daarachter liggende pand dat werd aangeduid als het ‘blau leyen huys' tegenover de Kanselarij aan de Turfmarkt (dat in de 18de eeuw plaats maakte voor het Eysingahuis, de bakermat van het Fries Museum) was eigendom van Van Benthem. Naast zijn Landschapsfunctie was hij tevens wijnheer. Of hij zijn familienaam heeft ontleend aan het pand of dat na zijn overlijden zijn naam onlosmakelijk met deze lokaliteit verbonden is gebleven, valt niet met zekerheid te zeggen. Wel is zeker dat deze herberg in de eerste helft van de 20ste eeuw, samen met het in 1918 verdwenen ‘Gouden Wagentje', tot de oudste van de stad behoorde. Tot vlak voor de 2e Wereldoorlog was ‘Benthem' een bekende dansgelegenheid waar vaak levende muziek optrad.

Mocht het destijds bij de aan het Hof van Friesland werkzame juristen al gebruikelijk zijn geweest om aan het eind van de werkweek het glas te heffen, dan is het niet ondenkbeeldig dat Rombertus Ulenburgh in 'Benthem' mede de stamtafel heeft opgeluisterd. Mogelijk heeft er 'een achterom' bestaan via (een steeg naast) het huis van Van Benthem aan de Turfmarkt. 

Scheef tegenover 'Benhem' - op de zuidhoek van de Wortelhaven en de Koornmarkt - woonde Rembrandts vakbroeder Lambert Jacobsz. Hij woonde in bij zijn schoonouders 'bij de Vismarktpijp'. Het was een herberg die in 1613 De drie haringen heette en in 1675 Enkhuizen. Waarschijnlijk ging het om hetzelfde uithangbord. Het wapen van Enkhuizen bestaat namelijk ook uit drie haringen. Het kleine gebouwtje noordelijk van het huis was waarschijnlijk een potkast. Een akte uit 1666 maakt tenminste melding van een dergelijke uitbouw.

14.

In de tussen 1566 en 1571 in opdracht van Philips II gebouwde Kanselarij zetelde het hoogste rechtsorgaan voor zowel voluntaire als contentieuze rechtspraak van de provincie, het Hof van Friesland. De Kanselarij was dan ook ontworpen om gezag uit te stralen. De vader van Saskia werd op 8 april 1597 door de Staten tot Raadsheer benoemd bij dit voornaamste rechtscollege.  

     

012a-sems_1603_kanselarij.jpg

Het was een functie voor het leven. Zijn opvolger in 1624 was Johannes Nijs. Naaste collega's van Rombertus waren o.a. dr. Johannes Saeckma en dr. Johan van den Sande (1568-1638) die beiden kunnen worden beschouwd als topjuristen van de Gouden Eeuw. Laatstgenoemde nam in 1618 samen met Rienk Atsma namens Friesland zitting in de rechtbank van 24 rechters die Johan van Oldebarneveld uiteindelijk wegens hoogverraad ter dood veroordeelde. Beide raadsheren staan respectievelijk links en rechts naast elkaar afgebeeld op de kopergravure van de uitvaart van stadhouder Ernst Casimir in 1633.

15. 

013a-sems-landschapshuis.jpg

  

Direct ten zuiden van de Kanselarij bevond zich het Landschapshuis dat oorspronkelijk dienst deed als Kapittelhuis van het klooster Galilea aan de Turfmarkt. Na de hervorming in 1580 werd het Kapittelhuis door de Staten van Friesland als vergaderplaats voor eigen gebruik bestemd. In 1616 werd het gebouw grondig verbouwd tot Landschapshuis, waardoor het een T-vorm verkreeg.  

Het gebouw is in 1849 gesloopt en vervangen door het Ritske Boelema Gasthuis. De fraaie poort van het Landschapshuis vormt tegenwoordig de entree van de tuin van Martenastate in Cornjum.

16. -  17.

Het oudste gedeelte van het gebouwencomplex van het Provinciehuis, met het provinciewapen en het opschrift 'Provinsjehûs' op de geveltop, bevat de hoofdentree. Midden zestiende eeuw was dit pand in het bezit van de abt van het Nicolaasklooster te Bergum. Tussen 1570 en 1578 diende het als woonplaats voor de Leeuwarder bisschop Cunerus Petri. Als gevolg van de Hervorming werd het paleis na de vlucht van de bisschop geconfiskeerd. 

     

014a-sems_provinciehuis_en_munt.jpg

In 1579 stelde de stadhouder het paleis aan de provinciale bestuurscolleges ter beschikking als vergoeding voor "gepresteerde en nog te leveren krijgsdiensten en geleden nadeel". Sinds de inbeslagname is het de zetel van Gedeputeerde Staten.

De Provinciale Staten, oftewel de Staten, vergaderden elders. Vóór 1594 kwamen ze bijeen in het Jacobijner klooster achter de Grote Kerk en daarna in het Landschapshuis, naast de Kanselarij. Het paleis van de bisschop bleek na verloop van tijd te klein. Het werd in 1668 en 1710 uitgebreid en verbouwd. In 1784 kreeg het tegenwoordige hoofdgebouw van het provinciehuis het uiterlijk dat het nu nog heeft.

014d-oude_munt_1723.jpg

Bijna recht tegenover het Provinciehuis stond 's Landschaps Munt, waar Lodewijk Alewijnse muntmeester was. Toen Nederland zich in 1580 losmaakte van Spanje gingen de gewesten weer voor eigen rekening munten slaan. Dat deed ook het geweest Friesland in Leeuwarden en wel in het gebouw dat tot 1571 tot Kanselarij had gediend. Oorspronkelijk maakte het T-vormige gebouw deel uit van het Minderbroedersklooster dat rondom de Galileërkerk stond en fungeerde het als lazaret. Op een tekening uit 1723 van Jacobus Stellingwerf dit toen voormalige Muntgebouw is abusievelijk de tekst ‘vermoedelijk Muntenburg op de Weaze' toegevoegd. De Munt verhuisde in 1693 naar de Grote Kerkstraat.

014e-arendsdaalder_kop.jpgToen Gelderland in 1581 begon met de uitgifte van de nieuwe serie gouden en zilveren rijders, volgde Friesland dit voorbeeld op de voet en al in 1582 zagen de eerste munten van deze soort het licht, later gevolgd door dubbele gouden rijders. Een andere zeer Friese munt is de arendsdaalder, die zijn naam ontleent aan de Duitse Rijksadelaar in de beeldenaar. Deze munten zijn onder andere door de steden vrij algemeen geslagen, maar wat de Friese exemplaren zo bijzonder maakt is de man met bontjas, de klapmuts en het geschouderde zwaard, tegenwoordig vaak aangeduid als de 'Friese boer'.

Al spoedig werd dit type munt als kenmerkend voor Friesland beschouwd, en zo is het te verklaren dat later, toen in 1601 de zilveren florijn in omloop werd gebracht, gekozen werd voor de beeldenaar van 'den olden Friesz'.

18. 

Na de inname van het blokhuis in 1580 werd niet het hele complex gesloopt. Veel elementen van de burcht kregen een andere functie. Van de vier rondelen van het blokhuis bleef de zuidoostelijke, de zogenaamde pijnigtoren, overeind staan. Deze werd in de verdedigingswal van de stad opgenomen en deed later tevens dienst als kruitmagazijn.  

    

015a-sems_1603_blokhuis.jpg

De kapel van het blokhuis kreeg een vergelijkbare functie als ammunitiehuis. Het hoofdgebouw werd daarentegen door de Staten van Friesland ingericht als gewestelijke gevangenis. Tegen de westgevel van dit gebouw werd een schavot opgericht dat in 1611 werd vernieuwd en waar executies uitgevoerd werden.

015b-blokhuis-schavot-1788.jpg

In 1639 kreeg ook het Krijgsgerecht er een eigen galg. Mogelijk heeft de jonge Saskia vanuit een dakkajuit van haar ouderlijke woning menig wreed en bloederig tafereel mogen aanschouwen. In ieder geval zal ze het samengedromde volk hebben horen joelen en schreeuwen bij het aanschouwen van het spektakel.

In de volksmond werd de galg vóór het Blokhuis sedert 1639 veelal aangeduid als de ‘soldatengalg', daar deze vanaf dat moment hoofdzakelijk diende voor de terechtstelling van militairen.

015d-harlingertrekvaart_gezicht_op_lwn.jpg

Misdadigers die door het Hof van Friesland ter dood werden veroordeeld, moesten hun straf doorgaans ondergaan aan de Harlingertrekweg, destijd ook wel aangeduid als het Galgerak. Ter plaatse van het huidige kantoor van zorgverzekeraar De Friesland bevond zich destijds het zogenaamde ‘Gerecht' een enorme zeskantige gemetselde put met daarboven een drietal stijlen waaraan de lijken van geëxecuteerden werden opgehangen om vervolgens 'ten prooi te worden gelaten aan de vogelen des velds'. In 1456 bevond zich op deze plek reeds een terechtstellingsplaats, getuige een nadere grensbepaling tussen de stad Leeuwarden en de grietenij Leeuwarderadeel, binnen welke grens eerstgenoemde autoriteit haar hoofd- en halsrecht mocht doen laten gelden.

Ook werden er (on)gehuwde moeders die hun pasgeborene om het leven hadden gebracht in een zak genaaid en in het ‘Galgediep' verdronken om vervolgens op een rad tentoon te worden gesteld, veelal met een pop in de hand. Dit ter afschrikking van langsvarende trekschuitreizigers. De oude Leeuwarder terechtstellingsplaats is herkenbaar op een gezicht op de stad vanuit het westen uit 1774. Midden 19de eeuw stond deze plek nog steeds bekend als ‘het Oud Gerecht' en werd de Harlinger Trekvaart ter plekke aangeduid als Galgerak of Galgediep. Het 17de-eeuwse ‘Album Studiosorum Leovardiensis', het lidmaatschapsregister van de Leeuwarder Studentenvereniging in Franeker, gaf door middel van getekende poppetjes aan deze galg boven de put aan hoe vaak leden zich aan wanbetaling van contributie schuldig maakten.

Hofsdeurwaarder Sixtus Petri Arnoldinus maakte in augustus 1661 tijdens een reis naar Londen een geringschattende opmerking over de houten galg op het beruchte Londense galgenveld Tyburn, welke op dat moment op het punt stond te worden vervangen door een stenen exemplaar: 'De Galge is oudt ende van slecht hout ghemaeckt, sullende nu korts afghebroken worden ende een steenen in plaets gemaeckt, dat op de fatsoen van onse Galge buyten Leeuwarden', dus op dezelfde wijze zoals de Leeuwarder galg of ‘Gerecht' buiten de stad aan de Harlingertrekvaart zich tot het begin van de 19de eeuw ter waarschuwing aan de voorbijvarende reizigers van en naar Harlingen manifesteerde.

625-galgenveld volewijk
Galgenveld aan de rand van de Volewijk, Anthonie van Borssom, 1664 - 1665. Collectie Rijksmuseum Amsterdam

Een soortgelijke locatie is in 1664 vastgelegd door Anthonie van Borssom, vermoedelijk een leerling van Rembrandt. Het betreft een gezicht op het galgenveld op 'Volewijk', een eiland in het IJ, even benoorden Amsterdam. Rembrandt maakte datzelfde jaar tekeningen van de geëxecuteerde, oorspronkelijk uit Denemarken afkomstige moordenares Elsje Christiaens, hier uiterst rechts weergegeven. De achttienjarige Deense was naar Amsterdam gereisd om te werken. Omdat ze haar pension niet kon betalen, kreeg ze ruzie met haar verhuurder, die ze in een opwelling doodde met een bijl. Elsje werd daarop publiekelijk gewurgd op de Dam, naar de Volewijck gevaren en daar boven de galgenput overgeleverd aan weer, wind en de hongerige vogels waarnaar de ‘Vogelenwijk' vernoemd is. Het moordwapen werd naast haar opgehangen.

19.

016a-aquarel zwitserswaltje. s.bonga 1840. [t.-h.a.nr.d.jpg

     

In de onmiddellijke omgeving van de Ossekop bevond zich het Zwitserswaltje, waarlangs destijds nog de in 1894 gedempte binnengracht richting Weaze liep. Eind 16de, begin 17de eeuw werd de woningen langs dit schilderachtige grachtje alsmede de naburige Blokhuissteeg bewoond door leden van de toen nog heimelijk vergaderende Doopsgezinde - of Mennonietengemeente. 

In de onmiddellijke omgeving van de Ossekop bevond zich het Zwitserswaltje, waarlangs destijds nog de in 1894 gedempte binnengracht richting Weaze liep. Eind 16de, begin 17de eeuw werd de woningen langs dit schilderachtige grachtje alsmede de naburige Blokhuissteeg bewoond door leden van de toen nog heimelijk vergaderende Doopsgezinde - of Mennonietengemeente. Via de 1ste en 2de Vermaningsteeg kon de Doopsgezinde Vermaning - toen nog een schuilkerk - worden bereikt, alwaar de Mennonietenleraren heimelijk hun preken hielden.

016b-zwitserswaltje a4.jpg

Eén van hen was de - al eerder genoemde - uit Amsterdam afkomstige kunstschilder en kunsthandelaar Lambert Jacobsz. Zeer waarschijnlijk hebben Rembrandt en Lambert elkaar gekend en stond laatstgenoemde eveneens in contact met Hendrick Uylenburgh. Een andere Vermaner, Henrick Pouwels genaamd, liet rond deze tijd voor zijn armlastige geloofsgenoten een aantal één-kamerwoningen bouwen aan de toen nog vrijwel onbebouwde noordzijde van de Blokhuissteeg.

In 1610 vond in Leeuwarden het zogenaamde mastoproer plaats, waarbij het zittende stadsbestuur het stadhuis werd uitgezet en vervangen door een tolerantere magistraat. Tot de achterban van dit nieuwe stadsbestuur behoorden namelijk degenen die zich in 1608 hadden verzet tegen de vervolging van de Doopsgezinden. De nieuwe machthebbers staakten nu ook formeel de vervolging en gaven hen de in beslag genomen goederen terug. Of Rombertus Ulenburgh destijds als naaste buur en oud-stadsbestuurder een oogje heeft toegeknepen, is niet bekend. De politieke plaatsbepaling van Rombertus binnen de lokale bestuurlijke gelederen dient nog nader te worden onderzocht.

20. 

Op 1 maart 1595 kopen Rombertus Ulenburgh en zijn vrouw voor 1.300 goudguldens het huis aan de Ossekop van Mr. Eco Isbrandi, Secretaris van Gedeputeerde Staten van Friesland, en diens huisvrouw Eets Douwesdr. waarbij het verkochte alsvolgt werd omschreven: ‘zeeckere huysinghe metten boomen, achterplaatze ende schuijre, achter ande voersscreven plaats opde waterswal getimmert ende tot d'voersscreven huysinge behoorende'.   

  

017a-sems_1603_ossekop.jpg

In 1604 kopen zij voor 399 goudgulden het ten noorden belendende perceel, tot dan toe eigendom van het Old Burger Weeshuis, en laten dit terstond achter een vernieuwde voorgevel samenvoegen met hun eigen woning, waarmee het als één geheel ogende pand aan de straatzijde zijn huidige breedte verkreeg. 

In 1606 stond ‘Mijn heer Wijllemborg' voor 8 schoorstenen genoteerd in het schoorsteengeldregister en moest daarvoor 12 caroligulden belasting betalen. Hieruit mag tevens blijken dat hij niet bepaald krap behuisd was. In de koopbrief uit 1595 was reeds de bepaling opgenomen dat Ulenburgh gerechtigd was om ‘door de caamer, staande op't noord deeser huysinge t'heymelijck gemack t'allen tyden te moogen reijnighen oft leedigen'.

Ten zuiden van Ulenburgh's pand moet zich volgens het koopcontract uit 1595 een poortje hebben bevonden. Daarnaast kende de woning een kelder. Overigens was het ten zuiden daarvan gelegen pand (Ossekop 13) eigendom van de ouders van Saskia's zwager Gerrit van Loo.

017e-foto_achterzijde_druifstreek_ca1870.jpg

     

Pas in 1682 worden we voor het eerst ingelicht over de indeling van het pand. Het wordt dan omschreven als ‘seeckere heerlijcke en voortreffelijcke huisinge, voorsien met een voorhuis, costelijcke groot beneden zaal, een achter camer, twe kelderscamers, een clein schrijffcamerke, een groote kelders keucken, met watersteen, regenwaters back, en dan noch twe andere bierkelders, vier boven camers, kostelijcke kleersolderen, een tuijn en bleeckvelt achter de huisinge, met een nieu geboude camer, keucken, waschhuis, turffsolder, put en back, secreet en ander gerijff meer, staande aan ‘t water achter voorschreven voorhuisinge'.

 

Op 4 juli 1628 maken de proclamatieboeken melding van de verkoop van ‘de huijsinge ende hovinge cum annexis bij de heer Ulenburgh ende Siucktien Aesinga, echtelieden naegelaten'. Het huis werd door de raadsheer Gellius van Jongestall voor 2600 goudguldens overgenomen van de erfgenamen. Saskia's aandeel zal in 1634 ongetwijfeld aan haar zijn meegegeven als bruidsschat.

De naaste buren van de Ulenburghs kunnen eveneens tot de toplaag van de Leeuwarder samenleving worden gerekend. Aan de Ossekop nr. 13 woonden tussen 1595 en 1600 Jan van Loo en dien huisvrouw Syouck Abbesdochter. Zij waren de ouders van Saskia's latere voogd en zwager Gerrit van Loo.

21. 

Op nummer 9 woonde de Ontvanger-Generaal van de kloosteropkomsten in Friesland, Joannes Henrici Rhala (c.1555-1624), die gehuwd was met Aelcke de Veen of Veno (c.1560-?). Deze Aelcke was een dochter van stadssecretaris Laurens de Veno. Een halfzus van Joannes Rhala was met niemand minder getrouwd dan de beroemde burgemeester en graankoopman Adje Lamberts. 

  

018a-ossekop-9-hcl001070504.jpg

 

Rhala's stiefvader Hendrick Jarichs, zijn schoonvader Laurens de Veno en zijn zwager Adje Lamberts vormden de kern van een groep die Leeuwarden voor de kant van de Opstand tegen Spanje heeft doen kiezen.

22. 

019a-sems_1603_woonhuis_margaretha_de_heer.jpg

  

Schilderes Margareta de Heer (1600-voor 1665) groeide op in kunstenaarskringen van Leeuwarden. Haar vader was glasmaker, een oom was muziekmeester, een neef glasschrijver en haar broer Gerrit zou later graveur en tekenaar worden. Zij was de tweede dochter in een gezin van in ieder geval één en wellicht twee zoons en vijf dochters.  

Het gezin woonde aanvankelijk aan de Berlikumermarkt, en vanaf 1611 op de hoek van de Herestraat en de Oude Oosterstraat. Het zou kunnen zijn dat de familie aan dat adres de achternaam ‘de Heer' heeft ontleend.

23. 

In menig opzicht werd de Brol het centrum van de stad. Het was hier - op de hoek van het Naauw en de Groentemarkt - waar het tot eind 15de eeuw als zodanig in gebruik geweest zijnde en tevens oudst bekende Raadhuis stond. Dit huis zou nadien onlosmakelijk met de Lindeboom ervoor worden geassocieerd. 

     

020a-sems_1603_brol.jpg

In 1559 werd een kaak of pronkpaal op het brugplein geïnstalleerd. Op marktdagen werden veelal jongelingen die zich bij herhaling schuldig hadden gemaakt aan lichte vergrijpen, dan wel vrouwen die ontucht hadden bedreven, ‘aan de kaak gesteld'. Ook konden ongewenste lieden zonder vaste woon- of verblijfplaats, die zich schuldig maakten aan bedelarij of die zich anderszins onbetamelijk gedroegen, als ongewenst vreemdeling met de schandstenen om de nek de stad worden uitgeleid.

Omstreeks 1600 was Leeuwarden geëvolueerd tot een belangrijk markt- en handelscentrum. Dat blijkt onder andere uit dit citaat van Jean Francois le Petit uit 1615, dat hij optekende n.a.v. een bezoek aan onze goede stad in de jaren 1594-1609: "Daer syn aen wat zijde dat ment nemen wilt, ouer al goede Havenen, uyt de welcke men in corten tijdt gemaeckelicken in dese Stadt brengen can allerley Coopmanschappen ende waeren, den menschen dienelick : daarom isser alles redelick goeden coop. (..) De Stadt zijnde met canalen doorghegraven, daer men inne varen kan, met vele bruggen daer ouer, seer gerijffelick soo voor den Coophandel, als voor andere commoditeyten: Twelcke oock dient tot de netticheyt van de Stadt, den regen de vuylicheyt, die op straten leyt, afspoelende ende in dese grachten brengende."

020c-brol_ca1650.jpgZoals zoveel Nederlandse steden ging ook Leeuwarden ertoe over het stadsbeeld te verfraaien en aan te passen aan de eisen van een nieuwe tijd. Deze 'amelioratiën' vonden vooral plaats ten tijde van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Als marktplaats voor groenten en andere koopwaren werd ook de Brol tijdens de jaren 1615-1617 verbreed. Tezelfdertijd werd het Naauw verbeterd, als ook het uit 1559 daterende wachthuis voor de bierdragers dat gedurende de nachtelijke uren tevens fungeerde als wachtlokaal voor de gezworen (nacht)wakers. Ook de kaak werd in deze jaren vernieuwd.

 

 

 

Oud-stadsarchivaris Wopke Eekhoff geeft in zijn Geschiedkundige Beschrijving (1846) van een in het Historisch Centrum Leeuwarden aanwezig zeldzaam schilderij van de Brol en naaste omgeving de hieronder - enigszins aan hedendaags taalgebruik aangepaste - omschrijving:

'Het gezichtspunt is genomen ongeveer in het midden op de Kelders, en strekt zich over de Brol zuidwaarts naar de Groentemarkt, de Berlikumermarkt en de Weaze uit. Over deze Warmoesgracht vallen ons in het oog: de Keimpema- of Paardepijp en daar achter de Hanenburgerbrug, dus genoemd naar het daar nevens staande huis: Hanenburg, hetwelk toen een in steen gehouwen burcht, met hanen op de top, in de gevel droeg.

Behalve het nog bekende huis: de Gouden - of Vergulde Kat, waarin destijds een apotheker woonde die in het bijzijn van twee geneesheren op zijn stoep een drank schijnt te bereiden, valt op dat de Brol zich toen van haar huidige toestand door drie bijzonderheden onderscheidde. Ten eerste is er de Kaak of Pronkpaal in het midden boven de dubbele boog geplaatst, waarop diegenen te pronk gesteld werden die wegens kleine misdrijven of onbehoorlijk gedrag door het stadsgerecht veroordeeld waren. Vervolgens zien we het net verbouwde Wachthuis of Bierdragersverblijf, dat hier in de nabijheid van de Kelders of Bierkade is geplaatst. En tenslotte de destijds wijd en zijd bekende Lindeboom, waarvan de takken zich zo vlak en breed uitspreidden, dat daarop rondom de stam een houten terras met tafel en banken was gemaakt en dat, gestut door enige palen op de grond, de bewoner van het hoekhuis de gelegenheid bood, om daarop een klein gezelschap te ontvangen. Hiertoe was er een loopbrug vanaf de eerste verdieping van het huis naar dit boomterras geslagen. Vandaar dat dit huis vanaf dat moment de naam 'de Lindeboom' en de buurt die van ‘Onder de Lindeboom' kreeg en die tot de dag van vandaag (1846) behield.

Daartegenover op de wal valt ons nog een zogenaamd houtstek van een aldaar woonachtige timmerman op dat in 1676, op bevel het toenmalige stadsbestuur werd verwijderd. Destijds werd op de Kelders nog de Korenmarkt gehouden, terwijl op de Brol zogenaamde kruidbanken waren geplaatst om groenten te verkopen.

021b-beerstraten-brol en kelders.jpg

Op het schilderij van Beerstraten uit omstreeks 1650 zien we Leeuwarden in volle glorie. Hier toont zich het economische hart, de spil van de stad op het toppunt van haar economische bloei. Leeuwarden is in relatief opzicht noch voordien, noch naderhand ooit meer zo belangrijk geweest als in die tijd. De stad telde circa 16.000 inwoners en was met Groningen en Middelburg de grootste stad buiten Holland en Utrecht en bovendien de hoofdstad van het tweede gewest in belangrijkheid van de Republiek. Van díe stad was de Brol met het Naauw en de Kelders het centrum. Aan de hand van dit schilderij kun je fraai zien waarom Leeuwarden een voor die tijd grote stad was: rijke koopmanshuizen, brede grachten, klokkentorens, kaak en bierdragershuis, straathandel etc.

24. 

021a-sems_1603_kelders-bierkade.jpg

     

De bierkelders lagen tegen de hoge helling van de terp. Deze kelders waren slechts op twee plaatsen mogelijk, nl. hier en langs de Eewal, daar was voldoende terphelling en hoogteverschil om de aanleg van kelders en werven mogelijk te maken. De grachtkelders dragen bij aan het speciale karakter van dit deel van de binnenstad. Er wordt een tweetal keldertypen aangetroffen, te weten huizen met een huiskelder en een kelder onder de wal en verder huizen die zowel een huiskelder, een walkelder als een werf aan de gracht hebben. Deze kelders kwamen pas tot stand nadat de beschoeiingen van het Naauw waren versteend en dat was in 1616/1617. Het tweede type vinden we aan de Kelders waar werfkelders naar Utrechts model uitkomen op de lager gelegen Bierkade. 

 

25. 

De oudste vermelding van een Leeuwarder raadhuis dateert waarschijnlijk uit 1494. Op de achterzijde van een document uit dat jaar is namelijk aangetekend dat vier leden van het stadsbestuur een boete krijgen wegens absentie 'int reedhuus'. Mogelijk was dat het pand in de Grote Hoogstraat waarvan de stad zowel in 1504 als in 1505 een vierde deel aankoopt. Uit de transportaktes blijkt namelijk dat zij het toen al voor een deel bezat en dat het ook al dienst deed 'to en reedhws ende flasckhws'. De aktes bevestigen weliswaar een in 'voertyden' gesloten overeenkomst, maar hoelang het gebouw al fungeerde als raadhuis blijft onduidelijk. 

   

022a-sems_plattegrond_1603_raadhuis_hoogstraat.jpg

Het raadhuis is op zowel de De Robleskaart uit 1572 als op de plattegrond van Sems uit 1603 voorzien van een koepeltorentje. Het raadhuis is tot 1595 als zodanig in gebruik geweest. Rombertus Ulenburgh zal hier tussen 1585 en 1587 regelmatig magistraatsvergaderingen hebben bijgewoond.

26.

023a-sems_1603_waag.jpg

   

Op de brede kade van de Nieuwestadsgracht stond in de 15e eeuw al een waag. Hier werden partijen boter, kaas en vlees gewogen, voordat ze op de markt verhandeld mochten worden. Dit leverde de stad ruime inkomsten aan waaggelden op. Tijdens Rombertus Ulenburghs deelname aan het stadsbestuur verrees in 1595 het tegenwoordige waaggebouw in renaissance-stijl.

 

In 1648 werd op het Waagplein de Vrede van Münster afgekondigd, hetgeen het einde van de 80-jarige onafhankelijkheidstrijd van Nederland tegen Spanje markeerde. Op 16 mei van dat jaar luidden hier de torenklokken, bulderden de kanonnen en marcheerden er trommelslagers door de stad. 's Avonds ontstaken de Leeuwarders honderden vetpotjes en bij de Waag op de Nieuwestad hadden ze bovendien een groot podium opgetrokken. ‘Op het bovenste Theatrum, oock met groen laken rondom bekledet, saten, doch bedeckt, verscheijdene musicanten seer aerdich spelende ende singhende, gelijck oock de Trompetten aen beijde zijden buijten het groen kleed deden. Terstond nae de middagh quamen de vijff compagnijen, binnen de Stadt voor Garnisoen legghende, in 't geweer, marceerden nae de marckt ende bleven nevens het Theatrum staen, makende door hare pieckeniers een open weg midden door de menichte des volks, van het Theatrum af tot aen de Peperstraete toe.'

Vervolgens kwamen door de haag van omstanders de heren Gedeputeerden, de Secretaris en vier Deurwaarders aanwandelen. Ze werden gevolgd door klerken, kamerboden en ander personeel. De provinciebestuurders namen, ‘nadat sij met blasen der trompetten ende afbranden der musquetten ontvangen waren' op het toneel plaats, om er te luisteren naar ‘een lieflijk musijck'. Daarna las Secretaris Beijma de 47 ‘Articklen van de Vrede aan den Volcke voor'. Helaas mocht Saskia het einde van de strijd helaas niet meer meemaken.

27. 

In 1595 betrok het stadsbestuur het Waltahuis aan de Nieuwestad tegenover de waag. Vanuit deze oude stins zou de stad 23 jaar lang worden bestuurd. Mogelijk is tegelijkertijd opdracht gegeven tot de vervaardiging van de archiefkast, dit ter vervanging van de oude stadskist waarin tot dan toe belangrijke perkamenten charters werden bewaard.

 

     

024a-sems_1603_waltahuis.jpg

  

28. 

025a-sems_1603_obw.jpg

     

Het oudste weeshuis van Leeuwarden werd in 1534 gesticht door Auck Petersdochter, vrouw van schepen Lieuwe Lieuweszoon. Het nam de taak op zich burgerkinderen, ouderloze stadskinderen met burgerrechten, onder dak te brengen. Een tekening van Martin uit 1876 werd gemaakt ter gelegenheid van de afbraak in mei van dat jaar. Het Weeshuis betrok toen een nieuw gebouw aan het Zaailand.

De zorg voor wezen van arme en onbemiddelde inwoners zonder burgerrechten rustte op de schouders van het stadsbestuur; zij werden als "houkinderen" bij particulieren ondergebracht. Meermalen zou het stadsbestuur pogingen doen invloed en (mede)zeggenschap in het weeshuis te verwerven, evenzovele malen strandden ze. Pas in 1676 stichtte de stad een Stads Weeshuis op voor niet-burgerkinderen. Hiertoe werd het min- of meer buiten gebruik geraakte Stads Pesthuis aan het Schoenmakersperk drastisch verbouwd.

29. 

Veel bekende oude gebouwen in Leeuwarden voeren historisch terug naar een woonhuis of stins van een aanzienlijk geslacht. Ook met het Stadhouderlijk hof is dat het geval. Na een grondige verbouwing, viel in 1587 het welgevallig oog van Gedeputeerde Staten van Friesland op deze rijke behuizing, op zoek als men was naar een passende woonruimte voor de Friese stadhouder. Die stadhouder was Willem Lodewijk van Nassau. 

     

026a-sems_1603_stadhouderlijk_hof.jpg

Toenmalig eigenaar Boudewijn van Loo wilde niet nalaten zijn verknochtheid aan de Friese stadhouder te bewijzen en verkocht zijn huis voor de ronde som van 12.000 gulden aan de heren Gedeputeerden.

Willem Lodewijk (Dillenburg, 13 maart 1560 - Leeuwarden, 31 mei 1620) was graaf van Nassau-Dillenburg, van 1584 tot zijn dood stadhouder van Friesland en later ook van de gewesten Groningen (1594) en Drenthe (1596). In Friesland staat hij bekend onder de bijnaam Us Heit. Hij was een zoon van de drie jaar jongere broer van ‘Vader des Vaderlands' Willem van Oranje, Jan VI van Nassau-Dillenburg, ook wel bijgenaand ‘de Oude'.

Willem Lodewijk was tevens Kapitein-generaal van het leger van Friesland en samen met prins Maurits van Oranje opperbevelhebber van het Staatse Leger in de strijd tegen de Spanjaarden.

026c-stadhouderlijk_hof.jpg

Willem Lodewijk huwde met zijn nicht Anna van Nassau (dochter van Willem van Oranje en zijn tweede echtgenote Anna van Saksen). Het huwelijk was tegen de zin van Jan de Oude vanwege de schulden van Willem van Oranje. Anna werd echter al snel ziek en zij overleed tijdens haar eerste zwangerschap in juni 1588. Willem Lodewijk kwam het verlies van zijn vrouw niet te boven en is nooit hertrouwd.

Rombertus Ulenburgh zal uit hoofde van zijn bestuurlijke functies ongetwijfeld meerdere malen op audiëntie zijn geweest bij de stadhouder. Bernardus Gerbrandi Furmerius vermeldt op 8 mei 1607 in zijn dagboek: "Willem Lodewijk van Nassau, stadhouder van Friesland, is naar Leeuwarden teruggekeerd. Nadat hij zij zijn huis ingegaan was is hij het eerst met zijn terugkeer gelukgewenst, namens het Hof van Friesland, door dr. Rembertus Ulenburgh."

In mei 1620 werd Willem Lodewijk getroffen door een beroerte waaraan hij op 31 mei 1620 overleed. Na zes weken werd hij op 13 juli 1620 ten grave gedragen. In de lange lijkstatie liepen edellieden, familieleden, grietmannen, de Leeuwarder predikanten, professoren en vele andere hoogwaardigheidsbekleders, waaronder Rombertus Ulenburgh, mee. De lijkstoet eindigde in de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden waar hij werd bijgezet in de grafkelder van de Friesche Nassau's.

30.

027a-sems_1603_westerkerk.jpg

     

De Westerkerk was de voormalige kloosterkapel van de Grauwe Bagijnen. De geschiedenis van deze kapel gaat terug tot het begin van de 16de eeuw, toen als voortzetting van het onveilige - buiten de stadswallen gelegen - klooster Fiswerd, hier het St. Annaklooster verrees.  


Nadat de kapel ten gevolge van de confiscatie van de Kloostergoederen in 1580 aan haar oorspronkelijke bestemming was onttrokken, kreeg het gebouw pas in 1619 weer een kerkelijke bestemming, maar nu voor de hervormde eredienst.

Daarvoor werd het gebouw voor diverse uiteenlopende doeleinden gebruikt. Zo had het, net als nu, al eens eerder een theater-functie. Dat was rond 1615, toen de toch ook wel enigszins maatschappijkritische rederijkerskamer ‘Och mocht het rijsen' van Jan Jansz. Starter hier optrad. Het lijkt niet geheel uitgesloten dat ook Rombertus Ulenburgh het spraakmakende gezelschap heeft zien acteren, al was het alleen maar om te constateren of de grenzen van het toelaatbare niet werden overschreden. Ook diende het voormalige kloostergebouw ooit als tuchthuis en was er een bierbrouwerij gevestigd. De kerk werd in 1637 door de Nederduits Gereformeerde Gemeente heringericht en in 1681 met een tweede schip aan de noordkant vergroot.

31. 

Uitsnede van een door Pieter Feddes uit Harlingen in 1622 vervaardigde plattegrond van Leeuwarden, waarbij die van Johannes Sems als basis heeft gediend en door hem is aangevuld met de nieuwe vestingwerken, maar ook met bolwerken en buurten die gepland waren, maar nimmer werden uitgevoerd.  

   

028a-pieter_feddes_kaart-1622.jpg

De extra huizenrij tussen Oude Doelesteeg en Oude Lombardsteeg zou pas in 2011 in het kader van Nieuw Zaailand zijn beslag krijgen.

Een plattegrond uit 1822 toont de situatie zoals die tot halverwege de 19de eeuw heeft bestaan. De jonge Saskia moet in ieder geval in de loop van het 12-jarig bestand tijdens de 80-jarige oorlog met Spanje het uitgraven van de zuidelijke stadsgracht - waarbij het eigenlijke Zaailand binnen de stadswallen kwam te liggen - en het opwerpen van drie extra bastions ter versterking van de weerbaarheid van de stad met eigen ogen en vol verwondering hebben aanschouwd. Om een beeld van de gigantische graafklus te krijgen kan de tekening van het afgraven van het zuiderbolwerk in de jaren '60 van de 19de eeuw worden bekeken.

028c-afgraven_zuiderbolwerk.jpg

32. 

029a-sems_1603_duinkerken.jpg

     

Veel van de trek- en beurtschepen vertrokken vanaf het Groot Schavernek richting Sneek, Bolsward, Franeker en Harlingen. Vanaf hier zal Saskia ongetwijfeld meerdere keren richting Franeker zijn vertrokken om haar zus Antje en zwager Johannes Maccovius te bezoeken. Uiteindelijk zal ze samen met Rembrandt in 1634 vanuit Franeker en met hetzelfde veer richting Harlingen zijn gereisd om na een overstap op het veer Harlingen-Amsterdam Friesland definitief achter zich te laten.

 

Op 28 juli 1661 maakte de deurwaarder van het Hof van Friesland, Sixtus Petrus Arnoldinus met zijn oorspronkelijk uit Engeland afkomstige vrouw en oudste zoon een reis van Leeuwarden naar London. Zijn in Leeuwarden in druk uitgegeven reisverslag is voor het nageslacht bewaard gebleven. Van de omslachtige en tijdrovende manier van reizen in de 17de eeuw krijgt de lezer dankzij Arnoldinus een helder beeld voorgeschoteld.

625-reisverslag-petrus-arnoldinus
Eerste bladzijde van het reisverslag van Sixtus Petrus Arnoldinus. Collectie Koninklijke Bibliotheek.

Zo duurde het - inclusief een overnachting in Harlingen - twee dagen om per trekschuit vanuit Leeuwarden en vervolgens met een vrachtschip Amsterdam te bereiken en nam de reis per jaagschuit van Amsterdam naar Rotterdam zo'n 15 uur in beslag. Vervolgens voerde de reis over water via Hellevoetsluis naar Den Briel, om uiteindelijk aldaar ingescheept te worden voor de oversteek naar Engeland. Eenmaal op zee moest men vanwege tegenvallende weersomstandigheden (tegenwind) noodgedwongen terugkeren. Een tweede poging strandde door extreem laag water tijdelijk op een zandbank (men viel droog). Uiteindelijk na een derde poging kon men op 7 augustus voor Margate voor anker gaan, waarna op 8 augustus de Thames kon worden opgevaren. De eindbestemming werd dus na 11 dagen afzien bereikt.

029b-thad283_vrouwenwaterpoort.jpg

De terugreis ‘buitenom' naar Leeuwarden verliep daarentegen een stuk voorspoediger en nam 5 dagen in beslag. Op 23 augustus 's avonds om negen uur werd de terugreis aanvaard en arriveerde het gezelschap 's nachts om één uur in Gravesend, alwaar men in "De Gouden Engel" de nacht doorbracht. De andere dag werd 's middags om 15.00 u. ingescheept op oorlogsbodem "De Kat", waarop koers werd gezet naar Texel, waar men op 26 augustus aankwam. Op 28 augustus om 9.00 u. 's ochtends voer men vanuit Texel in een Groenlandse sloep naar Harlingen, alwaar men 's middags om 13.30 u. arriveerde. Na een reis per trekschuit van Harlingen naar Leeuwarden, welke eveneens vierenhalf (vijftehalfure) uur in beslag nam, kon de familie Arnoldinus zich uiteindlijk 's avonds om 21.00 u. 'Godt Almachtich in den hooghsten hemel sy danck' thuis op bed neervleien. Afgezien van het oponthoud op de diverse aangedane locaties, had de reis met elkaar ‘slechts' 39 uur in beslag genomen.

029c-schavernek_bonga-1846.jpg

Ook treffen we aan het Groot Schavernek 13 reeds in 1646 de herberg ‘Duynkercken' aan. De toenmalige uitbaters huurden het pand van een bierbrouwer - Hendrick Pieters Duijnkercker geheten - die eveneens een belendend pand in eigendom had. In de vroege 17de eeuw lijken beide panden als brouwerij door deze Hendrick in gebruik te zijn geweest.

Of de oorspronkelijke eigenaar iets met het beruchte ‘zeeroversnest' Duinkerken te maken heeft gehad is niet bekend. Deze vrijplaats voor rederijen die hun fortuin verdienden met het buit maken van handelsschepen van de Unie van Utrecht waarvoor kaperbrieven waren uitgevaardigd door de Hoge Admiraliteitsraad te Brussel, dateert uit de tachtigjarige oorlog. Nadat de Hertog van Parma in 1583 Duinkerken op de opstandelingen heroverd had, werd de vloot in 1585 daarheen verplaatst. Al snel werd zo'n enorme schade toegebracht aan de scheepvaart van de Unie, dat de Staten-Generaal van de Nederlanden in 1587 besloten deze kapers als zeerovers te behandelen en te berechten. Ondanks een overwinning in de Slag bij Nieuwpoort in 1600, wist prins Maurits de stad niet in te nemen. Het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) bracht een tijdelijke onderbreking van de activiteiten. Daarna leefde de plaag verhevigd op. In 1629 kwam Piet Hein om bij een expeditie tegen de kapers. Nadat in 1697 een aantal particuliere reders was uitgekocht door de Republiek, nam de kaapvaart sterk in betekenis af.

In de 17e eeuw was er het volgende luifelschrift met een verwijzing naar de dag die nooit aanbreekt aangebracht: ‘Hier drink men morgen om niet, Duinkercken hangt hier uit soo men siet.' Getuige enkele contemporaine vermeldingen hing in het begin van de 18de eeuw bij deze herberg het wapen van Duinkerken uit. Aan het einde van die eeuw is er op deze plaats tegelijkertijd sprake van ‘Duinkerken', ‘Oud Duinkerken' en ‘Nieuw Duinkerken'.

33.

De geschiedenis van het Burmaniahuis gaat tot diep in de Middeleeuwen terug. Het uiterlijk van het gebouw is vooral duidelijk herkenbaar op de kaart van 1603. Daar twee vroegere kaarten een spitse toren midden op het dak aangeven en het gebouw in een andere vorm met afzonderlijk staande toren aan de westzijde van de gevel voorstelt, lijkt het huis in de laatste helft der zestiende eeuw te zijn verbouwd verbouwd. Ten tijde van de geboorte van Saskia was Upco van Burmania huurder van het Burmaniahuis. Upco had de bijnaam 'it lytse Geuske', vanwege het feit dat hij één van de eerste Friese protestanten van adel was.  

    

030a-sems_1603_burmaniahuis.jpg

 
Hij was gedeputeerde in de jaren 1601 en 1609. Daarnaast was hij werkzaam als historicus en genealoog. Hij overleed in 1615. Het huis zal daarna enkele jaren leeg hebben gestaan aangezien de eigenares Anna van Burmania elders woonde. 

34. 

031a-sems_1603_vrouwenpoort.jpg

     

Om binnen de stadswallen te komen diende men een ophaalbrug, een buiten-poort, opnieuw een brug en tenslotte een steeds bewaakte binnenpoort te passeren. De latere Vrouwen- buitenpoort werd eerst in 1619 gebouwd. De Vrouwen-binnenpoort, waarvan de naam herinnert aan Onze Lieve Vrouwe, patrones van de kerk van Nijehove, werd reeds gebouwd in 1579. 

Tekenaar Hans van der Horst vervaardigde het retrospectief waarbij hij vanuit het zuidwesten uitkijkt op het van 1572 daterende, op dat moment al wat te klein en verouderd geachte driehoekige verdedigingswerk (ravelijn of dwinger) voor de Oldehoofster- of Vrouwenpoort. Het is duidelijk dat de houten brug in geval van nood spoedig kan worden verwijderd. Poort en Ravelijn zouden in respectievelijk 1612 en 1619 worden vergroot en aangepast aan modernere belegeringsmethoden.

35.

Op 28 mei 1529 was het zover: het stedelijk bestuur van Leeuwarden en kerkvoogden van Oldehove droegen aan meester Jacob van Aaken de bouw van een nieuwe toren en kerk te Oldehove op. Van Aaken was van huis uit een vrij stevige bouwgrond (rotsgrond) gewend en het bouwen op de Friese klei was voor hem zonder twijfel een experiment.

     

032a-sems_1603_oldehove.jpg

Hij liet een grote, diepe kuil graven, waarin tot een hoogte van 1,15 meter afwisselend harde kalk - en stevige kleilagen werden aangebracht. Daarop is men begonnen met de bouw van de toren. 

032c-uitsnede_van_der_croos.jpgOm elk risico uit te sluiten, werd de Oldehove van een brede voet voorzien, nog geaccentueerd door acht vrij ver uitstekende zware steunberen. Toch hebben deze maatregelen niet geholpen, want de toren begon al in noordwestelijke richting te verzakken, toen hij nog maar 10 meter hoog was. De tegen de noordwestelijke steunbeer gebouwde traptoren met zijn 127 zandstenen treden en zijn formidabele gewicht, was naar het oordeel der deskundigen oorzaak van de verzakking, 1,68 meter uit het lood.

Jacob van Aaken heeft het einde van de werkzaamheden niet meer meegemaakt, want drie jaar na het begin van het werk overleed hij. De nieuwe bouwmeester werd Cornelis Frederiks.

Hij heeft er slechts een jaar aan mogen werken, daarna werd de bouw stilgelegd en bleven de Leeuwarders zitten met een niet afgewerkte toren. Met als bijzonder kenmerk dat hij scheef stond.

In 1570, toen Leeuwarden voor korte tijd bisschopsstad werd, werd de Sint-Vituskerk zelfs Domkerk. In september 1576 stortte de kerk echter in na een harde storm. De instorting werd door veel protestante Friezen als een vingerwijzing Gods gezien dat de Roomse Kerk het niet lang meer zou maken. De muren van de kerk zouden het nog tot 1706 uithouden.

031c-vrouwenpoort_murand.jpg

Op een vijftal vroege illustraties die we van de Oldehove kennen vertoont de zuidoosthoek van de toren een vreemde uitstulping. Mogelijk is de steunbeer aan die zijde van de onvoltooide toren ooit nog enige meters hoger opgemetseld geweest en heeft men deze bij een latere verbouwing in de achttiende eeuw afgeknot om het de toren een meer symmetrisch voorkomen te bezorgen. In ieder geval moet Saskia de Oldehove niet anders dan met deze gekke uitstulping hebben gekend.

Terug