'Hier wordt U, voor gij sterft, een lusthof aangeboden'


Begraven en begraafplaatsen

Open Monumenten in Leeuwarden 1999


SPANJAARDSLAAN

Al had je er ook verder niets te zoeken,
Het loonde zich naar Leeuwarden te gaan
Alleen om de begraafplaats te bezoeken,
De dodenakker aan de Spanjaardslaan

Achter het hek met schedels op de hoeken
En het pedante middeleeuws vermaan,
Verzakte zerken, zuilen, stenen boeken,
Steun zoekende tegen elkander aan.

De meeste teksten zijn niet meer te lezen,
Maar alles is je blindelings bekend:
Wat ik nu ben zul jij ook eenmaal wezen
Zoals ik eenmaal was wat jij nu bent.

Doch al die dood wordt door een eeuwig leven
Zacht ruisend overgroeid en overgroend,
Zozeer, dat wie hier rondgaat zich weer even
Zelfs met het onverzoenlijke verzoent.

Jean Pierre Rawie

Woord vooraf
Voor de Oude Begraafplaats aan de Spanjaardslaan staat een prachtig hek. Het werd in 1832 ontworpen door Jaane van der Wielen, zoon van stadsarchitect Gerrit van der Wielen. Het hek is voorzien van doodssymboliek. Twee doodshoofden met daaronder gekruiste beenderen, vlinders als teken van de vergankelijkheid, twee staartbijtende slangen als symbolen voor het eeuwige leven en de tekst ‘Memento Mori' (gedenk te sterven). Het Memento Mori is door de stichting Aed Levwerd als thema gekozen voor de 13de Open Monumentendag in Leeuwarden en sluit daarmee aan bij het landelijk thema ‘Monumen- taal Groen'. De titel van dit boekje heeft eveneens te maken met de Oude Begraafplaats. Een nooit uitgevoerd ontwerp voor het hek be-vatte de tekst: ‘Hier wordt U, voor gij sterft, een lusthof aangeboden'.
In Leeuwarden zijn veel herinneringen aan dood en begraven. De ge-meente telt niet minder dan 15 begraafplaatsen. Maar er is veel meer: de grafheuvel in het Leeuwarder bos en andere herplaatste oude grafzerken, de talrijke verdwenen kerkhoven en andere begraafplaatsen, de objecten over dood en begraven in de collecties van het Fries Museum en natuurlijk de schat van gegevens in het Gemeentearchief. Bij het samenstellen van dit boekje bleek al snel dat er veel, té veel materiaal was om te verwerken. De inleiding is vandaar vrij summier gehouden. Plaquettes, gedenkstenen en dergelijke worden slechts in een incidenteel geval genoemd. Ook het crematorium in Goutum wordt niet beschreven. Het boekje is toch voor het eerst sinds jaren weer in omvang toegenomen. Het nu begonnen onderzoek zou kunnen worden vervolgd, zodat in de toekomst een uitvoeriger publicatie het licht kan zien.

Vastleggen en verzamelen van gegevens, voorwerpen, tekeningen en foto's is nodig. Nog steeds verdwijnt er veel. Zo is er op de Oude Begraafplaats geen houten grafbordje meer te vinden, en ook een groot aantal grafmonumenten zijn in verval. De Groninger dichter en schrijver Hendrik de Vries schrijft over de Leeuwarder dichter Jan Jacob Slauerhoff: ‘Hoeveel van zijn eerste verzen zullen ontstaan zijn op het lage, drassige kerkhof bij Leeuwarden? Ik herinner mij hoe, bij regenachtig weer, hij mij afhaalde van het station, En zonder omweg daarheen leidde, met een innemende vertrouwelijkheid; we toefden daar samen als in een eigen wereld. Vaak heb ik het gevoel alsof, ondanks alle kosmopolitisme, iets van de vochtige weemoed van Friesland in zijn verzen blijft zweven'.
Die Oude Begraafplaats roept veel herinneringen op. Ik kan mij voorstellen dat, toen de Leeuwarder dichter François Haverschmidt, beter bekend als Piet Paaltjens het gedicht ‘de zelfmoordenaar' schreef, hij de Oude Begraafplaats voor ogen had.

In het diepst van het woud
-'t was al herfst en erg koud -
liep een heer in zijn eentje te dwalen
Och, zijn oog zag zoo dof
En zijn goed zat zoo slof!
En hij tandknerste, al was hij aan 't malen

Er is veel werk verzet om de Open Monumentendag in Leeuwarden tot een succes te maken. Ik wil daarom de samenstellers van dit boekje, de beheerders en de eigenaren van de opengestelde begraafplaatsen, de subsidiënten, de medewerkers van de NV Stadsherstel en de vrijwilligers van harte bedanken. Een bijzonder woord van dank verdienen de medewerkers van het Leeuwarder Gemeentearchief.
Tenslotte hoop ik op een geslaagde 13de Open Monumentendag in Leeuwarden.

Hendrik ten Hoeve, voorzitter Stichting Aed Levwerd


Inleiding

Begraven en begraafplaatsen
Het gebied van de gemeente Leeuwarden wordt sinds de 7de eeuw voor Christus bewoond. Zolang moeten er ook al mensen begraven zijn, maar uit de eerste tien eeuwen van de Leeuwarder bewoningsgeschiedenis zijn er geen aanwijzingen over de dodencultus bekend. Het oudste grafveld in de gemeente bevond zich te Huizum tussen de Eysingastraat en de Oostergoweg. Hier werden vijf urnen gevonden die rond 500 begraven moeten zijn. In Huizum waren heidenen begraven. In de periode van de 7de tot en met de eerste helft van de 8ste eeuw werd het christendom geïntroduceerd. Aan het einde van de vroege Middeleeuwen had het christendom vaste voet in onze streken gekregen. Kerken werden gebouwd, aanvankelijk van hout, maar vanaf ca. 1000 van steen.

In Leeuwarden was het oudste kerkhof dat van Oldehove. Vanaf de 12de eeuw kon ook in en rond de St. Marie van Nijehove worden begraven. Nadien werd Leeuwarden verrijkt met verschillende kerken en kloosterkapellen, waar men begraven kon worden, zoals het in 1245 gestichte Jacobijnerklooster en de kapel van de Grauwe Begijnen: de rond 1500 gebouwde Westerkerk.
Lokale aanzienlijken en geestelijken lieten zich vanaf de 11de eeuw in de kerk begraven, liefst zo dicht mogelijk bij het altaar. Dit was de meest heilige plaats. Minder belangrijke personen kregen een rustplaats rondom de kerk, op de godsakker. Hier stonden houten kruisen. Grafstenen waren vrijwel alleen in de kerk te vinden. Het kerkhof was gewoonlijk afgebakend door een heg en/of een afrastering.
Aanvankelijk werden de doden begraven in een lijkwade of een doodshemd. Later kwamen houten kisten of kleine grafkelders in zwang. Houten kisten werden tot 1675 door verschillende ambachtslieden vervaardigd. Op 19 februari 1676 verordonneerde het stadsbestuur dat grafkisten alleen door het Nieuwe Stads Weeshuis mochten worden vervaardigd en afgeleverd. Pas in 1807 werd dit monopolie opgeheven.
Begraven in een kerk werd door een groeiend aantal ‘Verlichte' geesten als zeer onhygiënisch beschouwd. In 1775 schreef Onno Zwier van Haren: ‘zoo lang mij met eenige kennis heugd, dat is zedert meer als vijftig jaar, nooijt in de Somer in de Westerkerk, voor al 's namiddags, werd gepreedikt, zonder dat een, twee en dikwijls meer menschen flaauw uit de kerk werden gedragen; in die staat gebracht, niet door eenige onzeekere, maar door een bekende en gedecideerde cadave-reuse reuk'.
In 1825 werd bij Koninklijk Besluit het begraven in kerken verboden. Bovendien moesten gemeenten met meer dan 1000 inwoners, begraafplaatsen buiten de stad aanleggen. In de late 19de eeuw werd onder andere in Duitsland gepleit voor het cremeren van doden. Het eerste crematorium in Nederland werd in 1914 in Velsen geopend. Dit was illegaal, maar werd gedoogd. Pas in 1968 zijn begraven en cremeren bij de wet gelijkgesteld. In 1973 werd in Goutum een crematorium geopend.


Begrafenissen en grafrituelen
Begrafenissen waren van oudsher door tal van rituelen omgeven. De oudste schriftelijke overlevering van overheidsbemoeienis ten aanzien van begrafenisgebruiken in Leeuwarden werd in 1530 opgetekend door stads-secretaris Wilcko Folckerts. Oude en nieuwe regels werden erin vervat. Onder andere werd gestreefd naar meer soberheid bij diverse herdenkingen. Een merkwaardig gebruik was het houden van de zogenaamde ‘ommegang'. Tot 1580 werd op Sacramentsdag, ofwel de tweede donderdag na Pinksteren, ook in Leeuwarden nog een processie of ‘ommegang' gehouden. In 1576 had Focke Hepckes ‘met zyn mede gesellen opten ommegangck mette duivelskoppen ommegelopen'. Eén van de gebruiken bij sterfgevallen en begrafenisplechtigheden was het luiden van de kerkklokken, dan wel het ‘beluiden' van de doden. In Leeuwarden was dit gratis, terwijl in andere steden, zoals Sneek, daarvoor betaald moest worden.

De begrafenis vond normaal gesproken voor 15.00 uur plaats. Welgestelden lieten zich vaak buiten reguliere tijden begraven, om zo de aandacht op hun status te vestigen. Sommige vermogende personen legateerden forse bedragen aan liefdadigheidsinstellingen zoals bijvoorbeeld de weeshuizen, waardoor een aantal wezen bij de begrafenis aanwezig was.

Sterven en begraven was tot in het begin van de 20ste eeuw een zaak van de gemeenschap. In geval van overlijden dienden buren hulp aan te bieden. De twee naaste buren werden direct gewaarschuwd. Zij namen de belangrijkste taken op zich en schakelden ongeveer vijf buren in voor lichte werkzaamheden. De buren stelden als eerste de dood vast en condoleerden de familie die daarna de sterfkamer verliet. De overledene werd gewassen en gekleed, familie en vrienden werden op de hoogte gebracht en de begrafenis geregeld. In sommige plattelandsstreken komt de burenhulp nog steeds voor.
Het aanzeggen van een sterfgeval moest door de buren gedaan worden. Vanaf het einde van de 18de eeuw werd het tevens mode om een kennisgeving van overlijden in de krant te zetten. De rijken konden een aanspreker of doodbidder inhuren om familie en vrienden persoonlijk uit te nodigen. Hij ging de opgegeven adressen langs en las de naam van de overledene voor of gaf een gedrukte invitatie af. De taken van de aanspreker werden steeds uitgebreider; de rijken konden de organisatie van een begrafenis volledig uitbesteden. Vanaf circa 1900 kwamen particuliere uitvaartondernemingen van de grond, zoals de coöperatieve uitvaartvereniging ‘Friese Uitvaart Verzorging', opgericht in 1937.
Vooral gedurende het laatste decennium maken allerlei aspecten van het begraven en rouwen ingrijpende veranderingen door.


Maatregelen bij epidemieën
Door de eeuwen heen hebben epidemieën hun tol geëist in Leeuwarden. Tot in de 17de eeuw was de pest een gesel die de stadsbevolking geregeld teisterde. In 1656 sloeg de pest in alle hevigheid toe. Op één dag moesten tachtig doden ten grave worden gedragen, en dat op een bevolking van slechts 15.000 zielen. De stadsregering nam maatregelen om misstanden - veelal door doodgravers gepleegd - tegen te gaan. Vaak werd er door de doodgravers namelijk buitensporig hoog loon wegens verleende diensten in rekening gebracht. Er werd onder meer bepaald dat degene die de doodkist had vervaardigd deze ook aan het sterfhuis diende te bezorgen. De kist diende van tevoren met pek waterdicht te zijn gemaakt, dit om het wegsijpelen van (besmet) lijkvocht tegen te gaan. Niet meer dan zes mannen of vrouwen ‘van de naeste ghebuyren aen beyde zijden' mochten worden ingeschakeld om het doodskleed te maken en om het lijk in de kist te leggen. De lijkkisten moesten binnen 24 uur na het overlijden door dezelfde kistenmaker die de kist had gemaakt worden dichtgespijkerd. De pestdoden dienden binnen drie dagen te worden begraven. Doden van buiten de stad werden linea recta vanaf het schip of de wagen naar het kerkhof gebracht.
Tegen besmettelijke ziekten werden voortdurend maatregelen genomen. Zo werd op 17 februari 1827 op last van de Gouverneur verordonneerd dat voorlopig geen graven, waarin lijken waren begraven van de aan de geheerst hebbende ziekte (malaria tertiana), mochten worden geopend.
Voortdurend heerste er angst voor uitbraak van besmettelijke ziekten. Op 28 april 1832 bezweek een gast in hotel ‘De Nieuwe Doelen' aan een onbekende ziekte. De behandelende artsen vreesden cholera en lieten de dode begraven in een met pek waterdicht gemaakte kist. Alvorens de kist dicht te timmeren werd het stoffelijk overschot bespoten met chloorkalk. Om geen paniek te zaaien werd de betrokkenen nadrukkelijk een zwijgplicht opgelegd. Een half jaar later brak er daadwerkelijk een cholera-epidemie uit; de procedure hoe om te gaan met gestorven choleralijders was toen al uitgestippeld.


Het beheer van de begraafplaatsen
Vanaf de 16de eeuw zijn er archiefstukken over de dagelijkse gang van zaken op de stadsbegraafplaatsen. De administratie en de jaarlijkse inning van de grafgelden - geheven om het onderhoud van de graven in de kerken en op de kerkhoven te bekostigen - lag in handen van de koster van de Oldehove en de Westerkerk. Het dagelijks beheer van de kerkhoven berustte bij de stadsdoodgravers. Ze dienden deze in een nette staat te houden. Een andere taak was de burgemeester schriftelijk in kennis te stellen wie ze hadden begraven.
In een reeks ordonnanties uit de jaren 1584, 1587 en 1613 dienden doodgravers er op toe te zien dat niemand zijn behoefte deed op het kerkhof en dat er geen straatspelen werden uitgeoefend. Verder dienden de doodgravers te voorkomen dat er dieren het kerkhof op kwamen om er hun kost te zoeken. Met name honden en varkens wroeten gewoonlijk in de grond en konden zich te goed doen aan ondiep begraven lijken. Met name in tijden dat er besmettelijke ziekten heersten was men hierop uiterst bedachtzaam. Tijdens de pestepidemie van 1581 mochten loslopende honden worden doodgeslagen. Hier-voor werden zelfs betaalde hondenmeppers aangesteld.
In 1656 werd in een doodgraversordonnantie vastgelegd, dat doodkisten pas 10 jaar na de begrafenis mochten worden geopend of weggehaald, tenzij bloedverwanten van de overledene hiervoor eerder toestemming gaven. Van geruimde graven moesten de nog gave planken voor hergebruik opgeslagen worden op een door de magistraat aangewezen plek. Op 7 december 1791 moesten twee doodgravers van het Jacobijnerkerkhof zich voor de magistraat verantwoorden voor het overtreden van dit artikel, aangezien zij ervan verdacht werden voor eigen gewin doodkistenhout aan omwonenden te hebben doorverkocht.
Stadsdoodgravers gingen niet altijd even piëteitsvol te werk. Op 28 maart 1653 had Pieter Alberts ‘een hoofft van een vroumensch, waer-aen noch enigh vleesch ende oock de vlechten waren in een benekou gesmeten'. Op 1 april werd Pieter Alberts hiervoor uit zijn dienst gezet en uit de stad verbannen. Het werk van de doodgravers kon door strenge kou ernstig worden belemmerd. Wekenlang konden ze soms geen schep de grond in krijgen. De lijken die op het Jacobijner- of Oldehoofsterkerhof moesten worden begraven werden dan noodgedwongen opgeslagen in het Klokhuis of in de Oldehove. Op 27 februari 1830 drong de Plaatselijke Commissie voor Geneeskundig Toe- voorzicht erop aan ‘nu de dooi reeds is ingevallen, het aanmerkelijk getal lijken, aanwezig in de Oldehove, nu ten spoedigste te begraven'.
Na de aanleg van de Algemene Begraafplaats in 1833 werd de directeur van deze instelling belast met het toezicht op het begraven in de Gemeente. Hij kon daarbij beschikken over een uitgebreid apparaat van doodgravers, opzieners, lijkbezorgers en een koetsier.
Tegenwoordig regelt de Afdeling Groen van de Gemeente (nog) het beheer over de algemene begraafplaatsen.


Verdwenen begraafplaatsen

In de huidige binnenstad herinnert een aantal straatnamen nog aan lang vervlogen tijden, toen het onze voorvaderen nog was toegestaan om hun dierbaren binnen de stadsvesten te begraven. Zo kan er heden ten dage nog steeds op - en binnen niet al te lange tijd onder - een ‘Oldehoofsterkerkhof' worden geparkeerd, over een ‘Jacobijner-kerkhof' worden gewandeld en tot voor een aantal jaren terug ook nog aan een ‘Hoeksterkerkhof' worden gewoond. De jongste generatie Leeuwarders zal er geen moment bij stil staan dat in de afgelopen eeuwen duizenden stadsgenoten hier hun laatste rustplaats hebben gevonden, al zouden de weinig aan verbeeldingskracht overlatende straatnamen toch op zijn minst een belletje moeten doen rinkelen. Minder voor de hand ligt het dat stamboomonderzoekers met Joodse antecedenten zich er tijdens hun noeste speurwerk van bewust zijn dat hun op dat moment nog onbekende pake's en beppe's misschien wel onder de fundamenten van het ‘Ryksargyf' liggen of hebben gelegen. Hier herinnert werkelijk niets meer aan de in 1670 aangelegde oudste Joodse begraafplaats. En op de vraag wáár in de stad ooit het ‘Misdadigerskerkhof' heeft gelegen, zal zelfs de meest rechtgeaarde Leeuwarder het antwoord schuldig moeten blijven. Van tijd tot tijd echter zijn de wat oudere Leeuwarders toch ook wel weer op indringende wijze met het funeraire verleden van hun stad geconfronteerd.

Wie herinnert zich niet de aanleg van de diepriolering dwars door het Jacobijnerkerkhof in het midden van de jaren zeventig of het afgraven in 1968 van het als bodenterrein gefungeerd hebbende Oldehoof-sterkerkhof. Tachtig plussers zullen zich misschien de vrachtwagens vol knekels en doodshoofden nog herinneren die in de jaren dertig naar de oude begraafplaats aan de Spanjaardslaan werden afgevoerd toen de voormalige dodenakker genoemde status van expeditieknooppunt verkreeg. Ook het ruimen van de voormalige Israëlitische be-graafplaatsen achter de Boterhoek en aan de Groeneweg eind jaren veertig zal menige Leeuwarder nog in het geheugen gegrift staan. Binnen niet al te lange tijd zal toch ook de jongste generatie Leeu-warders waarschijnlijk weer iets dergelijks meemaken, wanneer het Oldehoofsterkerkhof een ware metamorfose ondergaat en er een on-dergrondse parkeervoorziening zal worden gegraven. Waarschijnlijk zullen na voltooing van dit karwei de allerlaatste stoffelijke resten van het Oldehoofsterkerkhof zijn opgeruimd. Achtereenvolgens zullen hierna de verdwenen begraafplaatsen in de binnenstad in volgorde van buitengebruikstelling worden beschreven. En passant zal tevens aan de daarbij gelegen (klooster)kerken enige aandacht worden geschonken. Het voormalige Witte Nonnenklooster - de latere Waalse kerk - alsmede de Lutherse kerk, alwaar eveneens (incidenteel) is begraven, hebben nimmer een kerkhof gekend en vallen derhalve buiten dit bestek. Een uitzondering zal worden gemaakt voor de Wester-kerk, aangezien dit de laatste kerk is geweest waar veelvuldig en nog tot in de vorige eeuw (1826) is begraven. Tot slot dient nog te worden vermeld dat ook vlak buiten het stedelijke gebied van Leeuwarden nog enkele verdwenen begraafplaatsen hebben gelegen, die vanwege de beperkte omvang van dit boekje helaas niet aan bod kunnen komen. Het kerkhof van Teerns (ter plaatse van de huidige afslag vanaf Leeuwarden naar Hempens) is al in het begin van de vorige eeuw volledig van de kaart geveegd. Vlakbij de kerk van Huizum (achter het huis met het huidige adres Huizum Dorp 64) bevond zich de kleine particuliere begraafplaats van de familie Sixma-Trip. In de jaren '70 zijn de laatste resten van de grafkelder opgeruimd.


I. Nijehoofsterkerkhof, c.1200-1580
Het feit dat de St. Vituskerk in 1285 als liggend in ‘Oldehove' wordt aangeduid, impliceert dat de parochiekerk van Nijehove - het nieuwe kerkhof - toen reeds bestond. Volgens recente inzichten zal deze aan Maria gewijde kerk rond het jaar 1200 op instigatie van de Cammingha's zijn gesticht. Ondanks het feit dat schriftelijke bronnen weinig bijzonderheden aangaande deze kerk en nog minder over het daarbij gelegen kerkhof hebben overgeleverd, mag er toch van worden uitgegaan dat er reeds kort na de stichting in en rondom deze kerk werd begraven. Dát er in deze kerk werd begraven blijkt wanneer Ulbe Hinnesdochter op 2 november 1582 de somma van anderhalve goudgulden betaalt ‘ter cause van een legersteedt voor haer moer, dien tot Niehooff inder kercke begraven is'.

Na de reformatie werd besloten om in deze kerk geen godsdienstoefeningen meer te houden. Nadat een gedeelte van het kerkhof als tuingrond in huur was uitgegeven, moest echter worden geconcludeerd, dat de naaste omgeving, voornamelijk wegens gebrek aan een goede afwatering en een deugdelijke bestrating, in een dermate deplorabele toestand verkeerde, dat hierin dringend verbetering diende te worden aangebracht. In de jaren die volgden werd het kerkhof gedeel- telijk opgeruimd en met ettelijke scheepsladingen zand, alsmede de grafaarde welke aan de westzijde van de kerk lag opgehoopt en waaraan deze plek de naam van ‘De Modder' dankte, opgehoogd en geëffend, om vervolgens met keien te worden bestraat.
Nadat er tot 1608 pestlijders en oorlogsslachtoffers waren verpleegd, diende het gebouw een tiental jaren als opslagplaats voor 's Lands krijgsbehoeften. In 1619 kreeg het gebouw een bestemming waaraan het de latere naam van ‘het Klokhuis' ontleende. Een deel van het gebouw werd toen verhuurd aan Hans Falck van Neurenberg om als klokgieterij te dienen. In 1674 werd een gedeelte van het gebouw ingericht als turfschuur voor de armen van het Hoekster Espel. Een ander deel werd in 1678 bestemd voor de doodkistenfabricage, waarop het Nieuwe Stads Weeshuis het monopolie had verworven. Nadat de voormalige parochiekerk haar bestemming als klokgieterij had verloren, diende zij nog als armenschool en als pakhuis.
De bouwvallige staat waarin het gebouw verkeerde., deed de Magi-straat in 1765 besluiten om het gebouw te laten afbreken. Gedurende de hele zomer hield men zich hiermee bezig. Alvorens de grond te egaliseren werden er diepe kuilen gegraven om er de doodsbeenderen in te begraven welke tegen de muren van de voormalige kerk hadden gelegen en waaraan deze hoek van het kerkhof de naam ‘Bonkenburg' ontleende. Overigens werd toen al lang niet meer van Nijehoofster-kerk- hof gesproken, doch werd het gehele terrein als Jacobijner- of Groot Kerkhof aangeduid. Nadat stichting van een armhuis op deze plek financieel niet haalbaar was gebleken, werd in 1768 besloten om de grond tot erven uit te geven om er woningen te laten bouwen. Ruim een eeuw later moesten deze woningen weer plaats te maken voor het St. Elisabethsgesticht en de Joodse Dusnusschool. Door uitbreiding van het eerstgenoemde gebouw verdween in 1911 het tussen de Grote Kerkstraat en Perkstraat gelegen straatje 'De Modder'.
Toen er in 1930 bouwactiviteiten plaatsvonden aan de Grote Kerk-straat, stuitte men op een diepte van twee meter op funderingsresten van Friese kloostermoppen. Daaronder trof men een aantal lijkkisten aan die alle in oost-westelijke richting waren begraven. Na nog dieper te hebben gegraven werd er een schacht geopend die tot een dikte van een meter bleek opgevuld met doodsbeenderen en puin. De gebeenten die aan de oppervlakte kwamen behoorden toe aan overledenen die voor 1580 op het Nijehoofsterkerkhof ter aarde waren besteld, doch nadien herhaaldelijk waren verplaatst en zonder enig gevoel voor piëteit door elkaar waren gesmeten.


II. Hoekster- of Catharinakerkhof, 15de eeuw-1691
De St. Catharinakerk van Hoek is vermoedelijk in de 14de eeuw - eveneens door de Cammingha's - als derde parochiekerk van Leeuwarden gesticht. Onder de kerkvloer van de St. Catharinakerk vonden vele aanzienlijken een laatste rustplaats. Evenals de oude parochiekerk van Nijehove werd deze kerk na 1580 voor de godsdienstoefeningen niet meer geschikt geacht.
Toch werden in 1581 nog twee en in 1582 nog vier ‘legersteden' in de Hoeksterkerk verkocht. Zo wordt op 5 februari 1582 melding gemaakt van de ontvangst van drie goudgulden die waren voldaan door ‘Rienck vaer, woonende inde kelder van mijn heer van Amelant, ende dat ter cause van een legersteede voor Rienck's huijsvrou Hil, die inde Hoexter kercke begraven is'. Nadat ook daar een tijd lang pestlijders waren verpleegd stond het gebouw geruime tijd leeg, totdat het werd ingericht als 's Lands Artillerie- en Ammunitiehuis. In 1691 verloor het deze bestemming weer om in 1695 verbouwd te worden tot Stads Werkhuis. In de eerste halve eeuw die na de reformatie was verstreken was behoorlijk inbreuk gemaakt op het recht van de stad op de grond van het Hoeksterkerkhof. Omwonenden hadden huizen en potkasten tegen de voormalige kerk aangebouwd, hetgeen de Magistraat in 1638 deed besluiten om hier grond tot erven uit te geven om een meer regelmatige bouw te bevorderen. Zo ontstond er een nieuwe brede straat die de naam van Hoeksterkerkhof bleef dragen en die in 1691 voor het eerst werd bestraat. Getuige de begraafboeken werd er tot 1691 begraven.
Op 12 en 13 november van dat jaar vonden twee kinderen van het Vliet er als laatsten hun rustplaats. Saillant detail vormt de vermelding in een koopbrief uit 1710 die betrekking heeft op het perceel Voorstreek 112. In dat jaar verkocht een weduwe haar deel van dit huis inclusief ‘twee graven daer aghter, tot een thuintje gebruickt wordende en door een stackettinge afgeschut'. In de jaren vijftig van deze eeuw bleek nog steeds de oorspronkelijke bestemming van dit terrein. Bij elk karwei waarbij de schep de grond in moest kwamen er skeletdelen naar boven. Toenmalige bewoners van het Hoeksterkerk-hof konden mensen noemen bij wie ‘de bonken onder de drompels' lagen. Bij raadsbesluit van 10 januari 1984 is de naam Hoeksterkerk-hof ingetrokken.


III. Galileër- of ‘Misdadigerskerkhof', c.1500-18de eeuw
In 1456 werd ten noordoosten van de stad het Minderbroederskloos-ter Galilea gesticht. In 1498 werd dit klooster uit veiligheidsoverwegingen gevestigd in het nog onbebouwde oostelijke deel van de stad. Blijkens een bij testament gedane schenking ten behoeve van de bouw van het nieuwe kloostercomplex waren in 1506 de werkzaamheden nog steeds niet afgerond. Na de reformatie in 1580 werd de voormalige kloosterkapel aangewezen om onder de naam van Galileërkerk als derde godshuis van de ‘gereformeerde gemeente' te dienen. Tot dan toe hadden voornamelijk kloostermonniken op het terrein direct ten noorden van de kapel een laatste rustplaats gevonden.
Na 1580 werd het voormalige kloosterterrein verkaveld en werden er zowel in noord-zuidelijke als in oost-westelijke richting nieuwe straten aangelegd. Eén van die nieuwe straten was het Droevendal. Deze straat werd dwars over het voormalige monnikenkerkhof gerooid, zodat er van het voormalige uitgestrekte kerkhof nog slechts een klein deel overbleef dat haar oorspronkelijke bestemming bleef behouden. Echter vanaf dat moment zouden nog slechts ter dood gebrachte of in het gevang gestorven criminelen er hun laatste rustplaats vinden. Deze plek stond bij de Leeuwarders dan ook al snel bekend als het ‘Misdadigerskerkhof '. Via een steeg in het Droevendal kon dit kerkhof worden bereikt, ware het niet dat een zware deur de vrije doorgang belemmerde. Over het kerkhof zelf is vrij weinig bekend, zodat niet exact bekend is tot wanneer er is begraven.
Nog net voor de sloop in 1940 werden de zerken in de kerk gefotografeerd en beschreven. Een deel van de zerken is naar Minnertsga vervoerd, alwaar zij - omgekeerd - in de vloer van de N.H. kerk zijn verwerkt. Na de sloop van de kerk en de ten noorden daarvan gelegen bebouwing liet de PTT er eind jaren vijftig het ‘Telefoonkantoor' bouwen. Het was op deze plek, aan de zijde van het Droevendal, waar in de zomer van 1961 een gebouwtje voor de bedrijfsarts van de PTT moest verrijzen. Hierover kon uit de mond van oud archiefmedewerker Wim Dolk de volgende anekdote worden opgetekend. Op een mooie zomerdag van dat jaar zou toenmalig loco-burgemeester Jan Tiekstra een fietstochtje hebben gemaakt, waarbij deze op een gegeven moment de Grote Wielen passeerde. Hier zou zijn oog zijn getroffen door een berg uitgestorte modder waar her en der menselijke resten uitstaken. De volgende dag werd meteen aan Wim Dolk om opheldering gevraagd. Deze deed daarop navraag wie voor het transport van deze lugubere lading verantwoordelijk was en waar zij was gedolven. Toen hierover uiteindelijk duidelijkheid bestond, was het raadsel snel opgelost. Het betrof hier grond van een deel van het voormalige ‘Misdadigerskerkhof '! Onderzoek ter plekke maakte duidelijk dat het hier niet om een doorsnee dodenakker ging. Zo waren de doodkisten bijzonder grof en onafgewerkt uitgevoerd en was er geen enkele regelmaat in de wijze van begraven te herkennen. De doden waren als het ware op een even onverschillige als willekeurige wijze onder de grond gestopt.
Dat niet iedere terechtgestelde het ‘voorrecht' had om te worden begraven moge duidelijk zijn. Het hing van de strafmaat af of ‘het lichaem de begraeffenisse werd gegund'. Vele misdadigers werden ‘anderen ten exempel, ten prooije gelaten aan de vogelen des velds'. Dit hield in dat zij boven een gemetselde put in de Galgefenne - ongeveer ter plekke van het huidige kantoorgebouw van 'De Friesland' aan de Harlingertrekweg - werden ophangen, totdat het voortschrijdende ontbindingsproces hen in de put deed storten. Tegenwoordig resteert er weinig meer dat ons nog aan deze ‘wrede' periode in de Leeuwarder geschiedenis herinnert.


IV. Grote Kerk en Jacobijnerkerkhof, 13de eeuw-1824
Nadat in 1245 de Dominicanen zich te Leeuwarden hadden gevestigd, zou rond 1275 zijn aangevangen met de eerste fase van de bouw van de kloosterkerk die we tegenwoordig nog kennen als de Grote - of Jacobijnerkerk. In 1484 legateerde Tyemck Wibren Boulsmedochter een aanzienlijk bedrag aan de paters ‘to hiara tymmer to der tzerke'. Dit hield verband met de eerste uitbreiding van de kerk. De laatste grote uitbreiding vond rond 1500 plaats. Hoe het kloostercomplex er ongeveer uit heeft gezien, weten we dankzij de recente ontdekking van een stadsplattegrond uit 1572 die ooit in opdracht van Caspar di Robles werd vervaardigd.
Al betrekkelijk vroeg zullen gefortuneerde Leeuwarders - doch ook vele aanzienlijken van buiten de stad - bij testament de wens te kennen hebben gegeven om in de pas gereed gekomen kloosterkerk te worden begraven. Een begrafenis in een convent kostte meer dan normaal en was bijgevolg alleen weggelegd voor de beter gesitueerden. Op 25 november 1407 testeerde Mammo Mammingha te Nijehove, waarbij deze de uitdrukkelijke wens te kennen gaf begraven te willen worden bij de Dominikanen of Predikbroeders te Leeuwarden. Voor zover traceerbaar lijkt dit de oudst bekende vermelding van een Leeuwarder die in de Jakobijnerkerk wenste te worden begraven.

Bij de restauratie van de Grote kerk in de jaren 1842/1843 werd de zerkenvloer aan het zicht onttrokken door het leggen van een houten vloer. Ten behoeve van de restauratie in 1972/1978 werd deze vloer weer weggenomen. Er kwam een werkelijk unieke zerkenvloer te voorschijn. Renaissance zerken, behorende tot de mooiste van Nederland, lagen her en der verspreid. Sommige met afmetingen van twee bij drie meter. Ook sarcofaagdeksels, later gebruikt als altaarsteen en als grafzerk werden aangetroffen, evenals grafstenen die ingelegd waren met koper. De opgegraven stoffelijke overblijfselen werden herbegraven. Na het aanbrengen van een betonnen vloer werden de grafzerken zoveel mogelijk op de oude plaats herlegd.
Op de scheiding van koor en schip liggen enige renaissance-zerken die zijn gehakt door de beroemde zerkhouwers G.B. (Gerbrant Benedictus) en B.G. (Benedictus Gerbrants). Ze dekten graven van de familie Cammingha. Het hertje met kammen - ook het wapen van de voetbalclub Cambuur - is duidelijk te herkennen. Andere bijzondere exemplaren zijn een priesterzerk, met hierop een miskelk met hostie, een grote zerk in het koor waarop de rechtspraak van koning Salomo staat afgebeeld en een aantal fraaie kinderzerkjes.
Bijzonder is ook de zerk die het graf dekt van een bastaard van de hertogen van Brunswijk. Dwars door het afgebeelde wapen is een balk geslagen: er loopt een streepje door.
In het koor van de kerk is niet meer de koperen plaat te vinden die ooit het graf dekte van Gregorius Bertolf, president van het Hof van Friesland. Deze koperen plaat, met hierop de getabberde beeltenis van Bertolf (†1528), wordt in het Fries Museum bewaard.
In 1580 werd door de hervormden definitief bezit genomen van zowel kerk als klooster. Kosten noch moeite werden gespaard om het aanzien van de voormalige kloosterkerk te vergroten en haar te verheffen tot hoofdkerk. Verder werd het uitwendig aanzien van de voormalige kloosterkerk sterk verbeterd door het wegbreken van de knekelhuizen of ‘benekouwen' - verzamelplaatsen van stoffelijke resten - welke zich tegen de buitenmuren van de kerk bevonden. Mogelijk heeft een deel van het oude Nijehoofsterkerkhof na 1580 lange tijd gefungeerd als verzamelplaats van beenderen die bij het ruimen van graven op het Jacobijnerkerkhof werden opgedolven. Op 3 november 1649 besloot het stadsbestuur ‘om een benekouw te maken aende noordkant van 't Clockhuis, aende sijde van Agge Roepers bewoonde huisinge, ende de benen en doodshoofden aende suidsijde van 't Clockhuis leggende, van daer te doen (over)brengen'. In 1766 werd door de Magistraat besloten ‘om de beenekouw, staande op het Jacobiner kerkhoff bij de Modder te laaten wegh breeken en de beenderen alle in graaven op gemelde kerkhoff laaten begraaven'. Het is niet ondenkbaar dat de aan de achterzijde van de gebouwen van de Fryske Akademy aan de Doelestraat (huisnr. 2-4 ) ingemetselde tekststeen ‘MORS OMNIA SOLVIT' (De dood lost alles op), inclusief de voorstelling van een doodshoofd, afkomstig is van de in 1766 gesloopte benekouw aan De Modder.
In 1789 werd besloten om het westelijk gedeelte van het kerkhof, dat zich uitstrekte tot aan het Nieuwe Stads Weeshuis met gele klinkers te bevloeren. Hiertoe diende eerst het kerkhof met zand en verse modder te worden opgehoogd, en wel zo dat het naar alle kanten rond afliep. De twee inhammen, die zich bij de huizen aan de zuidzijde van het kerkhof bevonden, dienden tien duim extra te worden opgehoogd, zodat het overtollige hemelwater van daar naar het middenpad en vanaf de sluitboom voor de ingang van de Perkstraat - de tegenwoordige A.S. Levissonstraat - in de richting van het weeshuis haar weg kon vinden. In 1824 was het Jacobijnerkerkhof reeds zo overbezet dat het gemeentebestuur er op 10 april van dat jaar mee akkoord ging om er niet meer te begraven, maar om de grafzerken te verwijderen, het terrein te effenen en het met bomen te beplanten. In 1830 werd de kerkhofmuur afgebroken en werd het voormalige kerkhof door stenen palen met ijzeren baliën afgesloten. Toen in 1977 ten behoeve van het aanleggen van diepriolering een diepe sleuf dwars door het voormalige kerkhof moest worden gegraven, kon tot afgrijzen van menig stadsgenoot worden geconstateerd dat ‘het in vrede laten rusten van de doden' slechts een relatief begrip is. Uit beide sleufwanden staken de doodkistplanken inclusief inhoud, die eeuwen eerder aan de aardse moederschoot waren toevertrouwd. Ook stuitte men op een omvangrijk knekelveld, waarin de doodsbeenderen van de eerder gesloopte ‘benekouwen' waren herbegraven.


V. Joodse begraafplaatsen, 1670-1833
De zware tol die de eens zo omvangrijke - bijna 700 zielen tellende - Leeuwarder Joodse gemeenschap in de oorlogsjaren heeft moeten betalen, was na de bezettingsjaren evenzeer af te lezen aan het Joodse erfgoed hier ter stede. In tegenstelling tot de uit 1833 daterende nieuwe Israëlitische Begraafplaats aan de Jelsumerstraat, die de oorlog betrekkelijk schadevrij had overleefd, verkeerden de oude dodenakkers achter de Boterhoek en op de hoek van het Tournooiveld en de Groeneweg in sterk verwaarloosde en gehavende toestand. Met name de in 1670 aangelegde begraafplaats achter de Boterhoek was zwaar geschonden doordat de bezetter er een loopgraaf dwars doorheen had laten aanleggen. Ook was de ommuring grotendeels verdwenen. Gras en vooral brandnetels schoten hoog op tussen de enkele nog overgebleven, scheefgezakte zerken. De houten schutting die de uit 1786 daterende begraafplaats aan de Groeneweg gedeeltelijk had omgeven, was gedurende de laatste oorlogswinter in de Leeuwarder kachels en fornuizen verdwenen.

Tot 1940 waren deze - sedert 1833 in onbruik geraakte - begraafplaatsen door de Joodse gemeente naar behoren onderhouden. Na de oorlog ontbrak het de sterk gedecimeerde Joodse gemeenschap aan financiële middelen om beide begraafplaatsen weer in hun oorspronkelijke staat terug te brengen. Aangezien de stad er groot belang aan hechtte om het bezit van de beide begraafplaatsen te verwerven - onder andere met het oog op de dringend gewenste verbreding van de Groeneweg - werden al vrij spoedig onderhandelingen gevoerd met het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap. Overeengekomen werd dat overname zou kunnen geschieden zodra de begraafplaatsen waren geruimd. De stoffelijke resten en de grafzerken werden zoveel mogelijk naar de begraafplaats aan de Jelsumerstraat overgebracht.
Op 11 juni 1952 stemde de gemeenteraad in met het voorstel van B.&W. tot aankoop van beide percelen. Een jaar later werd het terrein aan de Groeneweg doorverkocht aan het Rijk ten behoeve van het bouwen van een gedeeltelijk ondergronds centrum voor het korps Luchtwachtdienst, afdeling Friesland. Tegenwoordig wordt dit onderkomen gebruikt door musici die er, zonder angst het toegestane aantal decibels te overschrijden, naar hartelust kunnen oefenen en waaraan het de huidige naam 'popbunker' heeft te danken.


VI. Oldehoofsterkerkhof, c.750-1833
Zonder twijfel kan het Oldehoofsterkerkhof worden aangeduid als de oudste en belangrijkste begraafplaats van Leeuwarden. Een vroegmiddeleeuws grafveld doet vermoeden dat hier ooit een houten kerk heeft gestaan. Pas in de 11de eeuw werd de terp van Oldehove uitgekozen voor de vestiging van een stenen kerk. In 1661 werd aan de noordkant van het kerkhof een stenen wal uit de doorgegraven binnengracht, die de Boterhoek van het kerkhof scheidde, opgemetseld. Aan de westzijde werd het kerkhof middels een ringmuur van de Torenstraat afgescheiden. Nog in 1843 kenden enkele woningen tussen de noord- westhoek van de Kleine Kerkstraat en het Oldehoofsterkerkhof de aanduiding 'Bij den Sluitboom'. Vanaf deze kant kon destijds het kerkhof met rijdend materieel worden bereikt. In 1679 werd aan de oostzijde van het kerkhof een fraaie nieuwe poort als toegang gebouwd. Het oorspronkelijke kerkhof bestond uit een noordelijk en een zuidelijk gedeelte, ieder met een afzonderlijke regel- doch doorlopende grafnummering. Daarnaast konden welgestelden zich binnen de muurrestanten van de voormalige - in 1595 gesloopte - St.Vituskerk laten begraven. Nadat in 1706 deze muurrestanten door een kring lindebomen was vervangen werden alle graven welke niet met zerken gedekt waren, met bakstenen bevloerd. In 1752 werd door het stadsbestuur een bedrag van 2000 gulden uitgetrokken om het gehele kerkhof op te hogen en andere herstelwerkzaamheden uit te voeren. Het aantal graven op het kerkhof werd in 1754 op zo'n 4700 geschat. In 1786 werd besloten om het gehele kerkhof, voor zover de graven niet met zerken waren gedekt, met gele klinkers te bevloeren.

Nadat Friesland in het najaar van 1826 werd getroffen door een malaria-epidemie, met als gevolg een explosieve stijging van het aantal sterfgevallen, werden er eindelijk maatregelen getroffen die het begraven in oude binnensteden onmogelijk zou maken. Op 9 april 1827 werd een raadscommissie samengesteld die moest nagaan of het noodzakelijk was om naast het Oldehoofsterkerkhof nog een tweede begraafplaats aan te leggen. Op 28 augustus 1827 - toen de commissie reeds druk met haar onderzoek bezig was - werd (andermaal) een Koninklijk Besluit uitgevaardigd, waarbij het begraven in kerken algemeen werd verboden en dat gemeenten met meer dan duizend inwoners zo spoedig mogelijk begraafplaatsen buiten de bebouwde kom dienden tot stand te brengen. Dit besluit diende voor 1 januari 1829 uitgevoerd te zijn. Ondanks het feit dat het gemeentebestuur in het geheel niet enthousiast was om geld uit te geven voor een nieuwe begraafplaats - het Oldehoofsterkerkhof was nog geen jaar eerder voor 1725 gulden verbeterd - werd dit Koninklijke Besluit doorgegeven aan de door hem ingestelde raadscommissie. Deze bracht in september 1827 verslag uit. Het was haar gebleken dat de locatie van het Oldehoofsterkerkhof geen nadelige gevolgen voor de volksgezondheid zou hebben. Daarnaast zou het aantal graven op het kerkhof in combinatie met een sterftecijfer van circa 500 per jaar en een gemiddelde ‘rottingstijd' van 7 jaar een tweede begraafplaats overbodig ma- ken.
Hierop besloten B.&W. om een verzoekschrift bij de koning in te dienen ‘ten einde de thans bij de Oldehoof alhier bestaande begraafplaats voorlopig te mogen behouden'. Dit verzoekschrift werd op 2 februari 1829 van de hand gewezen, waardoor de raad zich gedwongen zag de burgemeester te verzoeken om een voordracht te doen ‘ten aanzien van de plaats waar, en de wijze hoe eene nieuwe begraafplaats aan te leggen'. Hoewel er officieel vanaf 1 januari 1829 geen doden meer binnen de stad mochten worden begraven, is er van enige haast geen sprake. Uiteindelijk werd gekozen om de nieuwe begraafplaats aan te leggen ten noorden van de Spanjaardslaan. Er zou nog tot 3 juli 1833 op het Oldehoofsterkerkhof worden begraven.
In de jaren die volgden raakte het Oldehoofsterkerkhof snel in verval. Op 25 september 1837 werd door de gemeenteraad besloten tot de sloop van de Vrouwenpoort en het afgraven van de stadswal tussen de Oldehoofster- en Vrouwenwaterpoort. Hierna zou het hele gebied samen met het Oldehoofsterkerkhof ‘tot eene groote beplanting' moeten worden aangelegd volgens een door architect Lucas Pieter Roodbaard ontworpen plan. Hiertoe dienden de nog aanwezige grafzerken, na toestemming van de eigenaren, te worden verwijderd. De graven zouden echter onaangeroerd blijven. In de winter van 1837/38 toog men voortvarend aan het werk. Het merendeel van de graven op het Oldehoofsterkerkhof was eigendom van de stad, terwijl vele andere particuliere graven zonder morren werden afgestaan. Het aantal graven dat met zerken was gedekt en waarvan de eigenaren in het grafregister konden worden getraceerd bedroeg 33 in totaal. Echter de oud-grietman van Hemelumer Oldeferd, Tjalling Minne Watze van Asbeck, had bij geruchte vernomen ‘dat men op last van de Burgemeester van Leeuwarden de hand had geslagen aan het Oudehoofdster Kerkhof, aldaar graven amoverende, doodkisten openende, de doodsbeenderen verroerende etcetera'. Hij protesteerde heftig, waarbij zelfs een brief ‘op poten' aan Zijne Majesteit werd gezonden! B.&W. van Leeuwarden betitelden de inhoud van deze brief als pure ‘hoon en laster' aan haar adres en dreigden zelfs met gerechtelijke stappen. Uiteindelijk werden de door Van Asbeck aangevoerde argumenten van tafel geveegd, waarna de werkzaamheden aan het kerkhof volgens plan konden worden afgerond.

Ook het Oldehoofsterkerkhof heeft tot 1837 een knekelhuis gekend, dat op afbeeldingen van de Oldehove en op stadsplattegronden is weergegeven. In deze uit 1613 daterende ‘benekouw' zat een gedenksteen, waarvan het opschrift luidde:

Och Adams kinderen, bedenk U regt,
Hier legt de Heere bij de Knegt,
Edel, onedel, arm ende rijk,
Zijn alle geworden eerde en slijk,
Als gij nu zijt, zijn wij geweest,
Keert u tot God, dat is u best,
Als wij nu sijn, soo moet gij worden,
Verlaet de zonden, 't zijn swaere borden,
Bereijd U huis en leert nu sterven,
So mogt gij na dit leeven het rijk Gods beërven.

Het Leeuwarder gemeentebestuur vermeldde in een aan Gedeputeerde Staten gericht schrijven de sloop van dit knekelhuis: ‘Ten einde de aan te leggen wandelplaats op het Oldehoofdster Kerkhof van het gezigt eener verzameling van menschenbeenderen - die gewis meer dan twee eeuwen in een knekelhuis of beenderenkooi waren bijeengebragt en opgestapeld en hoog boven de muren uitstaken - te ontdoen, deze gelegenheid mede te baat is genomen, om die beenderen in de aan die beenderenkooi belendende gegraven kuilen over te brengen, en met aarde te bedekken, even gelijk zulks in andere Steden en plaatsen bij de ontruiming en vernietiging der knekelhuizen of beenderenkooien is bewerkstelligd'.
In het voorjaar van 1862, toen het gemeentebestuur naarstig op zoek was naar een geschikte locatie voor een te bouwen armenschool, viel het oog op het uitgestrekte Oldehoofsterkerkhof. Na het verkrijgen van de Koninklijke goedkeuring, werd het werk op 15 maart van dat jaar voor 17.000 gulden aanbesteed. Tijdens de bouw van de school werd de zerk van Pieter van Dekema (†1568) en Catharina van Loo (†1581) ontdekt, welke tegenwoordig zit ingemetseld in de zuidmuur van de Oldehove. Na aanhoudende klachten over stank in de school - 'men meende er den reuk van het oude kerkhof in te bespeuren' - werden na 1878 de klaslokalen stuk voor stuk opengebroken, uitgegraven en opnieuw bevloerd. Het gebouw heeft nog tot 1933 dienst gedaan, de laatste jaren als schippersschool, waarna het werd gesloopt in verband met het aan te leggen bodenterrein.
Tot dat jaar had het Oldehoofsterkerkhof er een volle eeuw ongebruikt en verlaten bijgelegen. Alleen het personeel van de aldaar gevestigde lijnbanen zag men er dag in dag uit hun baan achterwaarts aflopen. Verder diende het tot speelplaats voor de kinderen uit de nabijgelegen buurten en graasde er een enkele geit. Na verloop van tijd begon het vlakke terrein echter steeds meer kuilen en gaten te vertonen, doordat vele vermolmde doodkisten in de ondergrond de last niet meer konden dragen. Met name in het natte jaargetijde bleef het regenwater lange tijd in deze kuilen en gaten staan, waardoor het kerkhof in een onbegaanbare modderpoel veranderde die door iedereen angstvallig werd gemeden. Pas in 1933 kwam er een eind aan deze situatie. In de maanden juli, augustus en september vonden er grondwerkzaamheden plaats, waarbij het terrein - zij het slechts zeer oppervlakkig - werd afgegraven om het vervolgens met zand te egaliseren en met keien te bestraten. Alleen daar waar riolering moest worden aangelegd, werd dieper gegraven. Desalniettemin werden de werkzaamheden met meer dan gemiddelde belangstelling gevolgd, door zowel beroepsmatig geïnteresseerden als door de burgerij. Regelmatig deed de plaatselijke pers verslag van hetgeen er aan de oppervlakte kwam. Zo kwamen er enkele oude grafzerken aan het licht, waarvan in ieder geval die van de beroemde Friese kunstschilder en Franeker burgemeester Jacobus Sibrandi Mancadan het vermelden waard is.

Het totale aantal gevonden grafzerken viel echter behoorlijk tegen. Waarschijnlijk ging het hier om de in 1837 ‘vergeten zerken' die eerder reeds onder de grond waren geraakt en daardoor over het hoofd werden gezien. Voor zover kon worden nagegaan waren de doodkisten, op een enkele uitzondering na, compleet vergaan. Maar liefst 33 vrachtwagens vol schedels en beenderen werden afgevoerd naar de oude begraafplaats aan de Spanjaardslaan om aldaar te worden herbegraven. Tal van schedels echter raakte in particuliere handen en dat waren vaak de handen van kwajongens. De meest opzienbarende ontdekking vormde wel de 17de-eeuwse grafkelder van het patriciërsgeslacht Bouricius. In de kelder werden vier ‘spitsverheven', van zes centimeter dik eikenhout vervaardigde, doodkisten gevonden, waarop gegraveerde loden platen waren bevestigd met de namen van de overledenen. Ook bevond zich nog een kinderkistje in de grafruimte, dat spontaan in elkaar viel toen het naar buiten werd gebracht. Het bevatte echter niets anders meer dan het zeegras, dat eens voor het hoofdkussentje had gediend. De kelder werd in 1933 in tact gelaten, zij het dat het boven het straatniveau uitstekende deel van het gewelf werd verwijderd en door een betonnen plaat werd afgedekt. De heer Tj. Postma uit Veenwouden deelde in 1933, als reactie op de verslaggeving van de opgravingen, mee dat hij in zijn jeugd vaak had horen vertellen dat zijn grootvader samen met diens drie broers, allen schippers, in de eerste helft van de vorige eeuw de zerken van het op te ruimen Oldehoofsterkerkhof hadden opgekocht en naar een of andere zeewering in Friesland hadden vervoerd.
Tenslotte ging het Oldehoofsterkerkhof in juli 1968 voorlopig voor de laatste maal op de schop. Dit ten behoeve van een reconstructie van het plein, die speciaal tot doel had aanpassing te verkrijgen bij de moderne bebouwing in deze omgeving. Nu werd echter behoedzamer te werk gegaan, waarbij de fundamenten van twee kerken te voorschijn kwamen, namelijk die van de in 1595 gesloopte St. Vituskerk en zijn uit plusminus de 11de eeuw daterende tufstenen voorganger. Te vrezen valt dat het uiterst belangrijke bodemarchief terplekke, dat nu nog inzicht kan verschaffen in de vroegste geschiedenis van onze stad, zeer binnenkort door bulldozers voorgoed zal worden verwoest, zonder dat archeologen de tijd zal worden gegund de dieper gelegen lagen van het terrein in kaart te brengen, tenzij de politiek verantwoordelijken het belang van dergelijk onderzoek voor de wetenschap en hen die na ons komen onderkennen!


VII. De Westerkerk, c.1500-1826
Sinds de verbouwing in 1991 tot Theater Romein, is de naam Westerkerk voor de voormalige kloosterkapel van de Grauwe Bagijnen in de Bagijnestraat voltooid verleden tijd. De geschiedenis van deze kapel gaat terug tot het begin van de 16de eeuw, toen als voortzetting van het onveilige - buiten de stadswallen gelegen - klooster Fiswerd, hier het St. Annaklooster verrees. Nadat de kapel als gevolg van de Alteratie van 1580 aan haar oorspronkelijke bestemming was onttrokken, kreeg het gebouw in 1619 weer een kerkelijke bestemming, maar nu voor de hervormde eredienst. Wegens gebrek aan fondsen kon pas in 1637 worden begonnen met de herinrichting. De verbouwing werd grotendeels bekostigd door de verkoop van graven, die 50 gulden per stuk moesten opbrengen. Blijkbaar waren zij zeer gewild, want in 1638 besluit de stadsraad, ‘dat de Bouwmeesters hondert enckelde blauwe graffsteenen in Holland sullen doen copen om daermee de Westerkercke te vloeren'.
Het ruimtegebrek van de Leeuwarder kerken was met die verbouwing echter nog niet opgelost. Al spoedig erna deed zich de noodzaak tot verdere uitbreiding gevoelen. Het zou evenwel tot 1681 duren, voordat het stadsbestuur toestemming verleende de Westerkerk aan de noordkant met een nieuw schip te vergroten. Ten opzichte van de oude situatie werd de oppervlakte onder de oude en de nieuwe kap toen samen iets meer dan verdubbeld. Het gebouw kreeg daarmee zijn huidige afmetingen. Volgens een gravenlegger was deze ruimte met 361 graven in 1736 al geheel bezet.

Van de meeste grafzerken in de Westerkerk werden in 1795 de wapens en de titulatuur uitgekapt. De naar schatting 200 zerken verdwenen na een grondige verbouwing in 1845 onder een houten vloer, waardoor zij goed geconserveerd bleven en voor verdere afslijting werden behoed. Hierdoor was het mogelijk om een groot deel van de in de patriottentijd vernielde zerkopschriften te reconstrueren. Een totale inventarisatie van de in 1991 aangetroffen grafzerken is helaas (nog) niet mogelijk gebleken. Toch geven de 122 bewaarde zerken of fragmenten daarvan, die in de loop van 1994-'95 een plaats hebben ge-kregen op een kunstmatige grafheuvel in het Leeuwarder bos en al wel zijn beschreven, een aardig beeld van wie er zoal werden begraven en welke plaats zij binnen de Leeuwarder samenleving innamen. Gebleken is dat het vooral leden van de plaatselijke (bestuurlijke) elite waren die in de Westerkerk werden begraven. Hoewel de grafkelders van de stadhouderlijke familie zich in de Jacobijnerkerk bevonden, bezat ‘de vorstin douairière van de prins van Oranje Nassauw', de weduwe van prins Johan Willem Friso, naast de consistorie aan de zuidzijde ook nog een graf. Van een bijzetting hierin is echter niets gebleken.
Enkele niet op de grafheuvel herplaatste zerken kunnen we hier de revue laten passeren, zoals die van de familie van Claes Bockes Balck (1748), de bouwmeester van het stadhuis. Deze zerk is - zoals vele anderen - na 1990 spoorloos verdwenen. Curieus mocht ook de afbeelding van de ‘Waakzaamheid' in het alliantiewapen Langemach-Roeterich (1697) heten. Deze was weergegeven als een ooievaar - althans een langpotige vogel - die op één poot staat. Met de andere poot werd een steen vastgehouden, waarmee tot uitdrukking werd gebracht dat, indien de vogel zijn waakzaamheid zou verliezen, de
steen op zijn andere poot zou vallen. Ook deze zerk is helaas verloren gegaan. Doch de fraaie zerk voor de hofarchitect Anthonius Coulon (1749), die in 1713 het huidige en destijds door hem zelf bewoonde hoofdgebouw van de Fryske Akademy bouwde, heeft - zeer toepasselijk - aldaar in de achtergevel een plaatsje gekregen. De Stichting Mr. Wiardus Willem Bumaleen ontfermde zich over de zerken van mr. Gerlacus Buma (1807) en diens echtgenote Bottje Dorhout (1808), om deze vervolgens naar de familiebegraafplaats in Weidum te laten overbrengen.
De ooit in de Westerkerk opgehangen rouwborden van de families Rhala, Haersma en Lycklama à Nijeholt zijn in 1795 als symbolen van het ancien regime op last van de autoriteiten verwijderd.


Huidige begraafplaatsen

1. De stadhouderlijke grafruimten (in de Grote of Jakobijnerkerk)

Lees hier het artikel van Erwin Boers in de Leeuwarder Courant van 28 maart 2017 over de restauratie van de Stadhouderlijke grafruimte En bekijk hieronder het bijbehorende filmpje van de Leeuwarder Courant op  YouTube of bekijk het in de windows mediaplayer:

‘Hier werd het overschot van 't stoflijk deel bewaart,
Der Vorsten, die hun Goed, nog Bloed, hebben gespaart,'

De geschiedenis van de grafruimten van de Friese stadhouderlijke familie begint in 1588. Op 13 juni van dat jaar overleed prinses Anna, dochter van Willem van Oranje. Ze was in 1587 getrouwd met haar neef, de Friese stadhouder Willem Lodewijk van Nassau. Haar lichaam werd bijgezet in een grafkelder in het koor van de Grote Kerk. Later liet Willem Lodewijk boven de kelder een tombe van zwart marmer plaatsen, waarop in wit albast Anna als bovengrondse dubbelganger kwam te liggen. Stadhouder Willem Lodewijk stierf in 1620. Hij werd naast zijn vrouw in de grafkelder bijgezet. Ter herinnering aan hem werd tegen de noordmuur van het koor een groot monument opgericht. Het werd ontworpen door Pieter Hendricksz. de Keyzer, zoon van de beroemde Hendrick de Keyzer.
Willem Lodewijk werd als stadhouder opgevolgd door zijn broer Ernst Casimir. Hij sneuvelde in 1632 bij het beleg van Roermond waar hij door een kogel in het hoofd werd getroffen. Men vervoerde zijn gebalsemd lichaam naar Leeuwarden, waar bijzetting in de grafkelder plaatsvond. Bij de restauratie van de Grote Kerk in de jaren 1972-1978 werd zijn schedel met een gaatje erin aangetroffen. Op 21 juli 1640 besloot de magistraat van Leeuwarden tot uitbreiding van de grafkelder in westelijke richting. De nieuwe kelder kwam een halve meter hoger te liggen dan de oude. Willem Frederik, stadhouder van 1640 tot 1664, zijn vrouw Albertina Agnes en een dochtertje, Sophia Hedwig werden hierin bijgezet.
Toen stadhouder Hendrik Casimir II op 15 maart 1696 stierf, bleek er opnieuw te weinig ruimte in de grafkelder te zijn. Weduwe Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau gaf toen opdracht deze in westelijke en zuidelijke richting te vergroten. De nieuwe kelder kon echter niet in gebruik genomen worden omdat er voortdurend water in stond. De prinses kreeg daarom toestemming het barenhok van de Grote Kerk, de tegenwoordige consistoriekamer, te verbouwen tot een ‘sepulture'. In deze bovengrondse grafruimte werd op 18 maart 1697 Hendrik Casimir II bijgezet. Zijn lichaam had toen meer dan een jaar bovengronds opgebaard gestaan in het Stadhouderlijk Hof.
Johan Willem Friso, na de dood van Koning-Stadhouder Willem III, prins van Oranje, verdronk op 14 juli 1711 bij de Moerdijk. Pas op 25 februari 1712 volgde bijzetting in de sepulture. Maria Louise van Hessen-Kassel, bijgenaamd Marijke Muoi, was het laatste lid van de Friese stadhouderlijke familie dat in de Grote Kerk werd bijgezet. Zij stierf op 9 april 1765 en op 13 juni vond ‘met grote statie' de bijzetting plaats.
De inrichting van koor en sepulture was zodanig dat er gesproken kon worden van een soort mausoleum. Over de sepulture deelt J. Van den Bosch in zijn beschrijving mee, dat het een met een gewelf gedekt vertrek was: ‘Rondom verciert en behangen, met de Wapenen, Ornament en Gedenktekens, dewelke bij de Plegtige Lijkstatiën zijn gebezigt.'
Van de oorspronkelijke inrichting en opstelling is niets bewaard gebleven. Bij de omwenteling in 1795 door de komst van de Fransen werden in de Grote Kerk grote vernielingen aangericht. Van een ‘fluwelen revolutie' was in Leeuwarden zeker geen sprake. Op 1 augustus 1795 werd begonnen met het leeghalen van het koor. Mogelijk was het de bedoeling alles ordelijk te laten verlopen, maar de zaken liepen uit de hand. Door een woedende menigte werden de graftombes in het koor vernield. In 1837 werd de voormalige sepulture verbouwd tot kerkeraadskamer.

Koning Willem II woonde in 1841 met zijn familie tijdens een bezoek aan Leeuwarden een dienst bij in de Grote Kerk. Hij toonde belangstelling voor de stadhouderlijke grafkelder. De kerkvoogden besloten daarom een onderzoek in te stellen. Bij de opening op 24 september 1842 bleek hij vol water te staan. Nadat het water weggepompt was, vond men o.a. veel ‘verspreide overblijfselen', kisthout en twee doodkisten die nog redelijk intact waren. Volgens een op 28 januari 1845 getekend procesverbaal waren het de kisten van Maria Louise en Hendrik Casimir. De grafkelder werd schoongemaakt en gewit. Vervolgens werden er ‘twee groote vorstelijke doodkisten' getimmerd. In de ene kist werden de overblijfselen van Maria Louise gelegd. De andere kist werd in drie compartimenten verdeeld waarin de beenderen botje bij botje gelegd werden. De dertien gevonden doodshoofden werden in het eerste compartiment gelegd, in de andere twee kwamen de overige beenderen. Eveneens werden in de kelder geplaatst de gevonden ‘defecte helmetten, stokken en steenstukken'.
Het opknappen van de grafkelder vond tegelijkertijd plaats met de restauratie van de Grote Kerk in 1842-1843. Toen werd het koor door een wand met grote ramen van de rest van de kerk gescheiden. In plaats van grafkapel werd het koor een ruimte, die men gebruikte als bergplaats en toegang tot de kerk. Een houten luik dekte de toegang van de grafkelder af.
Pas in 1948 kwam daar verandering in. Ter gelegenheid van het gouden regeringsjubileum van koningin Wilhelmina werden stappen ondernomen om te komen tot een grondige restauratie van het koor. Architect ir. J.J.M. Vegter maakte een plan. Het luik werd vervangen door een houten ‘tombe' waarin de toegang tot de grafkelder werd ondergebracht. Van de tien volwassenen, die in de grafkelder waren bijgezet, werden nieuw gemaakte wapenborden rondom in het koor opgehangen. De tombe werd in 1948 vervaardigd ter vervanging van het vernielde grafmonument van Anna van Oranje. De eikenhouten tombe werd in samenwerking met de fa. R. Romkes gemaakt door de fa. P. Gerbenzon en Zn., beide te Leeuwarden.
Qua vorm herinnert het monument aan de vernielde marmeren tombe van Anna van Oranje. De in 1842 in de kelder gevonden wapenstenen werden erop aangebracht. Aan het hoofdeinde staat het wapen van Willem de Zwijger en achterop, in vertaling: ‘Want het leven is mij Christus en het sterven gewin' - Filip. 1 vs 21.
Op de steen aan het voeteneinde is een ruitvormig alliantie-wapen afgebeeld met daarop heraldisch links het wapen van Willem Lodewijk en rechts het wapen van Anna van Oranje. Het opschrift aan de achterzijde luidt, in vertaling: ‘Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen' - Job 19 vs 26.
Aan weerszijden van de tombe werden de zestien kwartierwapens gesneden, die zich ook op het vroegere exemplaar bevonden.
De schets op de noordmuur van het koor, gemaakt door G. Jansen en zijn zoon, roept de herinnering op aan het kapotgeslagen monument voor Willem Lodewijk. Centraal in de voorstelling bevindt zich een afbeelding van de knielende Willem Lodewijk, met aan weerszijden twee vrouwenfiguren, die twee deugden van de stadhouder personifiëren: de figuur links met kolom of pilaar de Standvastigheid en de figuur rechts met spiegel en slang de Voorzichtigheid. De voorstelling wordt bekroond door het wapen van de stadhouder, gedekt door drie helmen met helmtekens. Op het veld achter de knielende Willem Lodewijk staan de wapens van zijn acht overgrootouders.
Bij de restauratie van de Grote Kerk in de jaren 1972-1978 werd de 19de-eeuwse scheidingswand vervangen door een laag hekwerk, vergelijkbaar met de vroegere ‘barrière'. Hierdoor is de ruimtewerking in de kerk versterkt en komen de glas-in-loodramen veel beter tot hun recht.


2. Algemene Begraafplaats (Spanjaardslaan)

Voorgeschiedenis
De geschiedenis van de huidige plek van de begraafplaats aan de Spanjaardslaan gaat terug tot rond het begin van de jaartelling met het ontstaan van de terp Fiswerd. Deze vormt één geheel met de terpen Bilgaard, Taniaburg en Vierhuis, alle gelegen op een kwelderwal tussen Ee en Middelzee. Rond 1460 wordt Fiswerd voor het eerst genoemd als een hoge en brede terp waarop in die tijd het St. Anna-klooster werd gesticht. In de volksmond stond het klooster gewoon bekend als Fiswerd, een samentrekking van het woord Fransiscus-weerd. De nonnen van het klooster volgden namelijk de derde regel van de orde van de Heilige Fransiscus en het klooster was gelegen op een zogenaamde ‘werd' of ‘weerd'.
De terp Fiswerd was vanuit de stad bereikbaar via een weg die in de richting Jelsum liep. Aan deze weg stond in de 16de eeuw het zogenaamde Lazarushuis waaraan deze weg haar naam dankte, de Leprozenweg. In 1568 kwam er echter een verandering in deze benaming door het langstrekken van Spaanse soldaten, op weg naar wat later bekend zou worden als de slag bij Heiligerlee. Buiten Leeuwar-den, ter hoogte van de Leprozenweg voorzag de stad de soldaten van proviand, tenslotte was dit te verkiezen boven het feit dat anders deze soldaten door de stad zouden trekken. De bevolking keek vanaf de wallen massaal naar het toneel. Sinds die tijd draagt de weg de naam Spanjaardsdijk of Spanjaardslaan.

Aanleg begraafplaats
Als gevolg van een aantal wetten, onder andere ter bevordering van de volkshygiëne, moest Leeuwarden na 1829 omkijken naar een nieuwe begraafplaats buiten de stad. In eerste instantie probeerde de stad nog toestemming te verkrijgen om te mogen blijven begraven op het Oldehoofsterkerkhof omdat hier nog plaats genoeg was. Echter, deze toestemming werd niet verleend en in augustus 1829 moest de stad op zoek naar een geschikte plek buiten de stad. De oude terp Fiswerd werd hier het meest geschikt toe geacht omdat die op korte afstand van de Hoekster- en Vrouwenpoort lag, en bovendien hoog gelegen was. Door ruiling tegen andere stadslanden verwierf de gemeente het terrein, groot vier bunders, 64 roeden en 10 ellen. In 1830 werd een ringgracht gegraven die via een vaart een verbinding kreeg met de stadsgracht. Vanuit de stad kon men via deze Lijkvaart per platbodem de doden naar hun laatste rustplaats varen.
De eer om de aanleg van de begraafplaats te ontwerpen viel toe aan Lucas Pieter Roodbaard die ook al eerder opdrachten van het stadsbestuur had gekregen. Het ontwerp van Roodbaard paste perfect in de funeraire romantiek van die dagen. De romantische, pseudo-natuurlijke aanleg nodigde uit om op de begraafplaats te wandelen wat in die dagen een zeer passende bezigheid was.
In het eerste ontwerp van Roodbaard was, naast een algemene begraafplaats, ook rekening gehouden met een Israëlitische begraafplaats ter grootte van 62,9 are. Beide waren geïntegreerd op het 461 are grote terrein. De algemene begraafplaats werd in het ontwerp van Roodbaard verdeeld in vier ruimten, elk omgeven met een beplanting van bomen en heesters. Binnen de vier ruimten was, verdeeld over vijf afdelingen, ruimte voor 8.838 graven. De graven op de eerste vier afdelingen konden worden uitgegeven in eigendom, dan wel gebruik. De vijfde afdeling was bestemd voor het begraven van onvermogenden ten laste van de stad. Alleen op de eerste en tweede afdelingen waren grafkelders toegestaan. Gezien de loftuitingen uit die tijd is Roodbaard goed geslaagd met zijn ontwerp. In 1831 ontving hij 486 gulden voor zijn werk.
Aan een opmetingstekening uit 1832 is te zien dat het ontwerp van Roodbaard niet geheel volgens het oorspronkelijke ontwerp is uitgevoerd. Duidelijk is dat er met de grafvelden geschoven is en dat het Joodse gedeelte van het noorden naar het westen is verplaatst. Het Joodse grafveld werd door middel van een sloot afgezonderd van het algemene gedeelte en kreeg een eigen ingang. Ondanks de gewijzigde uitvoering draagt de begraafplaats duidelijk de signatuur van Roodbaard. In 1851 overleed Roodbaard op 69-jarige leeftijd. Hij werd begraven op de tweede afdeling van de Stadsbegraafplaats, zijn eigen creatie. Op zijn graf, gelegen op regel 14, graf 43, staat geen monument. Of dat er ooit gestaan heeft, is niet duidelijk.
In 1832 werd een monumentaal ijzeren hek geplaatst op een stenen boogbrug die de toegang vormde tot de begraafplaats, naar ontwerp van Jaane van der Wielen, zoon van de toenmalige stadsarchitect Gerrit van der Wielen. Op het hek is aan weerszijden een ouroboros aangebracht. Verder is onder twee doodskoppen de tekst ‘Memento Mori' aangebracht: gedenk te sterven.
In hetzelfde jaar werden direct achter de ingang twee van zuilenportico's en rieten daken voorziene huisjes gebouwd naar ontwerp van de Amsterdamse architect Israël Warnsinck. Ze zijn witgepleisterd en maken een zeer serene indruk. De huisjes dienden als woonhuis voor de doodgravers en als bergplaats voor lijkwagens en gereedschap. Er werden twee lijkkoetsen vervaardigd, alsmede een schuit voor het vervoer van de doden over de Lijkvaart.
De totale kosten van de aanleg van de begraafplaats beliepen 66.849 gulden met inbegrip van de kosten voor de aangeworven gronden en bestrating.

De begraafplaats in gebruik
Op 3 juli 1833 werd de begraafplaats in gebruik genomen met de begrafenis van de twee maanden oude Sibren F. Sibrandi op de vijfde afdeling. Het ontwerp van Roodbaard kon nu in de groei van bomen en heesters tot vervolmaking komen. Wie in die beginjaren over de begraafplaats liep, had ruim zicht over de perken en grafmonumenten naar achterliggende groepen heesters en bomen. Later zijn aanpas-singen gedaan waardoor menig doorzicht verdwenen is.

Langzaam raakte de begraafplaats vol. De adellijke lieden lieten zich ter aarde bestellen op de eerste afdeling, de rijke burgerij op afdeling twee, de middenstand op afdeling drie en zei die het nog zelf konden betalen op afdeling vier. De vijfde afdeling werd het meest gebruikt.
In 1874 werd de begraafplaats verrijkt met een lijkenhuisje naar ontwerp van de stadsarchitect Thomas Romein. De decoratie beperkt zich tot de voorkant. Het huisje werd gebruikt tot ver in de 20ste eeuw en diende na de sluiting van de begraafplaats als berg- en werkplaats.
Aan het eind van de 19de eeuw werden enkele aanpassingen aan de grafvelden gepleegd omdat er ruimtegebrek optrad. In 1917 was volgens de toen geldende maatstaven de limiet alweer bereikt en het stadsbestuur kwam tot de conclusie dat alleen een nieuwe begraafplaats soelaas zou bieden. Hierop besloot men de Noorderbegraaf-plaats aan te leggen en de inmiddels oude begraafplaats met ingang van 1939 te sluiten. Vanaf 1919 werden er op de Spanjaardslaan derhalve geen nieuwe graven meer uitgegeven.

De indeling van de begraafplaats
Ten behoeve van bezoekers van de Algemene begraafplaat wordt hieronder een overzicht gegeven van de indeling van de begraafplaats, alsmede een overzicht van de genummerde graven per afdeling :

De sluiting
Na verscheidene malen uitstel werd in 1959 besloten de begraafplaats op 31 december 1969 definitief te sluiten. Het aantal begrafenissen was teruggelopen tot minder dan tien per jaar. In de jaren zestig werd een van de mooiste grafmonumenten afgebroken, ondanks protesten van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Het betrof het grote gietijzeren monument op het graf van vrouwe Vegelin van Claerbergen. De discussie rond dit monument leidde er wel toe dat de begraafplaats op 28 februari 1967 officieel op de lijst van beschermde monumenten kwam.
Door de sluiting ging het recht op begraven voor velen verloren. Tot die tijd hadden zo'n 50.000 mensen een laatste rustplaats gevonden op de Spanjaardslaan. Bekijk hier een voorlopige lijst van bekende stadgenoten die hun laatste rustplaats hebben gevonden op de Algemene Begraafplaats aan de Spanjaardslaan.

De joodse begraafplaats
Het joodse gedeelte van de begraafplaats werd niet gesloten. Het kent geen speciale aanleg en vormt sinds 1871 een zelfstandig onderdeel van het gehele complex. De begraafplaats is toegankelijk via een sobere betonnen toegangsbrug die waarschijnlijk dateert uit de jaren twintig van deze eeuw. Op de brug staat een poort met dubbele houten deur. Boven de deur treft u aan het opschrift Job 3-19 en de bijbehorende tekst in Hebreeuwse karakters. Direct achter de ingang staat een gebouw dat dienst doet als lijkenhuisje. Hier is ook enig materieel opgeslagen. Het gave gebouwtje dateert waarschijnlijk uit het eind van de 19de eeuw en is opgetrokken uit baksteen en een met pannen belegd zadeldak met een royale overstek. Op de omgrachte en door bomen omzoomde begraafplaats staat een honderdtal eenvoudige hardstenen graftekens die van groot historisch-genealogisch be-lang zijn. Als herinnering aan de weggevoerde Joden uit Friesland is aan de rechterzijde, voorbij de ingang, een eenvoudig bakstenen monument met natuursteen- en marmerdecoraties geplaatst.
Een deel van de aanwezige grafmonumenten is afkomstig van de vlak na de oorlog geruimde joodse begraafplaatsen aan de Boterhoek en de Groeneweg.

Geschiedenis van een gesloten begraafplaats
Duidelijke plannen voor de begraafplaats na sluiting waren er feitelijk niet. Het plan om de begraafplaats bij het Rengerspark te trekken leek nog het meest origineel. Zover is het echter allemaal niet gekomen.
Ondertussen liep het onderhoud aan de begraafplaats langzaam terug. De grafmonumenten werden vaak als een hinder beschouwd bij het onderhoudswerk en menig voorstel tot ruiming van de stoffelijke resten moest worden afgewezen omdat het graf voor de eeuwigheid was uitgegeven.
In de jaren zeventig is van gemeentewege wel geprobeerd eenvoudige onderhoudsplannen op te stellen en de natuur te laten prevaleren maar van dit alles kwam weinig terecht.
In 1993 ging een stagiair van de Rijksuniversiteit Groningen zich bezighouden met de begraafplaats. Hij leverde in mei 1993 een rapport af waarin alle facetten van de begraafplaats beschreven werden. Hierin waren tevens een aantal aanbevelingen aan de gemeente opgenomen. Een hiervan was de oprichting van een stichting die het grafonderhoud van de begraafplaats op zich zou kunnen nemen. Hoewel de rol van de gemeente Leeuwarden ten opzichte van de begraafplaats niet als erg positief naar voren kwam, werden toch binnen de gemeente stappen ondernomen tot verbetering van de situatie. In 1995 werd op initiatief van wethouder Bilker een tweede stichting in het leven geroepen, waarin een aantal Leeuwarders zitting nam die affiniteit hadden met de begraafplaats. Deze stichting, genaamd Oude Stadsbegraafplaats Leeuwarden, zou zich specifiek gaan toeleggen op de monumenten en de gemeente bleef garant staan voor het groenbeheer. Samen heeft men sindsdien gepoogd de begraafplaats een beter aanzien te geven en de oude waarden te herstellen.
Naar aanleiding van een beheerplan van de gemeente Leeuwarden zijn op de begraafplaats oude doorzichten hersteld, is nieuwe aanplant van bomen verricht en is een oude boomgaard in ere hersteld. Verder heeft de stichting een restauratieplan geïnitieerd dat in 1999 zal worden getoetst op financiële haalbaarheid. Bij dit alles speelt de Rijksdienst voor de Monumentenzorg weer een grote rol.

Het Rengerspark
De Algemene Begraafplaats wordt, samen met het Rengerspark, ook wel eens de groene long van Leeuwarden genoemd. Het Rengerspark werd 75 jaar na de totstandkoming van de begraafplaats aangelegd. In de beschutting van de inmiddels volwassen bomen van de begraafplaats konden in 1904 bij de aanleg van het park dan ook veel uitheemse boom- en heestersoorten worden toegepast. Wie er op let ziet de veelheid aan boomsoorten in het Rengerspark in contrast met het sobere boomassortiment van de begraafplaats.
Het park is vernoemd naar de schenker van de grond waarop later het park verrees: mr. W.J. van Welderen baron Rengers. Rengers was van 1877 tot 1883 burgemeester van Leeuwarden. De Gemeente besloot op 25 oktober 1904 het park aan te leggen volgens het ontwerp van tuinarchitect Copijn. Zijn ontwerp op het onregelmatige terrein voorzag in een formeel gedeelte en een groter gedeelte in een decoratieve variant van de Engelse landschapsstijl. De entree aan de Spanjaardslaan, zo dicht mogelijk bij de stad, is geplaatst op een dam over de vaart die langs de Spanjaardslaan liep. De entree is voorzien van een smeedijzeren hek, bestaand uit penanten en een dubbel draaihek. De penanten aan weerszijden van het hek worden bekroond met de tekst ‘Rengers' en ‘Park'. Direct achter de entree plaatste Copijn een formele, dubbele promenade met een uitgelijnde lindenrij in het middenperk. Aan de noord- en westzijde van de promenade waaieren de paden uit naar het gedeelte in de landschapsstijl waar de wandeling voortgezet kan worden tussen besloten beplantingsgroepen en coulissen van bomen en heesters. Dit beeld wordt afgewisseld door open grastaluds en ligvelden met hier en daar een solitaire boom. Het opmerkelijkste element in het ontwerp is de grote vijver in het noordelijke deel van het park, die een onbetwist blikpunt vormt. De grond die vrijkwam werd gebruikt voor ophoging van het park. Vanaf de brede zuidelijke strook heeft Copijn steeds doorzichten op de vijver gecreëerd. Ook de glooiende overgang van de grasvelden in de spiegelende vijver doet het voorkomen of het park groter is dan het in werkelijkheid is. Een klein bruggetje over een uitloper in de vijver draagt eveneens bij tot deze illusie.
Het park werd opgezet met een rijk assortiment aan houtgewassen. Onder de vijftig soorten bomen vallen enkele bijzondere op: de grootbladige populier, de goudes, de amberboom, bruine beuk, suikeresdoorn en bontbladige esdoorn. Opvallend is ook de toepassing van coniferen. De grote variatie in soort en plaatsing heeft te maken met de decoratieve tijdgeest, als wel met de mogelijkheid tot import van vele exotische soorten groen.
Aan het ontwerp van Copijn is sindsdien niet veel afbreuk gedaan, maar hier en daar zijn wel zichtlijnen weggevallen en de kinderspeelplaats is verdwenen. Het meest opvallend is het in 1993 geplaatste monument voor de gevallenen in Indië. Aan het eind van de promenade is ook een tweede uitgang naar de huidige Rengerslaan gemaakt. In de jaren zeventig is verder tussen Rengerspark en de algemene begraafplaats een dam aangelegd met daarop een lelijk, industrieel hek. Via deze dam is de begraafplaats bereikbaar voor zwaar materieel.

Enkele waardevolle grafmonumenten

Afdeling I:
Een grafmonument over drie graven voor J.B. Weerman (regel 4, graf 26, 27, 28). Weerman werd geboren in 1835 en stierf in 1882. Bij leven was hij predikant bij de Nederlands Hervormde Gemeente te Leeuwarden. Het ongeveer twee en een halve meter hoge monument bestaat uit een hoge sokkel op een iets bredere voet, met rondom tekst, waarop een omfloerste urn ter bekroning. De bovenzijde van de sokkel is versierd met een guirlande met aan de voorzijde een kleine lauwerkrans. Het fries daarboven is afgezet met rozetten. Daarboven volgt een klassieke urn, half verscholen onder een rouwdoek. De voet waarop de urn staat is, voor zover de doek er niet voorhangt, op de hoeken voorzien van fraaie acroteria. Het geheel is omgeven door een eenvoudig smeedijzeren hekwerk.
Een drie graven beslaand marmeren grafmonument voor de Familie Taconis (regel 10, graf 33, 34, 35). Neoclassicistisch grafmonument op brede basis waarop, aan de voorzijde een tweetal boekrollen met daarin de tekst betreffende de overledenen. Beide boekrollen zijn overhangen met een uitbundige guirlande. De bovenzijde van het vrij zware monument is afgerond en steekt iets uit, wellicht ter bescherming van de tekstplaten.
Grafmonument voor Dina Lehman-Menalda (regel 17, graf 23), geboren 1856, gestorven 1898. Haar man was ‘Oberregierungsrat'. Het monument bestaat uit een eenvoudige, afgebroken zuil (symbool voor het afgebroken leven) met een guirlande, waarin verschillende bladen en bloemen verwerkt zijn, op een sokkel. Op de voorzijde staat een tekst in het Duits. Het geheel is geplaatst op een verhoogd plateau dat binnen een hoge rand is belegd met kleine tegeltjes, met op de rand zes fraai gedecoreerde gietijzeren penanten die verbonden zijn met kettingen.

Afdeling II:
Grafmonument over twee graven van M. van Andringa (regel 13, graf 30, 31), 1836 - 1867, officier van gezondheid 2e klasse bij het Oost-Indische leger, en zijn vrouw. Grote, vierkante liggende zerk met in het midden een marmeren naamplaat, omgeven door fraaie symbolen. Centraal boven aan de zerk een gevleugelde zandloper, duidend op het kortstondige leven. Aan de linkerzijde is de zandloper voorzien van een vleermuisvleugel en aan de rechterzijde van een duivenvleugel; het leven vervliegt dag en nacht, bij goed en kwaad. Aan weerszijden van de naamplaat bevinden zich omgekeerde brandende toortsen of fakkels, verwijzend naar (uitgedoofd) leven. Onder de naamplaat is een rijk gedecoreerd reliëf te zien. Alle symbolen op dit graf verwijzen naar de vergankelijkheid van het leven en naar het vroege/voortijdige overlijden van de begravenen.

Afdeling III:
Grafmonument over twee graven voor Lourens F. Zandstra (regel 12, graf 75, 76), 1848 - 1923, socialist. Het grofgehakte, in natuursteen uitgevoerde monument bestaat uit een getrapt basement met opstand en een smaller voorgedeelte dat aan weerszijden geflankeerd wordt door twee zware hoekpalen, uitgevoerd als bloemen. Tussen de randen van dit gedeelte ligt een tekstplaat, uitgevoerd in dezelfde steensoort als het achtergedeelte. Op de tweede tree van het basement bevindt zich nog een tekstplaat. In de opstand is een grote koperen plaat aangebracht met onder andere een portret van de overledene, gemaakt door Tjipke Visser. Onderaan deze plaat een voorstelling van St. Joris en de Draak!
Grafmonument over twee graven voor A. en J. Kroes (regel 22, graf 31, 32), smeden te Leeuwarden. De liggende zerk is gedecoreerd met fraaie florale voorstellingen in encreux-reliëf. Het hek dat dit grafmonument omgeeft, is een fraai staaltje van smeedwerk met Jugendstil motieven, waarvan vooral de zonnebloemen en de takken opvallen. Helaas is de zerk enigszins verzakt en het hek verroest en beschadigd. Een aantal zonnebloemen en takken mist. In de smederij van Kroes zijn onder andere het hek om de Wilhelminaboom op het Raadhuisplein en het hek voor het gebouw van de Onderlinge Brandwaarborgmaatschappij, de Eewal 59, gemaakt.


3. Rooms-katholieke begraafplaats (Harlingerstraatweg)
Vanaf 1882 kunnen de rooms-katholieke burgers van Leeuwarden op een eigen begraafplaats worden bijgezet. Voordien gebeurde dat op de Algemene Begraafplaats in de stad of op het in 1859 aangelegde rooms-katholieke kerkhof te Wytgaard.

Vanaf 1869 nam de behoefte aan een eigen begraafplaats in Leeuwarden toe. Als locatie koos men eerst een perceel aan de Spanjaardslaan tegenover de Algemene Begraafplaats. Vervolgens richtte men zich op een perceel vlak buiten de Vrouwenpoort aan de westzijde van de stad. Ook dit plan sneuvelde. Het oog viel in 1878 even op een perceel aan de Harlingervaart. Uiteindelijk vond het rooms-katholieke kerkbestuur het gewenste terrein aan de Marssumerstraatweg. In 1880 kocht het een stuk weiland ten noorden van de Marssumerstraatweg bij de zathe ‘Veldzigt' voor 4.704 gulden. De be-graafplaats werd in 1882 in gebruik genomen. De eerwaarde zuster Maria van den Berg en de priester G.J. Demes uit Dokkum werden als eersten bijgezet. De dodenakker kende een indeling in afdelingen voor geestelijken, zusters en leken, voor volwassenen en kinderen boven en onder de 7 jaar en voor ongedoopte kinderen.
Voor het begraven golden bij reglement vastgestelde tarieven. Men kon kiezen uit 3 klassen. De graven konden gehuurd en gekocht worden. Er was een vierde klasse voor onvermogenden. Voor de laatsten was het graf gratis. Voor gevangenen en kinderen gold een tarief van de 3de klasse. Niet-katholieken mochten er toen niet worden bijgezet. Om het aanzien van het kerkhof te bewaken werden reglementen opgesteld voor het plaatsen van grafstenen, kruisen, monumenten of andere gedenktekens.
Hoewel er geen tekeningen bewaard zijn gebleven, mogen we aannemen dat de plattegrond en structuur van de begraafplaats niet veel veranderd is in de loop der tijd. Het gehele terrein is omgeven door een gracht en omzoomd door boomsingels die het geheel een landelijk karakter geven. Na het passeren van het toegangshek komt men op een voorplein. Rechts daarvan staan enkele dienstgebouwen. Hierachter is onlangs een nieuwe afdeling aangelegd om in de behoefte voor begravingen in de toekomst te voorzien. Links van het voorplein staat het huis van de doodgraver. In de vleugel daarvan was het lijkenhuis ondergebracht.

Het naar de weg gerichte huis van baksteen heeft een voorgevel met twee ramen. Het dateert uit 1895. De naam van de architect is niet bekend, maar, gezien de contacten van het kerkbestuur met de vanaf 1881 als gemeentearchitect werkzame Johannes E.G. Noordendorp, is het mogelijk dat hij het gebouw ontwierp. Achter het huis werd een gracht gegraven die het voorplein van het eigenlijke begraafgedeelte scheidde. In 1897 werd het oude doodgravershuis aan de weg afgebroken, evenals het lijkenhuis dat vanaf de stichting van de begraafplaats dienst deed. In de jaren '20 werden enkele wijzigingen aan de doodgraverswoning aangebracht. In 1923 werd de top van de voorgevel van een laag portlandcement voorzien. In de naar het oosten gerichte vleugel werd een kapel ondergebracht conform het besluit van het kerkbestuur in 1926. De grote rondboogramen met glas-in-lood in de zuidgevel verwijzen naar deze functie. In 1969 vond er nog een vrij ingrijpende verbouwing plaats. Het pand heeft gelukkig zijn originele functie als dienstwoning tot op heden behouden.
Aan het einde van het middenpad staat een beeldengroep opgesteld. Deze bestaat uit een beeld van Christus aan het kruis in het midden, geflankeerd door Johannes de Doper en de heilige maagd Maria. Een verwijzing naar het offer van Christus die met zijn dood de mensheid verloste van de zonde. In 1969 stelde de commissie van beheer vast dat er niet voldoende ruimte voorhanden was voor nieuwe graven. Een uitbreiding van de begraafplaats zou echter teveel kosten. Daarom overwoog het kerkbestuur de overdracht van het terrein aan de gemeente. Men had het voorbeeld van de overname van het kerkhof te Huizum voor 1 gulden voor ogen. Deze transactie mislukte omdat de gemeente alleen akkoord ging als de begraafplaats gesloten werd. De commissie probeerde de gemeente tevergeefs te overtuigen. Zij bleef een sluiting afwijzen. Er moest naar een nieuwe oplossing worden gezocht. Op 8 april 1980 besloot het kerkbestuur tot de verkoop van de begraafplaats aan de op te richten stichting ‘Rooms Katholieke Begraafplaats'. Op 6 april 1981 gaf bisschop J.B.W.M. Möller hiertoe zijn fiat. Sindsdien is het complex in het beheer van genoemde stichting gebleven.
Langs de graven wandelend valt een aantal bekende namen op. Vele kennen wij als die van kooplieden en middenstanders van vaak Duitse herkomst. Leden van de families Brenninkmeijer, Copini, Drontmann, Rolf, Röben, Schweigmann zijn hier ter aarde besteld. De soms zeer opvallende grafstenen bezitten neogotische of neorenaissance vormen. Niet alleen de namen maar de afmetingen zijn soms ook respectabel. Wellicht het meest indrukwekkende is het grafmonument van de familie Von Weijhrother, dat met spitsbogen versierd is. Franz Joseph Eduard von Weijhrother was chef van een handelshuis en afkomstig uit Rheine in Pruissen. Hij huwde met een Leeuwarder meisje, Hedwiges Helena Joosten. De omvangrijke grafstenen en kruisen staan in schril contrast tot de eenvoud van het witte Griekse marmer, waarvan de grafsteen van wellicht één van de bekendste Leeuwarder schrijvers, Hendrikus van der Kallen, is gehouwen. Meer bekend als Havank heeft hij met zijn detectives de weg naar de boekenkasten van een groot publiek gevonden. Dat men hem in Leeuwarden, na zijn dood in 1964, beslist niet is vergeten, kunnen we zien aan de pas gerestaureerde hagelwitte steen. Het is waarschijnlijk de meest bekende steen van de begraafplaats.


4. Noorderbegraafplaats (Schapendijkje)
‘Een bestendiging (..) van de algemeene begraafplaats door daarnaast een ongeveer even groote aan te leggen komt de minderheid [van de gemeenteraad] voor zulk een grove fout tegen de natuurlijke ontwikkeling der gemeente te zijn, dat naar hare overtuiging het Leeuwarden van over 50 jaren zich zal afvragen wat toch wel de bestuurderen in 1916 tot deze daad kan hebben bewogen'. Hoe krachtig ook verwoord, niettemin vroegen Burgemeester en Wethouders op 25 februari 1916 aan de Raad om voorbij te gaan aan het minderheidsstandpunt en hen te machtigen om voorbereidingen te treffen tot zo'n uitbreiding van het begraafpark aan de Spanjaardslaan. Dit complex uit 1832/'33, aangelegd naar ontwerp van tuinarchitect Lucas Pieters Roodbaard, begon aardig vol te raken, waarover vanaf 1910 in het gemeentebestuur werd gediscussieerd.

Tijdens een gemeenteraadsvergadering op 12 december 1916 lanceerden de leden Koopmans en Fransen een eigen idee: de aanleg van een nieuwe algemene begraafplaats op landerijen aan het in 1901 besintelde Schapendijkje, buiten de bebouwde kom ten noordwesten van de stad, nabij de Stienser Weg of Breede Dijk. Wat was er mooier? De grond behoorde voor het grootste gedeelte tot de gemeentelijke zathe en landen ‘De Magere Weide'! Bovendien stemde de Commissie voor Openbare Werken ermee in én, niet onbelangrijk, de Commissie voor het Uitbreidingsplan. Deze laatste commissie had het eerste uitbreidingsplan voor Leeuwarden op grond van de Woningwet (1901) in voorbereiding. Men had er de Sneker architect G. Stapensea voor aangetrokken en die moest het plan tekenen in samenwerking met de directeur der Gemeentewerken, L.N. Holsboer. Maar nee, het stadsbestuur hield vast aan het eerder genomen besluit; in maart 1917 meende zij ‘het voorstel Koopmans-Fransen ten stelligste (..) te moeten ontraden'. De Raad dacht daar anders over. Op 24 april 1917 werd het besluit van een jaar eerder opgeschort en kreeg de directeur der Gemeentewerken opdracht om een serieus onderzoek in te stellen naar de haalbaarheid van het nieuwe idee.
Een klein jaar later, op 5 februari 1918, werden twee planvarianten in stemming gebracht. Het idee van de raadsleden was het niet helemaal geworden. Holsboer had gemeend dit om diverse redenen terzijde te moeten schuiven en had de begraafplaats verder van de Stienser Weg af geprojecteerd, wél aan het Schapendijkje maar westelijker. ‘Zelfs als de veldwinnende invloed der lijkverbranding buiten rekening gelaten wordt, [is] men voor de volgende 50 tot 70 jaren (..) geholpen'. Op aanraden van de ingeschakelde Schoonheidscom-missie stelden Burgemeester en Wethouders aan de Raad voor om te wachten met de oprichting van een hoofdgebouw met kapel en crematorium, te situeren middenin het terrein, evenals met de aanleg van het gedeelte eromheen.
Het advies van de commissie kwam goed uit, want er was eigenlijk geen geld voor die onderdelen. Hoezeer de financiële rek er bij de gemeente uit was, blijkt wel uit het feit dat ook de bouw van een entreepoort met flankerende dienstgebouwen eerst niet doorging. En dát terwijl al besparingen bereikt konden worden door de begraafplaats uit te voeren als een project ter bestrijding van de werkloosheid, niet vreemd trouwens voor de periode omstreeks de Eerste Wereldoorlog.
Weliswaar zou vooralsnog geen hoofdgebouw neergezet worden, de beoogde bestemming gaf toch aanleiding tot een principiële discussie over lijkverbranding. Daar bestond in 1918 nog geen wettelijke basis voor (die kwam er pas in 1955!). Wel was een proefproces uitgelokt door de lijkverbrandingen in het eerste crematorium van Nederland, in Velsen (Driehuis-Westerveld) vanaf 1914, waardoor de lijkverbranding gesanctioneerd werd. Maar verscheidene Leeuwarder raadsleden gaven blijk van grote afkeer. ‘Als de Voorzitter vooropstelt dat het beginsel van het crematorium een integreerend deel uitmaakt van het voorstel, zal spreker [De Haan] tegen stemmen. Lijkverbranding is, meent spreker, in strijd met de wet. Als er echter eene Regeering zou komen, die de lijkverbranding voorschrijft en het begraven verbiedt (..) dan zou dat voor spreker aanleiding zijn zich in het buitenland te laten begraven. Daar zal dan nog wel een plekje zijn, waar sprekers graf kan staan'. En Fransen, één van de raadsleden die het idee voor een begraafplaats aan het Schapendijkje had geopperd: ‘die zich willen laten verbranden kunnen zelf uit liefhebberij wel een verbrandingsoven oprichten'. Een crematorium is er in het geheel niet gekomen op de begraafplaats en de opengehouden plek voor het hoofdgebouw is later benut voor de Erehof.
In 1919 kon de verkoop van graven aan het Schapendijkje beginnen en op 4 augustus van dat jaar had er de eerste teraardebestelling plaats, van een kind. Met een gerust hart kon architect Stapensea in zijn toelichting op het Uitbreidingsplan Leeuwarden uit juni 1918 schrijven: ‘Een goede gelegenheid voor een flink park biedt de vergrooting van het Rengerspark, waarbij in de toekomst de algemeene begraafplaats kan worden getrokken, te samen een oppervlakte van ongeveer 13 H.A.'

Wie de Noorderbegraafplaats ontworpen heeft, is moeilijk vast te stellen. Mogelijk is het de eerdergenoemde Holsboer geweest, die tot april 1919 de scepter over de Dienst Gemeentewerken heeft gezwaaid. Holsboers opvolger, de eigenzinnige en met meer ontwerptalent begiftigde L.H.E. van Hijlckama Vlieg, tekende in elk geval de ingangspartij van twee entreegebouwen en flankerende muren met poorten, die in 1923/'24 alsnog verrees.
Aan het Schapendijkje heerste niet langer de romantiek van de Engelse landschapsstijl, zoals Roodbaard die in 1832/'33 toepaste aan de Spanjaardslaan of H. Copijn van Groenekan zelfs nog in 1905/'06 bij het aangrenzende Rengerspark. Hier ging de strakke en heldere aanpak van rechte paden en rechthoekige velden heersen, die eerder bij het zakelijke Nieuwe Bouwen past. Ofschoon in de loop der jaren aanpassingen in het originele grondplan aangebracht zijn, is de essentie van het ontwerp overeind gebleven: een vierkant complex, in ongeveer gelijke kwadraten verdeeld door een brede, noord-zuid georiënteerde hoofdas, een oprijlaan die haaks op het Schapendijkje staat, en een smallere dwarsas. In het ontwerp waren op een aantal logische plekken vierkante ‘brandpunten' gedacht, maar die zijn er nooit gekomen of nadien veranderd.
Ook de entreepartij is symmetrisch van opzet: in het midden een openslaand hek tussen muren met penanten en daarnaast twee identieke gebouwen, links een kantoor met een bovenwoning en rechts de oorspronkelijke aula met eveneens een bovenwoning. Behalve enig decoratief metselwerk ontvingen de van roodbruin gemêleerde baksteen opgetrokken muren tien tableau's in roodbakkende terracotta. Deze waren besteld bij W.C. Brouwer te Leiderdorp, die bouwaardewerk door heel Nederland leverde. Ze dragen in Art Déco-trant gestileerde voorstellingen van een vrouwenhoofd met zichtbaar gelaat en een oudemannenhoofd met voor de ogen geslagen handen en van een brandende respectievelijk een gedoofde kaars in een schaal.
De gebouwen waren aanvankelijk ook in schoon metselwerk uitgevoerd, maar ze zijn later van een pleistering voorzien. Zeer opvallend zijn de samengestelde, met rode Hollandse golfpannen gedekte schildkappen die een overstek van liefst een halve meter hebben, een karakteristiek die mogelijke invloed van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright verraadt. Binnen in de panden zijn nog originele betimmeringen, kastenwanden en dergelijke aan te treffen. De woningen waren bestemd voor doodgravers.

Gedurende de laatste halve eeuw vonden enkele grote veranderingen plaats. In 1952 is de begraafplaats fors uitgebreid. In 1985 is de islamitische begraafplaats totstandgekomen. Het belangrijkste verschil met de rest van de begraafplaats is de ligging van de graven in de richting van Mekka en de overkapte opbaartafel. Ook is het gebruikelijk dat islamieten zonder kist worden begraven. Enkele jaren geleden is een speciale kinderafdeling aangelegd.
Het is in dit kader ondoenlijk om op individuele graven in te gaan. Duidelijk mag zijn dat vele duizenden, bekende en minder bekende, Leeuwarders een laatste rustplaats hebben gevonden op de Noorderbegraafplaats. Een aparte vermelding verdienen in ieder geval de tijdens '40-'45 gesneuvelde militairen en andere oorlogsslachtoffers. De Erehof voor gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog is onlangs gerestaureerd. Ook een van de meest bijzondere grafmonumenten herinnert aan een oorlogsdrama. Het beeld van een treurende vrouw is geplaatst op het graf van Johanna Wilhelmina te Winkel en haar zoontje Hans, beiden slachtoffer van afgedwaalde bommen op de Julianastraat in 1942.

5. Dorhout-begraafplaats (bij het Schapendijkje)
Ten westen van het huidige Westeinde en de Noorderbegraafplaats, vlakbij de vliegbasis aan het eind van het Schapendijkje, ligt één van de twee particuliere begraafplaatsen die de gemeente Leeuwarden rijk is: de met bomen begroeide grafkelder van de familie Dorhout, aangelegd in 1827. Ten behoeve van de realisatie van de rondwegplannen en het ‘Plan Westeinde' (jaren '70) kocht de gemeente het grootste gedeelte van het terrein op. Men had daarbij de overweging om, in het kader van een gemeentelijk groenplan, van de begraafplaats een cultuur-historisch monument te maken. Toen een groot gedeelte van die plannen evenwel niet werd gerealiseerd, raakte ook laatstgenoemd idee in het vergeetboek. Toch zijn er nu weer plannen voor herstel van de begraafplaats in de maak.

In 1825 werd een wet aangenomen die het mogelijk maakte overledenen op particuliere grond te begraven. Ter plekke van het Westeinde en verder ten noorden van Leeuwarden bezat de familie Dorhout toentertijd landerijen. Op het erf van de voormalige boerderij ‘Het Bosch', er stonden drie bomen rondom, werd een begraafplaats aangelegd. De bewoners, die de boerderij en het land hadden gepacht, werden verplicht een kamer als rouwkamer in stand te houden. Door de Duitse bezetter werd deze boerderij aan het begin van de Tweede Wereldoorlog afgebroken ten behoeve van een gewenst schootsveld. De begraafplaats kwam daardoor nog geïsoleerder te liggen. Bij menige teraardebestelling heeft de tocht door het weiland dan ook tot precaire situaties geleid. Het toegangspad loopt nu via het erf en het land van de boerderij van de familie Tamminga.
De oorspronkelijke grafkelder was tweemaal zo groot als de huidige. Door oorlogsgeweld werd de eerste totaal vernield. Over de precieze gebeurtenissen bestaat onduidelijkheid, maar het lijkt waarschijnlijk dat een Engelse bom -bedoeld voor het Duitse militaire vliegveld- de verwoesting heeft veroorzaakt. Vlak na de oorlog is de grafkelder herbouwd en zijn de resterende stoffelijke resten in een verzamelkist ondergebracht. Vrijwel alle originele naamplaten op de voormalige kisten zijn bewaard gebleven en nog in het bezit van de familie. De begraafplaats is nog steeds in gebruik. In totaal zijn hier, voor zover bekend, tussen 1850 en 1990 22 personen begraven.

De familie Dorhout was in de 18de eeuw een rijk koopmansgeslacht met veel grondbezit. Met name in de eerste helft van de 19de eeuw bekleedden leden van de familie posten in het provincie- en gemeentebestuur en bij de rechterlijke macht. Een van de meest bekende telgen uit dit geslacht -en bijgezet in de grafkelder- was mr. Bernardus Dorhout (1797-1871), ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, advocaat en bestuurder.
Van een ander lid van de familie, de in de Westerkerk begraven Bernardus Dorhout (1703-1789) lakenkoper, burgemeester en vroedsman van Leeuwarden, is de grafzerk bewaard gebleven en herplaatst op de kunstmatige grafheuvel in het Leeuwarder bos.
In het landschap ten noorden van het Westeinde verschijnt de Dorhout-begraafplaats als een kleine, bolle heuvel, die nagenoeg aan het zicht wordt onttrokken door een hoog opgaande krans van groen, vooral eikenbomen. De ongeveer ovaalvormige heuvel wordt omringd door water en is aan de oostzijde toegankelijk via een gemetselde dam met ingezwenkte zijden van roodbruine baksteen. Op de dam staat een eenvoudige smeedijzeren hamei, de enige decoratieve toevoegingen zijn de grote voluutvormen aan de zware penanten. De enige (hardstenen) zerk op de heuvel ligt pontificaal naar de entree toegekeerd, niet op de top maar op de flank.


6. Kerk, kerkhof en gemeentelijke begraafplaats Huizum-Dorp
Gedurende de laatste decennia heeft Huizum het karakter van dorp verloren. De oude dorpskerk is de meest tastbare herinnering aan de tijd dat Huizum nog niet tot stadsgebied behoorde. Het interieur is een van de fraaiste van Friesland. De preekstoel is uniek en dateert nog uit de tijd van voor de Hervorming. De oorsprong van de kerk ligt in de twaalfde eeuw. De toren is gebouwd in de dertiende eeuw. Sinds 1998 luiden de klokken niet meer, omdat het houtwerk in de toren ernstig is aangevreten door de bonte knaagkever.
Bij de restauratie van de kerk in 1960/1961 zijn bij het verwijderen van de houten vloer diverse grafzerken te voorschijn gekomen. De Voorlopige Monumentenlijst van 1930 vermeldt, dat er onder de kerkvloer vier grafkelders zijn, waaronder één van de Cammingha's, die is afgedekt met een zerk. In de kerk liggen meer zerken, die door de vele voeten die er over heen zijn gegaan, afgesleten zijn. De meeste zijn immers al meer dan 400 jaar oud, bijvoorbeeld de kinderzerkjes van Ritzke van Galama (overleden 8 juni 1594) en van Sirp van Dyxtra (overleden 11 juni 1598). Ook ligt hier een zerk, die ontworpen is voor Dowe Powels, pastoor van Huizum (overleden 17 juni 1574), maar eind 17de eeuw is hergebruikt ten behoeve van David Elaerts, "mondcock" van Albertina Agnes, Prinses van Oranje.
Vroeger hing er in de kerk nog een groot rouwbord, met de wapens van onder andere Burmania, Martena, Abbema, Oenema en Herweij. Op het bord bevond zich tevens de Latijnse tekst met de volgende strekking: Naakt ben ik in de wereld gekomen, naakt zal ik weer heengaan, waarom zwoeg ik tevergeefs, de grafkuil voor mij geopend ziende?

Al meer dan 300 jaar is er rond de kerk begraven. Al in 1667 wordt in oude archivalia geschreven over ‘het coopen van een graf op de Huijsumer Kerckhoof door Jacob Sijmonsplaets tot Teerns'. Op het kerkhof liggen nog enkele bijzondere grafmonumenten. De meesten zijn van rond 1800. Schuin tegenover de toren in zuidelijke richting
liggen twee grote zerken van Battaerd, gepensioneerd majoor en ridder van de Nederlandse Leeuw, en zijn echtgenote, Baronesse van Asbeck.

In de zuidelijke muur van de kerk is een gedenksteen voor Eelkje Poppes, overleden in 1828, gemetseld. Tegen de noordmuur een steen van Fonger de Haan, lid van Provinciale Staten en verzamelaar-historicus. De vleugelnoot die bij de entree van de begraafplaats staat, is met zijn weelderig lover en langwerpige vruchten eveneens het bekijken waard.
De kosten voor de grootschalige uitbreiding van de begraafplaats in 1923 bedroegen rond de 23.000 gulden. Het college van Burgemees-ter en Wethouders van Leeuwarderadeel heeft hiervoor een subsidie gegeven van 1.000 gulden onder de voorwaarde dat de toegangsweg tot de begraafplaats werd verbeterd. Hiervoor moest de Oude Potmar-ge worden omgeleid en aan het eind worden gedempt, waardoor de brug kon vervallen. In 1934 en 1947 is de begraafplaats nog verder uitgebreid.
Bij de uitbreiding van 1923 is duidelijk rekening gehouden met het verschil in klassen. De 1e afdeling was voor de beter gesitueerden. Dit kwam niet alleen tot uiting in de ligging, ieder graf is via een pad bereikbaar, maar ook in de keuze van de steen. Zelfs aan het luiden van de klok kon men horen op welke afdeling er werd begraven. De graven op de 2e, 3e en 4e afdeling liggen direct tegen elkaar aan, zonder tussenpad. Grafbezoek of het delven van de graven zorgt hier nog steeds voor problemen. Immers, om een graf te bereiken moet er over andere graven gelopen worden. Het ene graf heeft alleen een staande steen en het andere graf een liggende zerk, wat de bereikbaarheid nog moeilijker maakt. Per afdeling was er een enorm prijsverschil voor de uitgifte van het graf (50 tot 130 gulden), het delven van het graf (6 tot 10 gulden) en voor het luiden van de klok (5 tot 10 gulden).

De aula bij de ingang van de begraafplaats dateert uit 1934. Het gebouwtje, op een rechthoekige plattegrond en onder een tentdak met een forse overstek, is eenvoudig maar wel karakteristiek. De buitenmuur is opgetrokken uit een roodbruine baksteen. De binnenmuur is tot de borstwering opgetrokken uit gele bakstenen en daarboven bepleisterd. De bakstenen zijn zowel aan de binnen-als aan de buitenzijde in verdiepte lintvoeg en volle stootvoeg gemetseld. De glas-in-loodramen in de aula zijn in één keer gevat onder een zandsteen- latei. De twee dubbele, rondgesloten deuren geven mogelijkheid om de aula zowel bij de ingang als de uitgang zonder gedrang te verlaten. Met de opkomst van de uitvaartcentra in de gemeente Leeuwar-den heeft de aula zijn functie verloren. Eind 1960 werd de aula door de doodgraver als opslag gebruikt. De laatste jaren is het interieur opgeknapt. De aula wordt nu gebruikt als condoleanceruimte en om bij begrafenisplechtigheden de rouwstoet te formeren.

Het oorspronkelijke kerkhof, direct rond de kerk, werd in 1969 vol verklaard. De begraafplaats buiten het hof werd toen in eigendom overgedragen aan de gemeente Leeuwarden. Op een aantal grafstenen staat ‘In onderhoud bij de kerkvoogdij alhier' of ‘dit graf mag nimmer meer geopend worden'. De kerkvoogdij heeft het onderhoud van deze graven op zich genomen. Bij de overdracht van de begraafplaats aan de gemeente Leeuwarden bleek al snel dat er sprake was van veel achterstallig onderhoud. Pas de laatste jaren is deze achterstand enigszins weggewerkt.
Op dit moment is de begraafplaats vol. Een uitbreiding zal er niet meer komen, maar recentelijk worden door de grote vraag weer sporadisch graven (voor bepaalde tijd) uitgegeven.

Bijzondere grafteksten komt men niet of nauwelijks tegen op de Huizumer begraafplaats. Opmerkelijk is dat een aantal stenen als plaats van overlijden niet ‘Huizum' of ‘Leeuwarden' vermeldt, maar ‘de Schrans'. Twee grafstenen vallen zowel door hun uiterlijke eenvoud als door hun tekst op. Op de ene staat te lezen: ‘Vaders graf' en op de andere ‘Hier rust ons meisje'. Een vroege Friestalige tekst treffen we aan op de grafsteen van de in 1937 overleden ‘volksdichter' Marten Hepkes Bakker. Op zijn zerk staat het volgende vers:

‘Wy scille as blommen forwylje,
wy stouwe de blombedden nei,
fordwine foar allemans eagen,
op 't tsjerkhof der wirde wy wei'.

De tekst op het graf van zuivelconsulent J. Mesdag is eveneens vermeldenswaardig: ‘Ter herinnering aan de man, die bijna 40 jaar met uitmuntende bekwaamheid en nimmer falende toewijding gewerkt heeft ten bate van de zuivelbewerking en veeteelt, is deze steen hier neergelegd door velen die daar getuige van mochten zijn'. Weinig mensen zullen zo hun getuigschrift in het graf gebeiteld zien. Ook uit de vormgeving van en de tekst op de steen van de vroeger vermaarde bioloog Jacob Botke, overleden in 1939, spreekt waardering.
Zonder militaire eer, maar onder grote belangstelling is op 20 december 1943 een zestal geallieerde militairen begraven. Zij kwamen op 16 december 1943 om toen hun bommenwerper boven het Wirdumer Nieuwland werd neergehaald. Zij worden nog jaarlijks herdacht tijdens de stille tocht langs de graven op 4 mei. Tijdens deze herdenking wordt er ook stil gestaan bij de graven van de bij Wons gesneuvelde Gerrit van der Veen en de verzetsstrijders Albert Faber, Sijbrandus van Dam en Leendert Sinnema. De graven van de laatsten zijn voorzien van een gedenkzuil naar het bekroonde ontwerp van Marius Duintjer.
Opmerkelijk is het ‘vroege' urnengraf van Heinrich Gustaf Wilhelm uit 1944. In 1944 was het wettelijk nog niet toegestaan om te cremeren. De goed verzorgde graven van de jongens Anne Buwalda (afd. 3A-09-14) en Jan Romkema (afd. 3A-07-19) herinneren aan een dramatisch ongeluk met een handgranaat op 17 april 1945.


7. Kerk en kerkhof Hempens
Het huidige kerkje van Hempens oogt vrij modern en weinig imposant. Toch ligt de oorsprong wel degelijk in de twaalfde eeuw, gezien de ouderdom van de nog bestaande fundering van kloostermoppen. In de kerk bevindt zich nog een vijftal zerken. In het gangpad liggen enkele, eenvoudig gebeeldhouwde, hardstenen grafzerken uit de 17de eeuw.
Het meest uitvoerig voorzien van een opschrift is het graf van Gerhardus Alberti, voormalig predikant te Hempens, gestorven aan de pest in 1656. Het Latijnse gedeelte van zijn grafschrift luidt vrij vertaald: ‘Aan de opperste Heer het grootste heil en ter eeuwige herinnering aan Gerhardus Alberti van Leeuwarden, die hier gedurende 29 jaar onafgebroken het Evangelie van Christus heeft gepredikt. Op 8 juli 1656, op de leeftijd van 54 jaar aan de pest bezweken. Dat zijn ziel blijft voortleven in de hemel en zijn roem op de aarde. Zijn lichaam rust in de aarde. De gemeente die haar herder betreurt, de weduwe die echtgenoot en de kinderen, die hun vader betreuren hebben dit monument gesticht.'

Op het kerkhof werd al vanaf in ieder geval het eind van de 17de eeuw begraven. Omstreeks 1740 was er een tachtigtal graven. Het kerkhof werd omstreeks 1905 vergroot in zuidelijke richting. Daardoor werd elke grafregel met zeven graven uitgebreid. De aanleg werd uitgevoerd door H.A. Visser, die er overigens als eerste kwam te liggen. In 1962 telde het kerkhof 402 graven, verdeeld in 22 regels. Er bevonden zich toen ongeveer 240 grafstenen. Sommige oudere stenen waren liggende. Er bestonden 2 grafkelders. Bij de bouw van een baarhuisje in 1872, aanvankelijk een houten hok op de noordoostelijke zijde, wordt melding gemaakt van een benekouw, een verzamelplaats van schedels en beenderen. In de vorige eeuw waren de begravenen, behalve uit Hempens en Teerns, vooral afkomstig van de buurtschappen Schilkampen en Oude Miede. Daarnaast werden er eveneens regelmatig Huizumers, Goutumers en zelfs in Leeuwarden (meestal aan het Zuidvliet) woonachtigen begraven. Ook voor sommige inwoners van Suwâld, Wergea en Tytsjerk was het kerkhof van Hempens de dichtstbijzijnde begraafplaats. Bij begrafenissen op ‘het eiland Hempens' werd vaak noodgedwongen gebruikt gemaakt van vervoer per praam door de Hempenser vaart.

Op de oudste (meest 19de eeuwse) stenen op het kerkhof staat de treurboom in drie modellen; vaak is ook een slang met vlinder te vinden. De grafstenen dragen meestal één naam, soms twee voor echtelieden. Een steen vermeldt vijf mannennamen . Het betreft vijf broers uit hetzelfde gezin, overleden rond 1900: ‘dierbare geliefden o gij allen, vastgeklonken aan ons ziel, wat een droefheid in dit leven, dat gij allen ons ontviel.'
Het ter nagedachtenis aan Gaische Drijver in 1892 geplaatste grafteken is heel bijzonder. Het is een van de weinige grafmonumenten van hout die bewaard zijn gebleven. Ook het dichtwerk in de tekst is om bij stil te staan. Gaische was een dochter van Abe Drijver, eigenaar van scheepswerf ‘De Nijverheid' op Schilkampen en overleed op 18-jarige leeftijd aan een blindedarmontsteking of door het eten van giftige bessen. De lange levensduur van het bordje is te verklaren doordat het vroeger geregeld in de hellingschuur werd opgeknapt.

8. Kerk en kerkhof Goutum
Op de terp van Goutum moet al voor de 10de eeuw een houten kerkje hebben gestaan, gewijd aan de heilige Agnes. Omstreeks het jaar 1000 zal dat vervangen zijn door een Romaanse tufstenen kerk. Nadien is de kerk in Gotische stijl met rode en gele baksteen herbouwd en vergroot. In de noordmuur zijn nog restanten van de eerdere tufstenen kerk bewaard gebleven, wat blijkt uit afwisselende lagen staande en liggende tufstenen blokken, waarin kleine rondboogvensters zijn uitgespaard. Het grootste deel van het gebouw is 15de-eeuws te noemen.
Het kerkgebouw meet 33 bij 8 meter, de toren is 33 meter hoog. In de toren hangen twee klokken; een uit 1511 en de ander uit 1891. De toonhoogte van de twee klokken (een grote en een kleine) is eveneens verschillend. Rondom kerk en toren ligt de ovaalvormige begraafplaats, volledig omgeven door een gietijzeren hek en lindebomen. Het goed onderhouden kerkhof wordt beheerst door grafstenen uit de 20ste eeuw, hoewel -minder opvallend- er nog een aantal uit de 19de eeuw wordt aangetroffen.

Tot 1827 werd er ook in de kerk van Goutum begraven. Voor zover er nog grafstenen binnen het kerkgebouw liggen, worden die door een houten vloer aan het oog onttrokken. De aanwezige grafkelder heeft zijn oorspronkelijke functie verloren en biedt nu huisvesting aan een kolonie vleermuizen. In 1909 is er een grote opruimingsactie geweest waarbij naast de graven onder de vloer van de kerktoren, de vergane kisten met stoffelijke resten zijn verwijderd. De op de kisten aangebrachte loden plaatjes met opschriften zijn echter bewaard gebleven en die hangen nu aan de muur van de consistoriekamer.
Er hangen nog twee gedenkborden in de kerk. Aan de noordmuur is een groot rouwbord bevestigd, oorspronkelijk afkomstig uit de kerk van Wirdum. Toen Ruurd Carel van Cammingha in 1770 op Wiardastate kwam wonen, heeft hij dit bord met zestien kwartieren in de Goutumer kerk laten ophangen. Het later aangebrachte opschrift luidt: ‘D. Hoogwelgeboren Heer Jr. Ruurd Carel Baron van Cammingha, Oud Overste Luitenant int Regiment Orange Friesland Infa= ten dienste deeze Staat etc. etc. op 25 juni 1793 overleden, 72 jaar en 10 maanden oud'.
Aan de zuidmuur hangt een bord uit 1858 ter nagedachtenis aan het toenmalige college van kerkvoogden, met het Cammingha-wapen. Twee rouwborden uit de kerk van Goutum bevinden zich in het depot van het Fries Museum. De mogelijkheid bestaat om deze weer in de kerk van Goutum te plaatsen. Voor dit plan bleek in een eerder stadium geen meerderheid in het kerkbestuur te bestaan.
Na het overlijden van zijn eerste vrouw, huwde de eerder genoemde R.C. van Cammingha met A.C.L. Lemper, weduwe Cramer. Na de dood van Cammingha in 1793 huwde zij met Jonker Otto Friedrich Wilhelm von Glockmann. Het verhaal gaat dat zijn gedragingen bij leven van dien aard waren, dat hij bij zijn overlijden in 1816 niet in de kerk mocht worden begraven.


9. Kerk en kerkhof Swichum

Het kerkhof
Het godshuis heeft tot 1920 op de flinke dorpsterp gestaan. Die is daarna grotendeels afgegraven, waardoor alleen de kerk met kerkhof nog op niveau liggen. Het kerkhof heeft waarschijnlijk toen de keermuur ter bescherming van de terprest gekregen en aan de zuid- en oostzijde bovendien een gietijzeren hek dat bij de restauratie is vernieuwd. Overigens was het kerkhof al in 1882 omringd door een muur. Het kerkhof had ook al veel eerder een fraaie omzoming van leilinden gekregen. In 1857 worden ze vermeld in de kerkrekening. De huidige bomen die aan de onderzijde bovendien een heg hebben gevormd, zijn waarschijnlijk jonger. In de kerk en op het kerkhof hebben de Swichumers eeuwenlang hun doden ten grave gedragen. De oudste graven zijn in de kerk te vinden, maar nadat het begraven in de kerk verboden was, kon het alleen nog op het hof. Bij de restauratie is de oudste zerk, van de in 1764 overleden meester gortmaker Andrys Sybes uit Grou, van het hof juist naar de ruimte binnen in de toren verhuisd. Het bijzondere aan deze steen is de duidelijke, wat naïeve afbeelding van de gortmolen van Andrys, een tredmolen met een paard.

De kerk
Er is altijd al beweerd dat het aan Sint Nicolaas toegewijde laatro-maanse kerkje van Swichum uit de eerste helft van de 13de eeuw dateert. Tijdens de in september 1997 voltooide restauratie heeft onderzoek dat bevestigd. Een in opdracht van de Rijksdienst voor de monumentenzorg uitgevoerd dendrochronologisch onderzoek leverde op dat delen van de westelijke kapspanten exact van 1234 zijn, totnogtoe het oudste kaphout dat in Noord-Nederland is aangetroffen. De Nicolaaskerk hoort tot de oudste groep kerken in Friesland die in baksteen is gebouwd. De techniek van het bakken van steen werd in onze kuststreken omstreeks 1200 ingevoerd; daarvoor werden kerken van tufsteen opgetrokken.
Het oostelijk gedeelte van de kap dateert van 1489; het westelijk gedeelte grotendeels van 1461. Door de datering van de kap is de vernieuwing van de kerk in de 15de eeuw bevestigd. De kerk is toen verhoogd en de kap grotendeels vernieuwd. De kleine Romaanse vensters, waar hier en daar nog sporen zichtbaar van zijn, zijn vervangen door grote spitsboogvensters. Het muurwerk moest bovendien verstevigd worden door steunberen. Intussen was er ook het een en ander gebeurd en in later eeuwen is het gebouw evenmin met rust gelaten.

Het muurwerk is een historisch tapijt met sporen van veel veranderingen en reparaties. Vooral met de vensters is door de eeuwen heen gerommeld. Er zijn in dit muurtapijt fascinerende details te ontdekken.

Het onregelmatige muurwerk vertoont de voor de vroegste geschiedenis van de baksteenproductie kenmerkende menging van gele en rode moppen en de kleuren die daartussenin zitten, zoals appelbloesem. Op dat levendige muurwerk hebben zich in de loop der eeuwen korstmossen gehecht. Daar is bij de restauratie behoedzaam mee omgesprongen. Meestal maken dergelijke groeisels bij restauraties geen enkele kans, maar in Swichum zijn ze als natuurlijke verrijkingen gerespecteerd en vormen ze nog steeds een respectabel kleed van een natuurlijk patina.

In de 13de eeuw hebben de ambachtslieden het muurwerk bekroond met een fraai rondboogfries; bij het koor is het fries kepervormig. Aan de zuidzijde zijn enkele consoles geestig bewerkt met onder meer primitieve kopjes en met ballen. Even daaronder zit zomaar een gele steen in het muurwerk met een reliëf van een schaal met druiventrossen. Tijdens de restauratie werd ook oud nieuws ontdekt: in de noordelijke koorgevel zat een piscina, een nis met een gootje dat ertoe diende om het water, gebruikt bij de eredienst voor het afspoelen van de handen van de priester, weg te laten lopen naar de gewijde grond van het kerkhof. Vlak daarbij bleek aan de buitenkant achter een te verwijderen steunbeer een compleet Romaans venster te zitten. Die steunbeer moest er verdwijnen, omdat hij niet meer steunde, maar ging trekken. Het werd aanleiding voor een grapje: op het stompje dat overbleef is een dekplaat geplaatst met het opschrift ‘Hier stond een beer, hij is niet meer. 1997'. De voorkerk leverde ook een ontdekking op: een primitief dichtgezet poortje dat aan de buitenkant ook zichtbaar was. Het is aan de binnenzijde weer in het zicht gebracht zonder er ook maar iets aan toe te voegen: een rafelige poort, ruïneus en romantisch.
Onlangs is in het zuidelijk koorvenster een glas-in-lood aangebracht. Het zijn grotendeels blanke glaasjes en het jaar van restauratie, 1997, is te lezen. Maar er zitten vier gebrandschilderde glaasjes ter grootte van ansichtkaarten in met afbeeldingen van een kleurige papegaai, een tulp en een narcis. Het vierde glaasje geeft enige informatie. Het vermeldt: ‘Jr. Van Aytta 1626'. Kwetsbaar gebrandschilderd glas uit de 17de eeuw is uiterst zeldzaam. Deze glaasjes zijn afkomstig uit de boedel van een aannemer wiens voorgeslacht, zo wordt gezegd, bij de sloop van Ayttastate betrokken was. De Ottema-Kingma Stichting heeft ze voor Swichum verworven. De afbeeldingen doen onmiddellijk denken aan de schilderijtjes en tekeningen van Margareta de Heer, wier vader en broer glasschilders waren. Vermoedelijk zijn de opmerkelijke kunstwerkjes het werk van broer Gerrit de Heer.

De Aytta's
De geschiedenis van de Swichumer kerk is sterk verbonden met die van twee adellijke geslachten: de Wiarda's van Goutum en vooral de Aytta's van Barrahuis en Swichum. Verschillende leden van dit geslacht zijn in de kerk begraven; een Dr. Hector van Aytta onder een deksteen van de bekende kunstenaar Dirck Lieuwes. Bij de restauratie zijn twee grafkelders ontdekt; een kleine winkelhaakvormige in wat nu de voorkerk is en een grote met een tunnelgewelf onder de westzijde van de kerk. In de laatste ligt een flinke stapel botten en schedels, een zeer tastbaar ‘memento mori' van vermoedelijk de familie Aytta. Op de plaats waar sinds 1847 een kop-hals-romp boerderij staat was Ayttastate gelegen. Die Aytta's hebben eeuwenlang het gebeuren in dorp en omgeving bepaald.
De beroemdste van hen: Wigle (die zich in het Latijn Viglius liet noemen), een van de meest vooraanstaande juristen van Europa in de zestiende eeuw, is niet uit Swichum afkomstig, maar uit het nabijgelegen Barrahuis. Hij kon gaan studeren op kosten van zijn oom Bucho, de pastoor van Swichum. Dat is de reden dat de spreekwoordelijk zuinige Wigle tegen het einde van zijn leven in 1572 te Swichum een gasthuis liet bouwen. In 1920 is het toen zeer bouwvallige gasthuis gesloopt. Een drietal gevelstenen kwam in het Fries Museum terecht. Bij de restauratie zijn ze in een muurtje ten zuidwesten van de kerk herplaatst, waardoor de kenmerkende korenschoof weer in drievoud bij de entree van Swichum is te zien. Wigle ligt niet in zijn Swichum begraven. Zijn graf ligt op een ereplaats in een van de zijkapellen van de Sint Baaf in Gent, de kerk waar hij op zijn oude dag proost van was en die hij bedacht met verschillende schenkingen. Zijn korenschoof is er in veelvoud op het portaal en in de sacristie te zien. Zo zijn het Friese Swichum en het Vlaamse Gent met elkaar verbonden.


10. Kerk en kerkhof Wirdum
Centraal in het dorp staat de deels 12de-eeuwse Nederlands-hervormde kerk, gewijd aan Sint Maarten. Kerk en het kerkhof vormen een buitengewoon karakteristiek geheel in het dorp. Zonder reserve kan worden gezegd dat de kerk van Wirdum de meest interessante van de dorpskerken is in de gemeente. Het interieur is ingrijpend gerestaureerd. Opvallend is het grote aantal herenbanken, waarvan één met familiewapens. Vroeger waren er tal van rouwborden; er zijn er slechts twee van overgebleven. Tevens vinden we een aantal bijzondere grafzerken, vervaardigd ten behoeve van adel en andere notabelen. Vele stijlen uit de rijke Friese zerkhouwkunst zijn vertegenwoordigd.

Noordkapel:
Op de grens van het schip en een grafkapel, van de families Oenema en Cammingha, bevinden zich merkwaardigerwijze zowel de oudste als de meest recente grafstenen. De oudste is de zandstenen priesterzerk uit 1500 van Fercke van Aytta; daarnaast vinden we de zerk van Doeke Wijgers Hellema uit 1856/57. Laatstgenoemde zerk is overigens tijdens de restauratie in 1983 vanaf de locatie op het kerkhof naar deze plaats overgebracht. De stoffelijke resten van Hellema zijn echter op hun rustplek gebleven. Doeke Hellema, bekend van zijn dagboekaantekeningen (Kroniek van een Friese boer, Franeker, 1978) was boer en kerkvoogd te Wirdum en heeft vele aantekeningen betreffende de Wirdumer dorpshistorie en de gebeurtenissen in het Friesland van zijn dagen nagelaten.

Schip:
Hier bevinden zich diverse bijzonder mooie zerken, waarvan we een aantal willen noemen. De zerk van Frans van Eysinga, raadordinaris van Friesland (1603), ten westen van de preekstoel en voor het zuidtransept, is vrijwel gaaf bewaard gebleven. Voor de preekstoel liggen twee prachtige zerken; de ene voor Wittio (Wytze) van Camstra (1558) door Vincent Lucas in maniëristische stijl gehouwen en de andere voor Tjalling Aedo Johan Heringa van Eysinga (1690). Een portretzerk in het koor toont de afbeelding van Wytze van Cammingha en zijn vrouw Rixt van Roorda. Op de andere is Julius van Eysinga imposant in volle wapenrusting afgebeeld.

Gedurende de 17de en 18de eeuw was het kerkhof afgescheiden middels een ringmuur. Van delen van deze muur is in 1805 de vernieuwde toren opgemetseld. Tot 1805 beschikte de kerk curieus genoeg over twee torens. De overgebleven kerktoren is in de oorlogsjaren beroofd van de originele klokken. Het kerkhof, nog steeds in gebruik, bevat een aantal noemenswaardige stenen.
Opmerkelijk is de kleine steen vlakbij de westgevel met twee koeien en twee paarden die het graf van koopman-boer Einte Jochems Admiraal dekt. Ten westen van de kerk bevindt zich het graf van Ds. Jan Sinninghe Damsté (1794-1852), die blijkbaar veel betekend heeft voor de kerkelijke classis Leeuwarden, getuige het apart geplaatste bijschrift op zijn graf. Ten zuiden van de westgevel treffen we een aantal graven van de familie Harders aan. De middelste zerk is van Ds. G.T. Harders, de eerste vrijzinnige predikant van Wirdum. Doeke Helle-ma maakte destijds bezwaar tegen het invoeren van de Evangelische Gezangen door genoemde predikant. In opmerkelijk goede staat verkeert tenslotte het zestal staande zerken van wit marmer aan de zuidkant bij de toren. Blijkens de opschriften rusten hier overledenen van de familie Van der Hem.


11. Eysinga-begraafplaats (bij de Werpsterdyk) Wirdum
‘Dit zag men heden. Den Hoog Wel geb. Heer Frans Julius Joh. van Eysinga, vele jaren de aanzienlijkste ambten en commissiën te hebben bekleed, tevens lid van de Ridderschap der Provincie Friesland, overleed in het 77ste jaar den 4 augustus l.l. te Leeuwarden en wierd heden zonder eenige staatsie te Wirdum op de landhoeve van den voormaligen Heer Gouverneur van Vriesland, weleer Jouwsma-state in een daartoe op het allerspoedigste bereid graf gezet, op de ledige grond van het voormalige kasteel of zogenaamde stins, met diepe en wijde gragten thans nog omringd, en waarover men na het overleijden van welgem. Heer een sterke brug heeft geslagen en dus in haast een gemetseld graf, waarin het lijk geplaatst is, om voortaan overmetseld en dus besloten zonder weder te ontdekken gelaten zal worden. Tot twee of drie zulke graven is daar nog ruimte om gemetzeld te worden, en wijders met behoorlijk geboomte omringd, en een wijde gragt rondom besloten'. Aldus een waarschijnlijke ooggetuige van de teraardebestelling van Eysinga, de Wirdumer boer en kroniekschrijver Doeke Hellema, die zijn waarnemingen aan een dagboek toevertrouwde. De van pracht en praal gespeende gebeurtenis in het jaar 1828 markeerde het begin van een adellijke familiebegraafplaats die inmiddels als een bijzonder funerair monument van de Verlichting aan te merken is.

Frans Julius van Eysinga (1752-1828), bewoner van het herenhuis aan de Koningsstraat dat nu deel uitmaakt van het Fries Museum, was de eerste van zijn familie die op deze plaats, midden in de weilanden anderhalve kilometer ten noorden van Wirdum, begraven werd. Een tiental familieleden zou hem volgen, de laatste in 1938. Lag er in 1828 slechts een omgracht stinsterrein waarop in allerijl een grafkelder ingericht moest worden, in 1835 werden werkzaamheden uitgevoerd om de begraafplaats een volwaardiger aanzien te geven, zo blijkt opnieuw uit aantekeningen van Hellema. ‘Deze grafplaatsen [..] niet alleen omringd van een [..] gragt, maar men is thans bezig om een ringmuur, van onderen uit het water opgehaald, de gragt alvorens droog gemaakt te hebben op te haalen en te omringen, tot 5 voeten [circa 11/2 meter] boven den grond alwaar rede een onnoemlijk aantal steenen zijn aangevoerd'. De brug die in 1828 geslagen was, verving men in 1872 door een vaste brug met een trapeziumvormig bruggehoofd aan de zijde van de begraafplaats. Daarop kwam een ijzeren toegangshek te staan. Als laatste verandering werd de begraafplaats in 1907 beter bereikbaar gemaakt. Dat jaar werd vanaf de Werpsterdijk ‘Boonstra's Reed' aangelegd, vernoemd naar de pachter van de stelpboerderij van de familie Eysinga naast de begraafplaats. Voordien vonden de meeste begrafenissen over water plaats, waarbij het laatste gedeelte te voet over de Oude Swichumerdijk afgelegd werd. Sinds 1986 is de plek alleen te bereiken via de Loodyk.

Na de laatste bijzetting in 1938 raakte de begraafplaats in verval. Het hek verhuisde naar Bilthoven, de brug werd vervangen door een dam en de ringgracht slibde dicht. Tijdens een restauratie in 1992/'93 zijn de ringmuur, de gracht en het bruggehoofd grotendeels hersteld en is er opnieuw een brug (zonder hek) geslagen.


12. Rooms-katholiek kerkhof Wytgaard
Wytgaard, vanouds bij het dorp Wirdum behorend, is een oude rooms-katholieke enclave. Oenemastate benoorden Wytgaard was één van de plaatsen van waaruit paters Jezuïten heimelijk de weinige overgebleven rooms-katholieke gelovigen bedienden. Dat kon omdat de invloedrijke familie Cammingha, die Oenemastate bewoonde, na de Reformatie het katholieke geloof trouw bleef.
De oude schuilkerk uit 1719 (sinds 1853 gewijd aan Maria ten Hemel-opneming) was anderhalve eeuw later in een vervallen toestand geraakt. In 1870, onder het pastoraat van Johannes von Schelve (1852-1880), startten daarom de voorbereidingen voor de bouw van een nieuwe grote kerk. Dankzij zeer grote offers van de parochianen kwam er voldoende geld beschikbaar om de vermaarde architect P.J.H. Cuypers opdracht te geven een ontwerp te maken voor een neogotische kruiskerk met een grote toren. Met de bouw werd in 1871 aangevangen en op 21 oktober 1872 kon de prachtige kerk geconsacreerd worden door Mgr. A. Schaepman, aartsbisschop van Utrecht.

De kerk raakte na de Tweede Wereldoorlog danig in verval. De oude kerk, nog geen honderd jaar oud, met zijn fiere slanke toren, zijn fraaie glas-in-lood ramen, kruiswegstaties en beelden moest worden afgebroken. Tal van inventarisstukken werden vernietigd. De toren viel op 11 november 1966 door een lading dynamiet. Een zwarte dag in de geschiedenis van Wytgaard.

In het dekenaat Leeuwarden was, met uitzondering van het eiland Ameland, tot 1859 geen enkele rooms-katholieke begraafplaats te vinden. De katholieke doden werden veelal op algemene begraafplaatsen te ruste gelegd. De gelovigen uit Wytgaard en omgeving vonden een laatste rustplaats op het kerkhof bij de hervormde kerk in Wirdum. De parochie St. Nicolaasga had al vanaf 1842 een eigen begraafplaats en in het uiterste zuiden van Friesland dateerde het eerste rooms-katholieke kerkhof te Steggerda (inmiddels opgeheven) uit ongeveer dezelfde periode.
In de tijd dat pastoor Johan von Schelve van Wytgaard plannen maakte voor het derde rooms-katholieke kerkhof in Friesland, moest dat eigenlijk nog heimelijk gebeuren. Hij verwachtte, naar later bleek terecht, veel weerstand van de burgerlijke autoriteiten en van de protestanten. Na veel problemen te hebben overwonnen, werd het kerkhof op 1 juni 1859 ingewijd.

Pastoor Faber van St. Nicolaasga heeft pastoor Von Schelve geadviseerd over de inrichting van het kerkhof. Hij achtte het verstandig ‘een lijkweg in het lang midden over het kerkhof van minstens 2½ ellen breed' aan te leggen. Deze was er niet in St. Nicolaasga, zo schreef hij, ‘tot groot ongerijf van de lijkendragers, die over de graven moeten strompelen en links en regts een pad door de rijen kruizen moeten zoeken op een ellendige wijze, wat ook niet zelden gemor, gepraat enz. veroorzaakt tot ontstichting der biddende menigte'. Aan een ‘bokkeheuvel' was volgens hem geen behoefte: ‘wij hebben hier burgerlijke begraafplaatsen en daar kan men Jan Rap en zijn maat laten begraven'. Wel adviseert hij een plekje voor ongedoopte kinderen, van het kerkhof afgezonderd, te reserveren.

Het kruisbeeld met sokkel, waarin vier gedenkstenen, werd in 1859 als eerste monument op het kerkhof geplaatst. Aan de voet van het kruisbeeld werd op 21 juni 1859 pastoor Nicolaas Rooswinkel van Irnsum als eerste op het kerkhof te ruste gelegd; zijn gerestaureerde grafzerk is daar nog te zien. Aan de noordkant van het kruis bevindt zich het graf van pastoor Von Schelve, stichter van het kerkhof en bouwpastoor van de Cuyperskerk.
In de eerste tientallen jaren daarna werden uit alle hoeken van het dekenaat de katholieken in de gewijde aarde te Wytgaard begraven. Nog steeds staan er gedenktekens van overledenen uit Dokkum, Franeker, Harlingen, Dronrijp, Irnsum, Oosterwierum, Warga en vooral uit Leeuwarden. Alleen al in 1875 vonden er niet minder dan 75 begrafenissen plaats. Uit deze tijd stamt de bijnaam van de Wytgaarders: de ‘gleskegnuvers', omdat ze van achter hun vensters de vele begrafenissen gadesloegen. Op het kerkhof bevinden zich drie grafmonumenten van de Zouaven van Wytgaard. Zij vochten alle drie als Pauselijk soldaat in 1870.
In 1872 werd toestemming verkregen het kerkhof uit te breiden met een bijveld. Dit zal tot 1936 in gebruik blijven. Sinds 1984 is dit bijveld ingericht als urnenveld. Er rest nu nog slechts één grafsteen, van Doetje Jorna, uit juli 1875.
Later kregen andere parochies ook eigen begraafplaatsen en nam de wens om in Wytgaard begraven te worden, sterk af. Tot en met september 1984 zijn er op het kerkhof 2275 personen begraven. Het kerkhof is in dat jaar bij de herdenking van het 125-jarig bestaan grondig opgeknapt en heringericht. Maar er is meer gebeurd. Er is een monument geplaatst ter nagedachtenis van de tien zusters religieuzen, afkomstig van diverse parochies, die hier eens zijn begraven en eveneens een monument ter herinnering aan de zes pastoors van de parochie, die vroeger in Wirdum zijn begraven. Een parochiaan schonk een stenen zitbank en op het graf van de bekende Wytgaarder hardrijder op de schaats Pier Thomas Stornebrink werd een bescheiden gedenkteken gezet.
Laatstgenoemde was tevens architect-aannemer van een vijftigtal kerken in het bisdom Den Bosch, eind 19de eeuw.

In de in 1859 opgestelde reglementen worden graven onderscheiden met de titels Eeuwig Graf, Familie Graf en Huurgraf. Ook in de dood golden vroeger op kerkhoven rangen en standen. Alle graven van het kerkhof, genummerd, zijn in vijf klassen verdeeld.
De eerste lijn betreft de rij met de graven der meest notabelen. We vinden hier de priestergraven en familiegraven van, onder meer, de Roorda's, Jorna's en Van der Weides. In 1891 werd zelfs Maria Theresia van Loo, geboren te Nijmegen in 1845 en huishoudster van pastoor Rutjes, begraven op de priesterlijn! Dit graf blijkt in later jaren geruimd.
Het is duidelijk, dat wie op de vijfde rij werd bijgezet niet veel te betekenen had gehad, althans niet maatschappelijk. Nu doet een dergelijke klassering pijnlijk aan, maar nog in 1962 werd een overledene volgens deze ietwat harteloze regeling ter aarde besteld: in een graf op de eerste lijn, met rode lopers op de begraafplaats, onder extra langdurig klokgelui en met heel veel kaarsen in de kerk. Dit alles is verleden tijd. De indeling met de lijnen is afgeschaft.


13. ‘Drenkelingenkerkhof' Snakkerburen
Waar Snakkerburen ophoudt en vroeger de modderreed naar Lekkum begon, werd in 1873 door de gemeente Leeuwarderadeel een kleine (296 graven) openbare begraafplaats gesticht. Omdat destijds iedereen in en rond Lekkum op het eigen kerkhof begraven wilde worden, gebruikte men de begraafplaats in Snakkerburen vooral voor doden, waarvan men de identiteit niet kon vaststellen. Zo zouden er rond de eeuwwisseling twee volwassen drenkelingen en een pasgeboren verdronken kind ter aarde besteld zijn. Een halve eeuw later sprak men in Snakkerburen niet langer over drenkelingen maar over doden op de begraafplaats, nu vijf in getal, waaronder twee Belgische vrouwen die in 1916 of 1917 aan de pest zouden zijn overleden. Archivalia vermelden slechts gegevens van een drietal begravenen: een schippers-dochter die op driejarige leeftijd in 1906 aan pokken overleed, een volwassen drenkeling in 1924 en iemand die zichzelf onder de trein had geworpen in 1933. Grafstenen kunnen ons helaas geen nadere informatie geven; ze zijn er simpelweg niet.
De Algemene Begraafplaats Lekkum werd overbodig toen in 1944 het dorp bij de gemeente Leeuwarden werd ingedeeld. Immers, Leeuwar-den beschikte ook over een Algemene Begraafplaats. De grond werd voortaan als weilandje verpacht. De iepen er omheen werden vrijwel meteen geveld. Het lijkenhuisje raakte bouwvallig en werd in 1950 afgebroken. In de jaren vijftig was er even sprake van dat de grond als bouwterrein zou worden vrijgegeven. Gebouwd is er echter nooit.

Om de herinneringen aan de voormalige dodenakker levend te houden en om de akker van het omringende weiland te kunnen onderscheiden, zijn er weer lindebomen geplant. De toegang wordt afgesloten door een hekwerk, dat ter gelegenheid van Open Monumentendag 1996 werd gerestaureerd.


14. Kerk en kerkhof Lekkum
In Lekkum staan op de oude middeleeuwse plaats een kerk uit 1778 en een toren uit 1896. Vanzelfsprekend is ook in deze kerk begraven. Van de dertien grafstenen in de vloer zijn er enkele interessant. Een dubbele steen dekt de graven van Tiete van Hettinga Tromp en zijn vrouw en dochter. Leden van de familie Tromp bezaten in Lekkum het buiten Eeburg. De gedenksteen in de kerkmuur herinnert aan hen, evenals een herenbank. Op de grafzerk voor koopman Oene Wopkes is een springend paard afgebeeld en op de hoeken van de grafsteen van Aecht Sickesdr. staan de vier evangelisten met hun symbolen. In de vloer van de voorkerk liggen twee zerken en een middeleeuws sarcofaagdeksel van rode Bremer zandsteen.

Vanouds werden niet alleen inwoners van Lekkum en Snakkerburen op het dorpskerkhof begraven maar ook veel bewoners van het Vliet. In de 20ste eeuw lieten ook andere Leeuwarders zich er liever te ruste leggen dan op de grote stadskerkhoven. Daarom moest het kerkhof zowel aan de noordzijde, de zuidzijde en de westzijde worden uitgebreid. De begraafplaats raakte niettemin overvol en er liggen zelfs graven onder de paden.
Het kerkhof wordt aan de oostzijde afgesloten door een gesmeed en gegoten ijzeren hek. Daarin zijn symbolen van dood en vergankelijkheid verwerkt. Op het toegangshek staat de spreuk ‘gedenkt te sterven'.
In de eerste rij graven aan de oostzijde van het kerkhof ligt een drietal dat is afgedekt door een dubbelgrote grafsteen voor de in Lekkum als zoon van de plaatselijke predikant geboren dr. Everwinus Wassen-bergh (1742-1826) en van diens vrouw Maria Ratelband en hun dochtertje Claressa. De classicus Wassenbergh werd in 1768 hoogleraar aan het Atheneum in Deventer en in 1771 aan de Academie van Franeker. Hij gaf een grote impuls aan de studie van het Fries en aan die van het werk van Gysbert Japicx in het bijzonder. De vertaling van het in het Latijn gesteld grafschrift luidt:
‘Onder deze steen liggen met mij besloten mijn liefste vrouw en mijn beste dochter die voor haar dag stierf. Niets was mij aleer in het leven zo lief als deze beide, en nu is het mij zoet met hen in het graf verenigd te zijn.'

In dezelfde eerste rij liggen grafzerken voor Simon Sytses Humalda (1819-1890) en Sytse Simons Humalda (1867-1931) met op elke steen een onder een treurboom afgebeelde koe en paard. De grafstenen van één hunner vrouwen en van een dochter zijn slechts voorzien van een treurboom. Ten noorden van de kerk ligt in rij 11 het graf van Ruurd Sjoerds Span (1814-1908). De kerkvoogdij heeft op zijn grafsteen laten zetten: ‘Meer dan 50 jaren vervulde hij de betrekking van doodgraver enz. te Lekkum' en ‘Uit hoogachting en vriendschap van wege de Ned. Herv. kerk te Lekkum'. Span heeft zeer veel overledenen op het kerkhof begraven. Even westelijker dan zijn graf ligt dat van de Leeuwarder steenhouwer Dirk Arends (1882-1959), die veel graven van een monument heeft voorzien.
De familie Tromp heeft niet alleen in de kerk, maar ook op het kerkhof sporen nagelaten. Grafstenen zijn er van mr. Solko Walle Tromp (1811-1875), president van het Provinciaal Gerechtshof van Friesland en rentmeester van het St. Anthonygasthuis te Leeuwarden en diens vrouw Anna Elizabeth Le Maire (1815-1866) en schoondochter Maria Geertruida Agathe Burger (1853-1876). Het St. Anthony-gasthuis heeft onlangs de grafstenen laten herstellen. Van zes andere grafstenen van de familie Tromp noemen we nog die voor mr. Tiete van Hettinga Tromp (1834-1906) en voor Maria Geertruida Agathe Levina van Hettinga Tromp (1876-1940).
De opschriften van de grafmonumenten geven een staalkaart aan lettertypes, al naar de tijd waarin ze zijn ontstaan. Voor of op een tiental graftekens liggen nog de steeds zeldzamer wordende ‘taarten- dozen': met glas afgedekte trommels waarin een krans van wasbloemen is gelegd. Op menige grafsteen is een rouwtak of treurwilg gebeeldhouwd. Christelijke symbolen als het latijnse kruis en het ChiRhokruis zijn ook meerdere malen toegepast, evenals het embleem van het Leger des Heils. Boven het opschrift op de grafsteen van Metske Riedstra ( 1908-1990) staat een gestileerd tweemastzeiljacht afgebeeld. Een gestileerd scheepje is ook te vinden op de grafsteen van Feike Bergsma (1878-1953).
Op de grafsteen voor J.J. Sjoerdstra (1933-1977) staat een kievit afgebeeld en op die van Jan Doetjes (1930-1985) en Hinke de Vries (1939-1995) een vrachtauto en een kat.
Op de zuidelijke kerkhofuitbreiding liggen nog enkele grafzerken met een ouroboros. Behalve dit symbool staat op de zerk voor dr. Teake Jilles Bultsma (1936-1986) een opschrift dat eindigt met een citaat uit de oudfriese wetten.


15. Kerkhof Miedum
De kerk werd in 1834 wegens vergaande bouwvalligheid afgebroken; de eredienst werd er toen al niet meer uitgeoefend. De vermoedelijk uit de 14de of 15de eeuw daterende en in 1615 aangepaste toren is ondanks restauraties enigszins scheefgezakt, maar gelukkig blijven staan.
Het kerkhof was in de vorige eeuw ingedeeld in tien regels lopend van zuid naar noord, met gemiddeld ruimte voor circa vijftien graven. Onder de begravenen overheersten de namen Dijkstra, Miedema, de Jong, Hettinga en Bottema. In de jaren 1990-1991 hebben enkele vrijwilligers de in desolate toestand verkerende begraafplaats van het onkruid ontdaan en de grafstenen opgeknapt. Ter gelegenheid van het gereedkomen van deze klus werd op 1 juni 1991 een eenvoudig monumentje (een sokkel met daarop een dakpan van de kerktoren) onthuld. Op het kerkhof bevinden zich nog ongeveer tien graven. Het oudste dateert uit 1655, het jongste uit 1971.
Er liggen nog enkele oude grafstenen. Tegen de toren aan ligt een buitengewoon zwaar exemplaar. Hierop zijn attributen van het boerenbedrijf weergegeven. De rijke, altijd vrijgezel gebleven en wat excentrieke greidboer Johan Jellema heeft deze kelder ‘van ongemeene grootte' voor zichzelf laten metselen. Jellema woonde van 1782 tot 1851 op de boerderij It Heechterp. Erg feodaal ingesteld is hij waarschijnlijk niet geweest; naar verluidt is zijn knecht eveneens in de kelder bijgezet.


16. Grafheuvel Leeuwarder Bos (bij de Vierhuisterweg)
Het is te betreuren dat er bij de verbouwing van de Westerkerk tot Theater Romein onvoldoende rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarde van haar unieke gravenvloer. Het ontbreken van een plan duidt daar op. De beste oplossing was ongetwijfeld geweest deze zerken te laten liggen, want daar waren ze oorspronkelijk ook voor bedoeld. Toen dat niet mogelijk bleek, was een goed alternatief geweest ze weer te bedekken, bijvoorbeeld onder een vloer met een kruipruimte, of met een laag aarde eroverheen. Nu zijn de naar schatting 200 antieke zerken, voorzover ze al niet gebroken waren door inzakking en het massaal belopen op de open dag door het Leeuwar-der publiek op 5 januari 1991, door het transport nog meer beschadigd en 80 (waaronder, zoals gebleken, monumentale), zelfs geheel verdwenen. Wat ervan overgebleven is berust na enkele omzwervingen op een speciaal ontworpen grafheuvel in het Leeuwarder bos met de afmetingen van het vloeroppervlak van de Westerkerk. Toch liggen hier nog vele zerken die de moeite van het bekijken waard zijn, zoals bijvoorbeeld die van Isaaq, Gerardus en Titia Adius (1692), nazaten van de burgemeester-koopman Adie Lamberts van Leeuwarden, aan wie zij hun familienaam middels een gelatiniseerd patronimicum hadden ontleend. Diens wapen verfraaiden ze met een grote bloem. Het meest wezenlijke element, de anjeliertak met drie bloemen, verdween echter uit het wapen van de familie. Ook bijzonder is de voorstelling van de ‘ijzerman' in het wapen van de vroedsman Sicco Siderius (1649-1712), zoals we die tegenwoordig nog kennen van de gevelsteen in de zijgevel van het pand Voorstreek 9. Verder treffen we een geblinddoekte vrouwenbuste in het wapen van de advocaat Maertinus Arnoldi (1699) aan, doch helaas is de zerk bij het transport doormidden ge-broken. Tot slot vermelden we de afbeelding van de geluksgodin For-tuna in het wapen van Anna Elbertina van Fortuin (1709). Hier zien we de godin van terzijde, terwijl zij met de rechtervoet op een bal balanceert met in de rechterhand een om de lendenen gedrapeerde doek, die zij met de linkerhand als een zeil boven haar hoofd omhoog houdt. Vergelijk hiermee de steen in de voorgevel van het pand Raadhuisplein 34 met als onderschrift ‘In de Fortuyn'. Is het toeval dat het jaartal 1666 op de jaarstenen in de gevel overeenkomt met het geboortejaar van Anna Elbertina?

Bij zijn ontwerp heeft de architect zich laten inspireren door de zonnetempels van de Inca's in Latijns-Amerika. Het is een hoogte van een meter of vier met opstaande randen gelegen aan de rand van het open weide- en plassengebied in de centrale zone, en alleen bereikbaar via een bruggetje. Het is een soort stiltecentrum in de open lucht en biedt een magnifiek uitzicht over de zich steeds verder ontwikkelende omgeving. Helaas kon slechts een derde van deze ruimte bezet worden met zerken, en is de rest maar opgevuld met grind. Om deze zerken, die nu wel goed beschreven en gefotografeerd zijn, nog langer voor de toekomst te bewaren, zou het echter beter zijn ze onder een laag aarde te bedekken. De omstandigheden waaraan de zerken momenteel worden blootgesteld, lijken dé manier om het restant (dat tot nu toe alle rampen heeft overleefd) onleesbaar te maken of zelfs langzamerhand te laten verpulveren.

Terug