Wirdum

 

In 1787 werd Wirdum als volgt beschreven in de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden; veertiende deel; vervattende het vervolg der beschryving van Friesland.

"Wirdum (of Wierdsheim), het eerste en aanzienlykste dorp der geheele Grietenye, vyf kwartier uur gaans van Leeuwarden, tegen het Zuiden, en een kwartier van Swichem ten Zuidwesten. Dit Dorp heeft de eerste stem in Leeuwarderadeel. Ook wordt er niet een gevonden, dat zo veel aan de Provinciaale kas opbrengt, als zynde bezwaard met tweeduizend floreenen. Dit dorp is versierd met eene ruime en fraaie Kerk, die weleer twee Torens had, een met een spitse kap ten Westen en een met een gewoon Friesch huisdak ten Zuiden der kerk; doch de eerste is omtrent het jaar 1680, om zynen ouderdom, afgebroken, en dus de laatste alleen blyven staan. Ook zyn in deeze Kerk eene menigte graffsteenen en fraaie wapens, als zo veele overgebleeven getuigenissen der Edelen, welke hier voor deezen hebben gewoond; doch wier Familien thans meerendeels geheel zyn uitgestorven. Wanneer deeze Kerk gebouwd zy, kan men niet zeker zeggen; maar dezelve is toegewyd aan St. Marten, Bisschop van Tours, en hier was ook in de Roomsche tyden eene Vicary. Onder dit dorp lagen van ouds zeer veel Adelyke Staaten, als Unia, Kamstra, Juwsma, Kamminga, Oenema en andere. Het Slot van Unia, ’t welk de eerste stem te Wirdum heeft,was reeds door dat geslagt gesticht in de veertiende eeuw, en strekte tot eene veilige wykplaats voor Auke Keimpes Unia, toe hy in 1498, verzeld met veele huislieden uit Idaarderadeel, Rauwerd en Wirdum, de Leeuwarders, die uit de Wouden naar huis keerden, wilde aantasten, doch door hen geslagen werd. Thans is het oude Stins of Kasteelstooren weggebroken, en aldaar een fraai nieuw huis gebouwd, door een huisman met naame Eelko van Offringa. Kamstra State een kwartieruur gaans ten Noordewesten van Wirdum, werd in 1614 bewoond door Hessel Bootsma, naar welken deeze plaats ook by sommigen den naam van Bootsma State draagt. Juwsma, even ten Westen van het dorp, werd op den 14 van Sprokkelmaand 1515 door de Leeuwarders in brand gestoken; doch Juw Juwsma, geholpen door Folkert Ayta, ontkwam hunne handen. Kamminga is nog, tot in onze dagen, door dit geslagt bewoond geweest; doch Oenema State is overgegaan in de familie van Burmania. Ten tyde der vernielende aanhangen van Schieringers en Vetkoopers hielden die van Oostergo hunne landsdagen te Barrahuis, gelegen onder dit Dorp. De buurte Wytgaard, behoordende onder de Parochie van Wirdum, is een aanmerkelyke dubbelde regel huizen, gelegen aan den breeden rydweg naar Leeuwarden, weleer de oostelyke zeedyk der Middelzee. Onder Wirdum en Wytgaard telt men 91 stemdraagende plaatsen."

Wirdum. Foto: Google Streetview, 2010
Wirdum. Foto: Google Streetview, 2010: klik op de foto voor een digitale verkenningstocht!

De geschiedenis

Uit: Open Monumenten in de dorpen ten zuiden van Leeuwarden. Leeuwarden, 1989; auteur: Jaep Dykstra

Het oorspronkelijke dorpsgebied van Wirdum was zeer omvangrijk. De noordelijke grens lag dicht onder Goutum, de zuidelijke een kilometer ten noorden van Reduzum. Het uiterste oosten grensde aan de Hempenser- en Grote Wargaastermeer en de Zwette vormde de westelijke grens. Het grondgebied was in de late middeleeuwen sterk vergroot door de inpoldering van de Middelzee. In 1957 verloor Wirdum een groot gebied, toen Wytgaard een zelfstandig dorp werd. Maar dorpsgrenzen hadden toen allang geen officiële betekenis meer.

De Middelzee is hier van groot belang geweest. In de eerste plaats wierp de zee een kwelderwal op, waarop men terpen kon bouwen. Later maakte de bevolking uiteraard gebruik van het ingepolderde en vruchtbare land. De oude Middelzee is in het landschap nog duidelijk te herkennen. De dijk liep grotendeels op de plaats waar nu de Brédyk ligt en qua verkaveling is er een sterk verschil tussen het Aldlân en het Nijlân.

Rond bovengenoemde terpen ontstond een aantal buurschappen, waarvan Marwert, Tsjaerd, de Werp (met Barrahûs) en Jousmabuorren (met de Him) samen met de dorpskern het dorp Wirdum van nu vormen. De dorpskern breidde zich vooral uit naar het westen. We mogen aannemen, dat toen de Greate Buorren volgebouwd was tot aan het water, de Lytse Buorren ontstond, eerst de zuidzijde en daarna de noordkant. In de achttiende en negentiende eeuw ontstond er achter deze beide straten een aantal stegen, onder andere de nu gerenoveerde Kamp ten zuiden van de Greate Buorren.

Wirdum is vroeger duidelijk een waterdorp geweest. Niet alleen waren alle boerderijen via een vaart bereikbaar, maar ook in het dorp zelf was veel water. De Wirdumervaart liep (en loopt) aan de noord-, oost- en zuidkant. De Werpstervaart en de Haven liggen aan de westkant, de laatste ten zuiden van de brug. Achter de Greate Buorren lag de Zuiderhaven, nu een slootje. In de Greate Buorren zelf was een haven vanaf de brug tot ongeveer halverwege de kerk. Verder lag er onder meer nog een haven bij de school aan de Lytse Buorren.

Wirdum. Foto: Google Streetview, 2010
Wirdum. Foto: Google Streetview, 2010

Tot in de negentiende eeuw kon men via de weg Wirdum alleen bereiken langs de Wytgaardsterweg (nu Legedyk, Marwertsterdyk) en de Werpsterdyk. In genoemde eeuw veranderde er veel. De oude Rijksstraatweg werd aangelegd en ook de Swichumerdyk. De Tsjaerderdyk werd doorgetrokken van Tsjaerd naar de Eagumerdyk en de al bestaande wegen werden verhard. Bovendien kwam in 1868 de spoorlijn Leeuwarden-Zwolle gereed en kreeg Wirdum een station. In onze eeuw kwam die stopplaats weer te vervallen, maar kwamen Rijksweg 32 en de Wâldwei tot stand.
Toen de Legedyk verhard werd en de Swichumerdyk was aangelegd, ontstonden er aan deze straten mogelijkheden tot nieuwbouw. Het dorp heeft er een paar fraaie "pastorie- of rentenierswoningen" aan overgehouden. In de eerste helft van onze eeuw stokte de woningbouw. Huizen uit de jaren-twintig en -dertig komen hier weinig voor. Omstreeks 1960 kwam de nieuwbouw weer op gang. De gemeente Leeuwarden, waartoe Wirdum sinds 1944 behoort (voorheen Leeuwarderadeel), heeft niet zonder succes een eind gemaakt aan de lintbebouwing. De kerk staat nu weer in het spreekwoordelijke midden.

Voor de werkgelegenheid in het dorp, buiten de ambachten en de echte agrarische sector, werd de in 1891 aan de Tsjaerderdyk opgerichte zuivelfabriek van belang. Soms liep het aantal werknemers op tot dertig. In 1964 werd de fabriek gesloten, maar de gebouwen staan er nog.

Wirdum heeft vijf schoolgebouwen gekend, waarvan er nog twee als zodanig gebruikt worden. De oude openbare school aan de Lytse Buorren, die op dezelfde plaats een aantal kerkscholen als voorgangers heeft gehad, wordt nu gebruikt door de Agrarische Bedrijfsverzorging. In 1869 werd een christelijke school opgericht achter de Lytse Buorren. Het schoolgebouw aan de Skoallesteech doet tegenwoordig als garage dienst; de oude gebruikers hebben in 1955 de beschikking gekregen over een nieuwe school aan de Theodorus Beekhuisstrjitte. In dezelfde straat kwam in 1987 ook een nieuwe openbare school. Reeds in 1875 had de afdeling Wirdum van de Maatschappij tot ’t Nut van het Algemeen een bewaarschool gesticht. De later vernieuwde school is thans wijkgebouw van het Groene Kruis.

Naast een hervormde werd Wirdum in 1873 ook een gereformeerde kerk rijk. Dit godshuis verrees aan de Swichumerdyk. Nu is het een garage; de gereformeerden kregen in 1925 de beschikking over een veel groter onderkomen aan de Legedyk. Daar kwam in 1934 ook de kapel van de vereniging van orthodoxen in de hervormde kerk te staan. het gebouwtje staat er nog, maar enkele jaren geleden herenigden de richtingen in de hervormde kerk zich. Wirdum zou in de zestiende en zeventiende eeuw ook een doopsgezinde kerk hebben gehad en wel aan de Greate Buorren, maar hierover is weinig bekend.


Hervormde Kerk
In Wirdum staat de toren van de kerk aan de "verkeerde" kant: niet tegen de westzijde van het schip zoals dat in Friesland regel is, maar tegen de zuidmuur. De kerk heeft wel een toren gehad aan de westzijde. Het unieke feit deed zich toen voor dat de kerk twee torens bezat. De westelijke toren, die gebouwd was van tufsteen, is in 1688 door de kerkvoogden voor f 4.790,- verkocht aan de cementindustrie in Makkum! Sedertdien dragen de Wirdumers de bijnaam "Tuorkefretters". De afgebroken toren ha een spits, maar daar hij in 1597 grotendeels was ingestort en weer herbouwd, is de oudste vorm onbekend. Bij de laatste restauratie van de kerk (1982) bleek dat in de noordmuur van het schip zich een restant bevindt van een (romaans) muurgedeelte van tufsteen. De eerste kerk en toren zouden daarom uit de twaalfde eeuw kunnen dateren.
De huidige toren is in 1806 opgericht. In het begin van de vorige eeuw was de zadeldaktoren die op deze plek stond zo bouwvallig geworden, dat men besloot hem af te breken en te vervangen.

Het kerkgebouw dateert uit de tweede helft van de dertiende eeuw. Helaas is het schip in latere tijden vrijwel geheel met kleinere steen omkleed. Aan de koorzijde echter ziet men nog restanten van het dertiende-eeuwse gebouw: een in wild verband gemetseld muurgedeelte met een fragment van een rondboogfries. De drie steunberen zijn ook van moppen, drie maal onderbroken door een band van tufsteen, en zouden gelijk met het koor gebouwd kunnen zijn.

Moppenmateriaal bevindt zich eveneens in de noordelijke uitbouw van de kerk. Maar dit element is van een 150 jaar later. Kenmerkend zijn hier de drie hoge spaarnissen in romano-gotische stijl. De uitbouw is de begraafkapel van de Oenema’s en de Cammingha’s geweest. Ook zal het familiealtaar hier hebben gestaan. De kerk heeft waarschijnlijk ook een uitbouw naar het zuiden gehad; vermoedelijke sporen hiervan zijn binnen te zien.

In 1716 heeft de westkant van het schip, dat door de afbraak van de tufstenen toren geschonden was, een drieledige sluiting gekregen. De portiek ontving een versiering in natuursteen, bestaande uit een gebroken fronton met siervaas en alliantiewapens.

Ruimtelijk gezien behoort het interieur van de gerestaureerde Wirdumer kerk tot de meest fascinerende van Friesland. Het negentiende-eeuwse gewelf van het schip is in 1982 weggebroken. Daar zich erboven nog de ribben van een gotisch gewelf bevonden, kon dit oude tongewelf in ere hersteld worden. De noordelijke uitbouw die van het schip was afgesloten, maakt weer onderdeel van de kerk uit. Het aanwezige houten plafond is bij de restauratie verwijderd en het oorspronkelijke kruisribgewelf is opnieuw in het zicht gebracht. Ook het nog bestaande deel van de zuidelijke beuk kwam weer bij de kerk. Hier hangt nu een in 1984 door Jan Murk de Vries vervaardigd kruisbeeld. In dit gedeelte van de kerk is ook een toegang naar de toren gemaakt. Jammer genoeg ging dit ten koste van het "hûnegat", een detentiecel.

De preekstoel, een product uit de negentiende eeuw en vóór de restauratie gesitueerd tegen de noordmuur, heeft een nieuwe plek tegen de zuidelijke muur gekregen. In 1843 boden de kerkvoogden van Leeuwarden alle verlichting van de Grote Kerk te koop aan in de krant. De kerkvoogdij van Wirdum heeft daarvan toen een flink aantal blakers en waarschijnlijk ook enkele luchters gekocht. De koperen kronen dateren uit 1776. In de kerk valt het grote aantal herenbanken op. Ze zijn evenals de preekstoel in de negentiende eeuw vervaardigd, maar een ervan heeft op het ruggeschot oudere familiewapens. In de achttiende eeuw waren er in de kerk tal van rouwborden; er zijn er slechts twee van overgebleven.

Indrukwekkend is het grote aantal, vaak fraaie grafzerken. Vrijwel alle stijlen uit de geschiedenis van de Friese zerkbeeldhouwkunst zijn vertegenwoordigd. Het oudste exemplaar is de zandstenen gotische priesterzerk van Fercke van Aytta, pastoor te Wirdum, overleden in 1500. De mooiste grafstenen zijn de door Vincent Lucas in maniëristische stijl gehouwen steen van Wytze Camstra en de twee portretzerken in het koor, met op de ene de afbeelding van Wytze van Cammingha en zijn vrouw Rixt Roorda en op de andere Julius van Eysinga in volle wapenrusting.
Het orgel is in 1790 gebouwd door Lambertus van Dam. Bij de bouw werd gebruik gemaakt van onderdelen van oudere voorgangers. Het uitbundige houtsnijwerk is van Jacob Swalue.

Tenslotte het kerkhof: het valt op dat de Cammingha’s, toen het verboden werd binnen de kerk te begraven, hun doden zo dicht mogelijk bij hun kapel bleven begraven. Opvallend aan de zuidzijde is de steen met twee koeien en twee paarden. Het is een negentiende-eeuwse steen op het graf van de koopman-boer Einte Jochums Admiraal.
 

De voormalige pastoriewoning
De voormalige hervormde pastorie, thans in gebruik als kantoor van de Agrarische Bedrijfsverzorging (Hôf 1), is gebouwd op de plaats waar al sinds honderden jaren de predikantswoning heeft gestaan en waar vóór de Hervorming de pastoorswoning stond.

Daar de oude pastorie in slechte toestand verkeerde, kreeg de bekende Leeuwarder architect Jurjen Bruns opdracht een nieuw gebouw te ontwerpen. In 1875 kon, zoals ook blijkt uit de gedenksteen in de westelijke muur, de eerste steen worden gelegd. Bouwer werd Klaas Rienks Sybrandy, telg uit een Wirdumer geslacht van vermaarde timmerlieden en aannemers.

Het front van het grote blokvormige gebouw heeft een bijzonder decoratieve kwaliteit. Het laat de voor de pastorie- of rentenierswoning gebruikelijke indeling zien van twee raamvakken aan weerszijden van de toegangspartij, met boven de entree een uitgebouwde gevel. Dit centrale element is geheel bepleisterd en wordt begrensd door veelzijdige hoekkolommen, bekroond met siervazen. De deur met bovenlicht staat achter een portiek die omlijst is en bekroond met een sierkuif. De ramen in het front zijn ook omlijst en van een sierkuif voorzien. De voorgevel ontving als geheel eveneens een omlijsting en wel met hoekpilasters en een kroonlijst. Onder de gootlijst zit een reeks fraaie consoles. Het dak met de gegolfde Friese pannen wordt bekroond door hoekschoorstenen met borden.

Is aan de pastorie vormgegeven in een menging van verschillende neo-stijlen, het naastgelegen koetshuis, met onder andere twee paarden- en twee koeienstallen, vertoont meer een neoclassicistisch karakter. De poortpartij met de uitbouw voor het dak geeft met schijnvoegen de illusie van natuursteen weer. Het hijsluik voor de hooizolder kreeg zo een opmerkelijk monumentaal karakter. De consoles van de gootlijst zijn identiek aan die van de woning en brengen de verbinding tussen de beide gebouwen tot stand.


Stelp De Golle

Naast de reeds genoemde Jousma- of Eysingastate bezat Wirdum in ieder geval nog vijf adellijke huizen: Uniastate op de Werp, Camstra onder Wytgaard, een state van diezelfde naam aan de Werpsterdyk en tenslotte de beide Oenemastates aan de Brédyk en de Marwertsterdyk, thans ook in Wytgaard gelegen. In sommige gevallen is van de states niets meer terug te vinden, soms herinnert een gracht of een singel nog aan vroeger tijden.

Mondelinge overlevering wil, dat op de plaats van het tegenwoordige dorpshuis De Golle ook een adellijk huis heeft gestaan, eveneens van de familie Camstra. In 1832 maakte de bekende Wirdumer dagboekschrijver Doeke Hellema melding van een "heerenhuizinge" en een "boerenhuizinge" op deze plek.

Tot 1923 stond hier een prachtige kop-hals-romp boerderij. In genoemd jaar werden de kop en de hals afgebroken, werd er een hooivak van het bedrijfsgedeelte afgenomen en kwam de stelpboerderij tot stand zoals die nu nog bestaat. De naam Vriezemastate die ook wel aan de boerderij wordt gegeven, is vermoedelijk afkomstig van de familie Vrieze, die rond de eeuwwisseling eigenaar was. Historische betekenis heeft deze naam niet. De boerderij werd in 1973 als dorpshuis in gebruik genomen.

Eysinga Begraafplaats
Een anderhalve kilometer ten noorden van Wirdum ligt, midden in de weilanden, omgeven door bomen en een uitgedroogde gracht, de vervallen maar nog indrukwekkende Eysinga-begraafplaats. Tot in het laatst van de achttiende eeuw stond hier Jousmastate, dat in de zestiende eeuw door vererving in handen was gekomen van de familie Eysinga. De gracht die nu om de begraafplaats ligt, is een overblijfsel van de oude slotgracht. De oppervlakte van het terrein lijkt niet groot, maar Jousmastate was een flink gebouw met meer dan tien kamers en met zes kelders.

Toen in het middel van de vorige eeuw het begraven in de kerk om hygiënische redenen verboden werd, gingen sommige voorname families er toe over hun doden te begraven op afgeperkte gedeelten van begraafplaatsen. Anderen legden een eigen begraafplaats aan, zoals ook de Eysinga’s.
De eerste begrafenis vond hier al plaats in 1828. In dat jaar werd jonker Frans Julius Johan van Eysinga, onder andere oud-grietman van Doniawerstal, naar zijn laatste rustplaats op het eilandje tussen de grachten gebracht, waar verder nog geen enkele voorziening getroffen was. Het houten bruggetje dat gediend had voor de toegang, werd na de teraardebestelling weer verwijderd. Deze eerste begrafenis vond plaats vanuit Leeuwarden en ging via de Wirdumervaart. Dergelijke begrafenissen over water kwamen hier later nog wel vaker voor.

In 1835 werd voor de vierde teraardebestelling een enorme ringmuur uit de gracht opgetrokken tot anderhalve meter boven de grond. De gracht was hiertoe drooggelegd. Op de plek waar zich nog steeds de toegang bevindt, werd in 1872 een vaste burg gebouwd met ervoor een groot smeedijzeren hek. Het hek is verdwenen, de brug is door een dam vervangen.

Tot 1907 was de begraafplaats over de weg alleen te bereiken langs de zogenaamde Ald-Swichumerdyk. In dat jaar werd voor de op één na laatste begrafenis een nieuwe beklinkerde weg aangelegd naar de Werpsterdyk, ter lengte van ongeveer anderhalve kilometer. Sinds 1986 is de plek alleen te bereiken via de Loodyk, een ruilverkavelingsweg. Waren de graven tot 1907 zeer sober, nu werd er een grafkelder gebouwd en verschenen er voor het eerst familiewapens op de zerken.

De laatste begrafenis heeft plaatsgehad in 1938. Na die tijd is het terrein spoedig verwaarloosd geraakt. In de oude kasteeltuin ten zuiden van de gracht kan men tot in onze tijd in het voorjaar stinsenplanten aantreffen.


De Brédyk onder Wirdum


Boerderij met voorhuis op De Werp

Aan de Brédyk, ter hoogte van de Werpsterhoek, staan twee boerderijen naast elkaar, die wel van het type kop-hals-romp zijn, maar waarvan het voorhuis dwars op het bedrijfsgedeelte staat. Aan deze voorhuizen is naar het model van de zogenaamde pastorie- of rentenierswoningen vormgegeven, met dit verschil dat ze op een zeer hoog souterrain staan, dat als molkenkelder werd gebruikt. Het is duidelijk dat bij de bouw de invloed van de stad zich heeft doen gelden. De meest zuidelijke boerderij (Brédyk 32) is gebouwd in 1871. De noordelijke (Brédyk 30), die bezocht kan worden, is tien jaar jonger.

Het souterrain van Brédyk 30 is met versierde natuursteen platen bekleed. In het midden leidt een hoge trap naar de ingangsportiek, waarboven de gevel is uitgebouwd. Openslaande deuren en een balkon accentueren deze middenpartij. Portiek en raamopeningen zijn fraai omlijst en van kuiven voorzien. Ook de gevelpartijen kregen omlijstingen van pilasters en zeer decoratieve kroonlijsten. De middenpartij wordt begeleid door veelzijdige hoekkolommen, die bekroond worden door siervazen. Het schilddak, belegd met geglazuurde gegolfde Friese pannen, wordt bekroond door hoekschoorstenen met borden en pironnen.

Ook in het interieur is nog te zien, dat de boerderij uit ruime beurs betaald moet zijn. Het oostelijk vertrek bezit nog de oorspronkelijke betimmeringen. Rond de ramen binnenluiken en verzorgde vensterbanken op zuiltjes en in een wand de bedsteden met een fraaie diggelkast in het midden. De gang heeft een plafond van decoratief stucwerk.


Oud Barrahûs
Op nummer 26 van de Brédyk staat slechts het voorhuis van een boerderij. Toen in 1867 de spoorweg Leeuwarden-Zwolle werd aangelegd moest het bedrijfsgedeelte worden afgebroken. Een paar honderd meter westelijker is vervolgens een nieuwe boerderij gebouwd. De kuif van de buitengewoon sierlijke voorgevel geeft het jaartal 1787 te lezen, waar onder een wapenschild. Het wapen lijkt afgehakt; op de plaats daarvan is geschilderd "Oud". er onder zijn "Barra" en "huis" uitgehakt en tussen de twee woorden is "no 34" geschilderd. Voor het einde van de achttiende eeuw heeft het huis een ouderwetse gevel in rococo-vormen. De in- en uitzwenkende ojiefgevel kan zelfs in de stad Leeuwarden maar op een plek (Nieuwestad 39) worden aangetroffen. De gevel op Barrahûs is voor het platteland een verbazingwekkend rijk verzorgd exemplaar.


Overige items

Verslag van Doeke Wijgers Hellema (1766-1824) over het algemeen gebruik en levenswijze van de boerenstand in het begin van de 19de eeuw.
Branden in Wirdum en Wytgaart (1803-1873)
De soldaat van Barrahuis
De dagboeken van Doeke Wijgers Hellema (1821-1856)
De autobiografie van marinearts Doeke Hendrik Hellema (Achlum 1828-Leiden 1907), kleinzoon van Doeke Wijgers Hellema (bewerkt door achter-achter-kleindochter Margreet Nauta)
(deze autobiografie kenmerkt zich door een hoog 'Wirdumgehalte' dankzij de vele familiebezoekjes die door Doeke Hendrik Hellema werden afgelegd)
Bekijk ook de website (met egodocumenten) van o.a. de familie van Doeke Hendrik Hellema's moeder Magdelt Beekhuis.

Mocht iemand meer willen weten, of nog foto's hebben van familieleden, dan kan Margeet Nauta via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. worden benaderd


Links:

Doarpsargyf Wurdum en Swichum

Terug