(voordracht voor de Rotary Club, 18 oktober 2006)



Op een mooie zaterdagmiddag in de voorzomer van 2005 ben ik ingescheept op een van de pramen die toen voor het eerst door de Leeuwarder grachten voeren. De toelichting van de gids op wat wij onderweg allemaal zagen was heel summier. Toen de Oldehove opdoemde raakte onze man echter op dreef. Ons argeloze passagiers werd meegedeeld dat die grote toren waar wij aan voorbijvoeren in het jaar 1829 op koeiehuiden gebouwd was door een projectontwikkelaar, die zelfmoord pleegde toen de boel ging verzakken, waarna een andere projectontwikkelaar de zaak overnam. Ik zag mijn medepassagiers wat glazig naar de toren staren, maar reacties leverde deze mededelingen verder niet op. Ik wil nog niet de conclusie trekken dat je de mensen tegenwoordig alles wijs kunt maken, maar de gedachte schoot wel even door mij heen, moet ik u eerlijk bekennen.

Wat is de Oldehove? Er kan van alles verbonden worden met deze roemruchte naam: de terp, de nederzetting, de kerk, de parochie, de toren, de begraafplaats, het plein. We kunnen het hebben over de symbolische betekenis van Oldehove voor Leeuwarden en de literaire betekenis van de Oldehove over de volksverhalen, over de roman van Tamminga, over het openluchtspel, over de Oldehove als icoon van de stad, al of niet commercieel. Het is allemaal erg belangrijk en het is even zoveel aparte lezingen waard. Ik doe dat allemaal niet en beperk mij tot de echte geschiedenis van de Oldehove, want die dreigt net als de Oldehove zelf wel eens van het bord te vallen. En de toren zelf? Die wordt pas interessant in zijn context, en is ook alleen dan te begrijpen...

De geschiedenis van de plek van de huidige Oldehove begint rond het begin van onze jaartelling, wanneer hier de eerste bewoners zich vestigden. Het zijn landbouwers die een terp opwerpen, die zich in de loop van de tijd verder uitbreid. Het is een kleine agrarische nederzetting met vermoedelijk enkele boerderijen. Na enkele eeuwen wordt de terp waarschijnlijk verlaten, zoals in grote delen van het terpengebied is ook hier van een continue bewoning geen sprake. Dat heeft alles met een stijging van de zeespiegel, de zgn. transgressiefase.
In de geschreven bronnen duikt deze omgeving voor het eerst op in het jaar 734 als de Frankische koning Karel Martel in een slag in deze contreien de Friezen verslaat. Een belangrijk moment in deze machtsuitbreiding van de Franken naar het noorden als we ons realiseren dat dezelfde Karel Martel nog maar twee jaar daarvoor de Moren, of de Saracenen zoals ze ook wel werden genoemd, terug had geslagen bij Poitiers. De nederlaag van de Friezen tegen de Frankische koningen maakte het land hier rijp voor kerstening. Dat gebeurde in grote delen van Noordwest-Europa door Ierse en Britse monniken, en zo landde in 753 Bonifatius in de buurt van Leeuwarden.

De vestiging van een sterke Europese staat door de Karolingen raakte in de loop van de negende eeuw flink in het slop. In 843 werd het Verdrag van Verdun gesloten, waarin het grote rijk van Karel de Grote verdeeld werd in drie delen. In deze periode trachtten de Frankische heersers overal in de nieuw veroverde gebieden ook door het stimuleren van kloostervestigingen het staatsgezag te versterken. In de Duitse gebieden gebeurde dat onder meer in Werden, Fulda en Corvey, grote kloosters die ook in verafgelegen streken grond en goederen verwierven en kerken stichtten.
Aan de naam van de abdij van Corvey aan de Weser is de geschiedenis van de kerk van Leeuwarden verbonden. Het klooster werd in het begin van de negende eeuw gesticht en kwam tot grote bloei toen via Parijs vanuit Rome de relieken van Sint Vitus naar de abdij werden overgebracht. Sint Vitus was een martelaar uit de vroege christelijke kerk die in 304 de vuurdood was gestorven en aan wiens voeten zich een leeuw had gevlijd. Reden waarom deze heilige meestal wordt afgebeeld met een leeuw. Omdat we precies weten wanneer de Sint Vituscultus in Corvey werd ingevoerd, weten we ook dat de door de kloosterlingen gestichte Leeuwarder kerk gewijd aan Sint Vitus niet voor die tijd gesticht kan zijn. Daardoor weten we nu dat de allereerste Leeuwarder kerk op de Oldehoveterp gebouwd moet zijn omstreeks het jaar 850. Deze kerk was ongetwijfeld van hout. Hij is omstreeks het jaar 1000 vervangen door een eenbeukige tufstenen kerk.

Dan blijkt uit de bronnen dat deze kerk veruit de belangrijkste is in de verre omgeving. Er zijn niet alleen maar liefst vier priesters aan verbonden, maar ook een belangrijke kerkelijke rechtbank, het zogenaamde seendgerecht van Oostergo, waar de deken rechtsprak in geestelijke zaken namens de bisschop van Utrecht. Wat de historie van deze oudste Leeuwarder parochie zo interessant maakt - Van Buijtenen heeft daar een boek over geschreven - zijn de verschillende fasen in zijn geschiedenis. De kerk begon als kloosterstichting vanuit Corvey, maar zoals overal wordt het voor de kloosters steeds moeilijker hun goederen over grote afstanden te beheren en hun rechten te verdedigen tegen lokale machthebbers. In de twaalfde eeuw lijkt de Sint Vitus in handen geraakt van de lokale geestelijkheid. Uit een correspondentie tussen de Utrechtse bisschop en Corvey blijkt dat Corvey dan al een tijdje niet meer de echte macht uitoefent. Later komt de Sint Vitus in handen van de Premonstratenzer abdij Mariengaarde onder Hallum.
De Oldehovenederzetting boet relatief aan belang in ten opzichte van de handelsnederzetting aan de Ee, ter hoogte van de huidige Hoogstraten, de parochie Nijehove, oorspronkelijk het territoir waar het markt- en muntrecht van de graaf gold en het particuliere bezit van de Cammingha’s aan de oostkant van de stad, de stichters van de parochie Hoek. In 1435 vormen de drie gebieden tenslotte één stedelijk rechtsgebied.

Als aan het einde van de vijftiende eeuw de situatie in Friesland tot rust komt en de economie opbloeit onder de vestiging van een sterker centraal gezag en een einde komt aan de vetes tussen Schieringers en Vetkopers, ontstaat ook de ambitie om in Leeuwarden een nieuwe kerk en toren te bouwen. Op de plek van de Sint Vitus staat dan inmiddels de derde kerk in successie: aan het einde van de dertiende eeuw heeft de tufstenen kerk van omstreeks 1000 plaatsgemaakt voor een aanzienlijk grotere kerk, die inmiddels al weer te klein is voor de nu snel groeiende stad.
Het toenemende zelfbewustzijn van de Leeuwarders drukt zich ook uit in de roep om een nieuwe kerk met een toren. Rijke leken vermaken bij testament goederen ten behoeve van dit project en er wordt een systeem ingevoerd waarbij boetes voor een deel in steen worden opgelegd, stenen ten behoeve van de kerk. De zaak komt in een stroomversnelling als de kerk van Sint Vitus in slaagt een eigen steenbakkerij, een tichelwerk te verwerven aan de oostkant van de stad, het zogenaamde Wilaarder of ook wel Oldehoofster tichelwerk. In 1529 sluit de stad een overeenkomst met de bouwmeester Jacob van Aken voor de bouw van de toren en van de kerk.

Het verhaal van de verzakking is genoegzaam bekend. Het duurde niet lang of het was duidelijk dat het bouwwerk overhelde in noordwestelijke richting, niet toevallig de richting waar een zware stenen wenteltrap was aangebracht. De oorzaken van de verzakking zijn vrij goed onderzocht, vooral de directeur van gemeentewerken W.C.A. Hofkamp die in 1910-1911 nauw betrokken was bij de toenmalige restauratie heeft hier op grond van eigen bevindingen onderzoek naar gedaan. Zijn technische relaas zal ik u besparen. (DIA 3) Dat Jacob van Aken drie jaar na zijn contract met het stadsbestuur stierf is u ook allen wel bekend en zelfs neemt u misschien wel voor waar aan dat hij gestorven is van chagrin, van ellende dus. Enig bewijs voor dit laatste ontbreekt echter zoals gezegd, maar zoals met meer dingen rond de Oldehove Wahrheit en Dichtung worden nog al eens door elkaar gehaald. De website www.oldehove.tk, ooit opgezet door een paar vrijwilligers van de Oldehove, maakt het nog bonter: daar wordt ook vandaag nog doodleuk beweerd dat Jacob van Aken zelfmoord zou hebben gepleegd.

Terug naar de historische werkelijkheid. Na de dood van Van Aken werd een nieuwe bouwmeester aangesteld, Cornelis Frederiks, maar in 1533 toen de toren inmiddels twee keer tijdens de bouw gecorrigeerd was, werd de bouw definitief stil gelegd. De toren is nooit meer afgemaakt zoals we allen weten en ook van de bouw van een nieuwe kerk kwam niets meer terecht. De tijd van de godsdiensttwisten brak aan, maar nog net voor de calvinisten het in 1580 definitief voor het zeggen kregen in Leeuwarden, stond de Oldehove nog een keer in het centrum van de belangstelling. De landsheer in Brussel besloot immers om een nieuwe bisdomindeling in te voeren, waarbij Leeuwarden voor het eerst en laatst in de geschiedenis de zetel van een bisschop werd en de Sint Vituskerk tot kathedraal werd gebombardeerd. In 1570 kwam Cunerus Petri als bisschop naar Leeuwarden. Er restte kennelijk weinig zegen op deze laatste stuiptrekkingen van de katholieke hiërarchie in de noordelijke Nederlanden, zowel in 1570 als in 1576 werd de Sint Vitus door een zware storm geteisterd en wat de trotse kathedraal had moeten worden, werd meer een bouwval. Cunerus Petri belandde bij de calvinistische machtsovername korte tijd in het gevang en vertrok daarna definitief uit Friesland en de Sint Vitus werd in de jaren 1595 en 1596 wegens verregaande bouwvalligheid definitief afgebroken. Die afbraak was niet compleet, de muren bleven staan zoals we op de plattegrond van Sems mooi kunnen zien.

De situatie van de zeventiende eeuw is dus een scheve, kromme onafgemaakte toren, en een half afgebroken kerk, die evenwel populair bleef als begraafplaats. De rijken binnen de muren, de minder welgestelden daar buiten.
In 1661 werd aan de noordkant van het kerkhof een stenen wal uit de doorgegraven binnengracht, die de Boterhoek van het kerkhof scheidde, opgemetseld. Aan de westzijde werd het kerkhof middels een ringmuur van de Torenstraat afgescheiden.

In 1679 werd aan de oostzijde van het kerkhof een fraaie nieuwe poort als toegang naar het kerkhof gebouwd. Het oorspronkelijke kerkhof bestond uit een noordelijk - en een zuidelijk gedeelte, ieder met een afzonderlijke regel- doch doorlopende grafnummering. Daarnaast konden welgestelden zich binnen de muurrestanten van de voormalige St.Vituskerk laten begraven. In 1706 werden de muurrestanten afgebroken. Ze werden vervangen door een kring van lindebomen. In 1752 werd door het stadsbestuur een bedrag van 2000 gulden uitgetrokken om het gehele kerkhof op te hogen en andere herstelwerkzaamheden uit te voeren. Het aantal graven op het kerkhof werd in 1754 op zo’n 4700 geschat. In 1786 werd besloten om het gehele kerkhof, voor zover de graven niet met zerken waren gedekt, met gele klinkers te bevloeren.

De toren zelf vereiste inmiddels ook blijvende aandacht van het stadsbestuur. Op 20 juni 1739 brak er brand uit in de kruin van de toren, een brand die slechts met grote moeite en de inzet van veel burgers geblust kon worden. De jonge Vlietster Heerke Louwes verrichtte daarbij heldendaden. Hij kreeg 20 dukaten van het stadsbestuur voor zijn goede diensten. De kruin van de toren werd met kalk en cement bevloerd in het volgende jaar en het beschadigde houtwerk werd vervangen.

In 1751 werd het uurwerk geheel vervangen en in 1763, 1765 en 1768 waren aan de toren zelf weer grote herstelwerkzaamheden nodig weder verpligt, om het gebouw, uit vrees voor gevaar, »met schooren, swiepingen en ankers te versorgen."

Ook in 1788 weer herstel muurwerk. Alles ten gevolge van het misbruik dat van de toren in de achttiende eeuw werd gemaakt. Op zon- en feestdagen was de Oldehove toen voor het publiek toegankelijk. Er werden zelfs koopwaren en eten en drinken verkocht en op het plat werd zelfs gedanst onder begeleiding van vioolspelers. Door de grote menigte mensen dreigde dat dansen af en toe nog gevaarlijk te worden ook.

In het begin van de negentiende eeuw deed men het metselwerk op de kruin, aangebracht na de brand van 1739, nog eens dunnetjes over. Het werd door een met lood bedekte zoldering vervangen en ook was er veel herstel nodig aan muur en metselwerk. De muren rond het kerkhof werden vervangen voor een bedrag van maar liefst 10.000 gulden, een fors bedrag voor die tijd.

Niet lang daarna kwam aan het begraven op het Oldehoofsterkerkhof een einde. Het gevolg van landelijke wetgeving, die ook aanleiding was voor de aanleg van een nieuwe begraafplaats aan de Spanjaardslaan.

Eekhoff schrijft in 1846 dat de Oldehove eerlang nieuwe grote herstellingen vereist. Hij maakt ook gewag van de bewering van de voormalige stadsbouwmeester Gerrit van der Wielen die het heel goed mogelijk achtte de Oldehove weer recht te zetten. Chris van den Berg heeft het dus niet van zichzelf wil ik maar zeggen.

In 1862 werd op het kerkhof een armenschool gebouwd. De rest van het terrein liet men voor wat het was. In de loop der jaren ontstonden hier veel kuilen doordat de deksels van de grafkisten het begaven. Het terrein werd niet onderhouden. Al gauw kwam het tot klachten over stank in de armenschool, zodat in 1878 de vloeren van de klaslokalen werden uitgebroken en beter bevloerd. Het gebouw bleef in gebruik tot 1933. In dat jaar werd het gesloopt om het terrein in gebruik te kunnen nemen als bodenterrein. Om het terrein te effenen, verlaagde men het met ruim een meter. Van 1934 tot 1968 bleef het Oldehoofsterkerkhof in gebruik als bodenterrein.

In 1910 en 1911 vond een ingrijpende restauratie van het monument plaats met subsidie van rijk eneen grote rol voor de Rijksdienst Monumentenzorg. Het was naar aanleiding van deze restauratie dat directeur gemeentewerken Hofkamp het eerder vermelde boekje schreef. Dit is de eerste restauratie die uitvoerig is gedocumenteerd. Er zijn honderden tekeningen, foto’s, schetsen en documenten van bewaard.

Enkele jaren later, in 1914 wordt opgericht de NV Maatschappij tot Exploitatie van de Oldehove. Deze NV wilde een lift gaan exploiteren in de toren en zo gebeurde het ook. De lift en de openstelling na de restauratie waren een succes. In de eerste tien jaar sinds 1915 ontving de Oldehove maar liefst 113.000 personen. Na de oorlog zien we eigenlijk na enige tijd toch een neergang inzetten. In 1953 werd de lift buiten gebruik gesteld. In 1957 wordt het zinken dak vervangen. In 1958 pijlen met plaatsnaamaanduidingen verwijderd. De NV moest worden opgeheven toen geen torenwachter meer gevonden kon worden die dichtbij de toren woonde (sloop Boterhoek) in de jaren zestig. Anderzijds toren ook te bouwvallig. Daarna weer in gemeentehanden.

Van 1972-1974 vond opnieuw een ingrijpende restauratie plaats. Burgemeester Brandsma beweerde bij die gelegenheid dat de toren er weer vijftig jaar tegen kon. In de jaren zeventig kwamen er in een topjaar 20.000 mensen, waarvan er 14.000 ook naar boven gingen. De uitspraak van Brandsma dat er 50 jaar niks aan de toren gedaan hoefde te worden bleek helaas op drijfzand te berusten. In het begin van de jaren negentig kwamen er verontrustende berichten van bewoners van de Westerplantage en de Torenstraat over vallende stenen. Het gevolg was een nieuwe restauratie, die in 1997 kon worden afgesloten.

Nu staan we aan het begin van belangrijke nieuwe ontwikkelingen rond de Oldehove. Mede dank zij het initiatief van deze Rotary Club staat de Oldehove weer in het centrum van de belangstelling van burger en bestuur. Dat is ook nodig want achter de kuilen, de hekken, de bouwketen en de hopen zand dreigde de Oldehove langzaam onzichtbaar te worden. Dat verdient de toren en zijn roemruchte geschiedenis natuurlijk helemaal niet. Deze keer geen herstel van de muren, maar een volledig eerherstel voor een belangrijk stadsmonument! De Oldehove moet terug waar hij hoort: in het hart van de stad.

Jan Folkerts

Terug