(grotendeels ontleend aan J.A. Mulder, Het Stadhuis van Leeuwarden. Vijf eeuwen bestuurlijk en stedelijk prestige. Leeuwarden, 2005.)

Stellig de moeite van een bezoek waard is het pas ingrijpend gerestaureerde Stadhuis van Leeuwarden aan het Raadhuisplein. Het Stadhuis is meer dan eens en op gevarieerde wijze in woord en beeld belicht. Het gebouw vraagt er eigenlijk om want het is, zeker wanneer we de iets jongere aanbouw met de Raadzaal gemakshalve erbij rekenen, een Leeuwarder topmonument.

Raadhuisplein
Het plein wordt door het Stadhuis gedomineerd en omsloten door panden waarvan de meeste uit de periode tussen 1750 en 1900 dateren. We zien in één pand een cartouche met het jaartal 1666 en een gevelsteen met het opschrift "In de Fortuijn". Midden op het plein staat een oude linde, de zogenaamde Wilhelminaboom, die in 1898 in verband met de troonbestijging van koningin Wilhelmina werd geplant. Het hek er omheen is van prachtige decoratie voorzien in de vorm van oranje twijgen, vruchten en bladen waarin een gekroonde W is verwerkt. Architect H.H. Kramer ontwierp het. Het smeedwerk werd door de firma Kroes en Zn. uitgevoerd.

Voorgangers
Het gemeentebestuur was niet altijd zo royaal gehuisvest. Het oudst bekende Raadhuis stond aan de oostkant van de Grote Hoogstraat. Wanneer het gebouwd werd weet men niet. Het is wel zeker dat het al in 1517 niet als waardig voor de bestuurders van de stad werd beschouwd. In dat jaar bood Karel V de stad het zogenaamde Waltahuis aan, op de Nieuwestad, op de plaats van kledingzaak P.S. Bakker. Hoewel het huis met zijn voorplein en toren wel geschikt voor een Stadhuis bleek accepteerde de stadsregering dit aanbod niet. Pas toen in 1595 het oude Raadhuis dreigde in te storten kwam het tot een verhuizing. Het stadsbestuur kocht het Waltahuis van Anne Isbrantszoon aan. Het voldeed kennelijk niet geheel aan de verwachtingen want men bracht al in 1601 een bod uit op het Minnemahuis aan de Voorstreek. Tot een transactie kwam het echter niet. het duurde tot 1618 voor de burgervaders een geschikte behuizing vonden in het pand van de familie Arendsma op de plaats van het huidige Stadhuis. Dit voorname huis van het aan de Auckama’s verwante geslacht Arendsma was aan de west- en noordkant door grachten begrensd en bestond uit vier gebouwen met topgevels en een toren.

Bouw Stadhuis
Vanaf 1618 zetelde het stadsbestuur bijna een eeuw lang in dit Arendsmahuis. Intussen groeide de behoefte aan een betere huisvesting. In 1713 besloot men tot de bouw van een nieuw Stadhuis. De kosten bedroegen circa 50.000 gulden, waarvoor een stedelijk fonds werd aangesproken. Bij de nieuwbouw werd de bestaande bebouwing tot de kelders toe gesloopt. De bouwer was Claas Bockes Balck, die zich "meester- en stadstimmerman" noemde. Hij was ook betrokken bij waterstaatswerken en bouwde de enorme sluizen van Dokkumer Nieuwezijlen. Hij was in Leeuwarden met de zorg voor de openbare werken belast. Het Stadhuis werd in hetzelfde jaar voltooid, afgezien van de verfraaiing van het interieur, die tot 1724 duurde. Waarschijnlijk werd Balck geïnspireerd of aangestuurd door bouwmeester Anthony Coulon. De eerste vergadering in het nieuwe Stadhuis vond op 6 december 1715 plaats.
Dat dit voorbeeld van classicistische barok toen het in 1715 verrees misschien geen toonbeeld van moderniteit meer was, doet weinig af. Het ouderwetse zit hem overigens vooral in de toepassing van een dominant fronton boven een middenrisaliet met entreepartij. Dit ordenende motief had elders in Nederland zijn intrede gedaan in het tweede kwart van de zeventiende eeuw maar was inmiddels een beetje uit de mode geraakt
Hoe de gevel er precies heeft uitgezien tonen de vele afbeeldingen die van het gebouw werden gemaakt. Een vergelijking van deze prenten met de huidige façade leert ons dat in de loop der tijden de voorgevel weinig is veranderd. Ze is drie bouwlagen hoog en negen vensters breed. De middenpartij springt iets naar voren en daarin bevindt zich de fraaie ingang. De deur met bovenlicht bezit een zware omlijsting van blokken en sierlijke pilasters. Boven de deur bevindt zich in gouden letters het opschrift "Pace et justitia", dat "Door Vrede en Gerechtigheid" betekent. De personificaties van deze begrippen van de hand van beeldhouwer Gerbrand van de Haven flankeren het omlijste venster op de eerste verdieping. Dit raam wordt door een segmentvormig timpaan bekroond waarop de volgende tekst prijkt "De eerste april 1715 heeft Zijne Hoogheid den Heere Willem Carel Hendrik Friso Prinse van Oranje en Nassau Erfstadhouder en Captain Generaal van Friesland etc. etc. den eerste steen aan dit Stadhuis gelegt, oude 3 jaaren en 7 maanden".
Boven het met leien gedekte dak torent de elegante achtzijdige klokkenkoepel uit, waarin in 1914 het carillon werd ondergebracht. Het is afkomstig uit de in 1884 afgebroken Nieuwe toren en is in 1687 vervaardigd door Claude de Fremery uit Amsterdam. het automatische speelwerk (elektronisch gedreven) laat sinds 1972 op het volle en het halve uur overdag een liedje spelen. Zie hier het volledige overzicht van de ten gehore gebrachte melodieën

Bouw Raadzaal
In 1760 werd het Stadhuis met een ruime Raadzaal uitgebreid. De uitbreiding vond tegen de achterzijde plaats en werd helemaal naar de Auckamastraatje "geschoven’. Zo ontstond een binnenpleintje dat door een sierlijk hek werd afgesloten. Hier is sinds de laatste restauratie/verbouw de hoofdingang van het Stadhuiscomplex. Dit hek werd door Jochem Lange vervaardigd. De uitbreiding werd ontworpen door hofarchitect Pieter de Swart en stadstimmerbaas Jan Noteboom zorgde voor de uitvoering.
Uit de bouwtekeningen kan men opmaken dat Noteboom niet alleen de zorg droeg voor de realisering van het ontwerp van Swart maar dat hij ook bij het ontwerpproces actief betrokken was. Hij ontwierp een bijna vierkante zaal op een vrij lage begane grond. Aan de kant van het Hofplein kreeg deze nieuwbouw een rijk geornamenteerde gevel in rococostijl De middenpartij werd van een opvallende decoratie in natuursteen voorzen waarvan de met rocailles en guirlandes versierde bekroning boven het ingezwenkte kalf van de deur een belangrijk onderdeel vormt. Het raam erboven wordt door krulwerk geflankeerd. Het draagt een cartouchevormige inscriptieplaat met de volgende tekst: "Den 12 august 1760 heeft zijn Hoogh. Prins Willem de V., Erfstadhouder, Capt. en Admir. Generaal der Vereenigde Nederlanden etc. etc. etc. den eersten steen van dit gebouw laaten leggen, door den Hoogw. heer R.H. Baron van Hambroick ter presentatie van Haare Hoogh. Mevrouw de Prinses Douairière etc. etc. etc." Met de laatste wordt Maria Louise van Hessen-Kassel (Marijke Meu) bedoeld. De façade wordt door een forse attiek afgesloten waarin een grootse rocaille met het stadswapen werd opgenomen. Hierop staat de fiere Leeuwarder leeuw afgebeeld die de staart bescheiden naar binnen laat krullen

Aanpassingen aan het exterieur
Het Stadhuis is relatief jong en tenminste bij de eerste blik van buiten heeft het er zelfs van weg of er nooit iets aan is verbouwd en vernieuwd, zo keurig en regelmatig ziet het eruit. Doch schijn bedriegt.
Om te beginnen vond men het in 1816 nodig om de zogenoemde Engelse schuiframen met 40 (begane grond), 28 (eerste verdieping) en 16 (tweede verdieping) ruitjes te vervangen door eigentijdsere Empire-ramen met een grovere, respectievelijk 8-, 6- en 4-ruits roedenverdeling. Een beetje spijtig: in hun complete originele vorm waren de vensters in meer dan één opzicht bijzonder. De toepassing van het venstertype, vermoedelijk door een Engelse architect ontwikkeld en in de jaren-1680 in Nederland geïntroduceerd, behoort tot de vroegst bekende voorbeelden in Leeuwarden. Bovendien is het hier (met het herenhuis Grote Kerkstraat 31 uit 1716) één van de eerste, zo niet de allereerste keer geweest, dat kozijnen een getoogde bovendorpel kregen; de welving is amper waarneembaar maar ze is er.
Stadsarchitect Thomas Romein droeg de verantwoordelijkheid voor werkzaamheden veertig jaar later. Geciteerd uit het ”Bestek en Voorwaarden” uit 1845 onder meer:
”1. Het nagenoeg geheel vernieuwen van den kroonlijst” en
”2. Idem van vijf schoorstenen buiten het dak (-)”.
Voorts besloot men tot het ”verwen van het Gebouw van buiten met den toren”. Essentieel voor het aanzicht tenslotte was, dat de naar verhouding kleine trapstoep met afgeschuinde hoeken vervangen werd door een groot rechthoekig plateau met hoeklantaarns. Het oorspronkelijk halfronde bordes moest in 1847 wijken voor het huidige rechthoekige. Nog weer later (wanneer is moeilijk te achterhalen) zijn een aantal, kennelijk verrotte houten onderdorpels vervangen door betonnen exemplaren..

Ooit heeft de oostgevel grotendeels of zelfs geheel vrij gestaan. Tot 1760, toen men de Raadzaal er tegenaan zette en op tweede verdieping-hoogte enkele Stadhuisvensters aan het zicht werden onttrokken; het zijn de vensters die het trappenhuis verlichtten en thans uitkijken op de zolder van de Raadzaal. Dat onderhoudsschilderwerk nadien achterwege kon blijven èn is gebleven, is zeer aannemelijk wanneer men bedenkt dat er geen slijtage meer optrad door weer en wind. De conclusie, dat de kleurlagen die nu nog op de vensterkozijnen zitten uit de periode 1715-1760 dateren, is vervolgens snel getrokken. Het bleken er welgeteld twee te zijn: de onderste zeer verrassend een stevig bruin met een rood zweem en daarover een zandsteenimitatie. De tweede kleur werd ook nog aangetroffen op kozijndelen onder meer aan de voorkant van het gebouw. Na overleg met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Monumentencommissie van Hûs en Hiem is in 1994 besloten om alle houtwerk behalve de ramen weer die zandsteenkleur te geven. Als eerste onderdeel is in het voorjaar van 1995 de lantaarn geverfd. De kleur blijkt zeer goed te passen bij het echte zandsteen van het beeldhouwwerk en dit zal geen toeval zijn.

Interieur
Het Stadhuis van Leeuwarden herbergt een reeks van interessante vertrekken. Sommige zijn rijk versierd en tonen het resultaat van het kunnen van vele goede kunstenaars en ambachtslieden die in Leeuwarden hebben gewerkt. De hecht geconstrueerde kelders vormen het oudste deel van het gebouw. Ze zijn de restanten van het oude Arendsmahuis. Het metselwerk van de breed uitwaaierende gewelfvlakken ging sinds 1979 schuil achter een witte pleisterlaag. De overwelving rust op korte robuuste pijlers van natuursteen. In de dikke muren werden een paar kleine raampjes met traliewerk geplaatst. De ruimte bleek zeer geschikt voor het opsluiten van kwaadwillenden. Met weet nog steeds de plaats van het zogenaamde "Hounegat" aan te wijzen. Dit was een diepe put waarin de gevangene desnoods kon worden neergelaten. Dit lot overkwam vooral de ontuchtige vrouwen. Een deel van deze kelder is ingericht als vergaderruimte.

Via de oude hoofdingang achter het bordes komt men in een nog authentieke ruimte, de hal van het Stadhuis. Het werd door twee Italianen, Joseph Barberino en Gianbatista Albisetti in 1724 vervaardigd. De eerste was verantwoordelijk voor het ontwerp, de tweede voor de uitvoering. Het stucwerk stelt het wapen van Leeuwarden voor, begeleid door een besnord masker. De muren worden door nissen geleed waarin later portretten werden opgehangen. Tegenover de ingang bevindt zich een houten poort met gecanneleerde pilasters. Ze is voorzien van een grisaille van de decorateur Freerk Hayema, welke de Vrede en de Onrust voorstelt. Links achter de hal bevindt zich de voormalige kamer van de gemeentesecretaris waarin een fraaie schoorsteenmantel met schilderstuk staat. Rechts waren de bodekamers Uit de hal komt men in het trappenhuis dat gedomineerd wordt de massieve eikenhouten trap van de hand van Pieter Nauta en Benjamin Dijkstra. De fraaie balusters van de trapleuning tonen hun afzonderlijke vakmanschap. De monumentale trap leidt halverwege naar de later gebouwde Raadzaal en verder naar het boven de vestibule liggende zogenaamde Blanke Ruim. Dit vertrek ontving zijn naam waarschijnlijk naar de eiken vloer die bewaard is gebleven. het eenvoudige balkenplafond zorgt een oer-Hollands sfeer. Aan de zuidkant hiervan werden in 1847 de twee kamers van de vroegere kamerbewaarder tot de "Nieuwe zaal" samengevoegd.

Stadsbouwmeester Thomas Romein ontwierp de inrichting om voor de toenmalige gemeenteraad een geschikte vergaderruimte te scheppen. het interieur werd in empirestijl uitgevoerd waarbij de wanden door pilasters werden geleed, die een kroonlijst en een koof dragen. Wanden en pilasters zijn zodanig beschilderd (gemarmerd), dat ze met marmer bedekt lijken. Er hangen portretten van de koningen Willem I, Willem II en Willem III. Ze zijn door de bekende portrettist J.J.G. van Wicheren geschilderd. De beeltenis van koningin Wilhelmina van Dick Osinga werd later opgehangen. het pleisterwerk van lijsten, wandvlakken en plafond werd door Jan Eilardus Martens aangebracht. Tot 1971 werden hier de huwelijken voltrokken, daarna werd hij vergaderzaal.

Aan de zijde van het "Blanke Ruim" bevinden zich de burgemeesterskamer en de Vertrekkamer. De kamer van de burgemeester prijkt nog in zijn oorspronkelijke staat van 1715. Men proeft hier nog de sfeer van de classicistische barok. De fraaie gobelins, die de wanden geheel bedekken, trekken onmiddellijk de aandacht. Ze werden door de Amsterdammer Alexander Baart in 1718 ontworpen. De wandtapijten stellen vier van de vijf werelddelen voor, Australië ontbreekt wegens ruimtegebrek. Ze verkeerden lange tijd in een slechte toestand vanwege de inwerking van het zonlicht op de stof, maar zijn onlangs drastisch gerestaureerd. De allegorische plafondschildering en het schoorsteenstuk met de voorstelling van het Verbond der Unie zijn van de decoratieschilder Freerk Jans Hayema.

De Vertrekkamer - vroeger voor vergaderingen van burgemeester en wethouders - bevindt zich achter de burgemeesterskamer. Ze bezit een eenvoudige zwartmarmeren schouw met sierlijst en met een tegeltableau van de bekende Harlinger fabriek Van Hulst uit 1899, waarop een voorstelling met een gezicht op de Oldehove is afgebeeld. Op de schoorsteenmantel hangt een allegorisch schilderstuk met Minerva of de Wijsheid. Eén van de wanden wordt bedekt met een behangschildering uit 1787-1789 stelt "Mozes omringd door de 70 oudsten" voor, een bijbelse voorstelling, tevens een toespeling op het collectieve bestuur. De schilder liet zich inspireren door het gelijknamige schilderij van Jacob de Wit in het Koninklijk Paleis op de Dam te Amsterdam.

Nog één monumentale ruimte is zeker het bewonderen waard, de oude Raadzaal, in de nieuwe vleugel uit 1760. Om deze te bereiken moet men halverwege de eiken trap afdalen. De grootste zaal van het Stadhuis is aan de oorspronkelijke functie onttrokken. De zaal bezit een eiken betimmering in een indrukwekkende rococostijl. Toch is de algemene indeling zeer symmetrisch. Het snijwerk werd door Dirk Emberveld en Eilardus Swalue, beiden afkomstig uit Leeuwarden, vervaardigd. Het houtwerk werd in 1950 van zijn verflaag ontdaan. Het stucplafond van Jean Baptist Singer en de schouw van Hermanus Poggeman zijn het resultaat van groot vakmanschap. De allegorische schilderingen boven de vier deuren, de zogenaamde sopraportes zijn van Rienk Keyert naar ontwerpen van Rienk Jelgerhuis. Ze stellen de burgerlijke eendracht, manhafte dapperheid, algemeen belang en huishoudelijke bestiering voor. Rienk Keyert schilderde ook de grisailles boven de portretten. Alle bovengenoemde ambachtslieden en schilders waren Leeuwarder ingezetenen.

De portrettenreeks stelt de koningen en koninginnen sinds 1815 voor: koning Willem I (van W.B. van der Kooi), koning Willem II en Willem III (van J.J.G. van Wicheren), koningin Emma (C. Bisschop), koningin Wilhelmina (J.H. Jurres) en koningin Juliana (Piet van der Hem) zijn allemaal "getuige" van al het besprokene tijdens de raadsvergaderingen. Voor deze beeltenissen hingen er de portretten van de Friese stadhouders. In 1795 werden ze helaas verwijderd en later vervangen door de huidige schilderijen. Boven de sierlijke schouw hangt het portret van Maria Louise van Hessen-Kassel. Het is een kopie van W.B. van der Kooi naar M. Accama.

Hoofdwacht
Links van de Raadzaal staat een witgepleisterd gebouw uit 1845. Het werd door stadsarchitect Th. Romein ontworpen. Op die plaats stond vroeger de hoofdwacht waar de militairen gehuisvest waren die voor de bescherming van het stadhouderlijk hof zorg droegen. Na het vertrekt in 1747 van de Friese stadhouder naar Den Haag, was de rol van de hoofdwacht uitgespeeld. In 1838 wilde het Rijk het oude gebouw afstoten. Voor de gemeente kwam dit goed van pas daar men op het Stadhuis met ruimtegebrek kampte. Ze liet het bouwvallige gebouw door een nieuw vervangen waar tot 1880 het kantongerecht, vervolgens het bureau van de burgerlijke stand en het politiebureau werd ondergebracht. In 1885 werd op de zolder van het pand de eerste Leeuwarder telefooncentrale gevestigd. De voormalige Hoofdwacht is onlangs (definitief) deel gaan uitmaken van het Stadhuiscomplex en biedt nu o.a. ruimte aan de nieuwe ultra-moderne raadszaal op de verdieping.

Aparte vermelding verdient het geboortehuis van componist Richard Hageman (1881-1966). Hij werd geboren achter de Hoofdwacht (Sint Jacobsstraat 35) en emigreerde op jonge leeftijd met zijn ouders naar Amerika, waar hij in 1940 een oscar won voor de muziek bij de film Stagecoach (met John Wayne). Later werd dit huis ingericht tot dienstwoning van de commissaris van politie en bij de Hoofdwacht getrokken.

In 2009 werden ter verbetering van de akoestiek panelen met afbeeldingen van beroemde Leeuwarders - waaronder Richard Hageman - aan het het plafond van de entree van het stadhuis bevestigd. Lees meer hierover  elders op deze website.

Belangrijkste literatuur:

  • A. Wassenbergh. De decoratieschilders der achttiende eeuw en het Stadhuis te Leeuwarden. In: Leeuwarden 1435-1935 (Leeuwarden 1935), pp. 139-178.
  • W.H. Kuipers. Het Stadhuis van Leeuwarden. Uitgegeven t.g.v. het 250-jarig bestaan van het Leeuwarder Stadhuis (Leeuwarden 1965).
  • W.H. Kuipers. Het Fremy carillon. Uitgegeven t.g.v. de ingebruikneming van het carillon op vrijdag 22 december 1972 (Leeuwarden 1972).
  • P. Karstkarel. De bouwgeschiedenis van de Raadzaal van Leeuwarden (Leeuwarden 1987).
  • F.H. Schmidt. Pieter de Swart, architect van de achttiende eeuw (Zwolle 1999).
  • O. Hellinga. Van Blokhuis tot Stadskantoor; 500 jaar overheidsgebouwen in Leeuwarden. Monument van de maand 13 (Leeuwarden 1998).

NB: de bovenstaande tekst is een bewerkte versie van de eerder in verschillende Open Monumentendagboekjes verschenen artikelen. Gegevens over de recente restauraties zijn heel globaal opgenomen. Er is een uitgebreid boek over de geschiedenis en bouwhistorie van het Stadhuis verschenen. 

Terug