‘Tapperijen, logementen, sociëteiten en huizen van plezier'


Historische horeca

Open monumenten in Leeuwarden 2001


Luifelschriften en andere reclameuitingen van Leeuwarder horeca in de achttiende en negentiende eeuw:

Voor de herberg In 't Paradijs
Komt gy van de rys, en zoekt ge Logys,
Soo komt doch Logeeren in 't Paradys
Waar daar is Bedding, Drank en Spys
En alderhande soort van Vleys.

Zyt gy door reizen afgemat
Treed hier in om te rusten;
Men tapt u hier goet Haarlems nat,
En schaft u na uw lusten.

Gy reisbaar Luy, wie dat gy zijt;
Rijd niet verby, komt in met vlijt,
Hier vind gy Stalling t'aller tijdt,
En Vrouw en Meyt ten dienst bereit.
Men schaft hier alles, wijn en Bier.
En wat gy eyscht tot uw' plaizier.

Waerm en kald miel, thige swiet,
Bier as kald as helder,
Alderhande beste win,
Altid in ‘ kelder;
Twa biljerten haw ik stean,
Kranten om in to lesen,
En for net to folle jild.
Nea kin't better wese.


Woord vooraf
Leeuwarden is een rijke monumentenstad. Dit jaar wordt voor de vijftiende keer de Open Monumentendag georganiseerd. Het kost nauwelijks moeite om elk jaar weer een nieuw thema te vinden al of niet in samenhang met het landelijk thema. Het landelijk thema is dit jaar Historische Interieurs.
In Leeuwarden is gekozen voor monumentale Tapperijen, logementen, sociëteiten en huizen van plezier. Dit jaar zullen zestien historische horecapanden in en rond de binnenstad worden opengesteld. Uiteraard is dit een selectie, want in een stad als Leeuwarden met een rijke horecatraditie staan veel meer historische uitgaansgelegenheden. Het boekje heeft dit jaar een record-omvang. Toch is er zoveel bronnenmateriaal bewaard gebleven over Leeuwarder horeca en is het onderwerp zo breed, dat het een goed idee lijkt om nog eens een ‘echt' Leeuwarder kroegenboek het licht te doen zien.

De thema's voor de volgende Open Monumentendagen zijn ook al bekend. In 2002 zal aandacht besteed worden aan de handel in Leeuwarden. Dan zullen oude pakhuizen en/of opslagkelders opengesteld worden. In 2003, het jaar van de boerderij, zullen monumentale boerderijen in het zuidelijk ‘trimdeel' worden belicht.
De Leeuwarder Open Monumentendag is landelijk een topper. Elk jaar zijn er duizenden bezoekers, zowel oud als jong. Dat komt niet alleen door de opengestelde monumenten maar ook door de vele activiteiten die rond het thema worden georganiseerd.
Een van de charmes van de Leeuwarder Open Monumentendag is dat veel door vrijwilligers gedaan wordt. De hulp van het Historisch Centrum Leeuwarden is echter onontbeerlijk. In de toekomst is aan een zekere professionalisering niet te ontkomen. Vooral de samenstelling van het Open Monumentendagboekje vraagt te veel tijd. Gelukkig zijn er behalve de gemeente ook altijd andere Leeuwarder instellingen, die de organisatie van de Open Monumentendag mogelijk maken.

Leeuwarden heeft sinds het ‘bieroproer' van 1487 altijd al wat met bier gehad. Het gebruik van bier werd vroeger positief beoordeeld. Johan Winkler, medicus en historicus, schreef in de negentiende eeuw: "Als goed bier met behoorlike mate gedronken wordt, is het inderdaad een heilrijke drank. ‘t Is vloeibaar brood." Ook Dr. Ph. Kooperberg laat zich in zijn Geneeskundige Plaatsbeschrijving van Leeuwarden in dezelfde bewoordingen uit: "De welgestelde zoowel als de werkman, mannen zoowel als vrouwen maken al meer gebruik van dezen gezonden (met mate gebruikt), niet schadelijken drank". Het dagelijks drinken van bier was volstrekt normaal in het Friesland van anderhalve eeuw geleden, getuige onder meer het dichtsel van Dr. Eeltsje Halbertsma: "De joun begoen to kommen. En ‘t folkje gong to bier".

Ik spreek de wens uit dat de vijftiende Open Monumentendag weer een geslaagde dag wordt met mooi weer en volle terrassen waar het Leeuwarder "folkje" weer "to bier" (of wat anders) gaat.

Hendrik ten Hoeve, voorzitter werkgroep Open Monumentendag van de vereniging Aed Levwerd

 

INHOUD

INLEIDING
De zestiende eeuw
Tabak, gedistilleerd en koffie
Diversiteit
Broedplaatsen van ondeugd
Horeca buiten de stadwallen
Het theater lokt
Elk zijn eigen vermaak
Gebruik en misbruik
Een feest vol lering en vermaak
De opkomst van de revue
Nieuwe vormen van vermaak
Dansen als rage
Nieuwe trends

BESCHRIJVINGEN

  1. Ruiterskwartier 57 (De Friesche Club, voorheen de Stadsschouwburg)
  2. Westerplantage 15 (Fardin's Perzische Tapijten, voorheen o.a. dancing Le Moulin Rouge)
  3. Groot Schavernek 9 (Galerie Van den Berg, voorheen o.a. Hotel Weidema)
  4. Bagijnestraat 42 (Distilleerderij Meekma)
  5. Auckamastraatje 2 (Oranje Bierhuis)
  6. Weerd 18 (Grand-Café Liechtenstein)
  7. Sint Jacobsstraat 9 en 11 en Herenwaltje 10 (voorheen o.a. Hotel De Phoenix)
  8. Uniabuurt 8 (Café De Ossekop)
  9. De Kelders (voormalige bierkade en bierkelders)
  10. Grote Hoogstraat 16-18 (Eetcafé De Lachende Koe, voorheen restaurant ‘t Pannekoekhuysje)
  11. Grote Hoogstraat 44 (Grand koffieshop Repelsteeltje, voorheen o.a. De Raadskelder
  12. Eewal 50-52 (Eetcafé Spinoza, voorheen Restaurant La Spunta)
  13. Breedstraat 48 (Muziekcentrum Schaaf, voorheen o.a. Zaal van der Wielen)
  14. Hoekstersingel 1 (Café Blauwhuis)
  15. Oostersingel 32 (Bierhuis Lampie)
  16. Stationsweg 10 (Hotel de Pauw)

 

INLEIDING


Horeca in Leeuwarden 1500-2000

Wie de sfeer van een stad wil leren kennen en de leefstijl van haar inwoners, kan het beste een rondtocht maken langs de vele horecagelegenheden die een stad doorgaans rijk is. Hier wordt gelachen, gegeten en gedronken. Ruzies worden er gemaakt of onder het genot van een goed glas bijgelegd. Liefdes bloeien er op en worden er vergeten. Zaken worden er definitief beklonken. En de vreemdeling komt er in contact met de lokale bevolking. Afhankelijk van het etablissement leert men ook de verschillende kanten van de stedelijke bevolking kennen. Aan de ene kant zijn er de 'nette' gelegenheden waar men zich voorkomend dient te gedragen en aan de andere kant zijn er tal van intiemere zaakjes waar men onder vrienden is en geheel zichzelf kan zijn. En enigszins aan het zicht onttrokken zijn er ook nog verscheidene gelegenheden waar de ondeugd welig tiert. Zowel het publieke als het privé-leven van de stedelijke bevolking leert men in de horeca kennen.
We zijn ons vaak nauwelijks bewust van de centrale plaats die de horeca in onze samenleving inneemt, hoewel Domela Nieuwenhuis anderhalve eeuw geleden al de drie K's van kroeg, kerk en kapitaal als de pilaren (in zijn ogen kwaden) van de maatschappij aanwees. Nu kunnen kerk en economie bij historisch onderzoek op ruime aandacht rekenen, de horeca komt er vaak bekaaid af. Dat geldt ook voor Leeuwarden, een stad die al eeuwen een ruim en gevarieerd horecaleven kent. In het onlangs verschenen overzichtswerk over de Leeuwarder geschiedenis zal men in het register vergeefs naar zaken met betrekking tot de horeca zoeken. Een speurtocht naar de horecageschiedenis van de stad biedt daarom niet alleen een aardig tableau vivant van Leeuwarden door de eeuwen heen, maar ook een nieuwe blik op de sociale geschiedenis van de stad.
Onderstaand fragment van een zeventiende-eeuws grafschrift leert dat kroegtijgers ook in vroeger tijden een normaal verschijnsel vormden in het Leeuwarder stadsbeeld:

Beneden deze blaauwe steen
Daar rust een Broeder van Sileen
Die staâg in 't wulpse druivesap
By Rook, en Smook, en Kangeklap
By Klosbaan, Kaart, en Teerling-spel
Verkreeg en hiel sijn tijdlijk wel.

De zestiende eeuw
Uit de Middeleeuwen zijn maar weinig bronnen met betrekking tot Leeuwarden overgeleverd en wat de stedelijke horecavoorzieningen in die tijd betreft tasten we nagenoeg geheel in het duister. Pas uit de periode rond 1500 zijn lijsten en registers bekend waarin grote aantallen Leeuwarders met hun beroep vermeld worden. Uit deze bronnen blijkt dat er in die tijd al verscheidene tapperijtjes in Leeuwarden waren. We moeten hierbij denken aan kleine lokaaltjes waar men voor drank en mogelijk ook eten terecht kon. Vaak werden dergelijke bedoeningen als bijverdienste gedreven. Of er toen ook al herbergen waren waar men kon overnachten, is hoogst twijfelachtig. Het interregionale handelsverkeer was nog beperkt en vond in die dagen vooral plaats tijdens de drie jaarmarkten die in Leeuwarden werden gehouden. Veel verkeer naar de stad om staatkundige redenen was er ook nog niet; pas in 1504 werd Leeuwarden de hoofdstad van Friesland. De vraag naar overnachtingen in de stad was dus betrekkelijk gering en bovendien zeer onregelmatig. De vreemdeling die in Leeuwarden wilde overnachten, moest bij familie of bekenden aankloppen en als hij die niet had, kon hij het bij een van de kloosters proberen of bij de gasthuizen. In het oudste Leeuwarder gasthuis, het Sint Anthony Gasthuis (opgericht tussen 1400 en 1425), konden reizigers gedurende drie dagen en drie nachten (gratis) onderdak krijgen.
In de loop van de zestiende eeuw ontstonden er in Leeuwarden verscheidene logementen waar reizigers tegen betaling onderdak konden vinden. De stad ontwikkelde zich in deze eeuw enorm. Het inwonertal steeg van nog geen vijfduizend rond 1500 tot zo'n twaalfduizend aan het begin van de zeventiende eeuw. Leeuwarden ontwikkelde zich tot bestuurlijk centrum voor het gewest en tot een belangrijk knooppunt in het binnenlandse handelsverkeer. De landsdagen werden er gehouden. Politieke items van meer of minder belang werden door de volmachten in de herbergen besproken. De zaterdagse weekmarkt nam de rol van de oude jaarmarkten in de interregionale handel gestaag over en in de tweede helft van de zestiende eeuw ontstonden de eerste geregelde beurtveerdiensten tussen Leeuwarden en enkele andere grote plaatsen. Het aantal reizigers dat de Friese hoofdstad aandeed nam sterk toe en ze kwamen ook meer gespreid over het jaar. En het aanbod van overnachtingsmogelijkheden paste zich aan deze verruiming van de vraag aan.
Bij het ontstaan van de eerste herbergen in Leeuwarden hebben immigranten waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld. Van de tappers en herbergiers die in de zestiende eeuw het burgerrecht van Leeuwarden verworven, waren allen die als beroep "tapper" opgaven, uit Friesland afkomstig. Van de drie "herbergiers" die in de zestiende eeuw het burgerrecht verwierven wordt geen geboorteplaats vermeld, maar op grond van hun namen valt te vermoeden dat ze van buiten de provincie afkomstig waren, mogelijk zelfs uit Duitsland. Nog in 1601 verwierven trouwens een herbergier uit Hamburg en één uit Xanten het burgerrecht van Leeuwarden. De Chinezen, de pizzabakkers en de shoarmaboeren zijn dus niet de eerste immigranten die het aanzicht van de Leeuwarder horeca hebben veranderd!
Het Sint Anthony Gasthuis bleef aanvankelijk nog onderdak bieden aan de minvermogende reiziger. En dat het hierbij vaak om de zelfkant van het reizende volksdeel ging blijkt wel uit de maatregelen die in 1578 werden genomen om er voor te zorgen dat deze gasten geen "kijverije, dronckenschap, hoererije, noch andere excessen ofte ongeregeldheyden" tijdens hun verblijf zouden plegen. Wie het zich kon veroorloven zocht dus tegen betaling onderdak in een net logement. En het is dan ook niet geheel verwonderlijk dat het Sint Anthoon aan het eind van de zestiende eeuw de oorspronkelijk functie van gasthuis verloor. Op grond van een plakkaat van de Friese Staten uit 1596 kregen arme passanten voortaan van de plaatselijke overheid een aalmoes, opdat ze in een goedkoop logement konden overnachten.

Tabak, gedistilleerd en koffie
Naast de beter geoutilleerde herbergen bleven overigens vele tapperijtjes en kroegjes bestaan. Bier en in veel mindere mate wijn waren de dranken die in deze gelegenheden gedronken werden. Schoon drinkwater was er nauwelijks en de niet-alcoholische (karne)melk werd in de eerste plaats als spijs beschouwd. Bier was tot ver in de achttiende eeuw volksdrank en werd de gehele dag door gedronken. "Bier is dranck van alleman. Bier drinckt dat maer drincken kan," heette het in de zeventiende eeuw. Veel biersoorten hadden destijds overigens een veel lager alcoholpercentage dan het tegenwoordig zo populaire pilsener. Wijn was een luxe artikel, dat voornamelijk door de rijkeren werd afgenomen. Handelaren in wijn werden vaak beschouwd als notabel en wisten soms, zoals telgen uit de families Bourboom en later Menalda en Haverschmidt, zelfs tot het patriciaat door te dringen. Ook apothekers verkochten of schonken zelfs wel sterke drank.
In de loop van de zeventiende eeuw deden drie nieuwe producten hun intrede in de horeca. Rond 1600 kwamen tabak en gedistilleerd in zwang en aan het eind van de zeventiende eeuw werd de koffie geïntroduceerd. Tabak werd aanvankelijk in speciale tabakswinkeltjes verkocht, waar dan ook gelegenheid was om een pijpje te roken of "toeback te suygen" zoals men het destijds noemde. In een enkel geval kon men hier ook voor een drankje terecht ... of voor wat anders. Er zijn namelijk aanwijzingen dat menig tabaksverkoper in de zeventiende eeuw zijn handelswaar versneed met bedwelmende kruiden. Zo treffen we in 1675 in de winkel van de Leeuwarder hoedenmaker en tabaksverkoper Andrys Carsten tussen de pijpen en tabak ook een partijtje hennep aan!
Al snel werd ook in de gewone herbergen en tapperijtjes volop tabak gerookt. De Leeuwarder dichter en arts Petrus Baardt merkte in 1645 over een herberg op: "Daer stinckt-me voort de kamer vol. En rooct en smooct en drinckt hem dol." Baardt was beslist niet de enige die het niet op had met het rookgedrag van zijn tijdgenoten, maar toch raakte het tabakgebruik in de zeventiende eeuw snel wijdverbreid. Anders lag dat bij het gebruik van gedistilleerd. Bier en wijn ontleenden hun populariteit niet alleen aan hun roeswerking, maar ook aan hun dorstlessende werking. En gedistilleerd is voornamelijk roesmiddel. Het verbruik van brandewijn - want daar praten we voornamelijk over - was in de zeventiende-eeuwse Leeuwarder horeca dan ook nog maar mondjesmaat. Pas aan het eind van de zeventiende eeuw kwamen er twee producten in zwang die wel de dorstlessende functie van bier en wijn zouden overnemen: koffie en thee. Het laatstgenoemde product werd van begin af aan vooral thuis gebruikt, de koffie vond evenwel vooral ook via openbare drinkgelegenheden een publiek. Even voor 1687 opende het eerste koffiehuis in de Friese hoofdstad (de Drie Friessen genaamd) zijn deuren en al snel zouden er meer volgen.
Het koffiegebruik in de Leeuwarder horeca had tot circa 1720 een incidenteel karakter. De wereldkoffieproductie was tot dan toe nog beperkt, aangezien Jemen het enige land was waar het werd verbouwd. Koffie was daardoor ook vrij duur. Door de introductie van de koffieteelt op Java (1699), in Suriname (1716) en kort daarop ook elders nam het aanbod sterk toe en daalden de prijzen. Het verbruik van koffie nam vervolgens snel toe, vooral ten koste van bier. Telde Leeuwarden rond 1715 nog circa vijftig brouwers, in het midden van de achttiende eeuw waren dat er nog zo'n twintig en in 1800 nog maar acht. En de opbrengsten van de stedelijke belasting op geïmporteerd bier bedroegen in 1750 nog niet de helft van die in 1700. De opkomst van 'dorstlesser' koffie gaf ook een impuls aan het gebruik van het 'roesmiddel' gedistilleerd. Aan het eind van de achttiende eeuw waren bier en wijn in de meeste Leeuwarder drinklokalen in populariteit door koffie en gedistilleerd voorbij gestreefd. Aan de brouwers herinneren nog enkele straatnamen als Ipe Brouwerssteeg en Druifstreek.

Diversiteit
Het "Reis-boeck" van Jan ten Hoorn uit 1700 beveelt een aantal herbergen in Leeuwarden aan. In de eerste plaats 't Hof van Friesland tegenover de Kanselarij, volgens Ten Hoorn voorzien van "veele groote kamers en civil tractement". Verder noemt hij nog Benthem, de Oyevaar, 't Vergulde Hoofd, de Toorn van Babel, 't Graauwe Paard en de Zon. En hij merkt daarbij op dat er nog vele andere zijn "by de Poorten daar de Snecken (trekschepen) aan komen". Het overzicht van Ten Hoorn is dus zeker niet uitputtend. In Leeuwarder archivalia uit die tijd vinden we nog tal van andere horecagelegenheden vermeld.
Om in het enorme aanbod enigszins op te vallen werd door de horecaondernemers flink reclame gemaakt. Op uithangborden en luifels werden puntige gedichten geschilderd die de voorbijganger naar binnen moesten lokken.
In de praktijk was het onderscheid tussen herberg, tapperij, tabakskroegje en koffiehuis betrekkelijk vaag. In de zeventiende eeuw werd elk drinklokaal - ook al was er geen gelegenheid om te overnachten - doorgaans ‘herberg' genoemd, net zoals later respectievelijk koffiehuis en café de algemene benamingen voor drinkgelegenheden zouden worden. Uit zeventiende-eeuwse inventarissen blijkt niettemin dat er wat grootte en inrichting betreft een grote diversiteit bestond aan etablissementen. In de kleinste kroegjes was de inrichting erg sober, vaak alleen wat houten banken, en het serviesgoed was van het allergoedkoopste aardewerk. Aan de andere kant van het spectrum treffen we evenwel herbergen aan die uit verscheidene fraai ingericht vertrekken bestonden en waar tinnen serviesgoed de gasten een gevoel van behaaglijke luxe gaf. In deze beter geoutilleerde gelegenheden hingen vele schilderijen; niet alleen ter decoratie maar vaak ook ter verkoop. Galeries bestonden nog niet en de herberg was daarom de ideale plaats om kunst te tonen en te verkopen. Bij gebrek aan andere representatieve zaalruimte werden herbergen gebruikt voor belangrijke bijeenkomsten. Nog in 1695 werden Prinses Amalia en prins Johan Willem Friso met hun gezelschap door de Gedeputeerde Staten ontvangen in logement 't Vergulde Hoofd aan de Nieuwestad (ter plaatse van het huidige V&D-complex).
Herbergen hadden overigens vaak ook nog andere 'nevenfuncties'. Zo diende herberg Benthem geruime tijd als postkantoor, De Hopzak, hoek Peperstraat-Waagplein, als beurs van de Hoppekooplieden en werd in De Korenbeurs aan de Wortelhaven - u raadt het al - de graanhandel gedreven. Veerschepen en postwagens hadden doorgaans een herberg als vertrekplaats, die dan tevens als wachtlokaal dienst kon doen. Dergelijke logementen waren voornamelijk geconcentreerd bij de invalspoorten van de stad (de kop van de Wirdumerdijk, van Nieuwestad en van Voorstreek; de ‘uitspanningen' juist daarvoor). Bij de waterpoorten reiden ook logies biedende veerhuizen zich aaneen (in 1843 26 stuks, vooral aan Tuinen, Voorstreek en Groot Schavernek).
Hoewel de koffiehuizen, die vanaf het eind van de zeventiende eeuw in Leeuwarden opkwamen, op het eerste gezicht niet veel van de 'traditionele' herbergen verschilden, waren er toch een paar opmerkelijke verschillen. Zo werd er in de zeventiende-eeuwse herberg doorgaans kaart gespeeld of trik trak (backgammon), in het eerste Leeuwarder koffiehuis De Drie Friessen van Jan Rijckman werd blijkens de inventaris uit 1687 vooral gedamd. En in het koffiehuis van Jan Herlein op de hoek van de Nieuwestad en de Wirdumerdijk werd aan het begin van de achttiende eeuw een geheel nieuw spel in Leeuwarden geïntroduceerd: het biljart. Herlein, net als Rijckman een Amsterdammer van komaf, was sowieso een opvallende verschijning in Leeuwarden aan het begin van de achttiende eeuw. In 1718 publiceerde hij hier zijn Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname, het allereerste boek dat over deze kolonie verschenen is. De belezenheid van deze koffiehuishouder mag illustratief heten. Als er in een zeventiende-eeuwse herberg al gelezen werd, dan betrof dat meestal goedkope volksboekjes zoals de avonturen van Tijl Uilenspiegel en andere kluchten. En men moet zich indenken dat deze dan vaak voorgelezen werden. In het achttiende-eeuwse koffiehuis was lezen echter een serieuze zaak. Het 'bestuderen' van de beschouwelijke spectatoriale tijdschriften en kranten was een vast onderdeel van het koffiehuisritueel.
De opkomst van het koffiehuis is onderdeel van een bredere culturele trend die in Leeuwarden (en elders) waar te nemen is. In de belevingswereld van de mensen werd er in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw een steeds strikter onderscheid gemaakt tussen de publieke en de privé-sfeer. De huiselijke omgeving won het in de vrijetijdsbesteding steeds vaker van de herberg en tapperij. "Ik heb de bruy van al de kroegen, Ik vind in huis myn best genoegen," dichtte een anonieme puntdichter in de zeventiende eeuw en hij verwoordde daarmee beslist een breder levend gevoel. Horecagelegenheden werden ook steeds minder plaatsen waar men gewoon zich zelf kon zijn en steeds meer plaatsen van publiek (lees: deftig) vertoon. De klandizie van veel herbergen liep in de achttiende eeuw zodanig terug dat stadsarchivaris Wopke Eekhoff in 1846 opmerkte: "Het is bekend, dat de Logementen hier ter stede lang, en zelfs tot voor ongeveer vijf-en-twintig jaren, zeer gebrekkig en bekrompen waren."

Broedplaatsen van ondeugd
Hoewel veel horecaondernemers met klem zullen benadrukken dat ze een nette zaak hebben, valt niet te ontkennen dat in elk geval een deel van de horeca een vrij losbandig karakter heeft. En dat was vroeger niet anders. Zo werd in de zeventiende eeuw in Leeuwarder herbergen en kroegen naar hartelust gegokt en vaak om flinke bedragen. Her en der in de Leeuwarder archieven vinden we hier getuigenissen van. Zo had de herbergier Ernst Jansz. van Wageningen bij zijn overlijden in 1609 "uutzake van een wedspel" nog een ton bier tegoed van zijn bierleverancier Jouke Pietersz. En een ton bier kostte destijds 6½ gulden; dat was meer dan een modaal weekloon. De bakker Pieter Ulbes maakte het overigens nog bonter en speelde zich in de nacht van 28 mei 1651 "banquerot".
Prostitutie was weliswaar verboden, maar in de praktijk werd er door het Leeuwarder stadsbestuur niet heel erg streng tegen opgetreden. Alleen zo af en toe werden de teugels wat aangehaald. Zo werd in 1635 Griet Roelofs verbannen en met de 'schandstenen' om de nek uit de stad geleid. Dit vanwege haar "daaglijckse hoererie, alsmede dat sij andere jonge dochters gesocht hadde te verleiden". Deze godvruchtige poging van het stadsbestuur om de zedeloosheid in de stad in te dammen moet echter ook begrepen worden vanuit de angst die heerste vanwege een naderende pestepidemie. Over het algemeen was men namelijk milder. Halverwege de zestiende eeuw was het gebied rondom de Groene Weg zelfs als 'gedoogzone' voor bordelen aangewezen. Niettemin zien we later ook elders in de stad concentraties van prostitutie. Zo heette een doodlopend steegje bij het Hoeksterkerkhof in de achttiende eeuw de Kochelschans. ('Kochel' was destijds de benaming voor een souteneur.). Kennelijk stelden kwantiteit en kwaliteit van de bordelen hier wel wat voor. In 1566 waren sommige leden van het Verbond der Edelen meer bezig met "'s nachts loopende in alle bourdeelen" dan met hun rebellie tegen het (Habsburgse) gezag. Veel kleine kroegjes in Leeuwarden in de zeventiende en achttiende eeuw waren in feite bordelen. De verkoop van drank stond in deze gelegenheden weliswaar op de eerste plaats, maar vaak waren waardin en/of meid wel bereid een paar stuivers bij te verdienen.
Ook muziek en dans in herbergen werden door de overheid tegengewerkt, omdat het tot ontucht zou kunnen leiden. Helemaal ongegrond was deze bezorgdheid niet. Zo werden in 1714 bezoekers van het Gouden Wagentje onderworpen aan een streng verhoor, omdat een aantal aanwezigen "na eenige drank geconsumeert hebbende" zich al zingend en dansend ontkleedde, terwijl een muzikant op zijn viool "seecker deuntie genaempt Adam had seeven soonen" speelde. Het feit dat dit gebeurde tijdens de jaarmarkt (en kermis) is vast als verzachtende omstandigheid aangevoerd.

Horeca buiten de stadwallen
Makkelijk hadden veel ondernemers en werknemers in de Leeuwarder horeca het niet. Krediet om een zaakje te beginnen was weliswaar niet moeilijk te krijgen, maar het waren vooral brouwers, wijnkopers en bierstekers (handelaren in bier) die bereid waren krediet te verschaffen. Daar hoorden natuurlijk wel de nodige afnameverplichtingen bij. Veel tappers en herbergiers waren daarom met handen en voeten gebonden aan hun leveranciers. Stedelijke regelgeving en belastingen maakten het ook niet makkelijker. Om deze te omzeilen was er daarom veel horeca buiten de stadswallen, onder andere het nog immer bestaande Blauwhuis in het buurschap Oldegalileën. Even buiten het stedelijk grondgebied aan de Schrans bij Huizum, aan de Dokkumer Ee bij Snakkerburen en bij de Froskepôlle aan de Wijde Greuns stonden eveneens herbergen. Hier had het stadsbestuur niets te zeggen en de uitbaters genoten dan ook van een aanzienlijk vrijer ondernemersklimaat.

Het theater lokt
In het begin van de negentiende eeuw was er in Leeuwarden nog geen sprake van een bloeiend uitgaansleven. In de hogere kringen en bij de burgerij was de knusse huiselijkheid een deugd die steeds hoog in ere werd gehouden. Een groot deel van het dagelijkse leven speelde zich af in de huiselijke kring, waarbij vaak veel tijd werd uitgetrokken voor het theedrinken en het tafelen. Gewoonlijk hadden de gezinsleden 's avonds weinig te doen en werden gezelschapsspelen gedaan of werd er door de huisgenoten voorgedragen of gemusi- ceerd. Wel ontving men regelmatig visite of werd er een bezoek afgelegd bij familie en vrienden. De sociale contacten vonden voornamelijk plaats in de salon, waar de dames en de heren zich, bij voorkeur gescheiden, met elkaar ophielden. Daar werd geroddeld, het laatste nieuws uitgewisseld, gezellig geconverseerd en soms naar voordrachten of muziek geluisterd, uitgevoerd door een van de aanwezige gasten, of door een speciaal daartoe uitgenodigde mu- ziekmeester of zanger. Daarnaast konden de heren elkaar ontmoeten op de sociëteit of in een net koffiehuis, waar vaak ook de krant rustig kon worden doorgenomen. De dames bleven gewoonlijk thuis, ook als de heren in hun sociëteit zo nu en dan van een concert of een toneel- voorstelling genoten. Dan zorgde trouwens een dichte tabaksrook er meestal voor dat het or- kest of de artiesten nauwelijks zichtbaar waren en deed het druk geroezemoes van de praters
veel van het gebodene verloren gaan.
De behoefte aan deze laatste vormen van ontspanning nam langzamerhand toe en toen de Leeuwarder muziekmeester en toneelliefhebber Johannes Posthumus, aanvankelijk voor bekenden en liefhebbers, toneelvoorstellingen in zijn eigen huis organiseerde bleek de be-langstelling buitengewoon groot. Daardoor gestimuleerd liet hij enkele woningen in de Haniasteeg verbouwen tot een heuse schouwburg. In 1802 vond er de eerste uitvoering plaats en opnieuw noopte de geweldige toeloop hem al in het volgende jaar nog enige woningen aan het geheel toe te voegen.
Zo kon de burgerij voortaan een aantal keren per jaar genieten van populaire stukken, vaak goed gespeelde smartelijke drama's gevolgd door een hilarische komedie of vaudeville, meestal gespeeld door bekende gezelschappen uit Amsterdam of Rotterdam. Helaas bleek het niet gemakkelijk deze ‘tooneelisten' of ‘toonkunstenaars' de vaak moeilijke en lange reis naar het noorden te laten ondernemen. Mede daarom moest er voor deze uitvoeringen in de Stadsschouwburg gewoonlijk, bij intekening, een abonnement worden genomen. Als een dergelijk gezelschap kwam, werden er dikwijls gedurende een week een flink aantal stukken achter elkaar opgevoerd.
Een bezoek aan de schouwburg betekende in die tijd een lange avond doorbrengen in een ge- woonlijk matig verwarmde en halfdonkere zaal, waarin de gasverlichting de toeschouwers soms net voldoende kans bood om te zien of gezien te worden. De lange pauzes tijdens de toneelopvoeringen, nodig voor wisseling van het decor, zorgden ervoor dat er bovendien uit- voerig geconverseerd of van de geboden verversingen kon worden genoten.
Vanaf 1808 vonden er ook in de zaal Van der Wielen aan de Breedstraat, nu en dan toneeluitvoeringen plaats of werd er, veelal op de zondagavond een "Groot vocaal en instrumentaal concert" gegeven door een welbezet orkest, samengesteld uit de beste muzikanten uit de stad en geleid door de bekende muziekmeester Wedemeyer. Deze zaal bood plaats aan ruim vierhonderd personen en in de zomer kon het publiek zich bij fraai weer bovendien aangenaam verpozen in de ruime, fraai versierde en sprookjesachtig verlichte tuin.
Ook in het bekende logement van C. Wilkeshuis of in de grote zaal van Koffijhuis De Neder- landen van G.de Koe, beide aan het Zaailand gelegen, werd soms op zondagavond een Soiree Musicale gegeven, waarvoor het "fatsoenlijk publiek" vanzelfsprekend van harte werd uitgenodigd. Eind april werd het toneelseizoen, dat in de loop van oktober was begonnen, ge- woonlijk al weer afgesloten, waarna vanaf mei elk jaar weer kon worden genoten van de gezellige concerten, die vrijwel iedere zondagmiddag in de Prinsentuin werden gegeven.
Liefhebbers van een muziek- of danspartij op de zondagmiddag konden rond 1850 ook terecht bij koffiehuis De Harmonie of bij S. Dames, die zich beide aan Achter de Hoven bevonden en over een ruime tuin en bovenzaal beschikten. Bovendien organiseerden de kasteleins van deze uitspanningen regelmatig een kolf- of kegelpartij waarvoor fraaie zilveren prijzen beschikbaar werden gesteld. De toegang was gewoonlijk gratis of werd in de vorm van consumpties aan de bezoeker teruggegeven.

Elk zijn eigen vermaak
De gegoede burgers zochten, zeer standsbewust, bij voorkeur hun vertier in de eigen sociëteiten. De oudste, de Grote Sociëteit, bood haar leden al vanaf 1825 de gelegenheid - onder het genot van een drankje of een goede pijp tabak - tot een geanimeerd gesprek, een spelletje kaart of het rustig lezen van de kranten in een van de zalen. Bij goed weer zat tijdens het borreluur de brede stoep aan de Lange Pijp vol met heren.
Het lidmaatschap van een sociëteit was redelijk prijzig en daardoor bleef deze slechts toegankelijk voor een beperkte groep. Bekender werd de Sociëteit Amicitia op de hoek van de Wirdumerdijk en Nieuweweg. die in 1840 werd geopend en naast een kolfbaan over een flinke concertzaal beschikte, zodat er voor de leden (en hun dames) concerten of danspartijen konden worden gehouden. Vanaf ongeveer 1863 werden daar, gedurende de kermis en andere speciale feestdagen, voorstellingen gegeven die voor iedereen toegankelijk waren. Leden van de sociëteit kregen vanzelfsprekend enige korting op de toegangsprijs.
Omdat de behoefte aan een echt ruime concertzaal ook daarna bleef bestaan, werd reeds in de herfst van 1874 een commissie gevormd met als doel - in navolging van "de Harmonie" in Groningen - het oprichten van een grote sociëteit, die "de gelegenheid tot afwisselende gepaste uitspanning op meer uitgebreide schaal in daarvoor expresselijk bestemde lokalen, onder zoo algemeen mogelijk bereik te brengen". Zeven jaar later was de Sociëteit De Harmonie een feit en beschikte men, naast het fraaie sociëteitsgebouw met zijn conversatie- en biljartzaal en een rookzaal omringd door brede veranda's, over een buitengewoon ruime zaal voor ongeveer vijftienhonderd bezoekers. Al snel zou het aantal concerten en toneelvoorstellingen fors toenemen, terwijl ook andere gezelschappen steeds vaker de Friese hoofdstad, die inmiddels door spoor- en tramlijnen beter bereikbaar was, op hun rondreis aandeden.
De eenvoudige stand, gevormd door kleine neringdoenden, ambachtslieden en geschoolde handwerkslieden, bezocht gewoonlijk slechts op zondagmiddag of -avond een van de talrijke eenvoudige logementen, herbergen of koffiehuizen die Leeuwarden destijds rijk was. Zaken die tijdens marktdagen eveneens bij kooplieden en buitenlui in trek waren, omdat ze niet alleen een aangename gelegenheid boden om er iets te drinken, te dineren of te overnachten, maar handelaren op de marktdag ook in staat stelde de ruime onder- of bovenzaal te gebruiken voor de demonstratie of verkoop van hun goederen. Eekhoff, die in 1830 (toen het Minnemahuis tot hotel De Nieuwe Doelen werd verbouwd) eigenlijk nog maar één ‘volwaardig' logement kon ontdekken in Leeuwarden, noemt in zijn Handboekje voor reizigers door Friesland uit 1840 een tiental voorname logementen in de stad. Het adresboek van 1862 vermeldt 25 horeca-etablissementen (exclusief kleine tapperijen en bordelen).
In de tweede helft van de negentiende eeuw komt er een ruimer en gevarieerder aanbod, is er sprake van flinke concurrentie en proberen sommige uitbaters door een speciale actie de aandacht te trekken. Zo trakteerde de eigenaar van het Hof van Holland in juni 1865, bij de 50-jarige herdenking van de slag bij Waterloo, alle nog in Leeuwarden wonende oud-strijders met hun marketentsters op gehakt, brood en een halve fles wijn. Zo'n gebaar werd daarna meestal beloond met een uitvoerige dankbetuiging in de krant. De uitspanning De Klanderij afficheerde zich in 1863 bij de opening van de eerste spoorweg onmiddellijk als stationsrestauratie met de mededeling: "Tegen dat de trein vertrekt worden de passagiers gewaarschuwd". Regelmatig gingen sommige zaken over naar een andere eigenaar en veranderden daarna van naam, kwamen er nieuwe horeca-gelegenheden bij of verdween er weer een. Zo werd in november 1863 het Heeren-Logement De Wijnberg aan de Wirdumerdijk, dat dertien net behangen, deels geplafonneerde en gestukadoorde kamers en logeervertrekken telde, publiekelijk verkocht met de aanbeveling: "het pand is tevens zeer geschikt om met weinig kosten tot Heeren-woonhuis of Koopmanshuizinge te worden ingerigt". Na de komst van het spoor - 1863 naar Harlingen, 1866 Groningen, 1868 Heerenveen, 1883 Stavoren - verrezen er nieuwe hotels (ook voor de snel groeiende groep handelsreizigers) in het Stationskwartier. De al gevestigde hotels slaagden erin een goed deel van hun klandizie te behouden door de per trein arriverende vreemdelingen en hun bagage met rijtuigen (omnibussen) af te halen en terug te brengen.

Gebruik en misbruik
Een avondje of een middagje uit was voor het grootste deel van de bevolking al snel een te kostbare aangelegenheid. Gelukkig waren de zomerse concerten op de zondagmiddag in de Stads- of Prinsentuin wel eens vrij van entree en konden ook werklieden aangename verpozing vinden in de natuurlijke omgeving van dit stedelijke lustoord De muziek van de Stedelijke Schutterij of van het militaire harmonie-korps trok altijd veel toehoorders en zorgde voor een gezellige sfeer in de tuin. Echte muziekliefhebbers klaagden regelmatig over het rumoerige publiek en natuurlijk met name over het jeugdige deel ervan.
Vele arme, meest ongeschoolde arbeidskrachten, trachtten vaak hun troosteloze en uitzichtloze bestaan te ontvluchten door afleiding te zoeken in een van de talloze kleine kroegjes en tapperijen die de stad telde, vaak nauwelijks groter dan een huiskamer. Meestal waren ze ge- legen in de nauwe straatjes en trieste steegjes van de binnenstad en donker en sober ingericht. Voor of na hun zware arbeid werden daar gewoonlijk "nog even" enkele glazen jenever ge- dronken en vonden de mannen een luisterend oor bij de ‘meevoelende' kastelein en de aanwezige lotgenoten. Vooral op de zaterdagavond vloeide de drank in dit soort benauwde lokalen vaak rijkelijk, werd er soms gedobbeld en leek de last van dagelijkse zorgen en arbeid opeens een stuk lichter, tot aan het eind van de week een fors deel van het uitbetaalde karige loon moest worden afgedragen om de opgelopen schuld te voldoen. "Is het niet een treurigen aanblik, die lieden dronken op straat te zien loopen, waarvan men weet dat thuis vrouw en kinderen snakken naar goed voedsel", schreef de Friesche Courant in 1899 in een sfeervol stuk over de buitengewone zaterdagavonddrukte op Voorstreek en Nieuwestad, waar kruideniers, slagers en comestibleshandelaren handen te kort kwamen om de huisvrouwen te bedie- nen die zich wel iets extra's voor de zondag konden veroorloven.
Toen Hendrik Burger in de jaren rond 1860 opgroeide, was Leeuwarden een van de meest drankzuchtige steden van Nederland. Hij beschrijft in zijn jeugdherinneringen: "Een heel gewoon tafereel - er was in Leeuwarden destijds op elke 90 inwoners 1 verkoper van gedistilleerd! - was het begeleiden van dronken volk door de politie naar het bureau op het Hof. Straatjongens liepen er achteraan, zingende [..] in spreekkoor: "Hij hèt ‘m. Hij houdt ‘m. De roes".
Drankmisbruik kwam zeker voor tijdens speciale feestdagen of tijdens de jaarlijks terugkerende kermis. Een gelegenheid waarop men zich eens lekker kon ontspannen en
die natuurlijk gemakkelijk kon leiden tot misbruik. Tegenstanders van de kermis, voorname- lijk van kerkelijke zijde, bleven steeds weer op dit misbruik wijzen en op de ellende die daar uit voortkwam. Zo wisten zij in verscheidene grote plaatsen de afschaffing van de kermis te bereiken. Daarbij werd vanzelfsprekend ook steeds op de toename van de prostitutie gewezen, immers ook de bordelen deden tijdens de kermis gewoonlijk goede zaken. De stad kende al vanouds een flink aantal zogenaamde "koffiehuizen", waarvan bekend was dat er "gelegenheid werd gegeven". In de negentiende eeuw stond Leeuwarden bekend als een stad met uitzonderlijk veel prostitutie. Jacob van Lennep vond de drankzucht en sexuele moraal opvallend tijdens zijn voetreis door Nederland. "Op een bevolking van 19.000 zielen telt men te Leeuwarden dertig à veertig bordelen, om van het verdere nog maar te zwijgen", schrijft hij in in 1823 in zijn dagboek.
De bordelen waren voornamelijk geconcentreerd in de Boterhoek en rond de Kazerne en het Stadhuis. Soms waren deze ‘huizen van plezier' vrij omvangrijk, zoals het bekende pand op de hoek van de Westerplantage en het Klein Schavernek, waar vanaf de opening in 1893 tot de sluiting in 1905, steeds een flink aantal dames hun diensten aanbood. Ook buiten deze bekende bordelen kwam prostitutie veelvuldig voor en dit werd meestal oogluikend toegestaan, maar regelmatig beraadde de gemeente zich op de vraag op welke wijze men al dit misbruik - en de gevolgen daarvan - zou kunnen beteugelen. Gelukkig mocht de stad zijn jaarlijkse kermis behouden, immers zo redeneerde men "zij die van de kermis misbruik maken door teveel aan Venus en Bacchus te offeren, zijn in de regel als het geen kermis is ook niet zo erg matig".
De verleiding bleef steeds erg groot. In januari 1920 besloot de gemeenteraad om het drank- gebruik in te dammen door een volledige drooglegging van de stad tussen zaterdagmiddag en maandagochtend. Ook kruidenier-tappers mochten geen drank meer schenken! Een hevig protest van de grote schare vergunninghouders volgde. Volgens een reportage in het weekblad Het Leven bleek Leeuwarden ruim honderdtwintig café-, restaurant- en hotelbedrijven te tellen. De gemeentelijke maatregel betekende het einde voor vele kleine tapperijen.
Zelfs in de jaren zestig voerde de Leeuwarder burgermeester Van der Meulen nog eens een aktief "alcohol-ontmoedigings-beleid" door het aantal vergunningen te limiteren.

Een feest vol lering en vermaak
Voor de kermis, vaak gezien als een festijn dat voornamelijk bestemd was voor de "min- gegoede" standen, werd in veel arbeidersgezinnen vaak het hele jaar gespaard. Wekelijks werd een kleinigheid achteruit gelegd om tenminste eenmaal in het jaar een schouwburg, paardenspel of tent te kunnen bezoeken en met het gezin eens een dag echt feestelijk door te kunnen brengen. Toch is dit beeld niet helemaal juist want de kermisperiode bood ontspanning aan vrijwel iedereen. Doordat er naast de talloze kramen met kunstvoorwerpen, rariteiten en gedresseerde dieren, ook enkele flinke schouwburgtenten verrezen, waarin zowel zang en dans als toneelvoorstellingen werden gegeven, konden de liefhebbers daarvan elk jaar een ruime keuze maken uit de laatste successen van het afgelopen seizoen, waarmee in de grote steden in Holland al een groot publiek was bereikt. Daarnaast contracteerde een toenemend aantal houders van etablissementen in de stad tijdens de kermis zelf een gezelschap, dat iedere avond in de ruime boven- of achterzaal voor uitstekende muziek of voordrachten zorgde. Deze vaudeville-gezelschappen, vaak van Duitse of Franse origine, brachten gewoonlijk eveneens het nieuwste op muziekgebied, zoals de populaire operettes van Offenbach en opera's van Gounod.
Zo bekende een verslaggever van de Leeuwarder Courant in 1873 eerlijk: "Meermalen hebben wij beleden persoonlijk in beginsel niet voor het behoud van de kermis te zijn. Maar er is toch veel dat voor het behoud pleit. Hoe zouden wij provincialen anders in de gelegenheid zijn, gelijk ook nu weer, de eerste talenten op het gebied der toneelkunst de schoonste stukken te zien opvoeren. En is er nog niet veel meer kunstvaardigs en fraais waarvan wij, zonder de kermis, in onze afgelegen provincie wel nooit iets te zien of te horen zouden krijgen."
Na een bezoek op de kermis aan een van de vele toneelstukken, aan een kunstkabinet vol prachtige foto's van onbekende steden en streken of aan een tent met fraaie panorama's, kon men zich nog gaan verpozen in de smaakvol en feestelijk gedecoreerde lokalen van De Nederlanden, Van der Wielen en het Hof van Holland. Daar zorgde een flink bezet muziekgezelschap met aangename muziek voor een beschaafde opgewekte stemming en konden de bezoekers, onder het genot van enkele verversingen, rustig zittend of rondwande- lend op de versierde paden, heerlijk bijkomen van het drukke kermisgewoel.
Natuurlijk boden ook de talrijke koffiehuizen, die niet over een grote zaal beschikten, toch het nodige vertier door enkele muzikanten of een komiek te engageren om de bezoekers te vermaken. Tot deze zaken behoorden onder meer De Nieuwe Os op de hoek van de Nieuwestad en de Wirdumerdijk, het etablissement van Regnery in de Oude Doelesteeg, het koffiehuis van Bender in de Lombardsteeg en de cafés Benthem en Neuf op de Voorstreek. Daarnaast legden etablissementen als Die Port von Cleve in de Grote Hoogstraat, zich er op toe, de bezoekers van uitstekende maaltijden te voorzien en natuurlijk tijdens de kermisweek voor een extra vlotte bediening te zorgen.

De opkomst van de revue
In het laatste kwart van de negentiende eeuw voltrok zich een ingrijpende ontwikkeling in het amusement. Al snel werden de meeste muziek- en operettegezelschappen uitgebreid met eni- ge komieken en zangers, die hun voordrachten in fraaie costuums uitvoerden en kon er een avondvullend en afwisselend programma worden geboden. Aanvankelijk trokken dergelijke voorstellingen, die soms aan het café-chantant deden denken, vooral een mannelijk publiek.
Soms werd het toneel voor een groot deel ingenomen door een aantal tamelijk schaars geklede dames die voornamelijk als figurantes dienden en waren de teksten van de liedjes en grappen doorspekt met allerlei dubbelzinnigheden. Langzamerhand verbeterde de kwaliteit van het gebodene en merkte een recensent in 1873 op dat dit "voor de heren een reden mocht zijn om ook hunnen dames eens te doen profiteren van dit gezelschap".
Zo groeiden deze gezelschappen, onder directie van de Gebroeders Culp, Pierre de Boer en Frits van Haarlem, in de loop der jaren uit met tal van internationale "specialiteiten" zoals acrobatische nummers, goochelaars en danseressen, waardoor hun Grand Spectacle Concert Varié steeds meer voor het hele gezin geschikt werd. De voorstellingen duurden echter vaak erg lang, begonnen gewoonlijk al rond negen uur en gingen door tot bijna half twee 's nachts, zonder dat men zich ook maar een ogenblik hoefde te vervelen. Van pauzes was vrijwel geen sprake en de entreeprijs voor een dergelijke avond in de nieuwe Sociëteit De Harmonie, Concertzaal Y. van der Wielen of Sociëteit Amicitia varieerde rond 1880 van ongeveer vijftig cent tot een gulden. De belangstelling voor dit soort opvoeringen was meestal groot. In sommige jaren waren de zalen iedere avond vol en moesten veel mensen worden teleurgesteld. Ook werden er wel eens teveel kaarten verkocht, zaten en stonden de bezoekers nauw opeen gepakt, zodat het verblijf in de zaal ondanks het gebodene toch geen genoegen bleek. In de grote zaal van Amicitia was plaats voor ruim driehonderd toeschouwers en op sommige avonden stond het publiek al een paar uur voor aanvang voor kaarten in de rij om een plaatsje in de rokerige en warme, door gas verlichte, zaal te bemachtigen.
Het aanbod tijdens de kermisweek was zo groot - behalve diverse specialiteiten-shows speelden twee of drie gezelschappen vrijwel elke avond een nieuw toneelstuk - dat zelfs nog in 1894 een verslaggever van de Leeuwarder Courant verzuchtte: "van wat men nu in negen avonden kreeg, zou men te Leeuwarden een ganschen winter kunnen leven, maar daarvoor is het dan ook kermis". Tot ver in de twintigste eeuw bleven toneel en revue met de kermis verbonden, ook al kwamen dergelijke gezelschappen zeker enige keren per jaar naar De Harmonie of Concertzaal Schaaf. Namen als Bouwmeester, Vleugels, Ter Hall, Gosschalk, Faveur en Sleeswijk hielden steeds een vertrouwde klank bij het Leeuwarder publiek. Met een keur aan nationale en internationale artiesten bespeelden zij traditiegetrouw een week lang zowel De Harmonie als Concertzaal Schaaf. Hoewel het aantal schouwburgtenten in de loop der tijd terugliep bood een dergelijke schouwburg-loge, op het Waagplein of het Zaailand, tot in de jaren dertig vrijwel elk jaar een grote schare liefhebbers de kans een nieuw successtuk of revue te bewonderen.

Nieuwe vormen van vermaak
Drankbestrijdingsorganisaties en concurrentie van sport en verenigingsleven zullen met name vanaf het begin van de twintigste eeuw veel (potentiële) klanten uit de cafés hebben gehouden. Maar ook de amusementswereld kwam met innovaties. Vanaf 1896 kon men tijdens de kermis in de tent van Chris Slieker en later ook in de Stadsschouwburg en in De Harmonie kennismaken met de kinematograaf, waarmee levende beelden "niet alleen op natuurlijke grootte, doch tevens met alle kleurenpracht" konden worden weergegeven.
De belangstelling voor deze nieuwe uitgaansmogelijkheid bleek bijzonder groot. In het voorjaar van 1910 kreeg Leeuwarden zijn eigen bioscoop-theater en in een artikel in de Friesche Courant over een zondagavond in de bioscoop viel te lezen: "Bij rissen komen ze binnen, de jongelingen en maagden, moe van het flaneeren langs de straten en singels om, voor de meisjes de "diensten" weer opzoeken, zich een uurtje te vermaken in de bioscoop. De tweede rang klapstoelen is overvol. Rrrt klinkt het electrisch schelletje, de kokette lampjes aan de pilaren gaan uit en vanuit de hoogen flitst de lichtbundel door de zaal en brengt ons eensklaps de beelden". Ruim zes jaar later beschikte de stad al over drie filmtheaters met daaronder de "Leeuwarder Bioscoop Variété" waar elke week de vertoonde films werden afgewisseld met het optreden van steeds nieuwe artiesten op het aanwezige kleine toneel. Natuurlijk zorgde in ieder theater een orkest voor de begeleidende muziek.
Volgens een "kladlijst van plaatsen van vereeniging waarin gelegenheid tot dansen wordt gegeven, muziek wordt gemaakt of muziek automaten zijn geplaatst" waren er in 1915 on- geveer zestig van dergelijke zaken, waarvan de meeste echter over een muziekautomaat beschikten en slechts enkele over een piano, die bespeeld werd bij besloten partijen zoals dansclubs. Onder deze lokaliteiten bevonden zich ook de Nieuwe Friesche Melksalon van Kimp, gelegen aan de Nieuwestad, en de Lunchroom van Kessler op de hoek van de Wirdu- merdijk en het Ruiterskwartier, waar toen vrijwel dagelijks een vrolijk strijkje optrad. Voor het Leeuwarder Nieuwsblad aanleiding om te melden dat daarmee: "wij zoo zoetjes aan de allure van een groote stad over nemen". Het zogenaamde café-concert was trouwens erg populair en ook in andere zaken zoals Hotel Café Ype Schaaf en de Concertzaal Schaaf zorgde op zondagen een trio of een salonorkest voor aangename, licht klassieke concertmuziek.
Daarnaast nam het aantal etablissementen waar de bezoekers iets bijzonders werd geboden in de periode tussen 1910 en 1920 geleidelijk toe. In 1914 betrok het artiestenpaar Carels een café in het Maria-Annastraatje 9 en al snel werd hun zaak omgetoverd tot een soort café-chan- tant of cabaret artistique, waarin de eigenaars natuurlijk ook zelf optraden. Door zijn goede keuze van de overige artiesten en muzikanten werd de toeloop zo groot dat een groter pand werd betrokken aan de Korfmakersstraat 13, waar vanaf 1917 het Cabaret Grand Gala tot ver in de jaren twintig een begrip bleef. In 1915 was in de Lombardsteeg 2 het Cabaret De Spiegelzaal van start gegaan en rond 1919 bood ook het Cabaret Hof van Holland van Paardekam, Weaze 42, iedere avond het optreden van eerste rangs artiesten. In de jaren twintig besloten ook een tweetal andere etablissementen regelmatig komische duo's of voordrachtsoubrettes op te laten treden en dienden zich aan als Cabaret Buis, ook bekend als het Wapen van Leeuwarden, en Cabaret Eden van Leemburg. Beide zaken bevonden zich aan het Zaailand, respectievelijk op nr. 92 en 82. Ze hielden het jaren vol elke week weer iets nieuws te brengen, nieuwe artiesten te engageren in een tijd waarin niet alleen het aantal uitgaansgelegenheden voortdurend toenam, maar ook de wijze van uitgaan opnieuw veranderde.

Dansen als rage
Tijdens de laatste decennia van de negentiende eeuw nam in brede kring de belangstelling voor het dansen toe, werden toneel- en muziekuitvoeringen steeds vaker besloten met een bal en organiseerde de plaatselijke balvereniging in 1877 zelfs speciale Strauss-avonden. Het was in het begin voornamelijk de gegoede burgerij die steeds vaker, natuurlijk in eigen kring, deze vorm van ontspanning zocht. Dansonderwijs werd vaak aan huis gegeven, maar reeds in 1869 liet dansmeester H. de Jong weten dat "hij thans ten zijnen huize voorzien is van een ruim lokaal, tot het geven van onderwijs aan die leerlingen, voor welke ten hunnent daartoe geene gelegenheid is". Gewoonlijk werden deze lessen verzorgd door een bekwame muziekmeester, die zich ook op de hoogte hield van de nieuwste dansen, maar het aantal gelegenheden waarop het geleerde in praktijk kon worden gebracht bleef beperkt.
In de herbergen in de stad en op het platteland werden al van ouds op zon- en feestdagen re- gelmatig danspartijen gehouden en bij menig bruiloftsfeest werd er op muziek van een orgel- tje of van enkele muzikanten uitbundig gedanst, gestampt en meegezongen. Vanaf 1900 wordt steeds vaker een dergelijke "muziek en dans" gehouden in een boven- of achterzaal van een van de talrijke herbergen in en rond de stad en togen de bezoekers uit omliggende dorpen er gewoonlijk op de fiets naar toe. Een dergelijk bal bood een totaal andere aanblik dan een avond in de grote zaal van De Harmonie of de Concertzaal Visser tijdens het geliefde bal-champètre in de romantisch verlichte tuin.
In het begin van de twintigste eeuw veranderde het dansen, verdwenen de traditionele gezel- schapsdansen vrijwel helemaal en brachten nieuwe ritmes ook telkens nieuwe dansen met zich mee, zoals de Ragtime, de Turkey Trot, de Fox Trot, de Step, de Engelse wals en de Tango. De belangstelling om deze nieuwe dansen te leren werd steeds groter en Leeuwarden telde dan ook al snel talrijke besloten dansclubs, voor alle standen en geloofsovertuigingen, waar de leden les konden krijgen en zich tijdens de dansavonden volop uit konden leven. Zaal Ettema aan het Groot Schavernek, de hotels van Regnery en Siderius aan de Lange Marktstraat en de bovenzaal van Café Benthem aan de Voorstreek waren enkele plaatsen waar de verschillende dansleraren hun lessen gaven.
De vraag naar mogelijkheden om te dansen bleef toenemen en leidde al snel tot de komst van speciale gelegenheden waar men vrij - en liefst niet alleen tijdens het weekend - zou kunnen dansen. Hotel De Oldehove was eigenlijk de eerste publieke dancing in de stad, waar iedere avond een orkest voor opgewekte en pittige dansmuziek zorgde en bovendien het dansen werd afgewisseld met het optreden van danseressen of zangers. Al snel volgden andere zaken dit voorbeeld, zoals de Dancing Centraal in de Lombardsteeg 2, waar na de oorlog de bekende musicus Houbein resideerde, en De Wintertuin (later Lido) aan de Tweebaksmarkt 38. Vooral de cabaret-dancing Spoorzicht van Sip Castelein aan het Zuiderplein was tot ver in de provincie bekend, want zoals de advertentie voor de verkoop in 1921 vermeldde "het geheel is als uitspanning voor den vrijdag en andere marktdagen of voor andere dagen waarop bezoek van vreemdelingen mag worden verwacht, in dezen hoek van de stad de eenigste gelegenheid". Vanaf 1923, kwamen vrijwel alle autobusdiensten er samen en vonden er geregeld verkopingen plaats. Pas toen er in 1927 een nieuwe ruime zaal was bijgebouwd konden er allerlei activiteiten plaats vinden. Tal van bekende orkesten en artiesten als de Ramblers en Lou Bandy traden elke avond met succes op. Ook op het gebied van cabaret en variété was er van alles te beleven in Spoorzicht. Het werd één van de populairste uitgaansgelegenheden van Friesland. Velen in de ‘huwbare leeftijd' zijn hier aan de man of vrouw geraakt.
Tegen het einde van de jaren twintig was er zelfs sprake van een danswoede, tooiden allerlei kleine cafés zichzelf met het predikaat dancing en stak opnieuw de vrees voor zedenbederf de kop op. Een speciale regeringscommissie moest in 1930 landelijk het dansprobleem aanpakken en formuleerde enkele eisen waaraan moest worden voldaan. Deze betroffen niet alleen de inrichting van het danslokaal, maar ook de voorwaarde dat minderjarigen beneden achttien jaar niet mochten worden toegelaten. Jongeren waren daarna vooral aangewezen op de talrijke schoolavonden, waar de eigen schoolband vaak de nieuwste amerikaanse dansmuziek speelde, op eigen besloten clubs of op de vele oefenavonden van de dansscholen. In de jaren dertig telde de stad, naast de al genoemde grote dancings ook veel kleine dansgelegenheden, zoals De Cosmopoliet (ook wel Walhalla) in de Speelmansstraat 16, de Shanghai Dancing Bar in de Groote Hoogstraat 17 en de Volksdancing van Jopie Dekens op de hoek van de Grote Kerkstraat en de Pijlsteeg. Ze trokken allemaal hun eigen publiek. Sommige hielden het slechts enkele jaren vol of veranderden na verloop van tijd weer in een gewoon café.
In de zalen van De Groene Weide en Concertzaal Schaaf kon in de jaren twintig en dertig vrijwel alleen op de zondag worden gedanst. Tijdens de zomermaanden kon tijdens het weekend een uitstapje buiten de stad gemakkelijk worden gecombineerd met een dansje of een verfrissend drankje in 't Kalfje aan de Groninger Straatweg, De Groote Bontekoe of de uitspanning Café Halfweg voor wie de richting van Marssum koos.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog nam de behoefte aan afleiding en amusement toe. Het uitgaansleven werd tijdens de Duitse bezetting vooral ingeperkt door een vervroegde slui- tingstijd, die voor alle gelegenheden en voorstellingen gold, door voortdurende dans- en tapverboden en de verduistering, die het uitgaan vaak beperkte tot heldere avonden met veel maanlicht. Na de bevrijding duurde het niet lang voordat de draad van de vooroorlogse jaren weer werd opgepakt. In de jaren vijftig werd echter een tijdperk afgesloten en was dansen weer iets wat voornamelijk in het weekend plaats vond. Hotel Spoorzicht en Lido moesten sluiten in respektievelijk 1952 en 1954, omdat de exploitatie niet langer rendabel bleek. Zalen Schaaf, De Harmonie, Amicitia, De Nederlanden en De Klanderij bleven af en toe gelegenheid tot dans bieden. Dancing Centraal bleef nog jarenlang iedere avond geopend, terwijl rond het midden van de jaren zestig Lido opnieuw als dancing werd geopend. Evenals in de bar-dancing La Bella in de Grote Hoogstraat en het aan de Nieuwestad gelegen uitgaanscentrum VAT ‘69, kon daar toen regelmatig op live-muziek worden gedanst. In de moderne discotheken wordt, begeleid door laser-effecten, de actuele dansmuziek geproduceerd met behulp van computergestuurde draaitafels.

Nieuwe trends
In de jaren na de oorlog veranderde het uitgaansleven in Leeuwarden voortdurend en volgde het de landelijke trends. Zo concentreerde het toneel zich steeds meer in de grote, goed geoutilleerde schouwburgzaal van de inmiddels al weer volledig vernieuwde Harmonie, maakte in de loop der jaren de revue min of meer plaats voor de musical en moest de kermis met technisch vernuftige en uitdagende attracties steeds feller concurreren met de grote attractieparken.
De zogenaamde ‘volkslogementen', de ‘staankroegen' en veel andere dubieuze horeca verdwenen met de afbraak van de Boterhoek en de Weerklank. Oud-politieman R.Visser beschrijft in zijn memoires het "luzehotel" van Aaltje van der Brug in het St. Jobsleen, nog in de jaren twintig: "Achter haar logement had Aaltje een soort schuur, zonder meubilair maar met over de stenen vloer een dikke laag stroo voor haar nachtloge's. Het waren meerendeels zwervers en bedelaars die bij Aaltje onderdak kregen. Voor logies met ontbijt - een nacht slapen in het stroo en de ochtend daarop een paar hompen oud brood zonder beleg en een kop opgewarmde koffie - rekende Aaltje 50 cent."
De prostitutie concentreerde zich vanaf de jaren zestig rond de Weaze. De melksalons, waarvan er in de jaren dertig alleen al aan de Nieuwestad een vijftal was gevestigd, verdwenen binnen twee decennia. Jazzcafés waren in Leeuwarden geen lang leven beschoren. Eind jaren vijftig werden de eerste disco-bals georganiseerd (o.a.door de Leeuwarder Gemeenschap in de Beurs), waar de nieuwe dansmuziek nog op een eenvoudige platenspeler werd gedraaid.
In de loop van de jaren zestig nam bij de Leeuwarder jeugd de belangstelling voor de popmu- ziek sterk toe en waren er enkele lokale beatgroepen actief. Het uitgaansleven van deze jongeren, waarin het dansen een voorname plaats innam, speelde zich voor een groot deel af buiten de plaatselijke horeca-gelegenheden. Zo waren er ieder weekend diverse dansavonden in verenigingsgebouwen, vaak ook georganiseerd vanuit buurtclubs. In 1968 opende het Jeugd Ontspannings Komittee in de Doelestraat 5 haar eigen gebouw, waar in het weekend regel- matig bekende groepen optraden en kon worden gedanst. In 1971 brandde dit JOK-gebouw af, maar enkele jaren later verzorgden centra als Araloe aan het Ruiterskwarties en het roemruchte Hippo in de Schoolstraat voor een grote groep jongeren een scala aan activiteiten. Zo organiseerden stafkrachten en vrijwilligers van Hippo jarenlang concerten, theater- en filmvoorstellingen en allerlei werkgroepen. Zo bood het sociaal-cultureel werk de jongeren in de jaren zeventig een eigen, vaak gesubsidieerd, uitgaanscircuit, waarbinnen ook concerten op het gebied van de blues-, folk- en geïmproviseerde muziek regelmatig op het programma terugkeerden. Vanaf het midden van de jaren zeventig kreeg Leeuwarden met De Brouwershoeck in de Poststraat een eigen muziekcafé, waar met vaste regelmaat op de zondagmiddag concerten werden georganiseerd en de jazzstichting Hothouse Redbad tot in de jaren negentig haar vaste residentie had.
In de jaren zestig werd de coffee-shop populair bij de jongeren waar, onder het genot van een kop koffie of een glas cola, kon worden bijgepraat en geluisterd naar de nieuwste hits die uit de juke-box klonken. In 1966 telde Leeuwarden tenminste een dozijn van deze sober ingerichte, schaars verlichte twiener bars. Van De Pruttelpot in de Oosterstraat tot Wyb's (later Syb's) in de Doelesteeg, hadden ze elk hun eigen publiek. Dat gold zeker voor het Jazzcentre Quasimodo dat april dat jaar zijn poorten had geopend.
In deze koffiebar, gevestigd in de Nieuwesteeg 1, klonk voornamelijk jazz- en bluesmuziek, werd in het weekend gedanst, terwijl er soms jazzconcerten konden worden bezocht. Ruim een jaar later kwam er aan deze opzet al weer een einde, maar gelukkig werd in de eenvoudig
ingerichte jazzbar De Taverne aan de Tuinen deze muziek nog jarenlang gedraaid. Een zaak die kon rekenen op een kleine kring van vaste bezoekers, evenals trouwens het in 1967 aan het Noordvliet geopende Passepartout, een nieuwe smaakvol ingerichte zaak die eveneens een uniek karakter nastreefde. Na een enigszins moeizaam begin zou deze zaak een ontmoetingsplaats worden voor diverse groepen met onder meer een regelmatig ‘politiek café' op de dinsdagavond, terwijl de vrijdagavond vaak gereserveerd was voor de liefhebbers van folk- en jazzmuziek.
De populariteit van de patates frites en diverse soorten snacks leidde tot de komst van enkele zogenaamde cafetaria's, terwijl ook een ijssalon als Samba aan de Nieuwestad jarenlang graag bezocht werd. Na het Chinese restaurant als eerste mogelijkheid (eind jaren veertig) om met de ‘oosterse keuken' kennis te maken, ontstond er langzamerhand een rijk geschakeerd aanbod van eetgelegenheden, waar gerechten uit vrijwel alle windstreken beschikbaar kwamen.
Vooral sinds eind jaren tachtig heeft Leeuwarden een inhaalslag gemaakt wat betreft studentensociëteiten en terrassen. Dat kan niet gezegd worden van voorzieningen voor popconcerten. Na het verdwijnen van Hippo werd een instelling als Het Bolwerk in Sneek enorm gemist in Leeuwarden. Hippo vervulde trouwens ook een voortrekkersrol in de (gedoogde) verkoop van softdrugs en haalde daarmee zelfs het landelijk nieuws. Talrijke ‘koffieshops' hebben dat gat in de markt gedicht. Vanuit de Randstad bereikte eind jaren tachtig de housemuziek ook Leeuwarden, waar al spoedig kleine en grote parties (in o.a. Gay-disco The Faced aan het Heerenwaltje en de Frieslandhal) werden georganiseerd. Ook het fenomeen afterparty deed zijn intree, waardoor het mogelijk werd - eventueel met behulp van xtc-pillen - af en toe een volledig etmaal door te feesten. Het dansen werd daarmee het belangrijkste element in de jongerencultuur. Een megabios en een supergrote discotheek zijn er nooit gekomen; speelhallen en casino's inmiddels wel. Het zogenaamde bruine café was hier eveneens een succes en kreeg al snel gezelschap van de brasserie, het grand café en als voorlopig laatste trend tenslotte de lounge.
Een dynamische bedrijfstak als de horeca blijft zich voortdurend veranderen en vernieuwen. Werden in de jaren tachtig zaken als leeftijdsgrenzen en openingstijden nagenoeg helemaal losgelaten, de laatste jaren is er onder meer naar aanleiding van de gewelddadige dood van Meindert Tjoelker weer sprake van strengere regulering. In de belangrijkste uitgaansstraten van een eeuw geleden, Nieuwestad, Ruiterskwartier, Groot Schavernek en Stationsstraat, is nog steeds veel horeca te vinden. Weaze en Oude Doelesteeg en later Eewal en Grote Hoogstraat zijn pas betrekkelijk recent populair geworden. Enkele nieuwe hotels zijn langs de invalswegen gevestigd. Spraakmakende nieuwe of vernieuwde etablissementen van de laatste jaren zijn de Koperen Tuin, Van den Berg State en Het Stadhouderlijk Hof. Actuele uitdagingen zijn het vestigen van passende horeca in de monumentale Waag en het in goede banen leiden van de groei van de rosse buurt.
Het gevolg van alle ontwikkelingen was soms de sluiting van bedrijven, maar nog vaker het verbouwen en moderniseren van etablissementen, waardoor van de oorspronkelijke inrichting of van voorgaande interieurveranderingen vaak vrijwel niets terug te vinden is. Veel gelegenheden, die een belangrijke rol hebben gespeeld in het Leeuwarder uitgaansleven, zijn volledig afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. Van hotels als De Nieuwe Doelen, De Klanderij, Amicitia, Spoorzicht, De Bleek en Stadszicht resten alleen nog afbeeldingen op oude foto's als verbleekte herinneringen aan dit deel van het culturele leven in de Friese hoofdstad. Een aansporing om zuinig te zijn op wat nog wel bewaard is gebleven.

1. Ruiterskwartier 57 (De Friesche Club, voorheen de Stadsschouwburg)
In het jaar 1801 kocht de Leeuwarder muziekmeester en organist Johannes Posthumus twee woningen aan de Haniasteeg, die hij liet verbouwen tot een beneden- en een bovenzaal. Voor Posthumus een hele vooruitgang, want reeds hiervoor vertoonde hij op de zolder van zijn woning in het Maria Annastraatje voor vrienden toneel¬stukjes. Hij had daar veel succes mee, al waren ruimte en inrichting nog zo bekrompen. Johannes Posthumus moest vanwege de grote publieke belangstelling uitkijken naar een geschiktere ruimte. Hij vond die in eerste instantie in het huis De toren van Babel aan de Nieuwestad, waarvan hij de achterzaal huurde. Toen ook daar de toeloop groot was, vatte Posthumus het plan op om een ‘echte' schouwburg te stichten. Aan de Haniasteeg werd op 3 september 1801 de eerste steen gelegd. Reeds na één jaar bleek de toneelzaal te klein en moest er aanzienlijk worden uitgebreid. Posthumus werd bij zijn plannen ondersteund door vermogende lieden, waardoor de aankoop van een achttal huisjes en een bleekveld grenzend aan zijn erf mogelijk werd. Hij liet alles slopen en vervolgens bouwden A. en B. van der Ploeg er een "comediezaal met toneel", die met de reeds bestaande zalen werd verbonden. Verder kocht Posthumus een huis aan het Ruiterskwartier om zijn zalen een meer geschikte ingang te geven en hij liet het tevens geschikt maken om er te wonen.
De nieuwe accommodatie beantwoordde aan de verwachtingen. Het niveau van de uitvoeringen werd danig verhoogd en bekende gezelschappen uit het westen des lands kwamen regelmatig spelen. Op een gegeven moment werd het gebouw opnieuw te krap. Uiteindelijk werd het succes van de schouwburg indirect de ondergang, want het stadsbestuur was geïnteresseerd geraakt en maakte zelf plannen om een nieuwe en grote Stadsschouwburg te stichten. In de jaren veertig zag men daar in eerste instantie nog van af en gaf de stadsoverheid in 1844 zowaar nog een subsidie van fl. 1500,- voor de verbouwing van de zalen. De publieksruimten waren (oplopend in prijs) ingedeeld in loges en stalles, parterre, amphitheater, midden-galerij en galerij.
Later kwam aan de overkant van de straat toch De Harmonie en daartegen kon de oude stadsschouwburg zich niet lang staande houden. Het aantal opvoeringen daalde sterk en de exploitanten, die na de dood van Johannes Posthumus in 1843 het gebouw in eigendom verwierven maakten er een koffiehuis van. Niet zo verwonderlijk, want het Ruiterskwartier werd in die tijd vooral op marktdagen bijzonder druk bezocht door het winkelend publiek.
Burger beschrijft in zijn jeugdherinneringen de Stadsschouwburg in zijn nadagen als volgt: "De Stadsschouwburg. Een haast al te deftig opschrift voor het schouwburgje aan het Ruiterskwartier, dat ik mij niet anders kan voorstellen dan verwaarloosd. Wij waren, als hoogste-klassers van H.B.S. en gymnasium, hier vrij trouwe bezoekers en zaten dan voor een paar dubbeltjes op de galerij. Het werd geregeld bespeeld door het Leeuwarder toneelgezelschap van A. Bakker, die er stukken opvoerde als De man met het ijzeren masker, Jeanne de gevloekte, Pierre de galeiboef, Don Caeser de Bazan. Veel indruk maakte, als père noble, een oude heer Stoett, meer door de waardigheid van zijn houding en gebaren dan door het gesproken woord, want hij was tandeloos en onverstaanbaar."
Omstreeks 1915 werd de oude Stadsschouwburg aangekocht door de Friesche Billard Club (opgericht op 15 maart 1901). Dit pand werd toen voor de nieuwe gebruikers geschikt gemaakt onder supervisie van architect Hendrik Nieuwland, die ook verantwoordelijk was voor de nieuwe gevel een vijftiental jaren later. Vier jaar na het in gebruik nemen van het clubgebouw telde de vereniging 761 leden en dat gaf mogelijkheden om de accommodatie verder te verbeteren. Talrijke keren waren er verbouwingen en uitbreidingen. Gelukkig bleef de tot biljartzaal ingerichte schouwburgzaal grotendeels intact. In 1930 werd de oude schouwburggevel in Frans georiënteerde neo-renaissancestijl vervangen door een Amsterdamse School-gevel. Ook de glas in lood-elementen in de gang en elders zullen toen zijn aangebracht. De stoelen uit de jaren twintig staan er nog.
Begin jaren negentig vond ook een groot deel van de georganiseerde Leeuwarder kegelaars onderdak in de De Friesche Club. Aan de Ipe Brouwerssteeg werd een kegelhuis van allure ingericht. De vereniging beschikt over een van de aller¬mooiste biljartzalen in den lande en heeft nog steeds een bloeiend bestaan. Nog steeds wordt de verdieping bewoond door een beheerdersechtpaar. Ze zijn echter niet meer in dienst van de club, maar pachten het café-gedeelte.

2. Westerplantage 15 (Fardin's Perzische Tapijten, voorheen o.a. dancing Le Moulin Rouge)
In het laatste kwart van de negentiende eeuw telde Leeuwarden ongeveer zestig koffie- en bierhuizen, merendeels bedompte en slecht verlichte lokalen, waar niet veel geld omging.
De uitbaters van sommige inrichtingen, met name die in en bij de Boterhoek, hadden een belangrijke andere bron van inkomsten, namelijk het gelegenheid geven tot prostitutie.
Een dergelijk, wat groter bedrijf was gevestigd in Maria Annastraatje 4. Bewoonsters waren een ruim 40-jarige "koffiehuishoudster" (op de vrijdagen bijgestaan door een al bejaarde werkvrouw) en zes publieke vrouwen van rond de dertig jaar, elk met een afzonderlijke kamer.
In 1892 keek deze bordeelhoudster uit naar een ander adres. Er waren wat moeilijkheden met omwonenden, er liepen te veel schoolkinderen rond, maar vooral: de kamers waren niet ruim genoeg. Aanvankelijk, in mei, had ze haar keus bepaald op het hoekpand van Nieuweweg en Blokhuisplein, maar in het najaar zag ze meer mogelijkheden in nieuwbouw op het Klein Schavernek, hoek Westerplantage. Zij kreeg daartoe gemeentelijke vergunning, mits de ingang niet aan het Schavernek zou komen en er voor de ramen vaste jaloezieën werden aangebracht, die de inkijk geheel zouden beletten. Alle Schavernek-bewoners tekenden bezwaar aan. De exploitant van Het Wapen van Friesland, stelde dat "het idee van tegenover een bordeel gelogeerd te zijn, genoeg zou zijn om zijn hotel vermijden, en bovendien aan de collega's een zwaard in handen geven, waarop steeds gezinspeeld kon worden om zijne zaak te treffen".
Vroeg in het voorjaar 1893 begon dan toch de bouw van een huis met hotel-allure. Op de begane grond kwamen een koffiekamer en een restaurant, daarboven nog twee verdiepingen, het geheel op een royaal souterrain. De in Leeuwarden ongekende luxe was kennelijk bestemd voor een financieel beter gesitueerde cliëntèle.
Al op 1 juli arriveerden de bewoners: eigenares Emma Louisa Yark-Ruft en zes al wat oudere meisjes van plezier; kort daarna voegde zich daarbij de handelaar in ijzer en staal Julius Friedrich Gregory, evenals Louise Ruft van Pruissische origine. Enige mannelijke bijstand was wel gewenst. Tegenstanders van de gelegaliseerde prostitutie, protestants-christelijke en socialistische strijders tegen de zedenverwildering, postten namelijk voor de ingang op de Westerplantage en probeerden de bezoekers in spe er van te weerhouden binnen te gaan. Gregory organiseerde een knokploegje om de demonstranten, voornamelijk zogenaamde middernachtzendelingen, te verjagen. De politie trad niet op, ook niet toen een dertigtal personen - zendelingen en onschuldige voorbijgangers - min of meer ernstig werden verwond; enkelen belandden zelfs in het ziekenhuis. De rechter veroordeelde de prostitutie-tegenstanders: zij hadden de kloppartij uitgelokt. En de Gemeenteraad voegde een artikel toe aan de Algemene Politieverordening: "met een geldboete wordt gestraft degene, die op of aan de openbare straat zich ophoudt of gedraagt, zóó, dat hij een ander belemmert of lastig is en hieruit verstoring van de openbare orde of van de nachtrust der omwonenden zou kunnen voortkomen". Er volgde nog een interpellatie in de Tweede Kamer, maar Gregory triomfeerde. Het Friesch Volksblad, orgaan van de socialistische Friesche Volkspartij, publiceerde "een kermisvoordracht voor den Koning van 't Schavernek, staande met z'n poppekast in de Westerplantage:

Ich bin der Fürst voor 't Schavernek,
Hab' mit die fromme lui de gek;
Ich liebe wein, weib und gesang
Und bin für Godt noch Teufel bang.

Ich bin gut freund mit polizei,
Und tapfre männer staan mir bei,
sie jagen treu mit stok und stein
Die kwesel weg von mein terrein".
(volgden nog elf coupletten).

Over "de Boterhoek voor de welgestelden" moet er een status-quo zijn bereikt want daarna heerste er stilte inzake de "Leeuwarder bordeel-quaestie". Het bedrijf zou nog een tiental jaren bestaan. Doorgaans waren er vijf à zes publieke vrouwen beschikbaar, waarvan de helft Duits; 35% bleef korter dan twee, 15% tussen de twee en vier maanden en 30% langer dan een jaar (de enige Friezin tien dagen!). Herkomst en nieuwe bestemming van de meesten waren ‘venustempels' in de grote Hollandse steden. Bekend is, dat er circuits tussen groepen publieke huizen bestonden; prostitués konden dan ook na enkele jaren weer opduiken bij een eerdere werkgeefster.
Nadat eind november 1905 het gehele personeel was vertrokken, liet Gregory het pand door de ook nu nog zeer gewaardeerde architect Zijtse Feddema verbouwen tot een normaal logement. De blindering van de ramen werd verwijderd, een veranda langs de rijmuur opgetrokken (Feddema zal ook wel verantwoordelijk zijn voor de Art-nouveau stucreliëf omlijstingen van de vensters aan de Westerplantage). Gregory ging dit Hotel de Oldehove drijven met de "renteniersche" Louise Ruft, een kelner en een dienstbode. In 1912 is hij opgevolgd door de café- en hotelhouder Ype Schaaf, die na vijf jaar opschoof naar het Oranje Bierhuis: eigenares mevrouw Yark had het logement verkocht aan de hotelhouder Oebele de Vries. Ondanks diens reclamecampagne (ruim terras met uitzicht over de stadsgracht, levende muziek) bleef de klandizie beneden verwachting.
Als hotelier-eigenaar volgden hem de kelner Hein Broersma, de caféhouder Keimpe de Boer en de winkelier Hendrik Salverda. De laatste financierde in 1924 een verbouwing, waarbij ook (ten koste van het grootste deel van het zo bejubelde terras) de veranda door een forse serre werd vervangen. Salverda wist meer publiek te trekken door het laten optreden van jazz-musici en andere podiumartiesten. In 1925 kwam er al weer een nieuwe uitbater, een jaar later ook eigenaar, de restaurateur Hendrik van Hemmen, die vrijwel dagelijks muziek, dans en cabaret bood. Hij kon in het volgend jaar het pand verkopen aan de mineraalwaterfabrikant Tonnis Edens, maar bleef de ‘dancing' zelf exploiteren tot 1932.
De in oktober van dat jaar aantredende gerant was de hotelhouder Klaas Huisman, die de nog steeds gevoerde naam Hotel de Oldehove verwisselde met Le Moulin Rouge. Die naam werd een begrip in Leeuwarden en verre omstreken. Huisman en zijn opvolger (1937) Jacobus Prinsen slaagden erin vele befaamde attracties te contracteren, maar door de economische crisis leverden die toch niet voldoende inkomsten op.
Na het vertrek van Prinsen (1939) is het gebouw vooral voor particuliere bewoning benut, enkele jaren huisvestte het een makelaardij, sedert kort is er de tapijtzaak van Fardin gevestigd. Verbouwingen en herinrichtingen hebben van het oude interieur nagenoeg niets gespaard. Van de voorgangers van het huidige pand bleef in de kelder een muurdeel bewaard. Waarschijnlijk gaat het om een onderdeel van een bijgebouw van de in 1840 gesloopte Vrouwenwaterpoort.

3. Groot Schavernek 9 (Galerie Van den Berg, voorheen o.a. Hotel Weidema)
Het Schavernek was vanouds een belangrijk vervoerscentrum van de stad. Het was een komen en gaan van trekschepen uit omliggende steden, zoals Harlingen, Bolsward en Sneek. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw was het er een drukte van belang. Pas de laatste jaren staat deze buurt weer in de belangstelling. Steeds meer panden aan het Schavernek werden inmiddels al verbouwd en opgeknapt. Zo ook het pand dat zich aan de stadszijde van de gracht bevindt en al sinds eeuwen de gevelrij domineert. Het is een pand dat een rijk verleden kent: rijk aan bezitters en bestemmingen en rijk aan historie: het voormalig hotel Het Wapen van Friesland.
Op het eerste gezicht lijkt het pand één geheel te zijn. Pas in tweede instantie wordt duidelijk, dat het gebouw eigenlijk bestaat uit twee panden, waarvan het linker dubbel zo breed is als het rechter, en dat het hele complex aaneengesmeed is door een gezamenlijke daklijst en dak en een stenen sierlijst over de volle breedte.
Wanneer beide panden zijn gebouwd valt niet precies te achterhalen. Wel is duidelijk dat er regelmatig oudere bebouwing werd opgekocht, gesloopt en verbouwd en dat de bestemming veranderde van woonhuis naar logement en ook dat er in een van beide panden het Sneker veerhuis was gevestigd. De geschiedenis valt in ieder geval terug te voeren naar 1802, het jaar waarin Metje Pluim het pand aan het Groot Schavernek nr. 81 en de bijbehorende stal, gelegen "bij het Franeker Trekschip" verkoopt aan Frederik Hoven, die er met zijn vrouw en kinderen gaat wonen.
In 1824 was een zekere Anne Nauta eigenaar van het pand; hij begint er een herberg. In 1834 zorgde de toenmalige eigenaar en uitbater Cornelis Pelle ervoor dat het logement werd uitgebreid. Acht jaar later is Cornelis Witteveen eigenaar geworden en noemt het hotel Het Wapen van Friesland (Een zoon van Witteveen werd later eigenaar van het voornaamste hotel van de negentiende eeuw, De Nieuwe Doelen aan de Voorstreek). Het etablissement fungeerde in die jaren ook als vertrekpunt van de postwagen naar Groningen. Wopke Eekhoff maakt in zijn wijkboek van Leeuwarden uit 1843 eveneens melding van het samenvoegen en de hotelnaam: het Sneker Veerhuis in het Wapen van Friesland; achter de wijknummers plaatst hij een accolade. In de jaren daarop koopt Witteveen verschillende omliggende pandjes en grond op (de achterliggende stal annex wagenhuis, een zilversmederij en een erf). Vervolgens vindt er in 1850 een verbouwing plaats. In 1876 werd het pand verkocht aan de timmerman en aannemer Anthonius Feddema, die er ook de nodige verbouwingen pleegde. Hij verkocht het pand een jaar later weer door aan de logementhouder Fedde Weidema.
Zoon J.F.N. Weidema gaf rond 1900 een eigen gids voor Leeuwarden en omstreken uit met ook "eenige bijzonderheden van het hotel." Het hotel, toen Grand Hotel Weidema geheten, genoot zeker bekendheid. Er verbleven regelmatig belangrijke en soms adellijke en buitenlandse gasten of er vonden andere sociale gebeurtenissen plaats. Het belangrijkste wapenfeit is toch wel dat in 1912 de start en finish van de eerste officiële Elfstedentocht werd georganiseerd vanuit dit etablissement. Later nam De Groene Weide die rol over. Ondanks dit soort activiteiten ging het langzamerhand steeds slechter met het hotel. De scheepvaartverbindingen via het Schavernek verloren hun belang. De meeste reizigers van buiten de provincie maakten gebruik van het spoor en overnachtten in de regel in de ‘modernere' hotels in de buurt van het station. Na 1917 kwam het pand in gemeentelijk bezit en werd het verbouwd tot een complex voor noodhuisvesting voor gezinnen. Daarna was de Rijkskweekschool er gevestigd en weer later in de jaren zeventig vond de Akademie voor Ekspressie en Kommunikatie (AVEK) er onderdak.
Totdat het pand aan de huidige eigenaren werd verkocht bleef het tamelijk onaangeroerd. Op oude foto's is te zien dat de voorgevel uit twee bouwlagen van negen traveeën breed bestond. Het linkerpand bestaat uit een onderpui van natuursteen met daarboven een gevel die verder opgetrokken werd uit rode baksteen met speklagen die alternerend doorlopend en onderbroken zijn. Boven alle ramen zijn bovendien nog eens aan weerzijden consoles geplaatst die stenen raamlijsten dragen. De entree was links van het midden geplaatst. Het rechter pand is minder rijk gedecoreerd. De natuurstenen onderpui is ook lager. De ramen zijn alleen omlijst door een bakstenen boog. Het pand wordt in zijn geheel overkapt door een afgeknot schilddak, waarin zich drie dakkapellen bevinden. Alle drie worden ze aan de bovenzijde bekroond door een driehoekig fronton. De middelste wordt nog eens extra benadrukt door pilastervormen aan weerzijden van het raam boven op het fronton.
Het oude schoolgebouw werd in 1993 verkocht aan J.E. van den Berg, die nog datzelfde jaar architect Peter Walon aanzocht voor het maken van een ontwerp voor de verbouw van het pand. Van den Berg verkocht het linkergedeelte weer door zodat de eerdere samenvoeging weer ongedaan moest worden gemaakt. De entree en trap naar de bovengelegen verdiepingen lag in het linkergedeelte waardoor er voor het rechterpand een nieuwe ontsluiting moest komen. In het rechtergedeelte vestigde Van den Berg op de begane grond in de grote benedenzaal zijn galerie en op de bovengelegen verdiepingen zijn woonhuis. Het linkergedeelte werd verbouwd tot uitzendbureau en (daarboven) een viertal appartementen.
Het interieur en exterieur zijn ingrijpend veranderd. Het rechtergedeelte heeft nog het meest van zijn oorspronkelijke vorm behouden. De onderpui van het linkergedeelte werd vervangen door een terugliggende gebogen wand van glas en staal. Een smal deel van de muur is blijven staan om dienst te doen als een soort pilaar. Tussen deze ‘pilaar'en de zijwanden zijn luifels geplaatst. Het interieur werd geheel gemoderniseerd. Achter de stenen wand bevindt zich de nieuwe entree en trap. De voormalige danszaal op de eerste verdieping is ingericht als woonkamer. Enkele details herinneren nog aan het vervlogen verleden: op de overloop drie paneeldeuren in art-déco achtige stijl; de houten parketvloer in de woonkamer waarop menige danspas werd geoefend en de gietijzeren radiatoren die nog immer de woonruimte verwarmen.

4. Bagijnestraat 42 (Distilleerderij Meekma)
Volgens de tekst op de twee gevelstenen onder de kroonlijst dateert dit pand uit 1661. De voorgevel is bij een verbouwing in de jaren tachtig van de negentiende eeuw echter dusdanig gewijzigd, dat zich op het eerste gezicht niet laat vermoeden dat daarachter een zeventiende-eeuws pand schuil gaat.
De gepleisterde voorgevel is, in overeenstemming met de vroeger gebruikelijke woonhuisbreedte, drie raamvlakken breed en twee bouwlagen hoog. De gevel wordt afgesloten door een geblokte kroonlijst met daarboven een afgeknot schilddak met daarin een dakkapel. De ramen zijn voorzien van negentiende-eeuwse T-vensters, hoewel dat daarvoor vermoedelijk zogenaamde zesruiters zijn geweest.
In de achttiende en negentiende eeuw is het pand eigendom geweest van verscheidene aanzienlijke families. Wie het pand heeft laten bouwen wordt uit de archieven niet duidelijk. Het was aan het einde van de zeventiende eeuw eigendom van de Leeuwarder burgemeester Benno Bourboom, een telg uit een met wijnhandel tot grote welstand gekomen familie. Zoon Everhardus Bourboom, advocaat bij het Hof van Friesland en van 1732 tot 1777 secretaris van Leeuwarden, kwam in 1726 in bezit van het huis. In de koopakte wordt het pand omschreven als "een groot voorhuis [met] boven en benedenkamers, put, bak en gemak". De put moest echter wel worden gedeeld met de broer van Everhardus, Jacobus Bourboom, die eigenaar was van de beide panden naast Bagijnestraat 42. Rond 1730 werd nummer 42 'om niet' bewoond door Arnoldus Camp, een aan lager wal geraakte zwager van Everhardus Bourboom. In de jaren vijftig van dezelfde eeuw bewoonde deze de woning echter zelf.
Pas in maart 1861 werd het pand als laatste restant van het ooit omvangrijke familiebezit door de nazaten van Iskjen Catharina Bourboom verkocht aan de familie Van Harinxma thoe Slooten, die eveneens een heel complex van woningen tussen de Nieuwstad en de Bagijnestraat bezat. Ook na de verkoop werd het pand bewoond door lieden uit betere families: onder andere tot 1871 door Hendrik Hermanus Menalda, een welgestelde wijnkoper. Van 1897 tot 1900 woonde de orgelbouwer Arjen Timmenga in het pand. Rond 1914 werden de twee bouwlagen van het pand gesplitst. Op de begane grond zijn gedurende de hele twintigste eeuw bedrijven gevestigd geweest, onder meer lijstenmakerij Braun, loodgietersbedrijf Van der Heide en Tiemersma schilderwerken.
De huidige bedrijfsmatige uitstraling van het pand dateert uit de tijd dat Van der Heide er gevestigd was: hij liet het pand in 1954 rigoureus verbouwen. Op de tekeningen bij de vergunningsaanvraag is te zien, dat zich aan de linkerzijde van de pui oorspronkelijk een voordeur bevond, met daarboven glas-in-loodraampjes en ernaast twee ramen ter grootte van die op de eerste verdieping. Deur en ramen werden vervangen door een grote houten schuifdeur, met links daarvan een smalle voordeur ten behoeve van de bovenverdieping. Boven de beide deuren werd de gevel over de hele breedte voorzien van glaswerk.
Tegenwoordig is op de begane grond het proeflokaal van beerenburg-distilleerderij Meekma gevestigd. Dit bedrijf werd in 1916 in Drachten opgericht, maar verhuisde in de jaren zeventig naar Leeuwarden. Het pand is thans ingericht zoals de Drachtster vestiging van Meekma er ooit moet hebben uitgezien. Helaas zijn als gevolg van de vele verbouwingen in de loop der jaren vrijwel alle oorspronkelijke elementen uit het interieur van het pand verdwenen. Wel zijn de authentieke zeventiende-eeuwse binnenmuren nog altijd goed zichtbaar.
Vanuit het proeflokaal kan men doorlopen naar de Museumwinkel van de Stichting Nieuwesteeg Vijf. In dit zeventiende-eeuwse herenhuis is een grutterswarenwinkel te bezichtigen waarvan de inrichting uit 1904 dateert. In de achterkamer bevindt zich een koffie- en theeproeverij.

5. Auckamastraatje 2 (Oranje Bierhuis)
"Mag onze goede stad helaas op weinig merkwaardigheden bogen, onder degenen die er zijn behoort in de eerste plaats genoemd te worden het van ouds bekende Oranje-Bierhuis", zo roemde de schrijver van het boekje De Geschiedenis van Rougemaison in het Oranje Bierhuis dit eerbiedwaardig oude en sfeervolle etablissement.
Het Oranje Bierhuis is het op één na oudste café van de stad. Een eerste aanwijzing van ‘horeca-activiteiten' op de hoek van Herenwaltje en Auckamastraatje vinden we in de oude papieren als omstreeks 1770 een telg uit het rijke Leeuwarder koopmansgeslacht Sippama "koffieschenker" bij het Stadhuis wordt genoemd. De familie Sippama bezat indertijd meerdere panden in de omgeving. Het was een tijd waarin koffieschenkers in het algemeen niet zozeer gevreesd werden door de drank die zij verschaften, als wel door het geven van gelegenheid tot politieke causerieën. Het wijkboek 1843 omschrijft het Raadhuisstraatje G 55 als "vroeger het Oranje-koffijhuis".
In het begin van de negentiende eeuw is een zekere J. Zijlstra bewoner. Hij wordt maitre de caffé (1811) en ook "koffieschenker"(1814) genoemd. Of het pand in die tijd al echt uitsluitend als café wordt gebruikt is niet helemaal duidelijk. Zeker is wel dat er na Zijlstra een "baardscheerder" en een "kastenmaker" in het pand wonen. Het definitieve begin van het Oranje Bierhuis als stadscafé mogen we wel dateren in 1857 als Bouwe Kuipers er met zijn gezin komt wonen. Toch wordt hij naast winkelier nog steeds "koffiehuishouder" genoemd. Het is zeker dat Kuipers wel eens uit andere vaatjes heeft getapt, want in het adresboek van 1872 lezen we in een advertentie: "B.J. Kuipers & Cie. Binnen- en buitenlandsche Bierhandel. Oranje Bierhuis bij het Stadhuis. Steeds voorhanden: Amsterdamsch-Beijersch uit de Kon. Ned. Beiersch Bierbrouwerij, Davo Bier, Engelsche Bieren uit de brouwerij van de Heeren Bass & Co., Princessebier uit de brouwerij "de gekroonde Valk", Heumens Nieuwlicht, Maastrichts, Deventer Winterbier enz. enz." Eerst zijn opvolgers Lammert Swart (1869-1878) en de familie Blok (1878-1900) worden met naam en toenaam "bierhuishouder" genoemd. Een andere bekende uitbater was Ype Schaaf, de grootvader van de gelijknamige journalist en predikant.
Het Oranje Bierhuis bestond oorspronkelijk uit twee panden. In de gevel aan het Raadhuisplein is dit op de verdieping aan de raamstelling nog duidelijk te zien. Het rechter van de twee panden bezat tot in de jaren-tachtig van de vorige eeuw een trapgevel. Het linker pand evenwel was in die periode zijn top reeds kwijt. In opdracht van de toenmalige kastelein Blok zijn de panden samengevoegd onder een doorlopend schilddak. De caféruimte was tot die tijd gescheiden in twee vertrekken, door de cliëntèle de eerste en tweede kamer genoemd. De eerste kamer was bestemd voor de stamgasten en men betaalde er iets meer voor een alcoholische versnapering. Tot de samenvoeging van de panden zat de ingang in het midden van de gevel. Later is deze naar links verplaatst.
Door een in 1994 uitgevoerde schilderbeurt in ossenbloed- en zandsteenkleur zijn details beter zichtbaar geworden zoals de negblokken in de dagkanten en in de ontlastingsbogen de negblokken en sluitstenen. De sluitstenen in de zijgevel aan het Herenwaltje zijn decoratief als fraaie koppen uitgevoerd. In de voorgevel zitten een tiental grote en typerend oude ankers met in 1994 schalks oranje geschilderde knoppen. Het oorspronkelijke hoekpand is geheel onderkelderd. De kelder bezit ook een toegang aan het Herenwaltje. Het interieur is de laatste honderd jaar nauwelijks veranderd en bezit veel sfeer. Het ruikt er zelfs oud. Kenmerkend is verder onder andere het geheel ontbreken van versterkte muziek. Sfeerbepalend was vroeger ook ober Jelte van Dijk.
Het Oranje Bierhuis heeft een boeiende clientèle, die vooral bestaat uit echte Liwwadders. Kunstenaars, omwonenden en leden van de historische vereniging komen er vaak en graag. Hans Wiegel bezocht al voordat hij zich in Friesland vestigde het etablissement regelmatig. In een speelfilm van eind jaren zeventig uit de Grijpstra en de Gier-serie komt het interieur en exterieur van het café nadrukkelijk in beeld. Als de raadszaal in het stadhuis na de restauratie weer kan worden gebruikt zullen de lokale politici en ambtenaren het café ook wel weer weten te vinden. In de jaren zestig regelde het Bierhuis zelfs de complete koffievoorziening van de gemeentelijke secretarie.
Het pand staat ingrijpende veranderingen te wachten. Op de verdieping wordt hoogst waarschijnlijk nog dit jaar een besloten club gevestigd waar genodigen exclusief kunnen loungen.

6. Weerd 18 (Grand-café Liechtenstein)
Halverwege de Weerd, gezien vanaf de Nieuwestad aan de rechterzijde, bevindt zich een naar verhouding fors pand, thans bekend onder de naam Liechtenstein, naar het grand-café dat op de benedenverdieping is gevestigd. Deze benaming is overigens pas omstreeks tien jaar in gebruik en bedacht door de toenmalige pachter. Het uiterlijk van het pand maakt duidelijk, dat de bouwer geen horecabestemming voor ogen stond. Die functie heeft het ook pas sedert 1983, toen er het eetcafé De Bombardon in werd gevestigd.
Het vijf traveeën brede huis telt drie verdiepingen bovenop een souterrain en wordt overdekt door een schilddak met op de hoeken een schoorsteen. De ingang, aangebracht op de benedenverdieping in het midden, wordt bereikt met een hardstenen dubbele trap met een fraai smeedijzeren hekwerk. Ook de door pilasters geflankeerde deurpartij met halfrond bovenlicht en bekroond met een sierlijke sluitsteen is beslist een nadere beschouwing waard. Verder valt de bewerkte erker boven de ingang op. De kroonlijst is eenvoudig uitgevoerd.
Binnen zijn feitelijk alleen het centraal gelegen trappenhuis en enkele plafonds met vroeg negentiende eeuws sierstucwerk van belang. De achterzijde van het huis oogt sober. De tuin, nu in gebruik als caféterras, loopt door tot aan het Herenwaltje, voor de grachtdemping in 1884 bereikbaar via een houten bruggetje. In 1928 ontwierp de directeur van Gemeentewerken een plan om de begaanbaarheid voor voetgangers te verbeteren. Daarbij moest de stenen stoep voor de ingang verdwijnen. Gelukkig heeft de gemeentelijke schoonheidscommissie daar een stokje voor gestoken!
De stichting van het gebouw is op grond van stilistische en bouwtechnische kenmerken moeilijk te dateren. Sommigen spreken van empirestijl en schrijven ontwerp en bouw toe aan Gerrit van der Wielen (1767-1858). Anderen zien in het gebouw kenmerken van de Lodewijk de XVI-stijl. Archiefonderzoek heeft inmiddels aannemelijk gemaakt, dat het huis omstreeks 1722 is gebouwd. De argumentatie hiervoor is op een tweetal feiten gebaseerd: de toenmalige eigenaresse van het perceel, Catharina van Scheltinga, echtgenote van Schelte van Heemstra (o.a. gouverneur van prins Johan Willem Friso en burgemeester van Bolsward) vermaakt bij testament van 4 april 1724 aan vier van haar kinderen "haar nieu geboude huijsinge staende binnen Leeuwarden op de Weert". In een belastingkohier over 1721 wordt over het naastgelegen en eerder door Catharina en Schelte verworven huis Weerd 16 opgemerkt: "niet belast wegens verbouwing tot stal". Het is aannemelijk, dat deze verbouwing tegelijk plaatsvond met de nieuwbouw van het grote huis.
Overigens is niet uit te sluiten, dat bouwmeester Gerrit van der Wielen toch zijn steentje heeft bijgedragen aan het pand, zoals wij dat thans kennen. Mogelijk werkte hij in opdracht van Mr. Evert Roorda (1767-1853), die het huis van 1803 tot 1824 bewoonde. De aankondiging van de veiling van het huis in de Leeuwarder Courant van 19 december 1823, waarin gesproken wordt van "Eene hechte en modern betimmerde heeren huizinge" lijkt erop te wijzen, dat het pand niet lang daarvoor aan de eisen des tijds was aangepast. Niet achttiende-eeuws ogende elementen als deurpartij en erker zijn wellicht toen aangebracht.
Al in de zeventiende eeuw kwam Weerd 18 in het bezit van de familie Van Scheltinga. Catharina van Scheltinga en haar man gebruikten het huis als pied-à-terre gedurende de jaarlijkse vergaderingen van de Friese Staten. Overigens verbleven zij vooral op Heemstrastate te Oenkerk of te Bolsward, waar Schelte raad in de vroedschap (vanaf 1704) en gedurende enige jaren burgemeester was. De kinderen en hun nazaten hebben geen gebruik meer gemaakt van het huis en verhuurden het na Scheltes dood in 1733 tot Catharina's achterkleinzoon Jhr. Cornelis Scheltinga van Heemstra het tenslotte in 1803 verkocht aan Mr. Evert Roorda, belastingontvanger te Leeuwarden. De huurders waren van gelijke stand als de Scheltinga's of de Heemstra's, maar bezaten kennelijk geen eigen passend optrekje in de stad. Van de huurders noemen we hier achtereenvolgens Jarich George van Burmania (o.a. grietman van Oostdongeradeel), Sjuck Gerrold Juckema van Burmania Rengers (o.a. grietman van Franekeradeel) en baron Charles Bigot de Villandry (o.a. gedeputeerde).
Na kortstondig in bezit te zijn geweest van de families Blocq van Haersma de With en Bieruma Oosting kwam het pand in 1832 voor langere tijd in handen van Jhr. Onno Reint van Andringa de Kempenaer (1801-1868), onder meer grietman van Lemsterland en kamerheer des Konings.
Bij openbare veiling, gehouden op 11 en 25 april 1870 in opdracht van de erven Van Andringa de Kempenaer, werd het herenhuis toegewezen aan de strohoedenfabrikant Gerard de Chateau (1819-1898) voor een bedrag van fl. 18.309,-. De stal, welke vanaf de verbouw in 1721 steeds onlosmakelijk aan het huis verbonden was geweest, werd op diezelfde veiling aangekocht door kapper Folkert Jan van Dijk, die er een woonhuis van maakte. Tegenwoordig is daar het bloemsierkunstbedrijf Drijver gevestigd. Gerard de Chateau, die de fabriek, ondergebracht in enkele panden in de op de Weerd uitkomende Gloppe of Moutmakersgang, had overgenomen van zijn uit Belgisch Limburg stammende vader, richtte het huis in als onderkomen voor zijn arbeiders. Van de vroegere status van het gebouw was daarmee weinig meer over! De Chateau hield het pand aan tot eind 1887.
In 1892 kreeg het gebouw weer een totaal andere bestemming, toen Jacob Poutsma (1861-1908), telg uit een bekend Fries onderwijzersgeslacht, er zijn school voor uitgebreid lager onderwijs vestigde. De school, in 1888 door Poutsma gesticht in de Gloppe aan het Zaailand naast de Rijks H.B.S., bood aansluiting op middelbaar en hoger onderwijs en leidde op voor diverse examens. Instituut Poutsma, zoals de school later werd genoemd, genoot grote bekendheid en telde veel prominente Friezen onder haar leerlingen. Van de gemiddeld ruim honderd leerlingen was er een twintigtal in de kost en ondergebracht in het pand aan de Weerd. Na het plotseling overlijden van Jacob Poutsma werd het internaat nog tot 1920 voortgezet door Dirk van de Craats (1878-1967), die al vanaf 1904 als leraar aan het instituut verbonden was.
Van 1920 tot 1939 diende het huis als magazijn van de firma P.F.J. Westra & Co., groothandel in sajetten (wollen garens) en tricotgoederen, die overigens nog een winkel exploiteerde aan het Naauw (De Magneet). Westra (1886-1960) benutte het pand aan de Weerd tevens als kantoor in zijn functie van wethouder van sociale zaken.
De Vereniging van Vrijzinnige Hervormden in Leeuwarden nam het gebouw in 1940 als verenigingscentrum in gebruik Na een grondige renovatie, waarbij op de bovenverdiepingen slaapkamers werden ingericht en brandveiligheidsvoorzieningen werden aangebracht, zoals een ijzeren brandtrap aan de achterzijde,. Het bleef die functie behouden tot de verkoop in 1983. De vereniging liet ook de nog aanwezige bijbelspreuk in het trappenhuis plaatsen. In de oorlogsjaren heeft het nog enige tijd dienst gedaan als tijdelijke huisvesting van het Old Burgerweeshuis.
Vermeldenswaardig is eveneens dat een historische roman zich voor een deel afspeelt in dit huis. Van de hand van Louise Engelberts verscheen in 1925 Een vergeten proces over (vermeende) achttiende-eeuwse bewoners.

7. Sint Jacobsstraat 11 en 9 en Herenwaltje 10 (voorheen o.a. Hotel De Phoenix)
Het pand Sint Jacobsstraat 11 is zowel wat het exterieur als het interieur betreft een van de monumentaalste panden in de Leeuwarder binnenstad. Het perceel waarop het huis verrees, werd op 11 januari 1666 gekocht door Abraham de Schepper en Titia Hagius. De Schepper was burgemeester van Leeuwarden en gedeputeerde. In het jaar van de aankoop werd het huis gebouwd. In een cartouche boven een van de pilasters staat in Romeinse cijfers het jaartal 1666. Na De Schepper werd het huis door vooraanstaande personen bewoond. In volgorde zien we voorbij komen Philip van Heiningh "geheimraed van sijne Hoogheit den Prins van Orangie en Nassau"; François Halma, Landschapsdrukker; douarière van Schratenbagh, geboren Aylva; Tinco Lycklama à Nijeholt, "Raad-Ordinaris in den Hove van Vrieslant"; Ena Romelia van Idzinga, weduwe van Ayso van Boelens; Hector L. van Sminia, politicus, grietman en Tweede Kamerlid en baron J.N. du Tour, grietman van Leeuwarderadeel. In 1823 werd het voorname woonhuis ingericht tot logement en kreeg het de naam De Phoenix.
De gevel van De Phoenix had oorspronkelijk vier verdiepingen. Omstreeks 1878 is de geveltop gesloopt en vervangen door een schilddak. Architect G.J. Veenstra maakte later op basis van een tekening van A. Martin een reconstructietekening van de gevel en schreef erbij: "Gevel is onder leiding van den architect H.H. Kramer in't derde kwart van de 19e eeuw bedorven".
De drie nog bestaande verdiepingen van de gevel worden bepaald door gestapelde pilasters, achtereenvolgens in de Dorische, Ionische en Korintische orde. De voetstukken en kapitelen zijn uitgevoerd in zandsteen. De bovenste verdiepingsvensters zijn omzoomd met festoenen. Boven de verdiepingsvensters hangen zware festoenen in de vorm van bloemslingers, die bij de middelste travee door een draperie met elkaar verbonden zijn.
In 1878 werd ook het interieur vernieuwd onder supervisie van architect Kramer. De toenmalige eigenaar W.J. Brochard liet onder andere de voor- en achterzaal opnieuw inrichten. Er kwamen plafondschilderingen in met neo-stijlkenmerken zoals arabesken, knoppen en vazen. Langs het plafond loopt een kooflijst met lotusbladeren. De hoeken van de zalen zijn betimmerd, langs de wanden zijn lambrizeringen met panelen aangebracht. In de achterzaal bevindt zich een schouw van zwart marmer met groene inlegstukken. Boven de schouw is een hoge spiegel met rijkversierde lijst geplaatst. Op het plafond is achtmaal een cartouche aangebracht met de tekst "W 1878 B". Ongetwijfeld de initialen van de eigenaar en opdrachtgever en het jaar van de verbouwing.
Architect Kramer bleef betrokken bij de verbouwing van De Phoenix. In 1906 maakte hij voor de nieuwe eigenaar J. Jonker een plan voor de "uitbreiding en verbouwing van het Hotel Phoenix aangenomen door M. Meijer alhier voor fl. 9.567,-". Vermoedelijk is toen onder andere de trappartij vernieuwd. De trap naar de bovenverdieping heeft een trappaal met Amsterdamse-Schoolkenmerken. Boven het trapbordes zit een glas-in-loodraam met Jugendstil-motieven en centraal een afbeelding van de mythologische vogelfiguur Phoenix. Ook is in het pand nog een oude spiltrap aanwezig, waarvan de houten spil een bijzondere getordeerde vorm heeft.
Hotel De Phoenix had een goede naam. Voor het hotel stonden vroeger dikwijls deftige equipages en later statige automobielen met kaarslantaarns. Belangrijke gasten werden van het station afgehaald met een omnibus van het hotel. Vermeld moet nog worden dat het eveneens vermaarde koffiehuis Hof van Holland op nummer 9 ook nog bij het hotel werd getrokken. De grote eetzaal werd hierin ondergebracht. In mei 1940 betrokken Duitse militairen het hotel. Na in 1945 het tribunaal gehuisvest te hebben werd het gebouw door Rijksbelastingen in gebruik genomen. Na het vertrek van de belastingdienst heeft de benedenverdieping een aantal winkels en een kapper gehuisvest. De bovenverdiepingen kwamen leeg te staan. In de jaren '93-'95 is het grote huis, dat doorloopt tot het Herenwaltje, door de Woningstichting Patrimonium gerestaureerd. Het pand Herenwaltje 10 hoorde vroeger bij De Grote Sociëteit. Er zijn zestien nieuwe appartementen in het complex ondergebracht. Beneden is weer een winkel gevestigd.
Boven de voordeur is ter herinnering aan de restauratie een prachtig gesneden bovenlicht geplaatst. Het stelt uiteraard een Phoenix voor die symboliseert dat dit voor Leeuwarden zo belangrijke monument als het ware uit zijn as is herrezen.

8. Uniabuurt 8 (Café De Ossekop)
Waar vroeger de Uniastins stond, is nu café De Ossekop gevestigd. Café De Ossekop staat niet, zoals verwacht zou worden, aan de Ossekop maar aan de Uniabuurt. De naam Ossekop herinnert aan de ossenmarkt die hier eertijds gehouden werd. Op Uniabuurt 12 hing vroeger een ossenkop uit.
Het huidige pand Uniabuurt 8 is van oorspong zeventiende eeuws. Ondanks een aantal verbouwingen is het zeventiende-eeuwse karakter nog duidelijk aan de gevel te herkennen. Wegens bouwvalligheid de top van de trapgevel vervangen door een rondboog. Boven in de gevel zit een leeuwenkopconsole. De oorspronkelijke kruiskozijnen zijn in de negentiende eeuw vervangen door T-vensters. De huidige pui werd in 1912 geplaatst. Een etalagevenster wordt geflankeerd door een deur naar de bovenwoning ter linkerzijde en een deur naar het café ter rechterzijde. In het bovenlicht van deze deur bevindt zich nog het geschilderde, oude wijknummer C8. Geschilderde teksten geven aan dat café De Ossekop een "Bierhuis Proeflokaal Tapperij Anno 1912" is en dat er "Diverse Bieren" geschonken worden.
In een koopakte van 15 december 1797 wordt Ossekop 8 beschreven als een huis: "......bestaande in een behangen Voorkamer aan de Straat, daaronder een Kelder met een afgeschutte Wijnkelder; een groote behangen Middelkamer, een Galerij, wijders een Plaats, Bleekveld en Tuintje, op de Plaats een Secreet, en Kast tot Rommelarij; verders een behangen Achterkamer, achter aan de Vaart, daarnaast een Keuken en bij de Keuken een Ontwijkje, waarin een Regenwaters pomp, alsmede een Putswaters pomp. Boven de Voorhuisinge een behangen Voorkamer aan de Straat, en een groote behangen Agterkamer; booven die Voorkamer nog een Kamertje, wijders een Portaal; boven de Agterkamer een linnen Zolder. Boven de Agterhuizinge een Turfzolder".
Zoals het opschrift op de pui al aangeeft, werd in 1912 café De Ossekop gevestigd in Uniabuurt 8. Het café, bij de Leeuwarders beter bekend als Café Eijgelaar, is een van de opmerkelijkste horecagelegenheden in Leeuwarden. Dat komt door de inrichting en de speciale sfeer die er heerst. De inrichting is sinds 1912 nauwelijks veranderd. Alleen is, toen de voorschriften dat nodig maakten, in 1980 een damestoilet geplaatst.
Centraal in de caféruimte staat de grote stamtafel, oorspronkelijk een groot biljart. Hierboven hangt een prachtige, door architect Heldoorn ontworpen, Jugendstillamp. Langs de wanden staan kleinere tafeltjes die net als de Thonetstoelen zijn gemaakt van mahoniehout. Boven de tafeltjes hangen aardige Jugendstillampjes. Op het buffet staan twee bierpompen in de vorm van zwanenhalzen. De kranen en ook de spoelbakken zijn gemaakt van Brandenburger zilver, dat prachtig kan glimmen. In het achterste deel van de zaal staat het grote biljart. De voorruimte kan door zware gordijnen van de rest van de caféruimte afgescheiden worden. Stamgasten mogen hier hun fietsen plaatsen. Aan de wanden hangen opgezette vogels, oude affiches en andere nostalgische voorwerpen.
Bijzonder aan de sfeer in Café Eijgelaar is een groot aantal gebruiken en gewoontes en natuurlijk ook de stamgasten. Aan de stamtafel ligt een grote hoeveelheid lectuur. Voor bezoekers die hun shag vergeten hebben, staat er een pot met tabak met daarop een gerijmd opschrift dat oproept de volgende keer zelf rokerswaar mee te nemen. Binnenkomende bezoekers wordt non-verbaal duidelijk gemaakt dat ze aan een zijtafeltje moeten plaatsnemen. En dan kan er besteld worden.
In Café Eijgelaar wordt hoofdzakelijk bier gedronken, sterke drank wordt niet verkocht. Het bier van Eijgelaar is beroemd. Het DAB/Urquell wordt getapt in glazen van een halve liter en drie à vier maal bijgetapt. Zo ontstaat een prachtige schuimkraag die op slagroom lijkt en waarop volgens de overlevering een rijksdaalder gelegd kan worden. Het tappen van zo'n bier duurt ongeveer zes minuten.
In het café zijn ook bijzondere hapjes te bestellen zoals: een nieuwe haring met de kop er nog aan en het oogje afgedekt met een toefje peterselie, een eigengemaakte gehaktbal en ‘Eijgelaarkaas' van Joltsje van Dijk. Zowel de gehaktbaal als de kaas worden opgediend met van Colmans mustardpoeder gemaakte scherpe mosterd.
De sfeer in de zaak werd en wordt bepaald door Willem Eijgelaar, die het café in 1949 van zijn vader Klaas overnam. Bij Willem Eijgelaar in de zaak wordt niet geroddeld, gebeurt dat wel, dan trommelt hij op het buffet. Fooien zijn uit den boze. Muziek is er niet te horen. In 1996 heeft schoonzoon Willem Annee de zaak overgenomen. Hij zet de oude tradities voort. Nog altijd worden ieder jaar een wildavond en een boerenkoolmaaltijd georganiseerd. De clubs van journalisten, zakenlui en voetballers van Zwaluwen blijven op hun vaste avond komen. Wanneer de uitbater niet aanwezig is kunnen stamgasten, die soms zelfs over een eigen sleutel beschikken, zelf hun eigen pilsje tappen. Eijgelaar is eigenlijk geen kroeg, maar een instituut.
Tenslotte mag niet onvermeld blijven dat de later zo beroemde schilder Sir Lawrence Alma Tadema als kind van 1837 tot 1840 in het huis Uniabuurt 8 gewoond heeft. Zijn vader, Pieter Tadema, had hier toen een notariskantoor.

9. De Kelders (voormalige bierkade en bierkelders)
Centrum van de handel in bier was vanouds de "Bierhaven", zoals het gebied rond de huidige Bierkade genoemd werd. Het omvatte de Kelders met de Bierkade, Over de kelders en de Brol. Begin vijftiende eeuw verplaatste het handelscentrum van Leeuwarden zich van zijn oudste kern, de Hoogstraten en de Oude Eewal, naar Voorstreek en Kelders. De aldaar aanwezige waterloop werd toen voorzien van steiger- of paalwerk, zodat deze echt het karakter van een gracht kreeg.Uit die tijd dateert ook de uitbreiding van de oorspronkelijke huiskelders met een overwelfd gedeelte richting lage wal of kade aan het water. De straat die daar overheen loopt werd vandaar Oppa Keller genoemd en later afgekort tot de Kelders. De kade aan de overkant wordt dan als Over de kelders aangeduid. Rond de Bierhaven ontstond nu het nieuwe handelscentrum.
De Leeuwarder brouwers hadden het liefst gezien dat de import van uitheems bier geheel verboden werd. In 1487 vormde de heimelijke invoer van buiten de stad gebrouwen bier de aanleiding tot het spraakmakende ‘bieroproer', wat leidde tot belegering van het Amelandshuis. Later in de zestiende en zeventiende eeuw moest het bierbrouwersgilde er toch in berusten dat buiten Leeuwarden gebrouwen bier werd toegelaten op de Leeuwarder markt. Niettemin zouden biervaten nog meer dan twee eeuwen het straatbeeld ter plekke domineren.Tot in de negentiende eeuw vormde de Bierhaven het centrum van de lokale bierhandel. In 1769 is er sprake van de buurt "Over de Brol en de Hollandse Bier Kaay"; bier van buiten Leeuwarden was inmiddels gemeengoed geworden. Dat de bierhandel lange tijd grote bloei heeft gekend, is te danken aan het feit dat voor de ‘kleine luyden' bier vroeger de enige betaalbare en ook om redenen van hygiène de meest verantwoorde drank was.
De onder het straatniveau gelegen kelders zijn voorbeelden van een type grachtkelder - het ‘Utrechts model' genaamd - dat bestaat uit huizen met een huiskelder, een kelder onder de straatwal en een werf voor laden en lossen aan de gracht. Vrijwel alle huizen aan de Kelders hebben een overbalkte huiskelder. Het keldergedeelte onder de straatwal is overkluisd met een tongewelf. Bij sommige kelders is dit verschil in uitvoering nog duidelijk waarneembaar. Zo is bij de huiskelders onder De Kelders 5 en 11 nog een balkenplafond te zien met moerbinten en kinderbalken, fraai versierde laat-gotische sleutelstukken en in de zijmuren ingelaten staanders (gebinten); een constructie die duidt op zogenaamde ‘houtskeletbouw'. Deze vormgeving kan zowel op een woonfunctie (woonkelder) als op een zakelijke functie duiden. De bouw van laatstgenoemde huiskelder is vastgesteld op 1521.
Mede als gevolg van het toenemend transport van zware goederen boven de walkelders verslechterde de bouwkundige staat. Maatregelen om doorgaand vrachtverkeer te weren werkten blijkbaar niet optimaal; vooral in de loop van de vorige eeuw raakten meerdere kelders min of meer in onbruik. In 1973 zijn de walkelders grotendeels afgebroken, dichtgestort of afgesloten vanwege de aanleg van het nieuwe diepriool onder de straat. Bij deze ingreep is ook de toen centraal gelegen trap van de kade naar de straat vervangen door twee opgangen aan weerszijde van de kade. De keldertoegangen aan de kadezijde zijn bij die gelegenheid ook enigszins verbouwd en zijn dus niet meer in oorspronkelijke staat. De ruimten daarachter zijn nu niet dieper dan slechts enkele meters. Eind jaren zeventig was de ‘Cineraria' (voorloper van de videotheek) van Jan Brugman tijdelijk gehuisvest in een van de kelders. Momenteel is alleen Bierkade 3 nog in gebruik als ‘pantry' voor het drijvend terras van Croissanterie Gilbert. De Gemeente Leeuwarden heeft evenwel grootse plannen voor renovatie van dit gebied, die ongetwijfeld zullen leiden tot een flinke opwaardering van dit historische stadsdeel.

10. Grote Hoogstraat 16-18 (Eetcafé De Lachende Koe, voorheen restaurant "'t Pannekoekhuysje").
Op de hoek met de Poststraat werd in 1960 ‘t Pannekoekhuysje geopend in een zeventiende- eeuws pand. De voorgevel van Grote Hoogstraat 16 oogt nieuw en dateert dan ook uit 1943, toen architect J.J.M.Vegter in opdracht van de wed. Looyenga de bouwvallig geworden trapgevel verving door de huidige. De raamindeling is hierbij veranderd en de toegangsdeur verhuisde van de rechterzijkant naar het midden. In de zijgevel aan de Poststraat bevindt zich een rolwerkcartouche met het jaartal 1683. Waarschijnlijk is deze van elders afkomstig en door bemiddeling van architect A. Baart jr., die op nr. 14 woonde, hier geplaatst. In het pand herinnert een authentieke houten schouw met schildering en tegeltableau nog aan tijden van weleer.
In 1563 wordt Rutger Egbertsz - waarschijnlijk identiek aan Rutger Vleeschhouwer - genoemd als eigenaar. In de Grote Hoogstraat waren destijds de nodige slagers gevestigd in verband met de aanwezigheid van het Stads-Vleeshuis, grenzend aan het toenmalige Raadhuis ter plaats van het huidige nr. 22. Ook in de zeventiende eeuw komen we slagers als bewoners tegen. In de negentiende eeuw woonden er onder andere een koekenbakker en een koopmansbediende annex waagwerker/winkelbediende. Deze laatste, Muller, woonde er van 1869 tot 1919. De koopman in ongeregelde goederen Looyenga verwerft het pand in 1919. Ook de fam. Looyenga is bijna een halve eeuw eigenaar.
Als in 1959 hotel De Nieuwe Doelen sluit, begint de laatste exploitant van dit befaamde etablissement , A.H. Blankenstijn, een restaurantje onder de naam Het Pannekoekhuysje in het pand Grote Hoogstraat 16. Oudere buurtbewoners kunnen zich nog herinneren dat er destijds geen electriciteit in het pand aanwezig was en de tafeltjes verlicht werden door petroleumlampen. De keuken was achter in het pand en later zelfs aan de overkant van de Poststraat zodat er regelmatig heerlijk geurende schotels ‘de straat overstaken'!
Eind jaren zestig werd de exploitatie overgedaan aan de fam. Schortinghuis. Zij hebben in 1970 het naastgelegen pand nr. 18 laten verbouwen door architect Meek en bij het Pannekoekhuis getrokken. Voorjaar 1972 heropende wethouder Weide de vergrote zaak.
Van de mogelijkheid om een abonnement te kunnen nemen werd veel gebruik gemaakt. Eind jaren tachtig werd het restaurant bij het naastgelegen roemruchte Café De Brouwershoeck (tegenwoordig De Gloppe) getrokken. Twee jaar geleden zijn de aardige, helaas wat sleetse, panden aan de Grote Hoogstraat 16/18 ingericht tot Eetcafé De Lachende Koe.

11. Grote Hoogstraat 44 (Grand koffieshop Repelsteeltje, voorheen o.a. De Raadskelder)
Het hoekpand Eewal - Grote Hoogstraat herbergt als Grand Koffieshop Repelsteeltje een hedendaagse vorm van horeca en mag daarom in dit overzicht niet ontbreken. Ook anderszins is dit pand verbonden met horeca: in de achttiende eeuw was het in het bezit van een distillateur en van een wijnkoper die mogelijk vanuit dit pand hun negotie bedreven: aanvoer van handelswaren was via de grachtkelder immers gemakkelijk. Het pand werd destijds ook wel Het Wapen van Amsterdam genoemd.
De zuidzijde van de Eewal was tot aan het begin van de zeventiende eeuw, toen het stadsbestuur zich met de herinrichting ging bemoeien, nog grotendeels onbebouwd. De stad verkocht op 7 mei 1619 aan de latere burgemeester Joris Gerritzoon Camp het westelijke gedeelte van een groot huis, dat zijn voorgevel aan de Grote Hoogstraat had en op enige afstand van de Ee stond. Dit huis, dat nog uit de middeleeuwen dateerde, had eerder toebehoord aan de Siercksema's die deel uitmaakten van het stadspatriciaat. De koper nam de verplichting op zich zijn deel van het bestaande pand te slopen, er een nieuw huis te bouwen, de straat te plaveien en een walbeschoeing te maken. De magistraat stelde ook welstandseisen: "het huis moest twee viercanten (bouwlagen) hoogh worden , met een gewel na ‘t water, versiert met hartstienen listen, speckstucken" (natuurstenen negblokken en sluitstenen boven de ramen) "en canteels" (geveltrappen).
Het pand kreeg twee voordeuren, één in de Grote Hoogstraat en één aan de Eewal. Door elke deur stapte men in het voorhuis, dat dienst deed als werkplaats of winkel. Aan de Eewalzijde bezat dit voorhuis een houten pui. Vanuit het voorhuis kwam men in een keukenkelder waarin zich een grote waterput en een secreet bevonden die gezamenlijk gebruikt werden met de buren. Daarvoor lag nog een kelder, "die een deur heeft aen de vaert, seer bequaam tot een pakkelder". Boven het voorhuis bevond zich een hangkamer, "een kraek, met een bedstede en kleerkas en een schrijfkamerke". Achter het voorhuis lag een "schoone woonkelder met een bedstede en een tinkas". Daarboven was een "een rojaele kelderskamer met een koedsbedsteed en treffelijke Zweedse vloer". Dan waren er nog "twee bovenkamers, een grote kleersolder met een appartement aen de sijde" en een vliering die als turfzolder dienst deed. In de zeventiende eeuw was een dergelijke indeling van een pand dat bedoeld was voor de combinatie werken en wonen, min of meer standaard.
Voor de kap herbruikte Camp de spanten van het Siercksemahuis die gemaakt waren van kromgegroeid eikenhout, want dit waren zeldzame en dus dure balken. Het onderste deel van deze "krommers" loopt evenwijdig aan de borstwering, het gebogen deel volgt de helling van het dak. Zowel ruimtelijk als constructief een goede oplossing. Dergelijk kapkonstructies waren met houten toognagels in elkaar gezet wat demontage en hergebruik mogelijk maakte, een vorm van duurzaam bouwen avant la lettre. Helaas wordt deze unieke kap door de bonte knaagkever aangetast. Waarschijnlijk zijn ook andere onderdelen zoals verdiepingsbalken uit de sloop afkomstig.
In de loop der eeuwen werd uiteraard het nodige aan het pand verbouwd, maar bleef de oude indeling. De kelders met waterput zijn nog steeds aanwezig. Ook de "speckstucken" zijn in de gevel aan de Grote Hoogstraat boven de ramen van het souterrain nog steeds te onderscheiden. De canteels verdwenen toen de trapgevel werd veranderd in een lijstgevel. In de zij- en voorgevel werden grote schuiframen geplaatst en in de negentiende eeuw werd de hoek aan de Grote Hoogstraat afgerond om aan de eisen van het ook toen al toenemende verkeer tegemoet te komen. Nog later werd de deur aan de Grote Hoogstraat dichtgezet, maar wie het metselwerk bekijkt, zal weinig moeite hebben de plaats daarvan terug te vinden.
Een bij vele Leeuwarders nog bekende gebruiker van het huis was het schoorsteenvegersbedrijf van de firma Delea. In de jaren zeventig en tachtig sierden namen als de Raadskelder, Kafka en Fiji de gevel.

12. Eewal 50-52 (Eetcafé Spinoza, voorheen restaurant La Spunta)
De voorgevel van Eewal 52 is geschilderd, zodat niet goed te zien is dat hij geheel is opgetrokken uit natuursteen. Dat gebeurde in 1745 in opdracht van Georg Walcke, "kleermaker van Sijn Hoogheit den Heere Prince van Orange en Nassau". De kleermaker liet de bekwame hofarchitect Anthony Coulon een ontwerp voor de gevel maken. De beeldhouwer Jacob Sijdses Bruinsma - bekend van het snijwerk aan het orgel in de Jacobijnerkerk - leverde het natuursteenwerk en het rijke beeldhouwwerk in de geveltop en aan de voordeur, waarin zelfs een gekroonde schaar werd aangebracht; "want Walcke, door sijn titule van het hondje gebeten sijnde, wilde het prinselijk hebben". In de negentiende eeuw verdween alle ornamentwerk van de gevel, die een strak aanzien kreeg met door roeden in zessen verdeelde vensters en een gootlijst met blokjesfries. Die verbouwing geschiedde mogelijk kort na 1845 toen het huis in plaats van Elske van Scheltinga, de weduwe W.A. Cannegieter-Mebius tot bewoonster kreeg. Het huis is oorspronkelijk gebouwd omstreeks 1620, mogelijk voor de kistenmaker Jan Reiners. Later werd het steeds bewoond door vooraanstaande burgers, ambachtslieden, een advocaat en ook, zo rond 1782, door de bekende geleerde Petrus Camper. Professor Camper, die hoogleraar in de wijsbegeerte, anatomie en chirurgie in Franeker, Amsterdam en Groningen en daarna voorzitter van de Raad van State is geweest, woonde sinds 1773 weer in Friesland op Klein Lankum bij Franeker. In Leeuwarden huurde hij Eewal 52 als tweede woning.
Na de verkoop van dit huis aan rentmeester G.J. Voorda moest Camper uitzien naar een nieuw onderkomen. Hij liet zijn oog vallen op het buurpand, nu Eewal 50. Aan een van de eigenaren, de bekende patriot Coert Lambertus van Beyma, schreef hij daartoe een brief, waarin de merkwaardigheden van het huis, dat tegenwoordig met nummer 52 verenigd is, worden opgesomd. "Zedert dat ik huyzen heb leeren kennen, en eene grootte veelheid daarvan in verscheidene gewesten van het Noorden van Europa gezien hebbe, is er geen geweest, welkers zamenstelling, zonderlinge bouworde en wonderlijke kelders en souterrains mij meerder hebben doen verbaasd zijn dan het huys op Ewal, beroemd wegens zijn uythangbord, thans met alle zijne kamers, kelders en trappen voor de helft toebehorend aan Uwe WelEdelheid! Het menschelijk lighaam heeft zoo veele holligheden niet als er in dat gebouw worden gevonden; ook zou'd ik lang ten eynde van mijn Latijn geweest zijn, wanneer de bouw van ons lighaam zoo ongeregeld en zoo duyster ineen gewrocht was. Ik ben zeker, dat alle de beroemde architecten, van Vitruvius af tot Nootenboom toe, moeite zouden hebben om er eene goede chorographische en scenographische tekening van te leveren". Uit de brief wordt tevens duidelijk dat zich in de gevel van Eewal 50 een gevelsteen bevond met daarin "De Orange Ewal, en bas reliëf in steen gebouwen en cierlijk verguld". Het pand is extra breed, wellicht ten koste van het er westelijk van staande huis Eewal 48. Een groot deel van de zeventiende eeuw werd het bewoond door leden van de familie Van Marssum en in de achttiende eeuw onder andere door de families Poutsma, Tholen en Coulon. Tussen 1840 en 1843 werd de advocaat en notaris C. Wiersma eigenaar. Misschien is hij de opdrachtgever geweest voor de modernisering naar de huidige gedaante. De statige empire-gevel is in elk geval op circa 1850 te dateren. De brede vensters hebben een roedenverdeling in zessen. De deuromlijsting is versierd met klassieke elementen zoals pilasters met kapitelen en een kroonlijst. Een dergelijke lijst sluit ook de gevel af. Gedeelten van het muurwerk van het in oorsprong middeleeuwse Siercksemahuis aan de Grote Hoogstraat zijn nog steeds te zien in Eewal 50.
Eind jaren zeventig werd het pand heringericht tot Restaurant La Spunta, maar pas in de jaren tachtig - inmiddels omgedoopt tot Spinoza - ingrijpend verbouwd. Enkele jaren geleden is het complex uitgebreid met twee panden aan de Grote Hoogstraat. In de uitgegraven kelders is inmiddels een café gevestigd. Voor Eewal 50 is een ingang tot de kelder aangebracht. Deze van oorsprong middeleeuwse kelder met kruisgewelven is in de zeventiende eeuw uitgebreid met twee walkelders met troggewelven. De kelder loopt, zoals ook die van andere huizen in de omgeving, door onder de straat tot de plaats waar tot 1884 de walmuren stonden van de in dat jaar gedempte gracht.

13. Breedstraat 48 (Muziekcentrum Schaaf, voorheen o.a. Zaal van der Wielen)
In een buurt, waar verder weinig werelds vermaak te bespeuren¬ valt, ligt nogal verscholen achter de gevelwanden van de Breedstraat en de Sacramentsstraat het zalencomplex Schaaf. Het merkwaardige feit doet zich hier voor, dat in de onmiddel¬lijke nabijheid van de Grote Kerk en de Synagoge de oorsprong van het huidige bedrijf eveneens gelegen was in een kerkgebouw en wel in een afgedankte roomse kerk. Het begin van de uit¬gaansactiviteiten op deze plek ligt in het einde van de acht¬tiende eeuw, toen Nederland was bezet door de Franse troepen van Napoleon. Zowel bij de bezetter, die niet alleen een leger, maar ook een ambtenarencorps meebracht, als bij de Leeuwarder burgerij ontstond in die tijd een grote behoefte aan vertier. Timmerman Gerrit van der Wielen speelde hier handig op in, door in 1797 het gebouw van de voormalige Katholieke Kerk te kopen en te verbouwen. Op de verdieping kwam een zaal voor de vergadering van het "Phijsisch Colle¬gie". Het bestuderen van natuurkundige verschijnselen was een gewaardeerd tijdverdrijf voor de gegoede burgerij in de tijd van de Verlichting. Men bedreef er "Proefondervindelijke Wijs¬begeerte", dat wil zeggen dat men experimenteerde met onder andere de electri¬seermachine, luchtpompen en magnetisme om via discussie te komen tot het wezen van de dingen en de rol van God daarin. Voor de Koopmanssociëteit richtte Van der Wielen op de begane grond een vergaderzaal en daarachter een kolfbaan in.
De zaken liepen voorspoedig, want in 1810 bouwde hij in de tuin een grote Concertzaal van 27 ellen lengte en 9 ellen breedte. In 1817, Gerrit van der Wielen was inmiddels Stadsar¬chitect geworden, werd een afzonderlijke ingang gemaakt aan de Breedstraat en er werden enkele lokalen aan toegevoegd. De exploitatie was in handen van familieleden van de bouwmees¬ter. ‘Van der Wielen' werd een begrip in Leeuwarden voor het houden van concerten, danspartijen, tentoonstellingen en vergaderingen, onder andere van een ander product van de Verlichting, het Departement Leeuwarden van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen.Gedurende de negentiende eeuw vonden er voortdurend verbou¬wingen en uitbreidingen plaats door de aankoop van belendende panden en het volbouwen van tuinen. In 1866 breidden de activi¬teiten in het complex zich uit met de komst van graanhandela¬ren, die de te klein geworden beurs aan de Wortelhaven verlie¬ten. In 1868 werd een nieuwe zaal voor hen ingericht. Inmid¬dels had ook het Friesch Genootschap zich hier tijdelijk gevestigd.
Bijna gedurende de hele negentiende eeuw bleef de exploita¬tie in handen van de familie van der Wielen, tot in 1897, honderd jaar na de oprichting, K. Visser Czn. de scepter overnam van de weduwe IJ. van der Wielen.
De concertzaal had inmiddels een goede naam gekregen. Er vonden abonnementsconcerten plaats met een keur van nationale en internationale artiesten, getuige de vele program¬ma's, die in het Historisch Centrum Leeuwarden bewaard gebleven zijn. Veel orkesten kwamen uit Duitsland. Onder de solis¬ten vallen de namen op van beroemdheden als de violisten Henri Wieniawsky, een Pool, en de Belg Eugène Ysaije in 1886. Ook vonden er operavoorstellingen plaats, zoals op 28 oktober 1876 de thans vrijwel vergeten, maar toen hoogst populaire opera Das Nachtlager von Granada van Conradin Kreuzer. Van de toneelvoorstellingen valt te vermelden een uitvoering van Othello van Shakespeare, bewerkt door Jacob van Lennep, op 7 mei 1880. Waling Dijkstra hield meermalen een markante voordracht in ‘Van der Wielen'.
De grote zaal kreeg haar huidige vorm in het derde kwart van de negentiende eeuw. Een brede middenruimte met toneelopening wordt door middel van twee dubbele rijen gietijzeren zuilen gescheiden van de zijbeuken. Vanuit deze ruimten had men dus geen onbelemmerd zicht op het toneel. Op het eind van de jaren twintig onderneemt architect Doeke Meintema een aantal wijzigingen. Hij bouwt een nieuwe voorgevel aan de Breedstraat en vernieuwt de woning boven de vestiaire. Ook vernieuwt hij de garderobe. Het interieur werd opgesierd in de trant van de Amsterdamse School. Van het oorspronkelijke gebouw van Van der Wielen bleef de sociëteitskamer met zijn ionische wandzuilen en de resten van een neoclassiscistische schouw bewaard. Ook de voormalige danszaal op de verdieping aan de Sacramentsstraatzijde heeft nog negentiende eeuwse elementen. In deze vorm bleef het zalen¬complex, dat sinds 1920 door de familie Schaaf werd gedreven, bestaan tot 1939. In dat jaar ondernam ir. J.M. Vegter een ingrijpende verbouwing. De pas tien jaar oude gevel van Meintema werd neergehaald. Hiervoor in de plaats kwam een eenvoudige vlakke gevel van harde, gele Friese klinkers met op de begane grond een portiek over de gehele breedte met twee dubbele toegangsdeuren, waartussen een vierzijdig uitgebouwde teakhouten kassa met twee loketten. Op de verdieping kwamen twee grote vensters met daarboven de letters "SCHAAF". De gevel werd naar boven afgesloten met een sierband in baksteen¬vlechtwerk en een zaagtand onder de daklijst, die op bewerkte klossen rust. Thans zijn de letters vervangen door vier ven¬sters. De foyer en de garderobe kregen hun huidige vorm. De zaal werd vereenvoudigd en van alle overbodige versieringen ontdaan. De twee dubbele zuilenrijen bleven echter bestaan tot 1952, toen P.L.A. Schaaf aan architect G.A. Heldoorn de op¬dracht gaf om de grote zaal te moderniseren. De kolommen werden vervangen door stalen liggers over de hele lengte. De rechte hoeken van de zaal werden afgeschuind en de toneelope¬ning werd van een nieuwe omlijsting voorzien in de trant van de Delftse School. De afgeronde vormen doen denken aan het werk van de Rotterdamse architect Sybold van Ravesteyn. Het plafond van de zaal kreeg een glazen daklicht met een versie¬ring van sterren. De feestelijke heropening vond plaats op 20 november 1952 met een variétéprogramma met bal na. De verbou¬wing had slechts tien weken geduurd! Architect en aannemer boden een glazen kroon in de middenzaal aan.
In 1944 en '45 bood het zalencomplex onderdak aan evacués uit Limburg. Ze sliepen onder andere in de MULO aan de Wissesdwinger en kregen eten in Schaaf. Op het toneel werden missen in het Latijn opgedragen voor de overwegend katholieke vluchtelingen. Gedurende de naoorlogse jaren vormen de aktiviteiten een bont geheel,variërend van examens tot variété. In een verzame¬ling artiestenfoto's uit de jaren vijftig en zestig treft men aan: De Spelbrekers, Mieke Telkamp, Willy Alberti, Corry Brokken, The Three Jacksons, de Kilima Hawaiians en Heintje Davids. Tijdens de nieuwbouw van De Harmonie was Schaaf zelfs weer enige tijd schouwburg. Aan deze situatie herinnert nog de ronde bank, die vroeger rond de plataan bij de schouwburg stond. Thans staat deze bank in gedeelten opgesteld in de tuin om een middenterrein, dat dienst doet als jeu de boulesbaan.
De meest recente verbouwingen hebben het muziekcen¬trum uitgebreid met faciliteiten voor het opnemen van muziek op CD en het maken van videoregistraties.

14. Hoekstersingel 1 (Café Blauwhuis)
Naar aanleiding van de vorige Open Monumenten Dag Un Singeltsje Om, waarbij Café Blauwhuis het centrale punt was, ontspon zich in de weken daarna een discussie over wat nu het oudste etablissement was dat in de afgelopen eeuwen onafgebroken een horecabestemming heeft gekend. Al snel bleken het Oranje Bierhuis en Café Blauwhuis om de eer te strijden. Medewerkers van het Historisch Centrum Leeuwarden lichtten in een krantenartikel al een tipje van de sluier op, waarbij onomstotelijk kwam vast te staan dat het Oranje Bierhuis bij lange na niet kon tippen aan de ouderdom van Café Blauwhuis. Kende de eerstgenoemde lokaliteit pas sedert 1770 een bestemming als koffiehuis, het (‘Nieuw') Blauwhuis vinden we reeds vermeld in 1690. Op 18 oktober van dat jaar legt Aernt Jans, hospes in het nieuw Blauwhuijs bij de Verwersbrug alhier, een getuigenverklaring af inzake door twee vrouwen gepleegde zakkenrollerij ten zijnen huize. Hij moet de herberg op dat moment in huur hebben gehad van de toenmalige eigenaars. Verwarrend werkte de vermelding van een ‘Oud' Blauwhuis aan de Eebuurt (in het huidige nummer 16) rond 1800.
In 1692 verkoopt Bauckjen Siercks, weduwe van Huijbert Grisenaer "seeckere schoone huijsinge cum annexis, staende buijten de Hoexterpoort aen de Ferwersbrugge, het Nieuw Blauw Huijs genaemt" voor 1700 caroligulden aan Idtie Reijns, weduwe van de brouwer Wijmer Annis. Hubert en Baukje waren blijkens een oudere akte al sinds 1686 voor tenminste een gedeelte eigenaar van het pand.
Aan de hand van een getuigenverklaring inzake het onzedelijk betasten van de herbergiersdochter Aeltie Willems in de vroege ochtend van 15 december 1685 van de hand van Hubert Grisenaer worden we ingelicht over de bebouwingssituatie ter plekke. Hubert en zijn echtgenote waren die ochtend namelijk wakker geschrokken van het gekrijs van Aeltie, die door twee nachtbrakers in de gelagkamer werd belaagd. Hubert - toen reeds "hospes omtrent de Ferwersbrugge" genoemd - rept in deze getuigenverklaring over "het gekrijt van een vroumensch" wier stem hij herkende als die van de dochter van zijn naaste buurman Willem Willems, eveneens hospes aan "voorschreven brugge". Een half jaar eerder - op 27 juli 1685 - werd Hubert ook reeds genoemd in een getuigenverklaring als herbergier in "de Lely bij de Verwersbrugge". Hiermee wordt duidelijk dat er oorspronkelijk nabij de Verwersbrug twee herbergen of tapperijen naast elkaar bestonden die in 1686 in één hand kwamen, namelijk die van het herbergiersechtpaar Hubert Grisenaer en Bauckjen Siercks. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat beide etablissementen vrij kort daarna - vermoedelijk na een grondige verbouwing - tot één lokaliteit zijn verenigd, waarbij Hubert en Baukje zich danig in de schulden moeten hebben gestoken. Op 5 augustus 1690 wordt namelijk een deel van de inboedel op verzoek van crediteuren geïnventariseerd om publiekelijk onder de hamer te worden gebracht. Inwendig is er in het pand dan sprake van een voorhuis, een beneden-voorkamer en een bovenkamer. Wanneer in 1713 de erfgenamen van eerder genoemde Idtie Reijns de herberg voor 1500 goudgulden overdoen aan Salvus Haitses en Swopkjen Uilkes, is er sprake van "een schoene, seer wel ter neringh staende nieuwe huisinge, eeven buiten de Hoexterpoort aen de Verwersbrugh buiten Leeuwarden, het ‘Nieuw Blauhuis' genaemt, hebbende de gemeene wegh ten oosten en zuiden". Uit deze en uit de in 1692 gegeven omschrijving mag worden afgeleid dat de bouwgeschiedenis van het huidige Café Blauwhuis - althans wat een deel van het muurwerk betreft - terugreikt tot ca. 1687.
Het huidige pand is lastig te dateren, omdat het vele malen verbouwd en nogal eens door de Rode Haan bezocht is. Op grond van de bewaarde bouwonderdelen zoals de pilaren en het fronton, dat ooit de gevel bekroonde, moet het eind achttiende, begin negentiende eeuw gebouwd zijn. Op de oudst bekende foto van 1865 siert een fronton met in het midden een rond venster nog het gebouw. Op een ansichtkaart uit 1902 is het fronton vervangen door een houten kroonlijst boven de dakgoot, die voorzien is van cassetten met in het midden een kajuit. Die houten opbouw was in de jaren dertig alweer verdwenen, alleen het dakven¬ster resteerde. Even weinig bestendig is de toestand op de begane grond. Hier staan zes kolommen van de toscaanse orde. Merkwaar¬dig is het materiaalgebruik van deze zuilen: van links naar rechts gezien is de eerste van hout, gevolgd door twee van steen en vervolgens een van hout, een van steen en ten slotte weer hout. Opmerkelijk is voorts, dat de bases en kapitelen van de houten kolommen wel van steen zijn. Van de kapitelen dient nog opgemerkt te worden, dat de uiterst rechtse en de uiterst linkse geen eierlijst hebben. De ingang zat vroeger in de middelste travee. De twee linker traveeën waren toen open en ¬vormden een kleine veranda. Later werd die dichtgezet en schoof de ingang een travee naar links op, waar hij nu nog zit. Even merkwaardig is de rechter zijgevel vanwege de knik, die het beloop van Oldegalileën volgt. Deze wand bevat enkele zes¬ruitsvensters en een ingang. De linkerzijgevel is zo vaak verbouwd, dat deze geen oude bouwsporen meer bevat.
Vorig jaar is begonnen met een ingrijpende renovatie van het pand, dat sinds 1967 (vlak na een verbouw) Rijksmonu¬ment is. Het meest opvallende is de terugkeer van het fronton, dat in postmoderne vormen is gereconstrueerd. Om licht te verschaffen aan het penthouse, dat op de zolderver¬di¬eping is gecreëerd, is het driehoekige veld geheel gevuld met glas: in het midden een rond raam als vanouds en ter weers¬zijden driehoe¬kige glaspanelen. Het interieur van het café is zoveel mogelijk in de bestaan¬de toestand gelaten. De gelagkamer op de begane grond vertoont het karakteristieke beeld van een ‘bruine kroeg'. De wanden¬ zijn bekleed met houten panelen, afgezet met profielen. De tapkast verhuisde naar de verdieping, waar zich een grote zaal bevindt voor festiviteiten, de zogenaamde balzaal. Deze is door middel van schuifdeuren verbonden met een kleinere zaal.
Gedurende de negentiende eeuw was het logement achtereenvolgens in bezit van de familie Van Lingen en vader en zoon Bottinga. Een latere uitbater ontmoette zijn toekomstige vrouw bij Blauwhuis. Hij was namelijk brugwachter op de Verversbrug, terwijl zij de dochter was van kastelein Arjen Rozema. Het café draaide vooral op arbeiders van de vlakbij gelegen gasfabriek en beurtvaarders en karrijders. Troelstra, die Blauwhuis in zijn jonge jaren wel eens bezocht, noemt het café in zijn Gedenkschriften: "de vergaderplaats van den ouden Sociaal Democratischen Bond".
De aanleg van een rijwielstalling omstreeks 1930 voorzag in een behoefte, maar kon de neerwaartse spiraal niet keren. Een brand in 1939 maakte van het pand een "ruïne". De nieuwe eigenaar distilleerderij Boomsma die Blauwhuis liet herbouwen, had waarschijnlijk weinig plezier van de investering."Het caféleven is kalmpjes geworden" aldus kastelein Haye Scheepstra in een interview in 1969. Eind jaren zestig moest het café het vooral hebben van biljart- en kaartclubs. Toen nog kon Blauwhuis onderdak bieden aan maar liefst 22 hotelgasten.

15. Oostersingel 32 (Bierhuis Lampie)
Opvallen doet dit café niet. Het is is van buiten een gewoon huis in een rijtje andere huisjes. Buurtbewoners kunnen echter al sinds de jaren twintig terecht in het café alias bierhuis aan de Oostersingel. Aan klandizie zal ten tijde van de stichting geen gebrek zijn geweest: het achterland bestond immers vooral uit de beruchte Weerklank, een vlak na de Tweede Wereldoorlog afgebroken wijk met veel dorstige kelen. Ook los werkvolk van het Vliet - dat vaak betaald werd in de kroeg - en schippers bezochten het café graag. Een enkele hoogbejaarde is al meer dan een halve eeuw trouw bezoeker, maar de oude klandizie is nagenoeg uitgestorven. Volgens de verhalen zijn meerdere klanten, na een hartaanval tijdens tijdens het kaarten, dood weggedragen. Tegenwoordig trekt het Bierhuis ook iets jongere bezoekers uit de hele stad, maar de sfeer is die van een buurtcafé gebleven. "Klein en knus als de huiskamer van een man alleen op leeftijd", aldus een beschrijving in de Leeuwarder Courant uit 1993. Traditioneel wordt hier Liwwadders gesproken en bier uit de fles gedronken. Curieus zijn de openingstijden: weekends en na 22.00 uur dicht!
Zowel de oudste bouw- als de gebruiksgeschiedenis van dit buiten de oude stad gelegen pandje is wat schimmig. Begin negentiende eeuw werd het huis in elk geval bewoond door een schippersgezin; een niet ongebruikelijk beroep aan de oostelijke stadsgracht. De oudst bekende eigenaar van het huis is een zekere Johannes Wouters Swaanstra (1818). Vermoedelijk is het vroeg negentiende-eeuwse huis voorafgegaan door een zomerhuisje, dat hoorde bij een zuidelijker gelegen woonhuis (nr. 26?). In 1779 wordt de plaats van het huidige nr. 32 omschreven als "het zomerhuis, prieel, de bomen, bloemen en gewassen in de thuin staande" horende bij een "huisinge en hovinge met toebehoren, gelegen aan de Stadssingel even buiten de Tuinsterpoort". Ook een blik op de stadsplattegrond van Knoop dwingt tot de conclusie dat de Oostersingel zo om en nabij 1760 reeds bebouwd is en dat die bebouwing het perceel van het huidige bierhuis overlapt.
Omstreeks 1915 wordt het pand eigendom van de uit Bolsward afkomstige fabrikant Willem Nauta, die het pand inricht als kantoor. De firma "W. Nauta Jz" wordt als eigenaar opgevolgd door de meelfabriek en grutterij Burmania te Leeuwarden. In 1926 krijgt het pand de bierhandelaar Harmen Lambrechts, tevens uitbater van De Amstel in Noordvliet 59, als eigenaar. Hij laat de uitbating eerst over aan Hessel Jorna en Jacob de Beer, maar neemt in 1943 zelf de exploitatie van het café over. De bierhandel verhuist op een gegeven moment eveneens naar de Oostersingel. Tot in de jaren zestig wordt er bier gebotteld achterin het café. Na verloop van tijd wordt Bierhuis Lambrechts in de volksmond afgekort tot Bierhuis Lampie. Pas lang na het overlijden van Lambrechts wordt deze benaming ‘officieel'. Inmiddels wordt het café al ruim 25 jaar beheerd door de familie Spindelaar.
Het pand heeft verschillende verbouwingen ondergaan. In de jaren 1927-1928 werd het pand beter geschikt gemaakt voor een horecabestemming. De achtergevel werd 1.50 meter achteruit gebouwd, zodat er beneden ruimte kwam voor een w.c. en urinoir en boven voor een keukentje. De bovenverdieping van het pand die voorheen als kantoor werd gebruikt, kreeg een woonbestemming. In 1978 werd het café gerenoveerd, waardoor de oude vloer met kelder en estrikken moest verdwijnen. De koelcel uit begin jaren zestig bleef gehandhaafd.
Vanaf 1998 is de bebouwing aan de Oostersingel in het kader van het Hofsingelproject opgeknapt. Het bierhuis is voorzien van een nieuw dak, nieuwe ramen en een baksteenrode kleur. De renovatie van het interieur is nog niet voltooid. Wel is de bar verplaatst. Het balkenplafond is authentiek. Bijzonder is het emaille naamplaatje van J. Faber dat op een van de balken is bevestigd. ‘Ome Sjaak' was een graag geziene gast, die met sterke verhalen over stropen velen wist te boeien. Enkele oude foto's aan de muur herinneren aan tijden van weleer. De sfeer van de verdwenen Weerklank is aan de achterzijde van ‘Lampie' op het zogenaamde ‘Landje' nog enigszins te proeven.

16. Stationsweg 10 (Hotel de Pauw)
Het blok huizen dat ingesloten is door de Stationsweg en de Baljeestraat, is na 1888 verrezen toen deze omgeving in bouwpercelen werd verkocht. In 1891 was de bouw voltooid, want in de akte van verkoop in genoemd jaar staat "een gebouw ingericht tot café, hotel met vergunning, genaamd de Pauw, met veranda, benevens wagenhuis en stalling etc." De eerste eigenaar Roelof Vermeulen, koopman en fabrikant, verkoopt het hotel dan voor fl. 8000,- aan Heertse de Vries, hotel- en koffiehuishouder. Dit is de eerste keer dat de naam De Pauw wordt vermeld. Het is niet bekend waarom men deze naam aan het hotel heeft gegeven. De Vries runt het hotel-café tot 1903. Hij verkoopt zijn bedrijf aan Rinze Sjoerd Kuiper, koopman van beroep. Rinze overlijdt in 1905, waarna zijn weduwe het overneemt. De toen opgestelde boedelinventaris gunt ons een blik in het hotel. Zo bevonden zich in de zaal een biljart, een leestafel, zes tafeltjes, drie spiegels en 42 stoelen, drie gaskronen, een barometerkastje en een klok. Ter opluistering van het geheel was er een papegaai (geen pauw), die als de duurste post in de boedellijst is opgevoerd! Voorts staan in de boedelbeschrijving typische cafébenodigdheden genoemd zoals een bierpomp, karaffen, wijn-, bier- en bitterglaasjes. In de kelder wordt de drankvoorraad bewaard: likeuren, cognac, madeira, bitter, jenever, brandewijn enz., ter waarde van het respectabele bedrag van fl. 214,-.
Het hotel werd in 1908 opnieuw te koop aangeboden. De nieuwe eigenaar Jelle Jacobs de Haan, veehouder te Huizum, verwierf het voor fl. 17.500,-. Hij ging De Pauw zelf exploiteren en kennelijk ging dat goed want pas zeven jaar later deed hij het bedrijf van de hand. Hij werd toen als logementhouder aangeduid. In 1915 volgde Titus Bekema hem als eigenaar op. Deze koopman veranderde eveneens van beroep: hij werd "hotelhouder". Tot 1921 leidde hij het hotel. In dat jaar verkocht hij De Pauw voor fl. 40.000,-, wat een aanzienlijke winst voor hem betekende. De koper, Johannes Godhelp, zonder beroep, had minder geluk. In 1923 werd beslag gelegd op zijn bezit door de deurwaarder. David Rosenbaum, onderwijzer uit Drenthe, verwierf het hotel een jaar later. Rosenbaum hield het maar kort uit als hotelhouder. Al in 1926 deed hij het bedrijf van de hand. Tiemen Westerbaan, veehouder en kastelein, volgde hem als eigenaar op. Hij runde het hotel tot 1949 toen Minne Boelens, hotelier van beroep, het kocht voor fl. 40.000,-. Hij exploiteerde het tot zijn overlijden in 1972. Zijn zoon Anne zette het bedrijf voort en is nog steeds als hotelier werkzaam.
De architect van het in 1890 afgebouwde pand is helaas niet meer te achterhalen. Een oude foto, thans nog in de gelagkamer aanwezig, toont een bakstenen gevel met een zorgvuldige detaillering in neo-renaissance stijl, die omstreeks 1890 in de architectuur in zwang was. Zo zien wij veel zwaar geprofileerde lijsten en opvallende negblokken boven de ramen. Het gebouw heeft twee bouwlagen onder het dak waarbij aan de linkerkant de gevel is uitgebouwd en iets hoger opgetrokken dan de rest. Op deze manier zijn hier drie bouwlagen geschapen. Het travee kreeg een extra accent door het plaatsen van een geveltop als bekroning en een aardige detaillering van lijsten en voluten. Een ander accent vormt het tympaan boven het tweede dubbele venster op de eerste verdieping. De voorgevel is vier raamvakken breed, waarvan het meest linkse door zijn breedte beklemtoond wordt. De rest van de gevel met drie vensters springt iets achteruit zodat een balkon is ontstaan met een hek. Boven de ramen is een decoratieve band van geglazuurde tegels onder de daklijst aangebracht. Vanuit het dak is een dakkapel met bekroning en wangen uitgebouwd. Het balkon rustte op een veranda, voor de grote glazen deuren op de begane grond. De ingang was in het midden gesitueerd. De veranda bood ruimte voor de tafels en de rieten stoelen. Links van de veranda, achter de brede deur, bevond zich het restaurant.
In 1927 ontwierp de bekende Leeuwarder architect A. Witteveen een plan tot verbouw van de gevel. De houten veranda werd afgebroken en de ingang werd meer naar het midden verplaatst met links één (voorzien van een glas in loodelement) en rechts twee nieuwe brede ramen. In 1966 werd de gevel wederom aangepast. De nieuwe doorlopende glazen wand zonder enige detaillering, weerspiegelt de mode van die jaren. De gevel is thans door een witte pleisterlaag aan het oog onttrokken. Alleen de decoratieve band met tegels onder de daklijst is nog waar te nemen. Opvallend prijkt de grote pauw als een uithangbord voor de gevel.
In tegenstelling tot het gemoderniseerde exterieur is het interieur van De Pauw weinig veranderd. De bruine lambrizering dateert uit de begintijd en veel van de meubels zijn ook van het einde van de negentiende en begin twintigste eeuw. De spiegel in de ruimte links van de ingang stamt eveneens uit die tijd. Misschien is het meest opvallende meubel in de gelagkamer het donkerbruine eikenhouten hemelbed dat de looproute naar de tap lijkt te versperren. De stamtafel met kleed past in de sfeer. Het restaurant is op de plaats van het vroegere kaaspakhuis van Feitsma aan de Baljeestraat gesitueerd, dat in de jaren zestig bij het hotel is getrokken. De Pauw beschikt over een dertigtal hotelkamers.
De huidige eigenaar, Anne Boelens, noemt zijn etablissement een eenvoudig burgermans hotel voor een uiteenlopende klantenkring van vertegenwoordigers tot zich vergissende treinreizigers. Toch lijkt hij met deze uitspraak te bescheiden. In de jaren zeventig en tachtig had De Pauw een bijzondere gast, de uit Heerenveen afkomstige dichter en classicus Sybe Sybesma die met de diepzinnige causerieën tijdens de bijeenkomsten van zijn ‘Naamloos Genootschap' vele intellectuelen met een bohémien inslag aan hotel De Pauw wist te binden. Uiteraard werd tijdens deze bijeenkomsten de dorst met de nodige glazen bier gelest. Aan de in 1986 overleden Sybesma herinnert nog een verchroomd naamplaatje op één van de zware leunstoelen aan de stamtafel. Ook politieke partijen (o.a. de FNP), journalistenforums (o.a. Omrop Fryslân), historische werkgroepen (o.a. Aed Levwerd) en allerlei andere clubjes maken graag gebruik van de stamtafel.
Publicist Rudie Kagie (Hotelleven) noteerde midden jaren tachtig de volgende overpeinzing van Boelens: "Vandaag willen de mensen een bruin café, morgen moet alles wit zijn. Er valt geen peil op te trekken. De tafels in De Pauw zijn in geen honderd jaar van hun plaats geweest, aan de lambrizering is in die tijd niets veranderd. Alles blijft bij het oude. Er is een publiek dat juist op een zaak als deze afkomt zo lang er niet wordt gerenoveerd."


COLOFON

Uitgave: Leeuwarder Historische Vereniging Aed Levwerd samen met Historisch Centrum Leeuwarden.

Eindredactie: Klaas Zandberg.
Inleiding: Harm Nijboer en Aldert Toornstra.
Andere tekst- en redactionele bijdragen: André Braaksma, A.E. van Cleef, Dineke Dam, Wim Dolk, Jan Faber, Ad Fahner, Jaap Falize, Hendrik ten Hoeve, Marga ten Hoeve, Sietse ten Hoeve, Alexander Jager, Henk Oly, Rita Mulder-Radetzky, Stina van der Ploeg, E.Th.R. Unger, Hein Walsweer, Jesse Wassenaar, Iris Witteveen, Thom Zomerschoe en Anneke Zwerver.

Illustraties: Historisch Centrum Leeuwarden, Fries Museum, Leeuwarder Courant, Menno Pothof, Hendrik ten Hoeve, Anne Boelens, Anneke Bleeker, Hans van der Hoek, Johan van den Berg en Koos Foekema.

Dank aan: de eigenaars/beheerders van de ‘Open Monumenten', NV Stadsherstel en verder de gemeentelijke afdeling Monumentenzorg, Kunstencentrum Parnas, Dirk Swierstra en Eddy Sikma.
Ook de sponsors worden bedankt voor hun bijdrage. Dit jaar werd de Open Monumentendag financieel gesteund door: Maatschappij tot Nut van het Algemeen, Stichting Ritske Boelema Gasthuis, St. Anthony Gasthuis, Stichting Het Nieuwe Stads Weeshuis, Old Burger Weeshuis, Heineken Brouwerijen Friesland, Leeuwarder Onderlinge verzekeringen en GemeenteLeeuwarden/Zadelfonds.

Lay-out en druk: Dekker Drukwerken Leeuwarden.

Terug