Sport en recreatie


Weinigen konden na de oorlog vermoeden, dat in een tijdsbestek van 20 jaren het gehele beeld met betrekking tot de sport en de recreatie in de gemeente Leeuwarden zo rigoureus zou veranderen. Vooral de laatste 10 jaren zijn de gemeentelijke bemoeiingen met deze sector van het maatschappelijk leven enorm toegenomen. De ontwikkeling van de sport tot een uitermate belangrijk maatschappelijk verschijnsel vroeg de volledige aandacht van het gemeentebestuur. De recreatieve voorzieningen moesten steeds verder worden uitgebreid. Een scala van onderwerpen kwam naar voren en de overheid werd er op een dusdanige wijze mee geconfronteerd, dat in 1964 door de gemeenteraad het besluit werd genomen op 1 januari 1965 in te stellen de gemeentelijke Dienst voor Sport en Recreatie.

Na de tweede wereldoorlog was er slechts sprake van een bescheiden sportgebeuren. Zeker, er waren vele sportorganisaties die hun taak wederom ter hand namen, maar het geheel was bescheiden en de aanwezige accommodatie was dienovereenkomstig. De volgende sportvoorzieningen waren aanwezig: sportpark “Cambuur” met 5 speelvelden; sportvelden aan de Fonteinstraat 3 speelvelden; sportvelden aan de Borniastraat 2 speelvelden (gehuurd); sportveld te Lekkum 1 speelveld (gehuurd). Deze terreinen waren in eigendom, beheer en onderhoud bij de gemeente.

De volgende sportvelden waren in eigendom, beheer en onderhoud bij sportverenigingen of andere verenigingen: Sonnenborgh 1 kaatsterrein; sportvelden achter het Borniapark 2 speelvelden; sportvelden achter het Rengerspark “Hofstra-state”: 1 speelveld; sportvelden Wilhelminabaan 1 speelveld en een drafbaan; kaatsveld Achter de Hoven; sportveld te Wirdum. Het totaal aantal sportvelden bedroeg derhalve 16.

In 1936 werd het in D.U.W. (Dienst Uitvoering Werken) -verband aangelegde Cambuur geopend. De accommodatie was zeer bescheiden; er was slechts een overdekte tribune met 550 zitplaatsen aanwezig bij het hoofdveld. Op 28 januari 1948 besloot de gemeenteraad tot het aanbrengen van open zit- en staantribunes voor ongeveer 14.000 personen.

Reeds in 1955 kwam ter sprake van het aanbrengen van een avondverlichting voor het spelen van z.g. lichtwedstrijden. Op 18 oktober 1961 besloot de gemeenteraad tot de aanleg hiervan over te gaan. In 1962 kwam deze installatie gereed; de vier schijnwerpers, geplaatst op masten van 42 m. hoogte, elk met 7 rijen van 5 lampen, hebben een lichtsterkte van 140 kW (vergroten tot 160 kW is zelfs nog mogelijk). De installatie mag één der beste in het land worden genoemd.

In 1957 kwam de aanleg gereed van een trainingsveld met halfverharde toplaag; de accommodatie van het hoofdveld werd verder uitgebreid door de bouw van een restaurant (clubgebouw). De zelfwerkzaamheid van de leden van de voetbalvereniging “Leeuwarden” heeft de totstandkoming van dit fraaie gebouw bespoedigd. Rondom het gehele sportpark werd in 1963 een nieuwe afrastering aangebracht (kosten ƒ 260.000,-). In verband met de aanleg van de ringweg werd in de zuidoost hoek het oorspronkelijke sportpark iets verkleind.

In 1965 kwamen 2 nieuwe kleed- en wasgelegenheden gereed. Rond 3 speelvelden werd een nieuwe veldafrastering aangebracht. In hetzelfde jaar werd de hoofdingang tot het stadion grondig verbeterd, een nieuwe afrastering kwam gereed en verder werd het plan voltooid voor de bouw van een gymnastieklokaal met bergruimte voor materialen. Voor de bouw kon helaas in 1965 nog geen rijksgoedkeuring worden verkregen.

Verdere plannen betreffen het overkappen van de onoverdekte zittribune, een restauratie van de overdekte zittribune, de aanleg van een openbare speelgelegenheid (aan de zuidzijde van het sportpark) en een herziening van het Cambuurplein (de parkeergelegenheid van het sportpark). Reeds nu komt Cambuur, wat het hoofdveld betreft, zeer dicht bij de inrichting, die met het begrip “stadion” wordt aangeduid.

In de loop van de laatste twintig jaren is de situatie met betrekking tot de sportvelden aan de Fonteinstraat verslechterd. De kleed- en wasgelegenheden dateren van vlak na de wereldoorlog, het westelijk gedeelte van het terrein is geen gemeente-eigendom meer, maar is verkocht ten behoeve van de bouw van een nieuwe H.T.S. In 1965 werd door de gemeenteraad besloten het overblijvende deel grondig te verbeteren.

De gronden, waarop de speelvelden aan de Borniastraat zijn gelegen, werden aanvankelijk gehuurd. Ten behoeve van de bouw van een nieuw medisch centrum werden ze aangekocht en de sportvelden zullen dus moeten verdwijnen. Aanvankelijk lag het sportveld te Lekkum zuidoostelijker van het dorp. In 1954 werd het huidige terrein door de gemeente gehuurd en aan de sportvereniging in Lekkum verhuurd.

Van gemeentewege werden na de oorlog de volgende sportvelden aangelegd:

 

  1. Het speelveld aan de Marnixstraat, in gebruik genomen in 1948. Dit veld, aangelegd in D.U.W.-verband, werd voorzien van een goede kleed- en wasgelegenheid. Door de aanleg van nieuwe wegen (w.o. de ringweg) is het oorspronkelijke terrein iets verkleind.
  2. Het sportpark “De Greuns” (6 speelvelden), in 1958 in gebruik genomen. Op 28 december 1948 besloot de gemeenteraad “ter bestrijding van structurele werkloosheid en ter bevordering van de beoefening van de watersport en andere sporten” over te gaan tot de aanleg van een jachthaven annex sportterreinen nabij de Greunsweg. Er werd een krediet voor uitvoering beschikbaar gesteld van ƒ 1.130.400,-. Eerst op 30 augustus 1958 werden de sportvelden officieel in gebruik genomen. Het complex bestaat uit 4 voetbalvelden, 1 hockeyveld en 1 korfbalveld. In 1958 werd het verbeterd door het bouwen van 4 kleed- en wasgelegenheden en bergruimte voor materialen. Eind 1965 waren nog in aanbouw 2 kleed- en wasgelegenheden. In 1963 werd het oefenveld voorzien van een halfverharde toplaag.
  3. De sportvelden ten noorden van de Harlingertrekvaart en ten westen van de spoorlijn Leeuwarden-Stiens (sportvelden Bisschopsrak), aangelegd als speelweide, speciaal ten behoeve van het bedrijfsvoetbal (2 velden).
    Op 17 maart 1959 werd aan de Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij opdracht gegeven een eenvoudig plan tot het aanleggen van deze sportvelden te ontwerpen. In 1961 waren zij gereed en nadat nog een kleed- en wasgelegenheid was gebouwd, werden ze in 1962 in gebruik genomen voor de bedrijfsvoetbalcompetitie. In verband met terreinmoeilijkheden van de L.V.V. “Friesland”, werd ook deze vereniging als gebruiker toegelaten.
  4. Het sportveld te Wirdum, in gebruik genomen in 1964. Momenteel is in aanbouw een kleed- en wasgelegenheid, welke in 1966 gereed zal komen. Als bijzonderheid kan vermeld worden, dat in 1965 in Wirdum de tiende voetbalvereniging in de gemeente Leeuwarden werd opgericht.
  5. De sportvelden in het Nijlân, welke in 1966 in gebruik zullen worden genomen. Ter afsluiting van het uitbreidingsplan het Nijlân werd in 1963 een begin gemaakt met de aanleg van een recreatiegebied. In 1953 kwamen de eerste schetsen op papier en in 1954 kwam het nieuwe plan gereed. Aanvankelijk was het de bedoeling het werk te doen uitvoeren in het kader van de Aanvullende Civieltechnische Werken. Eind 1962 besloot het gemeentebestuur evenwel het werk als “vrij werk” aan te besteden. Na onderhandse aanbesteding werd de uitvoering opgedragen aan de Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij voor een bedrag van ƒ 1.857.200,-.

Het recreatiegebied bestaat uit de volgende onderdelen:

  • ten noorden van de oprit naar het viaduct: 2 grote speelweiden, 5 tennisbanen, 1 rolschaatsbaan, 1 speeltuin;
  • ten zuiden van de oprit: 2 hockeyvelden, 6 voetbalvelden, 1 korfbalveld, 1 speelweide, 1 sintelbaan, 1 handbalveld, 3 oefenvelden met halfverharde toplaag, 1 groot openlucht zwembad.

Door het gehele gebied worden wandelpaden aangelegd, er komen vijvers welke onderling verbonden zijn, zodat een gesloten schaatscircuit kan ontstaan.

Met de bouw van het zwembad werd in 1965 begonnen. Dit bad krijgt een diep bassin (50 x 20m), een halfdiep en middeldiep bassin, een kleuterbad, een instructiebad, voorts diverse gebouwen en een zonneweide. Het water zal met gas worden verwarmd.

Plannen zijn gereed voor de aanleg van sportvelden in het noordwesten van de stad, aangeduid als de sportvelden “De Magere Weide” en van een sportveld te Hempens.

In voorbereiding is een plan tot aanleg van een groot recreatiegebied langs het Kalverdijkje. In dit plan zullen vele sportvoorzieningen worden opgenomen.

 

 

 

Overige sportvelden

In 1945 had de kaatsvereniging “Het Plein” in gebruik een perceel grasland aan Achter de Hoven. Door stadsuitbreiding moest dit terrein verdwijnen en ten behoeve van deze vereniging en de speeltuinorganisatie werd in 1960 een nieuw kaatsveld (en speeltuin) aangelegd en zonder meer aan de gebruikers ter beschikking gesteld. In verband met stadsuitbreiding moest de gemeente grond hebben van het kaatsterrein “Sonnenborgh”. In 1951 werden onderhandelingen geopend betreffende grondruil. Op 3 september 1952 besloot de gemeenteraad mede te werken aan de aanleg van een nieuw kaatsterrein. Eind 1952 werd het terrein aangelegd door de K.N.H.M.

Het sportveld en de drafbaan van “De Wilhelminabaan” moesten verdwijnen, o.a. in verband met de aanleg van een nieuwe verbindingsweg van het station naar de Frieslandhal. Er zijn wel pogingen ondernomen elders in de stad een nieuwe drafbaan aan te leggen; de onderhandelingen hierover met de Friese Sportclub, die de Wilhelminabaan in eigendom had, zijn mislukt. Door stadsuitbreiding verdween eveneens het speelveld “Hofstra-state”.

Bedroeg het aantal sportvelden in 1945 16, thans (eind 1965) is dit aantal 29: sportpark “Cambuur” 5 velden, sportpark “De Greuns” 6 velden, sportvelden Fonteinstraat 2 velden (rekening is gehouden met het verlies van 2 nu nog bestaande terreinen), sportvelden Nijlân 10 velden, sportvelden Bisschopsrak 2 velden, sportveld Marnixstraat 1 veld, sportveld Wirdum 1 veld.

 

 

 

Zwembad Kleine Wielen

Op 29 mei 1965 kwam de minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk, mr. M. Vrolijk, naar Leeuwarden voor het openen van het zwembad “De Kleine Wielen”: met de bijbehorende zonneweide het eerste voltooide onderdeel van het recreatieproject van dezelfde naam, een gebied van 167 hectare omvattend. Het nieuwe bad voorzag in het bijzonder in een behoefte, omdat de oude baden van Groote en Kleine Wielen inmiddels buiten gebruik waren. Het zwembad Groote Wielen sloot in 1963 wegens ernstige watervervuiling.

Het begin van het werk aan dit recreatiegebied speelde zich af op 30 oktober 1961, toen de burgemeester van Tietjerksteradeel een lavei (als teken van rust) hees en zijn Leeuwarder ambtgenoot een graafmachine bediende voor het verplaatsen van de eerste “hap” grond. De genodigden kwamen bijeen in het oude restaurant van de Kleine Wielen, dat bij deze gelegenheid voor het laatst een aanzienlijk aantal gasten herbergde.

 

 

 


Relatie overheid - sport

Reeds in 1928 werd bij besluit van burgemeester en wethouders in het leven geroepen de “gemeentelijke commissie voor de lichamelijke opvoeding”. Het subsidie aan deze commissie werd geleidelijk verhoogd en bedroeg in 1959 ƒ 800,- per jaar. Met ingang van 1 januari 1960 werd de commissie opgeheven en ontstond er een nieuwe vorm in het overleg tussen het gemeentebestuur en het georganiseerde sportleven. De “Leeuwarder Sportstichting” werd opgericht. Het in 1945 opgerichte “Sportcentrum” als overkoepelende organisatie van het georganiseerde sportleven werd met de komst van de Sportstichting eveneens opgeheven. De in 1958 benoemde gemeentelijke inspecteur van de lichamelijke opvoeding werd ambtshalve secretaris van de Sportstichting.

In verband met de grote uitbreiding van de werkzaamheden van de stichting kwam het gemeentebestuur in 1964 tot de conclusie, dat het de voorkeur verdiende een aparte tak van dienst in te stellen voor het beheer van alle objecten de sport en de recreatie betreffende. De inspectie voor de lichamelijke oefening werd belast met de onderwijsaangelegenheden. De dienst voor sport en recreatie werd per 1 januari 1965 ingesteld. Het georganiseerde sportleven kwam in 1965 tot de instelling van de “Leeuwarder Sportraad”. In wezen kwam derhalve de situatie van vóór 1960 terug, alleen met dit verschil, dat het beheer van sportobjecten nu werd samengevoegd met de taak van de gemeente ten opzichte van de recreatie en dat het totale beheer werd opgedragen aan een tak van dienst. De directeur hiervan begon zijn taak op 1 januari 1966. In 1965 telde het georganiseerde sportleven in Leeuwarden 54 verenigingen met 12.041 leden. Het aantal jeugdleden (6 t/m 17 jaar) bedroeg 6.409 (± 8% van het aantal inwoners).

In 1947 en 1949 vond een sportuitwisseling plaats met de Engelse stad Norwich. In eerstgenoemd jaar bracht een grote delegatie uit Leeuwarden een bezoek aan deze Engelse stad; het tegenbezoek vond plaats in 1949.

In 1950,1955 en 1960 werd in Leeuwarden een sportweek georganiseerd, waarbij het gemeentebestuur het Sportcentrum, dat de organisatie verzorgde, alle medewerking, ook financieel, verleende. Leeuwarden was in 1947, 1953 en 1956 de start- en finishplaats van de in de gehele wereld bekende Elfstedentocht. In 1963 kon wel in Leeuwarden gestart worden; de traditionele finish op de stadsgracht bij de Prinsentuin was echter niet mogelijk, zodat daarvoor de Groote Wielen moest worden aangewezen. In de periode 1946 t/m 1965 was de stad twintig maal de start- en finishplaats van de Friese Elfstedenwandeltocht. In de Wielerronde van Friesland was zij acht maal de plaats voor start en finish.

Talloze kampioenschappen werden binnen de muren van de stad gevierd, waarbij de elf turnkampioenschappen van de gymnastiekvereniging “Quick” bijzondere aandacht verdienen.

Rigoureus was ook de ontwikkeling in de voetbalsport. Door de overgang van de voetbalvereniging “Leeuwarden” naar het betaalde voetbal werd ook het gemeentebestuur met deze materie geconfronteerd. De oprichting van de stichting “Sportclub Cambuur” (1964) betekende, dat het gemeentebestuur zich met de topsport direct ging bemoeien (op de begroting 1966 werd een post betaald voetbal geplaatst van ƒ 51.300,-).

In de jaren na de oorlog zijn vooral de zaalsporten tot grote ontwikkeling gekomen. Spelen als volleybal, badminton, zaalhandbal, basketbal, microkorfbal, deden hun intrede en vroegen voorzieningen. Voor het spelen in georganiseerd verband kon gebruik gemaakt worden van de Beurs en van de Veilinghal.

Na 1945 werden t.b.v. het onderwijs de volgende gymnastieklokalen gebouwd:

 

  • openbaar gewoon lager onderwijs: Aebingaschool, Floris Versterstraat, Oldegalileën, Beukenstraat, Telemannschool;
  • bijzonder buitengewoon lager onderwijs: Da Costaschool, Buitenschool;
  • openbaar uitgebreid lager onderwijs: Uitgebreid lager onderwijs Nijlân;
  • bijzonder uitgebreid lager onderwijs: Karel Doormanschool, Willem Frederikschool;
  • bijzonder v.h.m.o.: Christelijke H.B.S.;
  • kweekscholen: Hervormde Kweekschool “Nieuw Mariënburg”, Rijkskweekschool (komt in 1966 in gebruik);
  • nijverheidsonderwijs: Christelijke Industrie- en Huishoudschool, 2e Leeuwarder Industrie- en Huishoudschool, Christelijke L.T.S., Lagere Technische school (2 lokalen in aanbouw), R.K. Huishoudschool.
  • Naast het schoolgebruik worden de lokalen na schooltijd ter beschikking gesteld van de vele sportverenigingen.

Eind 1965 waren de volgende aantallen gymnastieklokalen ook voor sportdoeleinden aanwezig:

 

 

openbare scholen voor g.l.o.

15

bijzondere scholen voor g.l.o.

8

openbare scholen voor v.g.l.o.

2

openbare scholen voor u.l.o.

3

bijzondere scholen voor u.l.o.

2

openbare scholen voor b.l.o.

2

bijzondere scholen voor b.l.o.

3

openbare scholen voor v.h.m.o.

3

bijzondere scholen voor v.h.m.o. (+ kweekscholen)

5

nijverheidsonderwijs

4

Totaal

47

 

Jachthaven

Op 28 december 1948 besloot de gemeenteraad “ter bestrijding van structurele werkloosheid en ter bevordering van de beoefening van de watersport en andere sporten” over te gaan tot de aanleg van een jachthaven annex sportterreinen nabij de Greunsweg. Voor de uitvoering van dit werk werd een krediet beschikbaar gesteld van ƒ 1.130.400,-. De jachthaven werd onmiddellijk ten zuiden van de reeds jarenlang aanwezige jachthaven van de vereniging “Leeuwarden Watersport” ontworpen. Het plan voorzag o.m. in het graven van twee havenkolken, de aanleg van een aantal voetpaden, van een ophaalbrug over de meest noordelijk gelegen kolk en van een omheining met een gemetselde toegang. De uit de ontgraving beschikbaar komende grond zou worden aangewend voor de aanleg van een achttal sportterreinen ten westen van de havenkolken en ter weerszijden van de nog aan te leggen Jachthavenlaan. De totale oppervlakte van de jachthaven werd gesteld op 86.740 m2, die van de sportterreinen op 102.800 m2. Het lag in de bedoeling het werk uit te voeren met inschakeling van de Dienst Uitvoering Werken (D.U.W.), waardoor, naar verwacht werd, een aantal werkloze arbeiders kon worden ingeschakeld en een subsidie in de daarvoor in aanmerking komende arbeidslonen van 95 % van de D.U.W. zou kunnen worden ontvangen. Eerst in 1951 kon met het werk worden aangevangen. Daarna werd bij raadsbesluit van 27 januari 1954 nog een aanvullend krediet voor jachthaven en sportterreinen beschikbaar gesteld van ƒ 626.400,-.

Reeds tijdens de aanleg van het complex was de vraag opgekomen, door wie en op welke wijze de jachthaven zou kunnen worden geëxploiteerd. Het gemeentebestuur bleek van oordeel, dat vertegenwoordigers van de plaatselijke watersportverenigingen bij het beheer en de exploitatie van de jachthaven dienden te worden betrokken. Na uitvoerig overleg werd op 14 augustus 1954 de stichting “De Nieuwe Leeuwarder Jachthaven” in het leven geroepen, zich ten doel stellende het bevorderen van de watersport door het exploiteren van een jachthaven in de gemeente Leeuwarden. De gemeenteraad had op 14 juli 1954 besloten deel te nemen in de op te richten stichting. Over de samenstelling van het bestuur werd bepaald, dat twee bestuursleden door burgemeester en wethouders werden benoemd, twee door de vereniging “Leeuwarder Watersport”, twee door de zeilvereniging “De Meeuwen”, één door de koninklijke zeilvereniging “Oostergo”, één door de Leeuwarder roeivereniging “Wetterwille” en één door de zeilvereniging “Sylnocht”. Een van de vertegenwoordigers van het gemeentebestuur werd als voorzitter aangewezen.

Terreinen en kolken van de jachthaven zijn, ingaande 1 januari 1956, voor de tijd van 40 jaren aan de stichting verhuurd, aanvankelijk tegen een huursom van ƒ 300,- per jaar voor de open ligplaatsen, vermeerderd met ƒ 0,35 per m2 per jaar voor de werkelijk door schiphuizen in beslag genomen oppervlakten. Met ingang van 1 januari 1964 is de totale huursom per jaar bepaald op een vast bedrag en wel op ƒ 6.750,-. Voor de havenmeester werd een dienstwoning gebouwd, met werkplaats en kantoor. Het gemeentebestuur heeft een gedeelte van het jachthaventerrein, groot ± 1.000 m2, rechtstreeks verhuurd aan de eigenaar van een scheepswerf, waar pleziervaartuigen worden gebouwd en gerepareerd.

Aangezien de watersportliefhebbers in Friesland de voorkeur geven aan overdekte ligplaatsen, werd direct na het oprichten van de stichting tot de bouw van de eerste 4 schiphuizen, plaats biedende aan 56 boten van verschillende afmetingen, besloten.

Al spoedig bleek, dat de belangstelling voor het bergen van boten bijzonder groot was. Dit heeft er toe geleid, dat het stichtingsbestuur jarenlang kon doorgaan met het doen bouwen van schiphuizen. De laatste uitbreiding die mogelijk was, kwam tot stand in 1965. De gemeenteraad besloot n.l. op 13 mei 1964 voor de ontgraving van het onbebouwde middenterrein een krediet ter beschikking te stellen van ƒ 104.000,-.

Aan het einde van 1965 bevonden zich in de jachthaven 22 schiphuizen. Deze schiphuizen bevatten 467 boxen van diverse grootte. Voor ongeveer 175 boten is onoverdekte ligplaatsruimte beschikbaar. Einde 1965 hadden ongeveer 750 boten van allerlei afmetingen een ligplaats in de jachthaven gevonden.

Het stichtingsbestuur heeft voor het stichten van schiphuizen geldleningen moeten sluiten, in totaal ter grootte van ƒ 615.000,-, waarvan rente en aflossing door het gemeentebestuur zijn gegarandeerd.

De exploitatierekening van de stichting, die uiteraard dient te sluiten, gaf voor het boekjaar 1964/1965 een totaaltelling aan van ± ƒ 70.000,-. Aan huren van schiphuizen en van open ligplaatsen werd in dat jaar rond ƒ 65.000,- ontvangen. De huren van de ligplaatsen in de schiphuizen varieerden in dat jaar van ƒ 114,- tot ƒ 450,- per jaar, afhankelijk van de ter beschikking gestelde ruimte.

De jachthaven heeft aan het einde van 1965 haar volle capaciteit bereikt. Ruim 175 aanvragen om een ligplaats zijn op een wachtlijst geplaatst. Het gemeentebestuur heeft dan ook een plan doen opstellen voor het graven van een tweede jachthaven tegenover het bestaande havencomplex en wel aan de oostzijde van de Tijnje. Om financiële redenen kon eind 1965 nog niet worden overgegaan tot uitvoering van dit plan.

Terug