door: Jan Faber

(Gepubliceerd in: Leovardia, historisch tijdschrift voor Leeuwarden en omgeving; nr. 37, januari  2012 )

Afgelopen voorjaar werd de redactie van Leovardia geattendeerd op een internetbijdrage op friesevoetballers.blogspot.com over de Friese ‘roots' van Johan Cruijff. Dit tot op heden onbekende gegeven was ontleend aan het in 2007 verschenen boek Wie is Johan Cruijff. Insiders duiden het orakel ... maar Cruijff heeft zelf het laatste woord, geschreven door Mik Schots en Jan Luitzen naar aanleiding van de zestigste verjaardag van de ex-international. Zowel van vaders- als moederszijde werd door de auteurs een band met het heitelân en zelfs met Leeuwarden aangetoond. Reden genoeg dus om de beweringen van beide auteurs aan de hand van origineel bronnenmateriaal te staven.

De voormalig stervoetballer en voetbalcoach - tegenwoordig lid van de Raad van Commissarissen van Ajax, voetbalanalist en columnist - werd op 25 april 1947 als Hendrik Johannes Cruijff te Amsterdam geboren als zoon van Herman Cornelis Cruijff (1913-1959) en Petronella Bernarda Draaijer (1917-2007). Via de moeder van Johan zou er dus een band met Leeuwarden hebben bestaan. Zonder te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de in het boek weergegeven afstammingsreeks zoals deze zich vanaf het midden van de 19de eeuw tot in onze tijd in Amsterdam zou hebben voltrokken, beperken we ons tot het familieverleden van Johan's betovergrootvader Hendrik Draaijer, die zich in 1844 vanuit Leeuwarden in Amsterdam vestigde en er als stratenmaker de kost zou hebben verdiend.

Hendrik Draaijer werd op 9 november 1827 geboren in een reeds lang geleden gesloopt woninkje dat ooit als nr. 10 aan de westzijde van de Ipe Brouwerssteeg heeft gestaan. Hij was een zoon van de uit Gorinchem afkomstige touwslager Andries Hendriks Draaijer (ca.1789-1832) en de in Leeuwarden geboren en getogen Hendrikje Berkhoven (1787-1832) die op 3 april 1814 te Leeuwarden in het huwelijk waren getreden. Uit dit huwelijk zouden in totaal 9 kinderen worden geboren, waarvan er vier als zuigeling of peuter kwamen te overlijden. De kleine Hendrik groeide aanvankelijk op met drie oudere zussen, te weten Janke (1814), Christina (1820) en Martha (1823) en één jonger zusje Johanna (1830). Een onbezorgde jeugd zal Hendrik niet hebben gehad, want vlak voor zijn vijfde verjaardag verloor hij in iets meer dan een week - op 26 oktober en 3 november 1832 - respectievelijk zijn vader en moeder, vermoedelijk aan de zich dat jaar voor het eerst in Nederland openbarende cholera of Aziatische braakloop.

Aziatische braakloop
Op 28 april 1832 was een gast in hotel ‘De Nieuwe Doelen' aan een onbekende ziekte bezweken. De behandelende artsen vreesden cholera en lieten de dode begraven in een met pek waterdicht gemaakte kist. Alvorens de kist dicht te timmeren werd het stoffelijk overschot bespoten met chloorkalk. Om geen paniek te zaaien werd de betrokkenen nadrukkelijk een zwijgplicht opgelegd. Een half jaar later brak er daadwerkelijk een cholera-epidemie uit! Op 8 oktober 1832 werd Antje Snijdood, een ongehuwde 32-jarige breister, wonende bij de Nieuweburen plotseling ziek. Zij kreeg hevige darmkrampen gepaard met een vrijwel voortdurende afgang van een rijstwaterachtige vloeistof. Ook braakte zij zonder ophouden. Haar toestand verslechterde zeer snel. Na vier uur was zij overleden. Gezien het feit dat de cholera op dat moment al in verscheidene steden in ons land heerste - het eerste slachtoffer van de nieuwe ziekte was in de zomer van dat jaar in Scheveningen gemeld - was het niet verwonderlijk dat de medische stand in Leeuwarden door dit sterfgeval werd gealarmeerd. Men kende de ziekte alleen van horen en zeggen. In de weken dat de cholera in Leeuwarden heerste bedroeg het aantal geregistreerde patiënten 73, waarvan er uiteindelijk 35 bezweken. Het zwaarst getroffen stadsteel was de wijk K (20 gevallen in de omgeving Nieuweburen-Wissesdwinger), gevolgd door de Wijk E (14 gevallen in de Torenstraat en de stegen tussen Nieuwestad en Ruiterskwartier, waaronder de Ipe Brouwerssteeg). Dit waren juist de wijken die door onvermogenden werden bewoond.

Een wezenbestaan
Gezien het besmettelijke karakter van de ziekte zal het de kinderen amper zijn vergund om op behoorlijke wijze afscheid van hun ouders te nemen, aangezien zij waarschijnlijk volgens de toen geldende noodverordening binnen 24 uur ter aarde moesten worden besteld. Zij zullen hun laatste rustplaats op het Oldehoofsterkerkhof hebben gevonden dat toen nog in gebruik was. Woning en huisraad zullen vervolgens met een oplossing van chloorkalk en bruinsteen in zwavelzuur door beroking zijn ontsmet. Waarschijnlijk hebben naaste buren van de kinderen het kerkelijk armbestuur ingeschakeld die zich vervolgens over hen heeft ontfermd.

Hoewel Johannes Berkhoven, de grootvader van de kinderen, op dat moment nog in leven was - hij overleed op 14 juni 1841 op 82-jarige leeftijd - is zijn fysieke of geestelijke gesteldheid waarschijnlijk niet toereikend geweest om voor zijn kleinkinderen te zorgen. Waarschijnlijk werd hij, nadat zijn echtgenote Janke Hendriks Horter op 11 oktober 1826 was overleden, zelf ook door de armenzorg onderhouden. Op 10 november 1832 wendden de diakenen van de Nederduits Hervormde Gemeente zich tot Burgemeester en Wethouders van Leeuwarden met het verzoek om de vijf minderjarige kinderen te laten opnemen in het Nieuwe Stadsweeshuis. Hierop gaf de rentmeester aan binnenvader Lodewijk Andries Tjaards van het weeshuis opdracht om zich over de toestand van de kinderen te laten informeren. Op 19 november bracht deze rapport uit van zijn bevindingen aan de Voogden en Voogdessen van het Nieuwe Stadsweeshuis. Over de omstandigheden waaronder beide ouders kort na elkaar zijn overleden liet hij zich niet uit. Wel dat Andries en Hendrikje meer dan twintig jaar onafgebroken als belijdend lidmaat van de Nederduits Hervormde Gemeente in Leeuwarden woonachtig waren geweest. Zij zouden nog niet het geringste vermogen hebben nagelaten.

Van de kinderen vermeldt hij dat de oudste dochter Janke ‘een wijnig kon lezen, schrijven en naajen' en dat bij Christina en Martha ‘de verkregen kundigheden zeer wijnig zijn'. De kinderen zouden gezond van gestel zijn, uitgezonderd het jongste kind Johanna, ‘welke ziekelijk en zwak scheind, hebbende thans kinkhoest'. De vier oudste kinderen zouden door dr. Fockema tegen de pokken zijn gevaccineerd. De binnenvader besluit zijn rapport met de opmerking: ‘Het is voor deze kinderen van belang om onder eene geregelde opvoeding te komen, uit hoofde dezelve geene opvoeding gehad hebben'. Op 20 november volgde de gunstige beschikking waarbij de Voogden en Voogdessen van het weeshuis door B. & W. werden gemachtigd om de kinderen in genoemd gesticht op te nemen en te verzorgen. Dat de gezondheid van de kleine Johanna inderdaad te wensen overliet mag blijken uit het feit dat zij op 26 juli 1838 op 7-jarige leeftijd in het weeshuis kwam te overlijden.

Als koperslager in de leer
Tot het dagelijks leven in het weeshuis behoorde, naast het gebruikelijke onderricht in lezen en schrijven, het zich eigen maken van een handwerk.  Hierdoor hadden de weeshuiskinderen veelal een streepje voor op hun nog thuis wonende leeftijdsgenoten uit dezelfde sociale klasse,voor wie in de meeste gevallen slechts ongeschoold werk was weggelegd. In ieder geval werd er door de leiding naar gestreefd dat de kinderen, na ontslag uit het weeshuis, in hun eigen onderhoud konden voorzien. Zo ook Hendrik, die als leerjongen werd uitbesteed bij de koperslager Jan Andries Dudij. Op 29 december 1843 bracht Voogd der Ambachten Pieter François Martin verslag uit aan de Weeshuisvoogden en -voogdessen van de vorderingen die de pupillen onder toeziend oog van hun meesters hadden gemaakt, waarbij over drie leerjongens een loffelijke getuigenis werd gegeven, doch waartegenover ‘als minder loffelijk' de getuigenis ten opzichte Hendrik Draaijer moest worden gesteld. Hij zal het waarschijnlijk niet in zijn vingers hebben gehad, zullen we maar aannemen. Na nog een jaar doormodderen zag Hendrik er zelf waarschijnlijk ook geen heil meer in. Blijkens een aantekening in het stamboek van het weeshuis zou hij op 14 oktober 1844 vrijwillig in militaire dienst zijn gegaan. Op 16 juni 1850 ontving Hendrik de buitengewone beloning ad ƒ 40,-- van het weeshuis, waarna hem op 23 oktober 1854 volgens aantekening ‘voor militair uitzet werd vergund' ten bedrage van ƒ 30,--. Op 2 mei 1855 trad Hendrik te Amsterdam in het huwelijk met de 28-jarige Griet van Oort uit Breukelen-Nijenrode. Uit dit huwelijk werd Johan's overgrootvader Gerrit Draaijer (1855-1904) geboren. Deze huwde in 1874 te Amsterdam met Gerrijtje Laroo (1855-1924). Hun beider zoon Hendrik Johannes Draaijer (1879-1943) was dus Johan's grootvader, naar wie hij werd vernoemd.

Met seer bedrukten herte
Hoe hartverscheurend het bovenstaande misschien mag over komen, het was niet de eerste kennismaking van het voorgeslacht van Johan Cruijff met het stadsweeshuis in Leeuwarden. Ook Janke Hendriks Horter, de al eerder genoemde grootmoeder van Hendrik Draaijer, heeft er samen met haar broer Leendert en zus Barbara elf jaren van haar jeugd doorgebracht nadat zij door hun moeder waren verlaten. In een register van aan weeskinderen verstrekte kleding is bij hun inschrijving op 29 juni 1772 de kanttekening geplaatst: ‘Bij provisie voor halve wees aangenomen, dewijl niet blijkt de moeder doodt te zijn'. De ouders van de drie kinderen, de ex-soldaat Heinrich Hörter of Hurter en Martje Leenerts, waren op 27 februari 1756 in de Galileërkerk in het huwelijk getreden. De vader was als Zwitsers soldaat onder Escher in Leeuwarden terechtgekomen en verkreeg daar paspoort om de dienst te verlaten. Uit dit huwelijk werden in totaal vier kinderen geboren: Hendrik (1756 en jong gestorven), Leendert (1758), Barbara (1761) en Janke (1763). Ruim een week nadat hij op 29 december 1769 was beëdigd als stadsbierdrager overleed vader Hendrik plotseling. Hierop diende Martje op 9 februari 1770 ten einde raad het hieronder letterlijk weergegeven verzoek in bij de Leeuwarder Magistraat: ‘Remonstreert met seer bedrukten herte, Martjen Leenderts, weduwe van Hendrik Horter, dat des suppliantes man op de 29 december laastleden het transport als bierdrager heeft ontvangen, en den 6 januarij deses jaars seer subijt is overleden, sonder het minste van 't Ampt te hebben genoten, waardoor de suppliante seer in armoede is geraakt, soo door het verlies van haar man, kostwinninge, bovendien beswaart met een huisgesin van drie kinderen en also geen mogelijkheit siende, om voor haar en haar 3 kinderen de kost te kunnen winnen. Dog bij aldien U Edel Agtbare het gratieuselijk mogte behagen, dat haar zoon, genaamt Leendert Hendriks, oud 11 jaar, in het Stads Weeshuis mogte worden geplaatst, de suppliante met behulp van Gods Zeegen, als dan hoopt haar en wegens haar twee andere kinderen te kunnen subsisteren. Waaromme de suppliante haer op 't demoedigste aan U Edel Agtbare is addresserende, met smeekinge U Edel Agtbare gelieven gratieuselijk haar zoon Leendert Hendriks in 't Stads Weeshuis te plaatsen'. Na verkregen inlichtingen besluit het stadsbestuur het advies van de informanten over te nemen en, hoewel tegen de regels in, Leendert Hendriks ‘in dit allerongelukkigst geval' als wees aan te nemen.

Liever ten oorlog gevaren dan halfwees
Leendert was als halfwees maar moeilijk te handhaven in het tehuis en gedroeg zich bij tijd en wijle behoorlijk recalcitrant, hetgeen hem herhaaldelijk een niet mis te verstane bestraffing opleverde. Zo moest hij zich op 6 april 1772 verantwoorden voor de mishandeling van het zoontje van Grietman Schepper, waarbij hij dit een gouden boord van de hoed had gerukt met de bedoeling dit voor eigen gewin te verkopen. Hij werd hiervoor door de weeshuisleiding veroordeeld om op drie achtereenvolgende maandagen gegeseld te worden. Op de eerste maandag met de bullenpees en op de twee maandagen daarna met de roede. Daarnaast werd hij drie weken achterelkaar een dag en een nacht ‘op het rooster gezet', een zeer vervelende en pijnlijke straf omdat liggen of zitten op de spijlen slapen praktisch onmogelijk maakte. Tenslotte kreeg hij huisarrest totdat hij beterschap betoonde. De straf heeft hem slechts voor korte duur kunnen weerhouden om andermaal over de schreef te gaan. Op 6 september 1773 moest hij zich wederom verantwoorden voor een vechtpartij met een ander weeskind dat hij een gat in het hoofd had bezorgd. Weer werd hij met de bullenpees afgeranseld en moest hij drie maanden in huis blijven. Tenslotte laat Leendert op 4 juli 1774 voor de laatste maal in ongunstige zin van zich horen: hij wordt dan om zijn luiheid en ongehoorzaamheid nogmaals op dezelfde wijze getrakteerd. Ditmaal scheen het opstandige gemoed van de knul toch daadwerkelijk te zijn gebroken, temeer daar hij uit eigener beweging besloot met het wezenbestaan te breken en op 16 augustus 1774 ‘met consent van de Heeren Regenten en Regentessen' het weeshuis te verlaten. Met ‘al het nodige equipasie', door het weeshuis aan hem verstrekt, zou hij ten oorlog zijn gevaren. Misschien was het vooruitzicht op wederom drie maanden huisarrest voor het 16-jarige ‘probleemgeval' de laatste druppel. 

Moedwillig verlaten
Intussen had Leendert sedert 29 juni 1772 gezelschap gekregen van zijn twee jongere zusjes, zij het dat de seksen zeer angstvallig werden gescheiden en er afgezien van enig oogcontact op zondag in de kerk, weinig gelegenheid zal zijn geboden tot ‘bijpraten'. Martje zou de 11-jarige Barbara begin juni van dat jaar aan haar lot hebben overgelaten. Pas op 6 augustus van dat jaar werd ze na twee maanden omzwerven in Heerenveen opgepakt. Volgens eigen zeggen zou ze op maandag 2 juni uit de stad zijn vertrokken om naar haar zwager Hendrik Gerzee, gehuwd met haar halfzus Corneliske Hendriks, in Rinsumageest te reizen. Zij zou haar dochter Barbara daarbij hebben overgelaten aan de zorgen van buurvrouw Caatje, met wie ze een tweekamerwoning deelde in het niet meer bestaande straatje ‘De Modder', dicht bij het timmerhuis van de Stadstimmerman Jan Noteboom. Terzelfdertijd dat haar oudste zoon in het Stadsweeshuis werd geplaatst, zou ze haar jongste dochtertje Janke bij haar broer Feitse Leenderts, gortmakersknecht in Sneek hebben ondergebracht, zodat ze ten tijde van haar vertrek alleen Barbara nog ‘tot haar beswaer' had. Zij zou diezelfde avond samen met haar zwager weer in de stad zijn teruggekeerd en had haar deur toen op slot bevonden. Volgens één van de buren zou buurvrouw Caatje diezelfde dag met haar dochtertje zijn weggegaan. Vervolgens zou Martje samen met haar zwager een kennis, woonachtig achter de Groene Kan, hebben benaderd om de andere dag bij Caatje te informeren naar haar dochter, en die dan door haar zwager naar haar oom, de bakker Taevis Feddes in de Schrans te laten brengen. Zij had samen met haar zwager geoordeeld dat deze oom Taevis ‘er de naaste toe was', hoewel zij toegaf dat zij geen reden had om te denken dat deze haar kind zou aannemen. Ze had er echter op vertrouwd dat, mochten er onverhoopt toch problemen rijzen, haar zwager zich er wel mee zou redden. Hiervan was echter, zo zij had vernomen, niets terechtgekomen, waarna haar kind, na eerst acht dagen door de buren opgevangen te zijn geweest - in het weeshuis zou zijn geplaatst. Ook de zorg voor Janke zou haar broer Feitse te bezwaarlijk zijn geworden, zodat ook zij naar verluid in het weeshuis zou zijn opgenomen. Op 3 juni 1772 zou Martje de stad andermaal hebben verlaten om bij een boer werk te zoeken, doch toen dat niet lukte was zij noodgedwongen om een aalmoes gaan bedelen. Uiteindelijk was ze in Groningen terechtgekomen en van daar uit door Drenthe getrokken om daar haar geluk te beproeven, om uiteindelijk in Heerenveen terecht te komen waar ze op 6 augustus was gearresteerd. Op de vraag of ze ooit eerder bestraft was geweest bekende ze dat ze in 1757 wegens een vermeende diefstal van kruidenierswaren gevangen had gezeten, doch door het Hof van Friesland wegens gebrek aan bewijs was vrijgesproken. Op 7 oktober 1772 werd ze door hetzelfde Hof wel schuldig bevonden en veroordeeld tot een werkstraf in het Landschaps Tucht- en Werkhuis voor de tijd van één jaar wegens moedwillige verlating van haar kind. Of de band tussen Martje en haar kinderen uiteindelijk is hersteld vermeldt de geschiedenis niet. Zij laat op 17 oktober 1794 nog één maal van haar horen, wanneer ze aangifte doet van diefstal van een evenaar met gewichten. Ze is dan 64 jaar en woonachtig in de Pijlsteeg. Ze overleed volgens de huwelijksakte van haar dochter Barbara op 21 november 1801 te Leeuwarden. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat Martje's voorgeslacht afkomstig was van Het Bildt. Zowel haar vader Lenert als haar oom Taevis werden in respectievelijk 1695 en 1698 als zonen van Fedde Lenartz en Maartje Thevis in St. Annaparochie geboren.

Stof tot nadenken
We kunnen ons misschien afvragen of Nederland en de internationale voetbalwereld ooit iets van ‘El Flaco' (De Magere) of ‘El Salvador' (De Verlosser) zou hebben vernomen, wanneer niet in 1832 de cholera in Leeuwarden had toegeslagen en diens betovergrootvader Hendrik Draaijer misschien wel nooit via het weeshuis en de militaire dienst in Amsterdam terecht was gekomen. Of wanneer Martje Leenderts, tegen beter weten in, toch voor haar kinderen was blijven zorgen en ze misschien één voor één door honger en ontbering zouden zijn omgekomen. Wie zal het zeggen? Om - gevraagd naar diens geloofsbeleving - met de wijze woorden van de voetbalgoeroe zelf te besluiten: ‘Vaak heb iets in het leven waarschijnlijk een noodzaak!'

Terug