Dit stuk is o.a. gebaseerd op artikelen van Harm Nijboer, Jan van der Woude, Corien Rattink, Bartje Abbo-Tilstra en Erwin Boers

Het coronavirus is lang niet de eerste epidemie die de kop opsteekt. Onze streken zijn in het verleden vaker zwaar getroffen door allerlei nare ziekten. Malaria, pokken, pest en lepra kwamen hier in ieder geval al sinds de middeleeuwen voor en maakten talloze slachtoffers. In de 19e eeuw werd Leeuwarden bezocht door de cholera. In 1918-1919 bezweken ook veel Leeuwarders aan de Spaanse griep. In de jaren 20 werd veel tijd en geld besteed aan tuberculosebestrijding.

Melaatsheid of lepra
Lepra is een bacteriële infectieziekte en werd, net als de meeste latere epidemieën, verspreid door groepen mensen die zich verplaatsten, zoals pelgrims en handelaren die het virus in de 14e eeuw meenamen uit verre oorden. Hoewel de huidziekte niet dodelijk is, was een lepralijder geen prettig gezicht en werd hij zoveel mogelijk geweerd uit steden. Leeuwarden had al voor 1580 een leprooshuis, even ten Noorden van de stad. Dzee instelling had het karakter van een gasthuis. Er werd geen medische behandeling aangeboden. Het leprooshuis had eigen inkomsten uit een stuk grond (de Lazarusfenne) en ontving soms een legaat. Leprozen konden niet werken, zodat het hun was toegestaan te bedelen; maar alleen in hun kenmerkende kleding en met een klepper. In de tweede helft van de 16e eeuw kwam melaatstheid het vaakst voor. In de loop van de 17e eeuw verdween de ziekte uit Friesland. In 1643 werd het Leeuwarder leprooshuis nog uitgebreid, maar in 1672 waren er geen bewoners meer. In 1688 werd het huis afgebroken.

De vierige sieckte der Pestilentie
De pest was van eind 14e tot eind 17e eeuw nagenoeg endemisch in onze streken. Bovenden kwamen er regelmatig pestepidemieën tot uitbarsting. Friesland werd in de jaren 1349-'51, 1360, 1369, 1400, 1420, 1422, 1431, 1441 en 1494 zwaar getroffen door ‘de slaende engel’, zoals de pest wel werd genoemd. Pas vanaf de 16e eeuw maken de bronnen melding van pest in Leeuwarden. Zeker lijkt dat er hier epidemieën waren in 1516, 1525, 1576, 1581-'83, 1602-'03, 1635-'36, 1656-'57 en 1666. In 1516 overlijdt een bewoner van het St. Anthony Gasthuis aan deze ziekte. Dagboekschrijver Bernardus Furmerius schrijft dat in 1603 900 Leeuwarders overleden aan de pest. In 1624 is er sprake van een pestmeester in Leeuwarden. Deze Abraham Gabbes is dan al 75 jaar oud. In 1636 sterven er ettelijke keren ongeveer 200 inwoners per week aan de pest. Dat op een bevolking van ongeveer 13.000! In 1656-’57 overleed ongeveer een derde van de kinderen in het Old Burger Weeshuis aan de gevolgen van deze ziekte. In 1656 was er een dag waarop maar liefst tachtig begrafenissen plaats vonden. De epidemieén veroorzaakten ook paniek. Nog in 1771 deed in Leeuwarden een gerucht de ronde dat een met de pest besmet schip in aantocht was.
Er warden ook maatregelen getroffen om de pest tegen te gaan. In 1656 werd bijvoorbeeld de rechtszitting uitgesteld. De stadhouder en zijn gezin vluchtten dat najaar naar Hallum. In sommige jaren werd het verkeer en de handel met bepaalde steden aan banden gelegd. Gevels en dakgoten moesten verplicht schoongemaakt. Honden, katten en varkens verdwenen uit het straatbeeld. Pestlijders werden zoveel mogelijk geïsoleerd in hun huis en moesten en bos stro voor de deur hangen. Zes weken quarantaine was gebruikelijk. Patiënten konden zich ook laten opnemen in het pesthuis. De verpleging stelde niet veel voor. Opensnijden of wegbranden van pestbulten en het verstrekken van wonderdrankjes waren gebruikelijk. In 1576 is er sprake van pestkamers bij het Dominicaner klooster. Na de Reformatie komen er klooster- en kerkgebouwen beschikbaar. De kerken van Nijehove en Hoek en het voormalig was- en ziekenhuis van het Dominicaner klooster werden wel gebruikt voor de opvang van pestlijders. In 1611 liet het stadsbestuur een nieuw pesthuis bouwen. In de tweede helft van de 17e eeuw werd dit pesthuis overbodig. Het pand werd in 1675 verbouwd tot Nieuwe Stadsweeshuis.

De vreselijkste aller harpijen
Nadat de pest was verdwenen, kwamen de pokken op. Het pokkenvirus verspreidde zich vooral via de lucht¬wegen. Overdracht kon ook plaatsvinden door het aanraken van de pokken of de korsten, en via kleding en beddengoed van een besmet persoon. De pokken bestonden al enkele duizenden jaren, maar maakten vooral in de tweede helft van de 18e eeuw veel slachtoffers in Nederland. Zo’n 40% van de kindersterfte werd veroorzaakt door pokken. Ook ouderen liepen nog risico. In 1783 kwam ds. Nieuwold uit Warga te overlijden 'aan een zwaare kinderziekte in den ouderdom van veerüg jaaren'. In 1791-1793 was er sprake van een pokkenepidemie in Leeuwarden. Van de 240 kinderen die in 1792 werden begraven, waren er 73 het slachtoffer van de pokken.
Rundvee had vaak koeienpokken, waardoor veel boeren en dergelijke ook immuun werden voor andere pokken. Op de universiteit van Franeker werd vanaf 1770 geëxperimenteerd met vaccinatie van koepokken. Aan het begin van de 19e eeuw werd meer dan de helft van de Leeuwarder kinderen al ingeënt tegen pokken. Vergeleken met andere steden en streken vielen hier minder slachtoffers. Tijdens de epidemie van 1871 was het pokkensterftecijfer in Leeuwarden 0,4 en in bijvoorbeeld Groningen 7,1. Sommige dorpen in Gelderland verloren toen zelfs een tiende van hun bevolking. Inenting werd uiteindelijk verplicht gesteld voor schoolgaande kinderen, waardoor de ziekte omstreeks 1900 verdween uit Nederland.

Tusschenpoozende koortsen of moeraskoorts
Moeraskoorts of malaria was in West- en Noord-Nederland sinds mensenheugenis endemisch. Het brakke water in de verzilte gebieden van de kustprovincies bood een geschikte broedplaats aan de muggensoort die voor de verspreiding van deze ziekte verantwoordelijk is. In sommige jaren nam de malaria epidemische vormen, zoals in 1542, 1727, 1779, 1846 en 1866. In 1826-1827 eisten de ‘tusschenpoozende koortsen’ een hoge tol aan mensenlevens in onze streken. Waarschijnlijk is de plotselinge en hevige epidemieontwikkeling bevorderd door de overstromingen, die in februari 1825 delen van Friesland en Groningen onder water zetten. Na de overstromingsramp deden zich voor de toeneming van de muggenpopulatie bijzonder gunstige weersomstandigheden voor. De winter van 1825-1826 was zacht en werd gevolgd door een uitzonderlijk droge en hete zomer. Sommige medici uit die tijd schreven het ontstaan van de ziekte toe aan de ontwikkeling van een schadelijk miasma of moerasgif. De armenzorg van Wirdum raakte financieel uitgeput door de ondersteuning aan de vele slachtoffers. In zuidelijker gebieden was het nog veel erger. Massale sterfte trof de omstreken van Heerenveen.
Leeuwarden werd in 1859 zwaarder getroffen door malaria dan enige andere stad in het land. Meer dan 5% van de Leeuwarders bezweek toen aan de gevolgen van epidemieën. Ook dit maal moeten de weersomstandigheden hebben meegewerkt aan het ontstaan en de verspreiding van de ziekte. De langdurige droogte en hitte in de zomermaanden van 1859 zal in Leeuwarden (waar goed drink- en reinigingswater nog altijd een schaars goed was) bovendien de kans op het uitbreken van andere infectieziekten, zoals typhus, hebben vergroot. Behalve door de buitengewone weersomstandigheden is de verbreiding van ziekten bevorderd door de uitvoering van waterstaatkundige werken en slattingswerkzaamheden in de onmiddellijke omgeving van de stad. De binnengrachten waren tijdelijk afgedamd, zodat het geen aangenaam vertoeven kan zijn geweest in Leeuwarden in deze zomer toen ‘dikwijls zware daauw, bezwangerd met de euvelriekende uitwazemingen van het stilstaand en met alle onreinheid beladen water, laag boven de oppervlakte der stad en haren omtrek streek’.

Aziatische braakloop
Met de Russische uitbraak van cholera kwam in 1831 een vreselijke ziekte van Oostelijk Azië naar Europa. Toen de epidemie zich in 1832 naar Nederland verspreidde, liet de Leeuwarder burgemeester Thijs Feenstra van Leeuwarden plakkaten ophangen, waarin hij de bevolking opriep tot algemene zindelijkheid en dikke kleren die gevaarlijke afkoeling moesten voorkomen. De burgemeester waarschuwde ernstig tegen alcoholmisbruik en riep iedereen op ‘een opgewekte gemoedstoestand te bewaren’. Want niemand werd immers beter van ,’toorn en kommer’. De cholera brak al snel uit.
Op 8 oktober 1832 werd Antje Snijdood, een ongehuwde 32-jarige breister, wonende bij de Nieuweburen plotseling ziek. Zij kreeg hevige darmkrampen gepaard met een vrijwel voortdurende afgang van een rijstwaterachtige vloeistof. Ook braakte zij zonder ophouden. Haar toestand verslechterde zeer snel. Na vier uur was zij overleden. Gezien het feit dat de cholera op dat moment al in verscheidene steden in ons land heerste - het eerste slachtoffer van de nieuwe ziekte was in de zomer van dat jaar in Scheveningen gemeld - was het niet verwonderlijk dat de medische stand in Leeuwarden door dit sterfgeval werd gealarmeerd. Men kende de ziekte alleen van horen en zeggen. In de weken dat de cholera in Leeuwarden heerste bedroeg het aantal geregistreerde patiënten 73, waarvan er uiteindelijk 35 bezweken. Het zwaarst getroffen stadsteel was de wijk K (20 gevallen in de omgeving Nieuweburen-Wissesdwinger), gevolgd door de Wijk E (14 gevallen in de Torenstraat en de stegen tussen Nieuwestad en Ruiterskwartier, waaronder de Ipe Brouwerssteeg). Dit waren juist de wijken die door onvermogenden werden bewoond
Dagboekschrijver Hellema sprak met chirurgijn Vlaskamp uit Stiens, die hem vertelde hoe hij een schippersgezin uit Koarnjum had behandeld. Ze leden aan cholera en werden in het ziekenhuis van Stiens verpleegd. Een jongetje van acht stierf aan de ziekte, terwijl de rest van het gezin opknapte. De chirurgijn rookte het schip uit en het gezin trok al snel weer verder. De ziekte bleef doorzeuren en kostte ieder jaar honderden Friezen het leven. Het opmerkelijke was dat vooral arme mensen dood gingen aan de kolere, zoals de ziekte nu nog als scheldwoord bekend is. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw raakten onderzoekers er geleidelijk van overtuigd, dat de ziekte een verband hield met drinkwater. Dat verklaarde ook de verschillen: rijke Friezen hadden meestal een veilige regenwaterbak bij hun huis en werden niet ziek, terwijl de armen aangewezen waren op vervuild grachten- of putwater. Daarin kwamen poepbacteriën van anderen terecht.
In 1866 stierven nog 461 Friezen aan de ziekte, maar dit aantal zou in de jaren daarna snel slinken. Zowel landelijk als lokaal begonnen bestuurders zich in te zetten voor hygiëne en veilig drinkwater. De Leeuwarder gemeentereiniging werd in 1870 opgericht. De waterleiding kwam in 1888 tot stand. Ook de woningwet van 1901 had een gunstige invloed op de gezondheidstoestand van het arme deel van de bevolking.

Spaanse griep
Voor veel historici geldt de Spaanse griep als het belangrijkste voorbeeld van een epidemie. Wereldwijd overleden naar schatting 50 miljoen mensen. In Nederland maakte de ziekte ongeveer 60.000 slachtoffers. De aandoening barstte in de laatste maanden van Eerste Wereldoorlog uit. Het halve land lag plat in het najaar van 1918. Scholen werden massaal gesloten (in Leeuwarden de hele maand november) en veel mensen meden bijeenkomsten. De artsen kwamen niet verder dan wat algemene maatregelen, zoals rust, vermijden van grote inspanningen, veel naar buiten gaan, en wegblijven uit bedompte stoffige ruimten. Sommige artsen schreven zelfs alcohol voor. Het huis van griepslachtoffer Helena van Sloterdijck (Wirdumerdijk 20) werd meteen na haar overlijden grondig ontsmet.
De ziekte trof vooral volwassenen in de kracht van hun leven, terwijl bejaarden en kinderen er minder last van hadden. Toch was de griep voor de rijksoverheid en ook voor gemeenten bijzaak. Door de oorlog heerste namelijk een enorm gebrek aan voedsel en brandstof. Het kostte bestuurders veel tijd en energie om de bevolking van alle noden te voorzien, waardoor de ziektebestrijding voor hen op het tweede plan kwam. Het aantal doden lag in Friesland ook nu veel lager dan in andere provincies. In Leeuwarden overleden tussen de 100 en 150 inwoners aan Spaanse griep. Begin 1919 was de paniek over en ging men over tot de orde van de dag. Armoede en tuberculose lijken toch meer indruk hebben gemaakt dan de Spaanse griep.

Tering
Tuberculose was in de negentiende eeuw al een zeer dodelijke sluipmoordenaar. De dorpsdokter van Wirdum stierf hier in 1832 bijvoorbeeld aan, zo beschrijft Hellema. Veel besmette Friezen liepen jaren ongemerkt rond met de ziekte, voordat ze zich ellendig begonnen te voelen. Aan het begin van de 20e eeuw stierven er in Leeuwarden jaarlijks ongeveer 50 personen aan tuberculose en het aantal zieken was het viervoudige daarvan. Er was geen medicijn voor handen, maar men wilde toch hulp bieden. In 1908 richtte de ‘Vereeniging tot Bestrijding der Tuberculose’ in Doelestraat 3 een bureau in, waar huisartsen bij toerbeurt spreekuur hielden. Een huisbezoekster gaf voorlichting en adviezen. Zij probeerde vooral in slechte woonomstandigheden verandering te brengen. De tbc nam in Nederland echter eerder toe dan af. Na de Eerste Wereldoorlog werd tbc steeds meer erkend als een epidemie die bestreden moest worden. De overheid en andere instanties begonnen zich er in de jaren twintig fanatiek mee te bemoeien, vooral door hogere eisen aan hygiëne. Dat varieerde van handen wassen tot ontsmetting van allerlei voorwerpen. Zo werden bibliotheekboeken bijvoorbeeld regelmatig gedesinfecteerd.
Hoestende tbc-lijders waren zeer besmettelijk en werden daarom volkomen afgezonderd van de samenleving. Ze verbleven in aparte ziekenzalen, in barakken, tuinhuisjes en soms zelfs in tenten. Er ontstonden grote sanatoria. In Leeuwarden werd in 1927 bij Achter de Hoven Parkherstellingsoord gesticht. Er verrezen maar liefst tien lighallen. Na de Tweede Wereldoorlog ontdekten wetenschappers dat zich een nieuwe, levensgevaarlijke tbc-epidemie aan het ontwikkelen was. Dat leidde tot een bijna militaire aanpak. Met mobiele röntgenapparaten gingen artsen en zusters zoveel mogelijk dorpen en wijken langs. Friezen stonden in lange rijen klaar om een foto te laten maken van hun longen. Al snel bracht de invoering van penniciline uitkomst, waardoor de genezing in een stroomversnelling raakte. Geleidelijk verdween de ziekte en vanaf de jaren zestig werden al die sanatoria dan ook in rap tempo opgedoekt. De laatste uitbarsting van tbc in Leeuwarden was in 1989 toen iemand met open tbc 17 regelmatige bezoekers van de popbunker besmette.

Terug