Over tijden, welke reeds lang voor mijn jongenstijd liggen, spreek ik niet; deed ik dit, dan zou ik het hieronder vermelde immers uit overleveringen hebben, en niet met eigen ogen hebben aanschouwd en het niet zelf hebben beleefd.

Ongetwijfeld zullen deze herinneringen bij vele Oud-Leeuwarders weer episoden uit het verleden terugroepen.

De tegenwoordige Leeuwarder jeugd zal over sommige gebeurtenissen en gebruiken van vroeger paf staan en zich niet de tijd kunnen indenken, welke wij vroeger als Leeuwarder jongens meemaakten.
Meen, geachte lezer, niet te vinden een verhaal van het een of ander, beschouw dit veeleer als losse impressies van iemand, die thans staat aan het begin van zijn 2de jeugd en enkele herinneringen heeft vastgelegd van zijn eerste jeugd tot aan het eind daarvan.

Herinneringen der kindsheid zijn bloemen
Met lieflijken geur.
Hoe ouder men wordt, des te dierbaarder
Worden ze ons.

Kougan.


Wat mij is opgevallen:

Vroeger groef men hier en elders grachten en sloten ten behoeve van het verkeer. Tegenwoordig dempt men deze, eveneens ten behoeve van het verkeer door de steden. Intussen danken wij daaraan sommige brede straten.

Op het bolwerk tussen Westerkade en Westerplantage alsook aan de Oostersingel tegenover de Kazerne stonden voorheen grote stadspompen, welke in verbinding stonden met de zoetwatervijvers aan de Westersingel en Oostersingel. In de onmiddellijke nabijheid van de laatste genoemde pomp stond het door ons jongens zo gevreesde “Kruithuisje”.

Uit deze vijvers werd des winters ijs in gezaagde blokken gehaald en per as of per schuit vervoerd naar bierkelders op het Herenwaltje.

Op de Voorstreek bij de pijp t.o. de Koningstraat stonden dikwijls grote kuipen met levende zoetwatervis ter verkoop. Vroeger was daar de vismarkt.

Zeer velen zullen zich nog herinneren, dat alle straatlantarens iedere avond door mannen, - gewapend met laddertjes - werden aangestoken, terwijl vroeg in den morgen dezelfde tocht werd gemaakt om de lichten uit te draaien. Bij voldoende maanlicht werden ze niet aangestoken.

Ik zie nog, dat Leeuwarden waterleiding krijgt waartoe dikke buizen in de grond werden gelegd. Ik meen in 1888. De schutterijmuziek speelde daarbij de mars van Duppler Schansen “Keesje, je hebt er water bij gedaan”.
Daarvoor - ik herinner mij het nog best - waren ondernemende straatventers, die onder geroep van “Haal ie water” een emmer water verkochten voor 2 of 3 cent. Op de tonnen stond geschilderd “gegarandeerd”. Zij die geen regenwaterbak hadden met de gebruikelijke filtreer, kochten dit water en ook zij, van wie regenbakken wegens droge zomers leeg waren. Een gang was 2 emmers.

Ik herinner me nog heel goed dat het “Nieuwe Kanaal” gegraven werd en de doorbrak van Grachtswal in de richting Wijbrand de Geeststraat tot stand kwam.
Daarvoor speelden wij veel “in de bocht” en op de grote blauwe stenen liggende op de walkant t.o. de steenhouwerij op de grachtswal. Een veerpontje (thans electrische brug) vervoerde de mensen uit de stad naar de Grachtswal, toendertijd buiten de stad.

Des zomers kon men meermalen zien dat een leger “wiedsters” met grote strohoeden, gewapend met een stomp mes het gras tussen de straatstenen verwijderde. Door het vele verkeer met auto’s e.d. heeft het onkruid nu geen gelegenheid meer boven te komen.

Iedere Zaterdag werd huis aan huis het trottoir (slechtsteentjes) geschrobd. Vele gevulde emmers, welke met behulp van een puthaak uit de gracht werden geput, werden door de jeugd omgeworpen. Handige dienstmeisjes keilden ons daarvoor de natte dweil in ’t gezicht.

Even als vroeger gevent werd met witte zandraapjes in grote platte manden, welke aan een juk werden gedragen, waren het dezelfde vrouwen, die regelmatig met zeevis ventten, daarbij uiterst schel uitroepend: “schelvis, schelvis” of ook wel “zeeskol, zeeskol” met een mooie uithaal. Tot voor enige jaren vormden de visvrouwen een zeker gilde, vooral bij nieuw jaar.

’s-Vrijdags op de Brol en Kelders (toendertijd nog trapjes naar de kelders van de bewoners) waren er vele marktlieden met ellestok ten verkoop van op de grond uitgespreid liggende massa’s knopen-linten enz., terwijl er aan de smalzijde van de Nieuwestad een drukke vleesmarkt was, waarvan in den zomer vooral de vliegen profiteerden. In den laatsten tijd werd er nu juist niet het beste vlees daar verhandeld.

Op de Lange Pijp was dien dag gewoonlijk aanwezig de bekende markttype “Jacob Hollander” in geklede jas en getooid met hoge hoed. Hij was specialist in het verdwijnen van likdoorns enz.

Ook was er bij de Waag een drukke vogel- en kippenmarkt.

Alle Leeuwarder binnengrachten werden reeds des Donderdags bezet door marktschepen. Van z.g. motorboten was toen nog geen sprake. Wel kwamen ’s-Vrijdags in de buitengrachten stoomboten, sommige met vee in pramen uit de meeste plaatsen in Friesland. De beurtschippers deden des Donderdags ’s-Middags en ’s-Avonds boodschappen en bestellingen bij winkeliers en grossiers. In de week voeren nog ouderwetse trekschuiten, liggende aan het Schavernek, bij de Waag aan de Nieuwestad en Voorstreek bij de Nieuweburen. Een trekschuitreis naar Sneek duurde minstens 4 uur; ’t ging in die trekschuiten overigens gezellig toe.

Het was bij sommige families gewoonte om, zodra de nieuwe aardappeltjes werden aangevoerd deze in den vroege ochtend op de Berlikumermarkt te halen.

In het voorjaar werd de straat en vooral de omgeving van het station volgens ons “onveilig” gemaakt door het grote aantal “hannekemaaiers” in hun rood baaien hemden met seizen. Merendeels uit West-Duitschland afkomstig om tijdens de hooitijd zich te verhuren bij den boer.

Toen er nog geen rijwielen waren, evenmin auto’s gingen de meeste doctoren per koets en wanneer zulk een rijtuig voor het huis van vriend of buurman stond werd er al gouw en met een bedrukt gezicht geïnformeerd “wat de Dokter zei”. En als er zand gestrooid werd was er doodsgevaar. Onze huisdokter, die steeds een hoge hoed droeg, tracteerde ons steeds op flikjes uit een platte zilveren doos.

Tegen schemeravond speelden we geregeld op straat en zongen daarbij vaak echter Leeuwarder straatliedjes, als:

"Wat een kruis, wat een kruis,
Geen jenever meer in huis"
"En de brandewijn is zo duur", enz.

Ook:

"Hij komt weerom, hij komt weerom,
hij ligt in het vierde bataljon", enz.

Het “tiepelen” was een geliefkoosd straatspel. Jammer dat het niet meer gespeeld wordt. De jongens zag men veelal met ijzeren hoepels, terwijl de meisjes bikkelden op de blauwe stoepen van woonhuizen.
Ook het hoedjeballen was zeer gewild, terwijl tussen de schooluren vele winkels werden afgelopen voor “cacao” plaatjes, toen nog een nieuwigheid. Trouwens we hadden een uitgebreide kinderspelen; ook dat is helaas bijna geheel verdwenen.

Om door de bruggen te komen werd vroeger door de schippers geruimen tijd voordat ze bij de brug waren met luider stem geroepen “brio-ie” en dit werd herhaald totdat de brugwachter voor den dag kwam, die destijds de slappe kettingen voor de beide zijden der brug trok. Tegenwoordig gebruiken de schippers “hoorn of bel”.

Bij de meeste bruggen en pijpen kon men gewoonlijk een z.g. “diske” aantreffen ten verkoop van allerlei snoepgoed. Ook werden daar grote wortelen verkocht voor een halve cent. Zo kregen wij zonder het te weten onze vitaminen.

Verschillende woonhuizen, aan het trottoir grenzende, waren destijds voorzien van luiken, welke als beveiliging tegen inbraak iedere avond werden gesloten. Zonneblinden waren van schuinstaande latten gemaakt en deden dezelfde dienst als nu de jalouzieën.

Op de Grachtswal stonden enkele woonhuizen waarboven graanzolders waren. Om deze te bereiken was toegestaan, dat grote staande ladders dag in dag uit op het trottoir tegen de huizen aanstonden.

Grote baksleden met een bijzondere soort ijspillen waren ’s-Winters op de stadsgrachten, zodra de stadsbaanvegers verschenen ten bewijze dat het ijs vertrouwd was. De “pillen” waren erg lekker en werden daarom door de verkopers aangeprezen als: “beter dan Urbanuspillen” (een pungeermiddel).

Toen van auto’s nog geen sprake was, werden de hotel-logeergasten steeds van de trein gehaald door omnibussen der hotels. Deze stonden bij alle treinen uit Holland. Het waren kleine wagentjes met imperiaal van Hotel “De Doelen”, Hotel “De Phoenix” en Hotel “Weidema”, naast de koetsier zat de commissionair van het hotel.

Ik herinner mij niet meer, dat de Eewal en het Herenwaltje werden gedempt. Heel goed daarentegen, van het Zwitserswaltje en van de Tweebaksmarkt en Turfmarkt met het bekende smalle bruggetje bij de zeepziederij van Waller Zeper, rechthoekig op de trapjesbrug over de Tuinen.

Aan de 4 uitgangen der stad kwamen zeer veel “hondekarren” van omliggende dorpen om de door de karrijders bestelde goederen te vervoeren. Een enkele begon toen met een wagen met een klein paardje, daarna kwamen de paardewagens en verdwenen allengs de hondenkarren. Eerst veel later kwamen de vrachtauto’s. Een volgende periode gaat door de lucht.

Perronkaartjes kenden we vroeger niet, terwijl de treinen uitsluiten vertrokken nadat de stationschef het sein daartoe gegeven had n.l. door het z.g. afluiden, waartoe een grote bel op het perron dienst deed.

Tijdens harddraverijen aan de Marssumerweg kwamen veel buitenmensen met paard en sjees. Deze werden veel gestald in de “Groene Weide”, t.o. de Oldehove en bij Yke de Jong bij de Beursbrug.

Destijds waren er enkele ijsmannetjes die op hete dagen met een helder versierd ijswagentje - voorzien van een bescheiden belletje portie’s vanille ijs aan de huizen verkochten a 10 cent per portie. In diverse huishoudingen gold zoiets als een ware tractatie.

Op de gevels van sommige woningen was een bordje aangebracht met teksten als volgt: “Hier gladmagelt men”, “Water en vuur te koop”, “Morgenwekker”.

Van eenrichtingsverkeer was geen sprake, wel kon men op verschillende bordjes lezen: “Stapvoets rijden”, zoals men hier en daar nog een verdwaald bordje kan ontdekken.

De eerste Glazenwasser in Leeuwarden baarde opzien, alsook een stofzuigmachine, welke op straat stond te stampen, terwijl grote slagen over de weg onder de ramen in de kamers werden gelegd. Deze laatste was van korte duur.

Moest brandstof worden opgeslagen als wintervoorraad, anthraciet was nog onbekend, dan was het den avond te voren “vroeg naar bed”, opdat den volgenden morgen reeds vroeg kon beginnen. De turfschippers met baggelaarturf gingen dan of sjouwen met gevulde manden of als hiertoe gelegenheid was de turf hijsen, waarvoor kartol en zware hijstouwen werden gebezigd. Het katrol werd vastgemaakt aan een grote balk, welke uit het dakvenster werd gestoken.

Bij grote gestichten en openbare gebouwen waren het de stadsturfdragers, die - voorzien van een koperen distinctief - enige weken achtereen “turfden”. Uit de in de nabijheid gelegen schepen met turf werd deze eerst in grote handwagens met diepe bakken gebracht, daarna in tonnen overgedaan en zo de turf gemeten. Vervolgens werd deze turf in grote manden gestort, welke door hijsen naar de zolders werd getransporteerd. Dikwijls door twee turvers aan een stevige stok. Zij waren altijd in blauwe onderbroek gekleed.

Het grote ijzeren hek om het plantsoen aan de oude veemarkt (bij de Beurs) is sedert een tiental jaren weggenomen. Een houten hek werd geplaatst langs de weerszijden van het Nauw, wat toen nog niet beveiligd was. Ook zonder hek waren de ongelukken minimaal.

Bij de Vlietsterbrug stond destijds een z.g. “leugenbank” met een zakkendragerswacht, waar losse sjouwerlieden vele wachturen doorbrachten. “sterke verhalen werden daarbij ten beste gegeven.

Vroeger stond aan de Oosterkade bij den ingang van het huis van bewaring een “vismarkt”; waarop ik echter nimmer een visje heb gezien. Deze vismarkt doet thans dienst als rijwielstalling achter het beursgebouw.

Straatfiguren waren Zwarte pang, Jetsje T. en vooral “Trientsje”, die voor 10 cent over haar hoed sprong. Verder Cohen de schoenpoetser die ook handel dreef in spoor(retour) kaartjes. Zwarte Pang werd op Koninginnedag gestoken in een oranjepak met hoge hoed.

Een fiets was alleen bereikbaar voor welgestelden. Een vreemd verschijnsel was het een dame op een rijwiel te zien, daarna en politieman en andere beambten. De eerste auto in Leeuwarden veroorzaakte grote opschudding.

Het was de gewoonte op Marssumer Kermis daarheen te trekken in tentwagens. De meeste kindervisites waren in de Kleine Bontekoe. Het was dan verzamelen bij de Oude Zwemschool vanwaar men per open rijtuig of tentwagens naar de geliefkoosde speeltuin werden gebracht.

Na een volbrachte dagtaak deden de Dienstboden des Zaterdagsavonds, voorzien van 2 grote boodschapkorven met kleppen, inkopen bij den winkelier, Donderdag’s avonds was de vrije avond, hetgeen aan de hoeveelheid minnende paartjes best te zien was.

Grote zwaar opgeladen turfschepen lagen geregeld op de Kaai, d.i. bij de Kazerne, terwijl een grote Duitse rijnsleepaak beladen met allerlei kruiken en potten een vaste ligplaats had bij den Prinsentuin. Ook werd daar vaal eau de cologne verkocht.

Des Vrijdags kon men steeds minstens 3 vrij grote schepen aan de onderwal bij de Beurs zien, welke zwaar afgeladen met vaten boter - welke met lorries uit de Waag werden aangevoerd -, dien dag nog vertrokken naar Harlingen, bestemd voor Engeland.

Bij gesloten water kwamen beurtschippers met grote sleden verschillende goederen halen voor bakkers en winkeliers in de provincie.

Op feestdagen kochten we veel zwervels - en voetzoekers om die op het Zaailand te laten ontploffen.

Des middags was het een algemeen feest op het Zaailand, waar verschillende volksspelen werden gehouden als “Mastklimmen - Vaatjes Kruien - Boegsprietlopen” enz.

Toen er nog geen bovengrondse telefoondraden waren mochten we op het Zaailand onze vliegers oplaten.

De prijs van sigaren was belangrijk beneden die van thans. Men kocht ze van 8 - 6 en 5 voor een dubbeltje. Een enkele keer 4 a 10 cent. Een rijke jongeling tracteerde wel eens op een sigaar a 3 cent zelfs 4 cent. Dat was toen een ongekende weelde.

Destijds was het gewoonte veel naamkaartjes en vooral “nieuwjaarskaarten” aan alle mogelijk bekenden te zenden. Soldaten moesten er aan te pas komen de grote kwantums te verwerken, waarvoor graanschoppen werden gebruikt.

In de graanbeurs, welke vroeger des winters van een houten vloer werd voorzien was het roken voor 12 uur verboden. Op dit moment stonden vele bezoekers gereed en bij het luiden der bel een lucifer te ontsteken. In een ommezien was de grote ruimte gehuld in rook.

De melkboer kwam ’s morgens tussen 7 en 8 uur ’s avonds tussen 6 en 7 uur, en leverde melk af in “mengels”. De eieren werden verkocht per snees (20 stuks). Het roggebrood in vierde partjes, de beschuiten per vandel. Men sprak veelal van zoveel en zoveel “de halve stuver”, waarmede bedoeld werd 2½ cent minder dan het bedrag. Ook een stoter en een schelling kwamen toen nog in de spreektaal voor.

Hondenbelasting, vroeger f.3.— werd betaald tegen inwisseling van een ieder jaar verschillende penning, welke aan den halsband van het dier moest worden aangebracht. Wie herinnert zich niet de z.g. stuiverse deurwaarder, die belast was met het rondbrengen van “waarschuwing voor belastingbetalers”? Dit document kostte toen 5 cent.

Van een algemene watersport was vroeger geen sprake. Slechts enkele boeiers doorkliefden de Friese Wateren, terwijl een enkele tjotter werd verhuurd buiten de vele schouwtjes op het Vliet. De gondelschouw met drie paar riemen was een attractie.

Telegrammen werden bezorgd door telegrambestellers die steeds een reçu daarbij lieten aftekenen. Wilde men telegraferen, dan was het noodzakelijk de telegrammen te brengen op de bovenste verdieping van het toenmalige Post- en Telegraafkantoor aan de Wortelhaven, thans Belastingkantoor.

De postkoets met post voor de provincieplaatsen was op geregelde tijden op de Wortelhaven bij het oude Postkantoor te zien. Bij het binnenkomen van de stad blies de postiljon op zijn hoorn. Vroeger waren zes postbestellingen per dag en twee op den Zondag en nog bestond toen een vereniging tot bestrijding van de overdreven Zondagsrust bij de Posterijen en Telegrafie (1894).

Na de z.g. vleermuizen waarom ballonnetjes, kwamen de gloeikousjes. Van electrisch licht was toen geen sprake.

Regelmatig werd gevent met schapekaasjes (10 cent), terwijl een klein soort aardbeien in z.g. koppen werden afgeleverd. Waar zijn de blauwe kruiwagens met garnalen gebleven.

Lonen van pakhuisknechten waren f.8.- a f.10.00 per week. Overuren werden betaald met 15 cent. Men kende geen vrije Zaterdagmiddag. Hoe vreemd werd opgezien, dat mijn vader een der eersten was die het kantoor des Zaterdags sloot. Een telefoon was een unicum. Een schrijfmachine werd als een instrument beschouwd dat nimmer de copieboeken met oliebladen en vloeipapier zou verdrijven. Een geschreven brief ging voor alles. Klerken zaten op hoge krukken en schreven op hoge lessenaars met scheven kleppe waarbij zij zich bedienden van “zandkokers”. Vulpennen waren onbekend.

Des Zondags togen wij dikwijls naar Zwartewegsend, gewapend met een vierdelige knipkooi om vinken te vangen wat met meelwormen vaak lukte.

Op Hemelsvaartsdag was het de gewoonte in grote club ’s-Morgens vroeg naar het Boshuis te marcheren om aldaar spelende in het bos en op de belvedère de dag door te brengen. Toen was de toegang en het verblijf aldaar geheel vrij. Per trein van Hardegarijp zeer vermoeid naar huis terug.

In de Prinsentuin liggen vele herinneringen. Des Zondags was er geregeld een muziekuitvoering. De ene keer van de Schutters, Kapelmeester De Jong, de volgende keer de militairen, Kapelmeester Stoetz, - later Bickneze. Nog zie ik de controleurs bij den hoofdingang van de tuin voor mij staan. Met m.i. strenge gezichten en gewapend met grote scharen om onbarmhartig een hoek van het 4 wekelijkse abonnement af te knippen, hetwelk dan fladderde op de grond, waar reeds zovele hoekige papiertjes waren neergevallen. Er diende gezorgd te worden voor een behoorlijke geleide, daar anders de toegang onverbiddelijk werd geweigerd. Het consigne van huis voor de jeugd was om met de pauze thuis te komen en werd tot circa 9 uur niet anders dan om de vijver gelopen een enkele keer rustend bij de muziektent. De tafels onder de luifels werden gewoonlijk bezet door de burger familie’s. Een zeer grote krakeling was dikwijls de tractatie voor kinderen, Zij, wier ouders niet geabonneerd waren, verkregen “het kaartje voor den tuin” gewoonlijk van Oom of Tante. Op den 18den Juni was er gewoonlijk vuurwerk ter herdenking van den slag bij Waterloo. Op andere hoogtijdagen was de tuin somtijds geïllumineerd door duizenden vetpotjes, welke waren aangebracht op latten die tegen luifels en bomen waren gespijkerd. Een en ander leverde een fantastisch gezicht op evenals het vuurwerk, dat gewoonlijk ook op den eersten Kermis-Maandag werd gegeven. Eenmaal werden we nagezeten door de kleinste politieman van Leeuwarden, die we gekscheren: “knop van de wandelstok” noemden. De tuinpolitie met groene randen om de pet boezemden toen meer ontzag in.

Nog zie ik voor mij de ingang van de bewaarschool op de Tuinen, waar we werden bewaard door Mejuffrouw Fischer en haar helpsters. Op de maat van de piano werd in de zaal, die mij toen zo groot voorkwam gemarcheerd, waarna het gemeenschappelijk matjes vlechten plaats vond om daarna in de tuin te spelen met kruiwagen en zand. De groteren hadden ieder een eigen tuintje en toen ik onlangs in dezelfde school het interieur een nauwkeurig opnam toen ....kwamen er zovele herinneringen van 55 jaar terug voor mijn ogen. Ik zag toen niet meer het emaille waterbekertje naast de pomp, waaruit we zo gaarne dronken.

Opvallend is het hoevele gezichten ik mij nog herinner van schoolportretten van dien tijd. Alle indrukken om nooit te vergeten. Min of meer dezelfde herinneringen heb ik aan de z.g. de Ruiterschool, waarbij mij de gedachten aan de Heren Ris-Moezelaar e.a. nog levendig door den geest staan, alsook de verschillende gevechten van school tegen school in de omgeving van “De Zak”. Met een zeker ontzag zagen wij op bij de leerlingen van de Rijks-Hogere-Burgerschool en van het Stedelijke Gymnasium. De schoolpetten (kepimodel) met rode randjes werden gedragen door de scholieren van de R.H.B.S., terwijl de leerlingen van het Gymnasium eenzelfde pet droegen, doch met randjes van zilverdraad. Een dun koordige gold voor 1ste klasse 2 koordjes voor de 2de klasse enz. zodat zij, die een pet droegen met 6 zilveren dunnen koordjes in de hoogste klasse zaten, later vervangen door een gouden.

Kunstverlichting bestond uit “vleermuis” brander zonder glas of ballon. In de laagste klassen waren nog in gebruik “kaartentasjes” voor opberging van eventueel verdiende dagkaartjes. De leerling was verplicht een griffeldoos en sponzendoos met leer mede te brengen. Deze laatsten werden gebruikt als kweekplaats voor erwten en bonen (muf!).

Thans iets over de militie en schutterij. Vrijwel iedere burger was verplicht op boete bij afwezigheid zijn burgerplichten te vervullen zowel bij brand als bij oefeningen op het schuttersland Achter de Hoven, dat juist over de spoorwegovergang gelegen was. Loting voor de nationale militie vond steeds boven in de Oude Waag plaats. Dat was een dag van betekenis. Voor velen liep deze teleurstellend af; voor anderen waarbij ik zelf, was het een blijdschap met een hoog nummer uit de bus te komen. Dit werd dan dikwerf op hoed of pet geprikt om de stedelingen te laten zien hoe het er voor stond. Toen Leeuwarden nog een garnizoen bezet, was het gewoonte, dat des Donderdags een militaire mars werd gemaakt door de stad, naar buiten, waarbij vaak een marketentster met vaatje plus inhoud meeliep. Het militaire muziekcorps bracht de troep buiten de stad en haalde de stoet ’s-Middags aan de poort der stad weer op. Op verjaardagen van leden van het Koninklijk Huis vond een parade plaats op het Zaailand waarbij de officieren in groot tenue verschenen. Schildwachten moesten wacht houden o.m. bij de Kazerne bij de schietbaan - om de gevangenis, voor het kantoor van den Rijksbetaalmeester en op andere plaatsen. Een patrouille kwam op gezette tijden de wacht aflossen. Bij het uitbreken van een enigszins grote brand werd met de hoorn “Alarm” geblazen en ’s-Nachts de stad op stelten gezet, waarbij de schutters daarbij opgeroepen tot de afzetting van het terrein. Er waren zeer veel mannen nodig om de toen nog in gebruik zijnde handbrandspuiten te bedienen. Bode Klampstra zorgde steeds in de nabijheid van den Opperbrandmeester te zijn. Overdag met vaandel, des nachts meet lantaarn.

Thans iets over de kermis om daarna te eindigen met herinneringen van het St.Nicolaasfeest van vroeger. De kermis werd door de Oldehove ingeluid en dan vervoegden zich vele orgelmannetjes met hunne draaiorgels op de binnenplaats van het Politiebureau aan het Hofplein. Daar werden deze aan een examen onderworpen, waarop de goedgekeurden die niet al te vals speelden- permissie kregen en voorzien werden van een Gemeente-Stempel. En zo werden ze gedurende de kermis op de bewoners losgelaten. Het was voor ons jongens een attractie bij het opbouwen van de kermis aanwezig te zijn. Er waren gewoonlijk een grote draaimolen en vijf gewone. Aan de binnenkant waren plankjes aan kettingen waarop het personeel ging staan bij het einde der rit, zodoende om te remmen. Tijdens de rit was er gelegenheid een groten ijzeren “sleutel”, die door den man van de draaimolen in een houten koker gestoken was en deze in een draaiende beweging werd voorgehouden te bemachtigen, welke dan gewoonlijk door de handigste jongen gewonnen werd, tenzij een Pa aanwezig was, die den man met de sleutel ten behoeve van zijn zoontje omkocht. Het trekken van de sleutel gaf een extra ritje.

Behalve hardlopers en kunstenaars die op verschillende plaatsen in open lucht optraden, waren er vele kraampjes waar in grote hakblokken waren, op deze blokken kon men met grote doch vrij stompe bijlen koekhakken, wat een grote attractie was, “onder de 8” op een kleine, “boven de 13” en een grote “lap”.

Enige dagen voor St.Nicolaas werden onderscheidene Leeuwarder families met een bezoek vereerd door oude bakers en vroegere werkvrouwen, voorzien van manden en trommels met voor ons geheimzinnige inhoud. Deze was bedekt met helder witten doeken waaronder vele St.Nicolaas surprises en geschenken ook taai-taai en suikergoed, waarvan een groot gedeelte door de huismoeders werd afgenomen om later op de dag van het grote feest te worden uitgedeeld aan de kinderen. In den middag van den 5den December stonden op het Waagplein onderscheidende tentje bevolkt met verklede jongens met trommels, waarin stenen en andere rammelende voorwerpen om zodoende het publiek te trekken en op te wekken tot een taartloterij. Des avonds werd gedobbeld om eendvogels en hazen in diverse banketwinkels om taarten. O wee, de gelukkige winnaar van een taart, want deze kwam nimmer heel de winkel uit. In de café-s werd gepotspeeld of gesjoelbakt om eenden of hazen.

Het schaatsenrijden werd des winters beoefend op de Bleekerslootjes achter de Klanderij. In de vacantie gingen we dikwijls kijken naar het draaien van aardewerk in de pottenbakkerij aan het Vliet.

En zo zou ik kunnen voortgaan, doch vrees dan te langdraderig te zullen worden, ofschoon ik er ten volle van overtuigd ben dat ik nog vele dingen vergeten heb, die m.i. toch wel vermeldenswaard zijn. Aanvulling laat ik gaarne aan anderen over.

T.H.
Leeuwarden, April 1943,

Van de opsteller van onderstaande jeugdherinneringen zijn slechts de initialen T.H. bekend. Hoe hij voluit heette is onbekend. De HERINNERINGEN VAN VROEGER zijn - kennelijk in typoscript - gereed gekomen in april 1943, maar waarschijnlijk een jaar eerder al op schrift gesteld. In de alinea over de kleuterschool verraadt de samensteller zijn leeftijd, wanneer hij rept over “herinneringen van 55 jaar terug”. Er vanuit gaande dat de schrijver vijf was toen hij op die kleuterschool terecht kwam, kunnen we concluderen dat diens ’jeugdherinneringen’ vooral betrekking hebben op de periode 1880-1890. Van een eerdere publicatie in bijvoorbeeld het Kleine Krantsje is niets gebleken. Mogelijk zijn er nog enkele exemplaren in de omloop. Begin 2005 kocht Dirk Swierstra het werkje op een boeken- of rommelmarkt en stelde in april 2005 een letterlijk overgenomen digitale versie aan het HCL beschikbaar.

Terug