Herinneringen aan de Leeuwarder kermis, 17 juli-26 juli 1898, door R. Driebergen

Met dank aan Andries Tol voor de foto's en het beschikbaar stellen van het verslag. 

 

Richtje Driebergen werd geboren op 13-06-1882 te Bolsward als dochter van onderwijzer Jan Driebergen en Fetje de Boer. In 1898 was ze gedurende een half jaar in de kost bij het Leeuwarder echtpaar Pieter van der Baan en Klaaske Fogteloo. De Baan was handelaar in naaimachines. Het gezin woonde op Achter de Hoven 182. Richtje volgde onderwijs bij de heer Albers en juffrouw Van der Werff. Even terzijde: de term "juffrouw" kan betrekking hebben op zowel ongehuwde als gehuwde vrouwen. Richtjes verslagje van de kermis omvat tien dagen. Ze schreef het voor haar ouders en jongere broers.  De kopiïst is heel dicht bij het origineel gebleven. Vergissingen en eigenaardigheden in de tekst zijn letterlijk overgenomen. Een alinea-deling hanteert Richtje niet. Ter wille van de overzichtelijkheid zijn enkele alinea-aanduidingen ingevoegd. Met leestekens en hoofdletters is Richtje niet scheutig. Ook op dat punt is het een en ander aangevuld. Wellicht zou de lezer meer verwachten over de ruwe kanten van de kermis: drankgebruik, vechtpartijtjes, sexueel geweld, vandalisme. Daarbij moet men bedenken dat Richtje nog pas 16 jaar oud was. Richtje schrijft ook regelmatig over haar vriendin Grietje. Waarschijnlijk is dit Grietje Propstra, dochter van Karst Propstra en Tjaltje Zwart. Zij woonden op Achter de Hoven 18 en hadden daar een bakkerij. Grietje had een paar zussen, onder wie Anna (Anneke) en Tetske/Fetske/Teatske die ook in het verhaal voorkomen.

Tien jaar na dit verslagje, op 10 februari 1908, zou Richtje in Bolsward trouwen met Andries Strubbe, drogist te Franeker. Ze overleed op 8 april 1930 in Franeker. 

Gezin 1898 2
Het gezin Driebergen rond 1900. Richtje staat in het midden met witte jurk. 

 Kermis 6  

Lieve Ouders en broeders!

Nu zal ik eens een heele gekke brief schrijven. Ik dacht vanmorgen zoo eens bij mezelf na en toen dacht ik: als ik vrijdag naar huis zal schrijven en dat alles op een stuit zoo’n geheele Leeuwarder kermis beschrijven. Ik dacht dat wordt een warrewinkel. Ik zal geloof ik vandaag maar beginnen en dan alle dagen waarop iets bizonders voorvalt maar weer een stukje dan komt er veel geregelder verhaal. Eerst moet ik U echter even bedanken voor die brieven die ik tusschen twee haakjes met ’t grootste plezier gelezen heb en dan voor die ƒ 2,-. Jelui moet nu niet denken dat je voor ƒ 2,- chocolade of zoo iets krijgt. Nee hoor, eerlijk deelen, ik neem mijn zesde partje er ook van, maar nu is de inleiding dunkt me lang genoeg en zal ik maar eens beginnen te schrijven.  

 

 

Maandag
De lucht is een beetje betrokken en de menschen die alles van de zwarte kant bekijken denken dat er vanmorgen nog wel regenwater kan komen, maar om een uur of negen is ’t zonnetje voor den dag gekomen, en hadden we hier ’t prachtigste weer van de wereld, behalve de wind. Juffrouw haar vader is gisteravond al gekomen (en toen heb ik weer bij Aaltje geslapen). ’t Is een heel aardige oude man. Hij heeft ons bij de koffie op oliekoeken en wafels getrakteerd. We hebben om 12 uur half een al gegeten, want ’s middags was ’t harddraven en wanneer we dan met ’t eten zouden wachten totdat ik bij Mijnheer Albers wegkwam, dan werd ’t veel te laat.

 

’s Middags om half drie kwamen Griet en Gijske en Teatske mij halen. Nu hadden Teatske en ik kaartjes (dan konden wij in ’t land waar ’t een kwartje was), want Mijnheer van der Baan is lid en Teatske haar pa ook, maar Griet en Gijske hadden geen kaartjes en die wouen ook geen kwartje betalen. Toen zijn die samen naar ‘t 10 ct land gegaan en Teatske en ik naar ‘t 25 ct land, wat leuk hè. Nu de hardraverij was mooi, en ’t was stampvol menschen. Ik had mijn zwarte rok aan, de witte blouse, ’t manteltje aan en de matelot op, en ze vonden allemaal dat ik er zoo echt chic uitzag. Teatske had zoo’n lange gele jurk aan en ’t land was zoo vreeselijk glad en eensklaps glijdt Teatske uit en ligt ze in de lange gele jurk languit op ’t land. Och menschen, menschen. Ik heb me haast dood gelachen. We liepen samen nog een poosje en dan in eenen begint ’t me te stortregenen en we hadden helemaal geen parapluie bij ons en onze nieuwe kleeren aan en van Teatske huis naar de Marsumerweg (daar was de draverij) is wel zoo ver als ’t Huisje Terlet. We hebben een heel eind hard geloopen, toen samen een stukje noga gekocht, en dat hebben we bij Gebr. Käller (dat is zoo’n winkel op de Nieuwestad) opgegeten. Met de noodige lol erbij. Ik heb T. toen naar huis gebracht, en ben toen zelf naar huis gegaan.

 

We hadden afgesproken dat we zes uur de kermis op zouden tot 8 uur half negen, maar ’t was bijna zeven uur voor we er waren. Nu dat is me wat anders als die Bolswarder kermis. Jongens, jongens wat een drukte. We zijn eerst een keer of drie vier in de fiets [waarschijnlijk de zgn. 'manège de vélocipède'] geweest, en toen hebben we wat omgeloopen en toen zijn we naar een andere fiets gegaan. ’t Zijn prachtige hoor, die van Huuskens die komt zomers ook In Bolsward hè. Nu die vinden ze in B. mooi, maar hier in L. is hij helemaal niet in tel. Hij gelijkt wat hoe klein en nietig. Nu we hebben wel lol gehad. Teatske is wat eerder bij ons weggegaan, want die zou met een kennisje van haar mee. Die ging met haar Pa en Moe naar de Prinsentuin waar concert met vuurwerk was. Wij hadden vandaag al wieweet hoe vaak gevraagd aan Teatske haar Pa en dan aan Mijnheer Propstra of hij niet met ons mee naar de tuin wilde, want als losse meisjes konden we niet daar ’t zoo vreeselijk laat begon. Eerst om 10 uur en kwart voor elf was ’t vuurwerk eerst afgeloopen. Mijnheer Bos kon niet en Mijnheer Propstra had er geen zin in en zei hij. ’t Speet me geducht, dat beloof ik U, want ’t was nu zoo’n prachtige gelegenheid om eens wat anders te zien dan ’t Bolswarder vuurwerk. Om kwart over 8 uur kwamen we (bij Grietendie) thuis. Juffrouw trakteerde ons ieder op een beschuit met aarbeien en terwijl we daar zoo met elkander zaten te smullen kwam Mijnheer Propstra in de kamer en vroeg of we er zin in hadden om met hem naar ’t concert en dan naderhand nog even de kermis op. Dat was me eene verrassing, ik sprong haast een tafel hoog van pure pret. Toen samen gauw even naar huis toe om even te vragen of ik wel mocht. Ze vonden ’t gelukkig goed en ik mee. Om een uur of half tien gingen we weg. Mijnheer Propstra en Gijske en Anneke (Griet haar zuster) voorop en Griet en ik achteraan. Nu ’t vuurwerk was de moeite waard hoor! Een vuur allemaal vuur, en ’t slotstuk was in een woord prachtig. Uit de tuin weg zijn we met zijn allen naar de stoomdraai gegaan. En daar was ’t vol, van belang hoor, want ’t meeste volk uit de tuin ging de kermis nog even op. Nu zijn we in twee stoomdraai’s geweest. Wat een leven en wat een lol en wat een herrie, erg lollig.

 

Uit de stoomdraai weg zijn we met zijn allen naar een Poffertsjeskraam geweest, maar daar was ’t zoo druk dat we vooreerst alle moeite hadden om en plaats te krijgen en toen moesten we nog wel een half jaar wachten voor we bediend werden. Alle Poffertjeskramen waren stopvol en er waren er toch wel een stuk of 5, 6. De poffertjes waren heerlijk. U kunt wel begrijpen welk een lol we gehad hebben. Uit de Poffertjeskraam weg zijn we naar huis gegaan. Toen we thuiskwamen, zat Juffrouw Propstra al in de nachtpon op ons te wachten, want ’t was al zoo laat. ’t Was n.l. toen al even over een uur. Ze had koffie en boterhammen voor ons klaar, die we ons natuurlijk goed lieten smaken. We hebben toen samen nog gezongen en lol gemaakt en toen heeft mijnheer mij met Griet thuisgebracht. Mijnheer van der Baan en die waren al naar bed, zoodat ik de luiden op moest schellen, en och, och ik had me die avond al pijn in de buik gelachen, maar toen mijnheer mijn in zijn wit onderpak de deur opendeed, toen moest ik nog veel meer lachen. Die teekening hiernaast beduidt ’t thuiskomen van mij om 5 min. voor half twee. Nu, morgen vertel ik meer.   Kermis 7

 

 

Dinsdag

Vandaag heb ik zooveel niet te schrijven als gisteren, daar de dag vandaag niet bizonder veel opgeleverd heeft. Kwart over tien hebben Griet en Gijske me bij mijnheer weggehaald en toen hebben we samen wat in de Prinsentuin geweest waar we een poosje gezeten hebben. 's Middags om 3 uur ben ik voor 't naar juffrouw van der Werff geweest. 't Is een heel aardig mensch hoor. Ze leert je naar 't me voorkomt je de dingen ook heel best. 'k Ben nu met mecraméwerk bezig. 't Is wel een leuk werkje. Men neemt een zoo'n kluwen van dat gladde touw en daarmee knoopt men dan, want dat geheele macraméwerk is eigenlijk een soort knoopwerk. Toen ik thuiskwam zat de baker net bij de juffrouw. Ze zou weer eens bij Jo zien, zei ze.

 

Om 6 uur heb ik Griet en Gijske gehaald en toen hebben wij samen Teatske weer gehaald. 't Was toen bijna zeven uur voordat we op de kermis kwamen. We hadden vandaag al afgesproken dat we met ons vieren op een portret zouden en na wat wikken en wegen besloten we dan dadelijk maar te gaan. Toen wij met ons vieren kwamen, waren Jitske Propstra en twee logées van mijnheer Kiers er ook net. Toen zij gebeurd waren. (Ze staan er tusschen twee haakjes misselijk op.) Toen kwamen wij aan de beurt. Teatske heeft nogal wat gelachen en daardoor is Griet ook in beweging geraakt. Toen zei Teatske ineens: kom laat ons er nu ook met ons zevenen op. Dit werd goed gevonden en zo zijn we er met ons zevenen en met ons vieren op gekomen. Ik zal maar even een verklaring van de portretten geven, anders hebben jelui er niets aan. 't Meisje dat hier voor me zit is Gijsje en die naast me staat is Griet en die zoo wazig is, dat is Teatske en dan die nikker dat ben ik in eigen persoon. Gijske gelijkt 't beste op dit portret. En nu de beschrijving van 't andere. Die daar naast me zit met die lichte blouse aan is Griet en die naast me staat met dat grijze manteltje aan is Ietske Propstra, die twee groote meisjes die daar achteraan staan, zijn de beide logées. In die lichte blouse met de zwarte rok die voor mij en Fetske ligt, is Teatske en die daarnaast is Gijske weer. Ik vind dat Griet en Teatske op dit portret 't beste gelijken. Ik vind dat ik zelf niet gelijk, maar daar kan ik zelf natuurlijk niet over oordeelen. Ze kosten 50 ct de twee met lijstjes er om maar wij hebben net zoolang gezeurd tot we ze voor 42½ ct gekregen hebben. Dit alles werd natuurlijk geaccompagneerd door de noodige lachbuien. Griet en Gijske zijn toen samen naar de dikke dame geweest om die te bezien, maar ik vond 't geen 10 ct waard om daar een vreeselijke vieze dikke dame te zien. Ze sprak Fransch, dat was nog wel leuk, maar wij zijn in plaats daar 2x voor in de stoomdraai geweest. Nu daar is 't me ook lollig hoor. Ze gooien je letterlijk onder de serpentines en onder de loovertjes, precies of 't geen geld kost. Uit de fiets weg zijn we nog even naar de Nieuwstad geweest om noga te koopen. En toen zijn we naar huis gegaan.

 

Achter de Hoven is 't natuurlijk even stil als altijd, maar nu viel 't ons daar uit de kermisdrukte weg zoo gezellig aan, zoodat we geloof ik wel een keer of tien op en neer geloopen hebben, heel gezellig pratende. Eindelijk zijn we echter naar huis toe gegaan. Toen ik thuiskwam was 't er niets niet fleurig, want juffrouw was ziek, 't Was niet zoo erg, maar ze lag toch op bed. Ik ben toen ook maar vroeg naar bed gegaan, daar er toen niets meer te beleven was. 

 

Woensdag

Deze dag kon ik wel met dezelfde dreun beginnen als de vorige, want vandaag is er niet zoo razend veel voorgevallen. Gister heb ik werk van juffrouw van der Werff opgekregen, en dat moest vanmiddag af. Ik heb er vanmorgen voor boterham eten flink wat aan gedaan. Griet, Gijske en Teatske zouden mij kwart over tien bij mijnheer Albers weghalen, want dan zouden wij met ons vieren naar de zwemschool, maar Teatske moest een paar boodschappen en toen ze daarvan terugkwam was ze al te laat om er nog heen. We hebben toen in plaats nog een eindje geloopen en zullen er nu naar. 't Plan is morgen vroeg heen.

 

Toen ik om 1 uur naar mijnheer Albers ging, kwam ik “de Wergen” tegen. Mijnheer Schouten zag me wel aan, maar hij herkende me, geloof ik, niet, want anders had hij me wel aangesproken. Vanmiddag ben ik weer naar juffrouw van der Werff geweest; om 3 uur. Ik begin 't nu al zoo wat voor de mik* te krijgen.

 

Om 6 uur hebben de meisjes me afgehaald en toen zijn we samen de kermis op gegaan. Griet en Gijske en Teatske zijn met hun drieën in zoo'n spel geweest. 't Heette 't Hoofd Ebicus. 't Was een los hoofd van een oude man, dat praten kan en ook zoo'n soort van waarzeggerij is. Fokje Bouma en ik durfden er niet in. Toen Griet en die eruit kwamen, zeiden ze dat 't heel mooi was, maar ik geloof niet dat ik erin ga. 't Is vandaag woensdag hé en nu hebben we andere woensdagsavondsclub, maar omdat 't kermis was hebben we dat maar niet gedaan en zijn we in plaats met elkander in de poffertjeskraam geweest. Nu, erg lollig hoor maar duur. Ook Teatske had één glas limonade voor 20 ct en wij hadden 2 wafels voor 15 ct. Nu was dat geloof ik zoowat de gewone prijs. Nu, daar hebben we ook lol gehad. Uit de poffertjeskraam weg zijn we met ons allen naar de fiets gegaan, waar we wel een keer of 10-12 gedraaid hebben, maar toen was 't tijd dat we naar huis toe kwamen, want 't was al over half negen. Juffrouw had een beschuit met aarbeien bij mijn boterham, dat was wel aardig hé.

 

Nu vanavond heb ik niet veel meer beleefd als alleen dit. Aaltje dat is natuurlijk ons meid die heeft zich zondagavond door een waarzegster laten waarzeggen en nu heeft ze ons vanavond ‘t portret van haar toekomende man laten zien. 't Is toch verschrikkelijk hé, dan gelooven zulke stumpers er ook nog aan. Nu ga ik maar uitscheiden, want ik moet naar bed. Wat of de dag van morgen brengen zal? Nu we zullen zien.

 

Donderdag

Van morgen ben ik eerst om 8 uur van 't bed gekomen. Ik was zoo slaperig dat ik bijna de oogen niet open kon houden. Maar toen ik eenmaal van 't bed was, kwam ik alweer een beetje in mijn oude situatie. Mijnheer van der Baan had mij gisteravond verteld dat hij naar Bolsward zou, maar wat hij er ging doen heeft hij niet gezegd. ’t Zal natuurlijk wel weer over mij wezen, nu ik ben mij helemaal geen kwaad bewust, dus kan ’t mij niet veel schelen. Omdat mijnheer toch naar B. toe ging heb ik monsieur van der Baan maar geen brief geschreven, want deze mijnheer van der Baan zei, dat hij hem wel van mij zou feliciteeren. Naar Richtje en Willij heb ik een paar prachtexemplaren van brieven gezonden.

 

Kwart over 10 uur hebben Griet en Gijske en Teatske me bij mijnheer Albers weggehaald en toen zijn we met ons vieren naar de badinrichting geweest, wat gezellig hé. Uit de badinrichting weg, zijn we een eind omgeloopen want ’t is zoo gezond zie om na ’t nemen van een bad, een eind te loopen en toen zijn we op ’t laatst naar de Prinsentuin gegaan waar we een poos gezeten hebben en toen zijn we weer naar huis gegaan. Ik heb toen nog gauw wat werk voor juffrouw van der Werff afgemaakt, want dat moest weer voor vanmiddag klaar wezen, een paar kopjes koffie gedronken en toen ben ik weer naar mijnheer Albers gegaan. Kwart voor 2 uur daar weg. Toen vlug gegeten en toen weer naar juffrouw v.d. Werff. Ik vind ’t een heel aardig mensch en ze leert je zoo flink, vind ik. Ik maak nu een staallap van macraméwerk. Toen ’t mijn tijd werd om weg te gaan, kwam Teatske Propstra er net om een boodschap, zoodat we mooi samen konden loopen. ’t Is hier zoo echt gezellig hé. ’t Gebeurt me tegenwoordig niet eens zoo heel vaak dat ik alleen een eind behoef te loopen, want dan loopt die een eind met je op en dan die weer, zoo geheel anders dan in Bolsward hé. Maar U moet daarom niet denken dat ik nu niet meer naar Bolsward en naar ulieden verlang. Ik zal integendeel wat blij zijn als ’t halfjaar om is en ik hier weer weg ben. Ik verlies hier veel, dat is waar, maar er gaat toch niets boven thuis. Maar ik ben alweer afgedwaald. Maar kom aan, ik zal nu beter oppassen en geregeld mijn verhaal vervolgen.

 

Om zes uur heb ik de meisjes afgehaald. We zijn toen niet eens eerst de kramen langs geweest, maar zijn dadelijk naar de stoomdraai gegaan. Nu daar was ’t een gezellige rommel vanavond. We waren denk ik zoowat met ons negenen, of tienen. Dan ging de eene helft in de fiets en dan stond de andere helft op alle hoeken van de tent klaar om diegenen die op de fiets stonden met serpentines en convetis (dat zijn van die lovertjes) te gooien. Ik had op ’t laatst een geheele hoop van die serpentines, zoo’n groote bosch dat ik ’t maar pas met mijn armen omklammen kon. Nu met die hoop heb ik drie meisjes ingeweeven dat hunne wangen er van pimpelden. Maar toen had ik ze vanzelf alle drie tegen me, maar ik liep hard weg, maar zij mij allemaal achterna. Maar ieder keer de stoomdraai in ’t rond. Nu stonden er drie boerinnetjes te praten. Ik daar gauw achter en toen die meisjes me voorbijgingen, zagen ze me niet eens en hebben ze zich half gek om me gezocht. Eindelijk ging ik op de fiets en toen ik nevens hun was, gooide ik ze met serpentines. U kunt wel begrijpen hoe gek ze opzagen. En zoo is dat de geheele avond doorgegaan. We hebben compleet een razende lol gehad. Griet en Gijsje zullen vanavond met mijnheer en juffrouw Propstra de kermis op; ze hebben me samen thuis gebracht.

 

’t Was zoowat kwart voor negen uur dat we thuis kwamen, een leuke tijd hé. Toen ik thuis kwam, trakteerde tante Impke op wafels en die koeken. De wafels waren niet heel lekker, maar de oliekoeken waren overheerlijk. Om tien uur kwam Mijnheer thuis, hij heeft me ’t briefje gegeven (wel bedankt) en heeft over niets gesproken. Mijn werk dat ik voor juffrouw van der Werff moet maken, heb ik al af. Morgen behoef ik niet eens naar les, want Vrijdags past ’t haar niet daar ze ’t dan zoo druk heeft. Nu dan kom ik zaterdagmiddag. Aaltje heb ik eergister haar kermisdinges gegeven. Ik weet nog niet wat ik Jo zal geven, want ze heeft van alles. Ik ben de kramen al eens rond geweest, maar ik kon niets geschikts vinden. Nu misschien vind ik morgen wel wat. Maar nu moet ik ophouden, want mijnheer zegt net tegen me dat ’t bedtijd is. En ’t is hier natuurlijk: Uw wille geschiede. Nu dag wel teruste.

 

Vrijdag

Wat is ’t vandaag toch prachtig weer geweest. De zon scheen vanmorgen zoo heerlijk toen ik opstond en er woei een zacht zuide windje. Toen ik om negen uur naar mijnheer Albers ging, was ’t me al een herrie en drukte van belang. Ik heb een kwartier bij een draaibrug staan te wachten, zooveel stoombooten moesten er door. Kwart over tien haalde Fokje Bouma mij bij Mijnheer Albers weg en toen hebben wij samen een eind omgeloopen en o zoo’n lol gehad. We lachten letterlijk om alles. De kleinste dingen waren we slap om. Zoo kwamen we ook voorbij ’t huis van Mijnheer Tjebbes. Nu staat daar op zoo’n wit bordje Tjebbes notaris en advocaat en meenden Fokje en ik beide niet dat daar stond: notaris en acrobaat. Wat al gek hé. Nadat we nog wat geloopen hadden, gingen we naar de Prinsentuin, waar we net zaten toen Griet en Gijske en Teatske op ons afkwamen. Ze hadden wel een uur bij mijnheer Albers omgeloopen, maar Richtje kwamen niet en op ’t laatst dachten ze: nu dan gaan we maar naar de tuin en daar zat ik nu deftig en wel en terwijl zij zich zaten te vervelen had ik de grootste pret gehad. Lollig hé. Nu die 3 dames vonden ’t zoo lollig niet, maar ik kon ’t ook niet helpen. Na nog een poosje gezeten te hebben, zijn we met ons vijven een eindje omgewandeld. Fokje is naar huis toegegaan en Gijske en Teatske zijn samen een eindje omgeloopen en in dien tusschentijd hebben Griet en ik de inkoopen voor de kist van thuis gedaan.

 

Om een uur was er een komedie in de Harmonie. Griet en Gijske en Teatske zijn er heen geweest; ik niet want ik moest natuurlijk om een uur naar mijnheer Albers toe en ik wou niet vrij vragen, want ik dacht dan had ik even goed naar huis toe kunnen gaan, als ik toch vrij vraag. ’t Is o zoo mooi geweest. ’s Middags ben ik weer naar handwerkles geweest, bevalt me er nog goed.

 

 

Kermis 8   

’s Avonds om zes uur heb ik de meisjes gehaald. Ik heb in de kermis de witte blouse aan met de zwarte rok, ’t nieuwe manteltje aan en de matelot op, dan zie ik er dunkt me vrij deftig uit. Toen wij de kermis opgingen, was ’t nogal mooi weer. Maar ho, ik moet eerst nog even wat anders vertellen. Ik ben alweer te ver. Die kist kan Aaltje niet alleen naar boot brengen, zegt ze, want die is haar te zwaar en dan moet Reitske Jitske mee om haar zware taak te verlichten. Nu is dat koperen hengsel verrukkelijk aan die kist, maar op ’t laatst beginnen je vingers te piepen van ’t lange sjouwen want van ons naar de boot is zoowat een klein halfuur loopen. A + ik hebben de kist dan tusschen ons in, maar ’t is lastig dragen. 

Nu heb ik er vanmiddag wat op uitgevonden dat ’t dragen gemakkelijker maakt. We deden mijn handschoenen tusschen ’t handvat en namen dan beide er een eind van beet. Maar o wee en o wat een geluk dat ’t mijn oude handschoenen waren, want toen we bij de boot waren, was mijn eene handschoen boven op de hand geheel en al versleten. Ziet u, dat was nu een verkeerde zuinigheid, want om een kruier te besparen sjouwden we zelf met dat ding en nu waren mijn handschoenen kapot, dat was dus niets goedkooper.

Maar om nu weer over de kermis te spreken. We gingen dus om een uur of zes half zeven met ons allen naar de fiets. Daar was ’t me een lawaai en een drukte van belang. ’t Was natuurlijk vrijdag en er waren zoo’n massa menschen in de stad, geen wonder dus dat ’t er druk was. En wat hebben we een lol gehad en wat waren er een hoop dingen waar de jongens ons vanavond mee geplaagd hebben. Vooreerst hadden ze serpentines, dan lovertjes, vervolgens heele fijne steenkool, zoodat je geheel zwart werden, dan hadden ze van die geheele lange pauweveeren die op ’t eind nat maakten en dan kletsten ze je die natte dingen in ’t gezicht om, en dan hadden ze ook van die spuitjes met eaudecologne. Wat een plezier hé. Nog een paar plagen erbij dan hadden we de zeven plagen gehad. Maar lol hadden we toch, maar terwijl we in de fiets waren, dachten we in ’t geheel niet dat ’t weer wel eens veranderen kon, en U kan dus begrijpen hoe gek we opzagen toen we de terugreis aanvaarden wouen ’t letterlijk stroomde of spoelde; ik weet niet zoo precies wat ’t deed, maar erg was ’t, want de straat stond bijna geheel onder water. Na wat overleg besloten we om in vredesnaam maar te blijven totdat we misschien ’t geluk hadden om de een of andere kennis te ontmoeten die een parapluie bij zich had, want wij waren er geheel zonder. ’t Was al negen uur en spoelde nog en er was ook nog geen een bekende met een parapluie, maar op ’t laatst zag ik Aaltje staan en die had er gelukkig een bij zich. Toen met ons zessen onder één parapluie.

  

In de fiets hadden ze Griet en mij al gezegd dat onze mantels niet tegen de regen konden, want dat iedere drup regenwater een zwarte vlek werd. U kunt begrijpen hoe raar ik in mijn tontje* was. Toen we een eindje geloopen hadden, kreeg ik een heerlijk idee. Ik trok mijn mantel uit, vouwde hem binnenstebuiten op en deed over dat zoodje mijn zakdoek. De mantel was dus geheel buiten gevaar, maar dat was ook alles. Ik stond zelf in mijne dunne neteldoekse blouse midden in de stortbui. ’t Plakte mij overal aan vast. En Griet stond voor ’t zelfde geval, maar die had nog eene bonte blouse aan en Gijske had ’t ook al niet ruim, want die had van die mooie verlakte balschoentjes aan, dat ging ook al klats, klats. ’t Was een vermakelijk geval. Zoo liepen we ongeveer.  

 

Kermis 9 
Richtje-Aaltje-Gijske-Teatske-Griet

 

Erg gezellig hé. Maar och hé, was ’t loopen op straat al niet alles, thuis begon de pret opnieuw. Ik heb al gezegd hé dat ik de neteldoekse blouse aanhad. Nu was dat dunne goed overal aan vastgekleefd, aan mijne bloote armen mijn hals en verder aan mijn onderlijfje. Ja ik weet al niet maar nu was ’t oppassen. Och man zou Griet wel zeggen. ’t Moest zoo voorzichtig gaan, want anders scheurde de boel en men moest aan trekken anders wou ’t er niet af. Nu eindelijk was hij gelukkig uit. Ik kan hem nu natuurlijk niet meer dragen. Maar nu doe ik de donkerblauwe aan, die staat ook heel netjes en dan behoef ik geen mantel aan. Want ’t is zonde als er eens wat aankwam. Van die paar regendruppels die erop gevallen zijn, is niets meer te zien. Maar ’t is wel goed dat hem niet iedere keer aangehouden heb. Wanneer ik ’s avonds thuis kom, dan ligt de geheele vloer vol convetis en andere sniepsnaderijen[**], maar die regen van vanavond heeft alles eruitgeregend. Er is dus toch altijd een lichtzijde aan iets te vinden, al denkt men ’t zoo oppervlakkig niet. Mijnheer is eerst om half elf thuis gekomen, die had er ook al op gewacht, maar is op ’t laatst maar naar huis toegegaan. Ik zit dit boven nog even te schrijven, maar nu moet ik naar bed hoor. want anders komt mijnheer straks beneden aan de trap. Zeg eens even wat is me dat daar nog voor leven boven. Gauw naar bed toe hoor! Nu dag morgen meer.

 

Zaterdag

Zoo erg als gisteravond regent ’t niet en ’t is zelfs droog, maar toen ik vanmorgen naar mijnheer Albers toeging, vond ik ’t toch maar raadzaam om een parapluie mee te nemen, daar de lucht nogal donker was. Zie zoo was ’t weer. Om half elf uur haalde Fokje Bouma mij met Griet en Teatske en Gijske bij mijnheer Albers weg. Wij hebben toen samen wat gewandeld, niettegenstaande ’t sombere weer en de waterplassen op straat. Om 12 uur was ik weer thuis. Toen koffiegedronken, nog even wat werk voor juffrouw v.d. Werff afgemaakt en toen weer naar Mijnheer Albers. Toen ik kwart voor twee bij Mijnheer Albers wegkwam, ben ik naar ’t Spoor gegaan dat om 2 uur aankwam en waar volgens uw zeggen Betsy Mekking wel in kon zitten hé. Nu, ik kan U zeggen dat ze er niet in was. Ik heb naar alle kanten uitgekeken maar geen spoor ervan te ontdekken. Toen ben ik gauw naar huis geloopen, want ik moest drie uur al weer naar Juffr. v.d. Werff en moest eerst ook nog eten. Bij Juffr. v.d. Werff weg ’t was toen zoowat half vijf heb ik eerst nogal wat omgeloopen en ben toen weer naar ’t spoor gesjeesd om te zien of ze er nu ook was maar alweer mis. Ik weet niet hoe ’t is of ik heb niet goed gezien of ze is in ’t geheel niet gekomen.

 

Om zes uur kwam ik Griet afhalen en daar wachtte me eene verrassing waar ik minder op gesteld was. Ik doe de kamerdeur open en vlieg pardoes tegen Fem aan. U kan begrijpen welk een gek gezicht ik zette, maar dat ’t heel vriendelijk is geweest, geloof ik niet. Maar ik heb toch de beleefdheid gehad om naar haar gezondheid enz. enz. te informeeren. We zijn met ons vijven de kermis opgegaan en hebben dat moet ik eerlijk zeggen een hoop lol gehad. Fem was heel aardig tegen me. ’t Was precies of ze haar gedrag van laatst weer goed wilde maken. Ik heb me heel gewoon gehouden en net gedaan of ik er niets van merkte. Toen we naar huis zouden gaan, was ’t weer ’t zelfde spulletje van gisteravond. ’t Stroomde weer en we waren ook weer zonder parapluie maar nu kwam er geen Aaltje opdagen, maar ik had nu mijn nieuw manteltje niet aan en de witte blouse ook niet, maar de blauwe. Toen ik thuis kwam, zag ik er geloof ik nog belabberder uit dan gisteravond. Mijn hoed droop aan alle kanten. Mijn blouse was doorweekt. Mijn rok droop, en mijn haar droop ook en dat zat bovendien ook nog vol serpentines conveties of loovertjes fijne stukjes steenkool enz. enz. Een flink rommeltje. Ik dacht zoo in mijn eigen: zoo moest ik eens bij tante Aitema of bij tante Fetje op zaterdagavond aanlanden. Nu de juffrouw nam ’t gelukkig goed op. Ze lachte er eens om en ik moet ook eerlijk zeggen dat ’t heel gek leek. Toen ik mijn blouse na heel veel moeite uitgetrokken had, want die was ook al overal aan vastgeplakt, bekeek ik hem eens van binnen. De voering is nu bijna geheel blauw geworden. Dat staat wel aardig en mijne armen waren ook geheel blauw, wat koddigjes hé. Nu mijn goed kan er best tegen. Hij wordt er niets minder van dat hij eens flink nat wordt. Zoo’n soort is toch vrij wat beter en degelijker dan die beste hoed, van mij en consorten.

 

En nu al weer ’t zelfde dreuntje van altijd: ik moet alweer naar bed en ik moet eerlijk zeggen dat ik er ook wel naar verlang. Wat of de dag van morgen brengen zal, nu ongelijk hoe ’t weer is nu we zullen ’t beste maar hopen. 

 

Zondag

’t Weer is alweer ’t zelfde: een betrokken lucht en men ziet bijna geen zon en dat is ’t juist wat alles zoo’n treurig aanzien geeft. Vanmorgen ben ik nogal vroeg opgestaan, tenminste men kan ’t tenminste vroeg noemen bij de andere dagen vergeleken. Nadat ik mij gekleed heb, ben ik wat zitten gaan lezen in een boek van Teatske. ’t Heet St. Michaël door Werner. Ik vind ‘t in een woord prachtig. U kent ’t zeker wel hé. Nu ik was juist aan dat indrukwekkende gedeelte gekomen waar staat:

 

De wind nam toe. De takken van den wilden rozenstruik waaiden en fladderden om haar hoofd, de zee van wolken omgolfde en omstuwde haar steeds meer en meer en al hooger en hooger steeg de branding van de nevelen alsof zij de geheele vlakte wilde overstroomen. De lichtkrans rondom de toppen van den Arendswand was verdwenen, verdwenen waren ook de omsluierde geesten, slechts dichte grauwe nevelmassa’s dreven thans heen en weder; en zonken al dieper en dieper en vloeiden samen met de donkere wolken, die nu eensklaps scheurden en een vurige bliksemschicht doorlieten. ’t Vlammend zwaard van St. Michaël.

 

Toen de stem van Aaltje me weer tot de gewone werkelijkheid riep door me te vragen of ik kwam te boterham eten. Nu mijn maag verlangde al weer en dus ik ook. Na ’t boterham eten heb ik nog in beraad gestaan of ik ook naar de kerk zou, maar ik ben maar niet heengegaan, want ik dacht de gedachten zijn er toch niet bij en dan doe ik er meer kwaad dan goed aan. Maar ’t is wezenlijk treurig hoe ’t hier aan huis met de godsdienst gesteld is. Maar kom aan, daar wil ik nu maar niet over spreken. Dat moeten de luiden zelf maar weten, maar ik vind dat ze ’t tegenover de kinderen niet verantwoord zijn.

 

Om twaalf uur hebben ze mij met hun vieren gehaald. We hebben samen tot half twee gewandeld, want om 2 uur moesten Teatske en ik eten. Om 3 uur zijn we naar ’t concert in de Prinsentuin, daar ’t nu vanmiddag was in plaats van vanavond. Zie dat komt allemaal van de kermis. Terwijl we daar zoo liepen, zei ik tegen Griet: ik doe mijn best om weer gewoon tegen Fem te zijn, maar ik geloof niet dat ’t me zoo goed afgaat, want ik kan haar nog altijd niet goed uitstaan. Als ik dus vriendelijk tegen haar ben, dan is ’t alleen terwille van jou, want ik vind ’t voor jou vreeselijk vervelend. In plaats dat Griet me prees begon ze te lachen en zei: nu dat is onzettende prachtig. ’t Zelfde heeft Fem me vanmorgen met de grootste ernst verteld. Nu ik moet zeggen dat ik ’t op zoo’n manier een rare draaierij vind. Maar dat is nu eenmaal zoo en daar is niets aan te veranderen.

 

Vanmorgen is grootvader van der Baan hier gekomen. Hij blijft tot morgenmiddag. Om half zeven zijn we de kermis weer opgegaan. Eerst hebben we wat omgeloopen en eindelijk zijn we in fiets of stoomdraai gegaan. Gijske is bij Griet te logeeren hé. Nu heeft ze vanmorgen een brief van haar Moe gekregen met ’t bevel om vanavond nog thuis te komen. Haar Moe zei: ze was al lang genoeg aan ’t pierewaaien geweest. En wat heeft Gijske nu te doen? Ze ziet een meisje dat een klein eindje van hun af woont. Ze geeft dat meisje voor een dubbeltje lekkers en geeft haar een briefje mee voor haar Moe, waarin staat dat ze morgen wel thuis zal komen, want dat ze anders haar geheele zondagavond mist. Nu, wij gaan goed en wel in de fiets, maar we zitten er nog maar pas in, en o wee daat komt Gijske haar Pa aan. Die zou haar halen, want hij vond dan konden ze mooi samen reizen, dat was voor haar ook veel gezelliger. Och arme Gijske, nu moest ze mee en nu miste ze op de koop toe dat lekkers ook nog.

 

In de fiets was ’t me een herrie en een levai dat hooren en zien je verging. Ze hadden dezelfde plaaginstrumenten nog van gisteravond, maar er was nu nog een bij. Ze namen dan nl. een hoop van die ontrolde serpentines en daar maakten ze zoo’n soort bal van. Die duwden ze in wat vuil water en daar rosten ze de meisjes met om ’t gezicht. ’t Was er vanavond compleet een gekke boel. Ik vond ’t er vanavond lang zoo leuk niet als andere avonden. En dat kwam hoofdzakelijk door een stuk of tien Sneekers die zich aanstelden als gekken. Men was bepaald nergens veilig. Zoo hadden ze ’t ook met een paar meisjes, nogal deftige hoor, ze zijn van Griet en die ’s school. Met die zaten elk op zoo’n groot paard, en dat gaat wanneer de boel in beweging is nogal vrij hard, zoodat men gewoonlijk nogal oppassen moet, daar men er anders wel afglijden kan en dan komt men raar te landen. Toen de boel nu in volle gang was, sprongen twee van de grootste gekken achter bij die meisjes op ’t paard, sloegen de handen om hun hals en deden allerlei gekke kunsten. Of die meisjes in de benauwdheid zaten, dat beloof ik U. Ze hebben ’t mij niet gebakt. Nu ze hadden ’t ook eens moeten wagen, dan hadden ze een draai om de kop gekregen. Om half negen hebben we Gijske naar ’t Spoor toegebracht. Daarna zijn wij nog even met ons vieren naar de kramen gegaan om wat chocolade te koopen. Terwijl we daar rustig loopen en in ’t geheel geen kwaad vermoeden, komt daar zoo’n jongen op ons af en spuit mij met zoo’n spuitje in ’t gezicht, maar in plaats dat hij daar eaudecologne in had, had hij daar van dat kleverige citroenwater in. Hé wat een vieze bliek, maar och toch wel lollig. Ik heb bij Griet en die toen nog heel gezellig een beschuit met aarbeien gehad en ben toen naar huis gegaan.

 

Aaltje had haar uitavond, dus konden Mijnheer en Juffrouw niet uit. Ze zijn nog geen een avond naar een komedie geweest, wel zijn ze een avond heel eventjes de kermis op geweest. Juffrouw haalde Mijnheer uit den trein en toen zijn ze nog even de kermis op geweest, maar niets niet hartelijk hé zijn ze, want ze lieten me maar doodgewoon thuis zitten. Net of ik ’t niet gezellig zou vinden om ook even mee. Daar grootvader bij ons is, moest ik vannacht bij Aaltje slapen, maar veel last van Aaltje heb ik niet gehad, daar ze is eerst om halfvier thuis gekomen is. Voordat ik naar bed ging, heb ik eerst nog wat gelezen en heb ik erover gemijmerd hoe heel anders mijn leven hier is als thuis. Wat ’t eindje besluit van mijn gedachten was, zult ge zeker wel kunnen raden. Maar nu moet ik ophouden, want morgen komt er weer een dag en als ik bij alle dagen zoo om zal zeuren, dan krijg ik nooit een eind. Nu dag, tot morgen dan maar.  

 

Kermis 10
 

Maandag

Hoe of ’t weer vanmorgen in de vroegte geweest is, kan ik niet zeggen, daar ik me gladweg verslapen heb. ’t Was al kwart voor negen voor ik wakker werd en dat nog wel door ’t roepen van kleine Jo, die me riep of ik kwam, vermakelijk hé. Daar werd me die lange luie Richtje kwart voor negen door een klein meisje van 3 jaar uit ’t bed geroepen. 

Nu kon er op door, omdat ’t kermis was. Ik natuurlijk haastig me wat gekleed, een boterham gegeten, mijn bed opgemaakt en toen ben ik naar mijnheer Albers gegaan, waar ik nog zoowat net op tijd kwam. 

 

 

Onder ’t naar huis toegaan zag ik Griet en Fem nog die mij af zouden halen om dan samen naar de Prinsentuin, maar ik ben niet meegegaan, want ik moest nog werk voor Juffr. v.d. Werff maken en mijn kousen waren ook kapot. Oude mijnheer van der Baan is vanmiddag om drie uur weggegaan. De hartelijke groeten van hem aan U allemaal hoor. Wat is dat toch mooi met zijn lip beslagen hé. ’t Is maar zoo’n klein zwart streepje meer dus bijna geheel beter.

Fem is om zes uur met de trein weggegaan. Ik heb er nooit om gedacht om even naar de trein te loopen en haar nog even dag te zeggen. Ik zat te schrijven en toen kwam ’t me zoo maar plotseling in ’t zin, maar toen was ’t al veel te laat. Griet heeft me naderhand verteld dat Fem gezegd had dat ’t haar speet dat ik er niet was en toen Griet zoo wat ongeloovig glimlachte, zei ze dat ze ’t eerlijk meende. Nu ik vind zij heeft in ’t geheel ook geen reden om zoo onaardig tegen me te wezen. Griet, Teatske en ik zijn toen met ons drieën de kermis opgegaan, waar we Fokje Bouma met eene logée aantroffen. ’t Is een meisje uit Stiens en zoowat even oud als wij. Ik geloof dat ze gauw zeventien wordt. Ze heet Geertje en is wel heel aardig naar ’t me toelijkt. Wat leer ik hier toch een meisjes kennen hé, en wat kennen hier een hoop meisjes mij al, dat is ook bar. We zijn toen met ons vijven naar de fiets gegaan. Daar was ’t een lol allemaal lol. De grond lag letterlijk bezaaid met convetis en serpentines. ’t Was er echt gezellig en er waren nu ook niet zulke gekke jongens als gisteren. Ik heb nog een heel leuk geval in de fiets gehad. Ik heb me haast dood gelachen en zoo vaak ik die jongen of dat meisje zag, dat proestte ik ’t weer uit. ’t Was zoo, ze hebben bij mijnheer Kiers twee logées hé. Nu zijn dat eene meisje en ik al geheel en al vertrouwd met elkander. ’t Is precies of we elkander al weet hoe lang gekend hebben en ook net of we even oud zijn en dat is beide niet ’t geval. Nu liep ik even met dat meisje (ze heet Geesje) de fiets op en neer en toe zei ze tegen me: ze hebben bij mijn oom Kiers alweer een nieuwe logée gekregen, zal ik je eens even aan elkander voorstellen? Nu ik had er niets op tegen. Ik denk altijd zoo maar: hoe meer menschen men kent hoe beter. Men weet nooit niet hoe ’t eens tepas kan komen. Nu wij zouden dus in optima forma aan elkander voorgesteld worden door Geesje. Geesje zei o zoo deftig: mag ik je voorstellen Richtje Driebergen en Boukje ...? en daarop bogen wij beiden natuurlijk als knipmessen. Maar midden in die buigerij komt daar zoo’n jongen van een jaar of zeventien achtien aan en kittelt ons beide met een pauweveer in ’t gezicht. Och och ik rolde hard ondersteboven van ’t lachen. Maar toen was ’t ijs ook dadelijk gebroken en hebben we heel gezellig  samen gepraat. Dus alweer een kennis. Die drie meisjes zijn geloof ik alle drie uit Heerenveen. Ik zat vanavond letterlijk onder de convetis en de serpentines. Ik wou dat U mij eens gezien had. Om een uur of half negen zijn we naar huis gegaan.

Ik ben nog geen een avond met mijnheer of juffrouw de kermis op geweest. Niet heel aardig hé. Toen ik er vanmiddag zoo eens losweg over sprak, zei juffrouw: nu je moet je dat maar uit ’t hoofd zetten hoor om met ons de kermis nog eens op, want ik kan toch niet weg, want als kleine Jan eens begint en om jou alleen met mijnheer de kermis op, ik vind dat dat geen pas geeft. Nu ik er toen natuurlijk niet verder naar gevraagd, maar dat ik ’t wel een beetje sneu vond, kan U zeker wel begrijpen. Maar ik zou nog sneuer kijken. Toen ik nu met Griet van de kermis kwam, liepen Jo Henrard en Sjoukje Twijnstra met ons op en wie kwamen we daar tegen? Mijnheer en Juffr. van der Baan. Ik liet Griet en die maar even doorloopen, want ik dacht als ze nu de kermis op gaan, dan vragen ze me stellig niet mee wanneer ik met zoo’n kluit meisjes loop. Ik sprak hun dus aan en vroeg of ze de kermis opgingen. Mijnheer zei ja en Juffr. zei ook van ja en die zei bovendien nog dat ik maar wat bij Aaltje achter in de keuken zitten gaan moest, want voor sliep Jan en dan kon ik die eens wakker maken. Ik vroeg natuurlijk niet mag ik even mee? Aaltje is toch thuis. Neen hoor, als de menschen zelf niet gevoelen dat ze mij vragen moeten, dan zal ik hen ook niet vragen mag ik asjeblieft mee. Nee hoor, daar stond mij de kop ook niet naar, maar de tranen sprongen me haast in de oogen, zoo kwaad was ik op dat oogenblik. Griet en die waren wel zoo verwonderd dat ik terugkwam. Ze dachten niet anders of ik zou wel met hen meegaan, maar dat was mis. Mijnheer en Juffrouw zijn niet zoo heel lang weggebleven. Om een uur of elf waren ze al weer thuis. Ze waren nogal vriendelijk tegen me toen ze thuis waren, maar ik ben niet zoo overvriendelijk tegen hen. Ik ben maar gauw naar boven gegaan, want ik wilde in de verste verte niet dat ze er iets van zouden merken dat ’t me afgevallen was. Wat alweer heel anders als thuis hé, maar ’t is misschien wel goed voor mij, daar ik thuis altijd de eerste ben om overal met heen en ik kon op zoo’n manier ’t wel eens als plicht gaan beschouwen en niet meer als een weldaad. Maar nu zal ik maar ophouden. Ik begin er in om te zeuren, geloof ik. Dat komt zeker van de slaperigheid. Nu is ’t vandaag feitelijk de laatste dag geweest, maar wij houden morgenavond nog even goed kermis, dus morgen nog en dan utertuut ’t verteltje* is uut.

 

Dinsdag

Vanmorgen alweer ‘t zelfde deuntje als gisteren. Laat van ’t bed, gauw boterham gegeten, toen naar mijnheer Albers en toen weer samen naar de tuin, waar we nog even gezellig gezeten hebben. Griet en ik zijn toen samen nog een eind omgewandeld. En nu zal ik u eens vertellen welk een leuk plan we hebben. Misschien vindt ge ’t goed, misschien ook wel niet. Verleden maandag zijn Griet en ik begonnen te sparen. Elke dag 10 ct in een doosje en dat 9 dagen lang is 90 ct hé en nu vandaag nog bovendien 10 ct is samen ƒ 1,- en nu zullen we beide voor dat geld een boek van Werner koopen. Zeg vindt U ’t niet goed. ’t Is in alle gevalle beter dan dat we ’t in de fiets verpatst hadden, dat zegt juffr. Propstra ook, die zegt we geraken ’t geld wel kwijt, maar ’t leert ons toch ook al weer om zuinigte wezen en ’t is vrij wat beter zegt ze om een mooi boek te koopen dan om de boel te verpierewaaien. Nu zullen we morgen vroeg een koopen. Wat leer ik hier toch verschrikkelijk om zelf maar te handelen en om eerst geen een om raad te vragen. Ja ju, als ik terug kom dan ben ik een mensch met heel wat levenswijsheid.

 

Vanmiddag is Gijske er nog even op de fiets geweest. We zijn om half zeven met ons drieën naar de stoomdraai geweest, maar ’t was er een belabberde boel hoor! Dit was al half afgebroken en daar stond niets meer van en in de stoomdraai was ’t ook niet leuk. Er waren bijna geen menschen in. Aukje Rijpma uit Irnsum was er ook. Ik heb haar toegeknikt, maar zij knikte niet terug. Of ze heeft me niet herkend, of ze heeft ‘t wat te min gevonden om me toe te spreken, want ’t is een dame geworden, hoor. Ontzettende deftig en statig. Ik vind ’t toch wel wat bespottelijk dat boeredochters zich zoo aanstellen. Om half acht hebben we Gijske een heel eind de Schrans uit gebracht; die most nog op de fiets naar huis toe zie. Hé wat was ’t daar toch prachtig.’t Was blokstil en de avondzon kwam zoo heerlijk door de boomen kijken. ’t Was zoo vredig en zoo stil overal. ‘k Weet niet hoe of dat zoo komt, maar wanneer men in eene mooie natuur en dan nog wel met zulk weer loopt, dan is men ineenen veel ernstiger gestemd en ik vind dan is men in ’t geheel niet tot lachen gestemd. Zoo was ’t tenminste ook met Griet en mij. We hebben maar stil pratende naast elkander geloopen. Geheel anders als anders want dan lachen en doen we altijd. Om kwart over 8 uur waren we zoowat bij Griet en die. Griet is toen nog met hare drie zusjes naar de poffertjeskraam de fiets enz. geweest, maar ik ben maar naar huis gegaan, daar ’t anders toch ook te laat voor mij werd.

 

Kalm en vredig is ’t weer, en zoo is ’t ook met mijzelf gesteld. Ik heb in de kermis heelemaal geen schokkende toneelen bijgewoond en meebeleefd. Ik ben ook geen een avond uit geweest en toch heb ik heel veel plezier gehad. Maar om ’t altijd zoo te houden, neen dank je hoor. En dat zou U denk ik ook wel zeggen. Want zoo’n Leeuwarder kermis kost wat, dat beloof ik U. Ik heb Jo gister wat zuurtjes gekocht. Dat had Juffr. liever als een pop of zooiets, want ze heeft al van alles zie. De Olde Hove heeft vanmorgen de kermis uitgeluid en zoo luid ik deze brief nu ook maar uit. Hij is dunkt me nu ook lang genoeg, 36 blz. notabene. U bewaart deze brief hé. En dan wil ik hem zelf naderhand graag terug hebben. Aardig hé. Maar al mijn postpapier is eraan gegaan. Ik heb maar een velletje meer. Is er thuis nog? Wil Pa ’t dan zondag meenemen? Nu dag beste, ontvang de hartelijke groeten van

 

                                                                                  uwe u liefh. dochter

                                                                                  R. Driebergen.

Driebergen gezin 2
De familie Driebergen rond 1910. De ouders van Richtje, Jan en Fetje, staan in het midden. Richtje staat naast haar vader en achter haar zusje Uilkje ('Uuk').



* yn 'e mik (Fries) > voor elkaar

* raar yn jins tontsje wêze (Fries) > zich niet lekker voelen, erg bezorgd zijn.

[**]  snypsnaarderij (Fries) > zaak van geringe waarde.

*  ferteltsje (Fries) > verhaaltje. 

 

Terug


Jan Faber

Dit artikel is gepubliceerd in het historisch tijdschrift  Leovardia nr. 33 (september 2010)

In Leovardia 30 werd in een bijdrage van Peter de Haan over ‘Gevierde Friezen in Amerika' ook een aantal, in maatschappelijk opzicht zeer geslaagde, Leeuwarders voorgesteld die in het land van de onbegrensde mogelijkheden onuitwisbare sporen hebben nagelaten. Zo ook de in 1804 in Leeuwarden geboren en tot 1814 getogen Samuel Myer Isaacs, die zich rond 1839 als Joods voorzanger en prediker vanuit Londen aan gene zijde van de Atlantische Oceaan vestigde.

Hij zou zich in New York ontwikkelen tot een belangrijk Joods leider die scholen en diverse andere Joodse instituties stichtte en bij maar liefst 47 inwijdingen van synagogen als gastprediker heeft opgetreden. Daarnaast lanceerde hij in 1857 het toonaangevend weekblad The Jewish Messenger. Na de geweldadige dood van president Abraham Lincoln was Samuel één van de officieel aangewezen geestelijken bij de herdenkingsplechtigheden op Union Square. Bovendien mocht hij generaal Ulysses S. Grant, één van de helden van de Amerikaanse Burgeroorlog en op 4 maart 1869 geïnaugureerd als de 18de president van de Verenigde Staten, tot zijn persoonlijke vrienden rekenen.

In hetzelfde artikel werd gewag gemaakt van het voornemen van nazaten van Samuel Isaacs om hun eerstvolgende mondiale reünie in Leeuwarden te houden. Dit treffen op historische grond heeft inmiddels plaatsgevonden. Op 3 en 4 juli jongstleden waren zo'n 20 leden van de Isaacs Family te gast in de Friese hoofdstad, waarbij volgens de verslaglegging in de Leeuwarder Courant het 'Oh, my God' en 'Oh, my dear' niet van de lucht waren toen zij op het punt stonden om het woonhuis van hun stamouders in de Kleine Kerkstraat te betreden.

In het Historisch Centrum Leeuwarden werden de gasten door Peter de Haan en Klaas Zandberg geïnformeerd over de geschiedenis van de Friese hoofdstad en die van de Joodse inwoners in het bijzonder. Daarna vond een rondleiding plaats door de straten waar de kleine Samuel zijn eerste onbezorgde jaren heeft doorgebracht.

Zowel in het hiervoor aangehaalde artikel als in het boek Gevierde Friezen in Amerika van de hand van dezelfde auteur en oud LC journalist Kerst Huisman, waaraan het artikel is ontleend, wordt gewag gemaakt van het geboortehuis van Samuel Isaacs in de Kleine Kerkstraat 32. Echter de veronderstelling dat Samuel in de Kleine Kerkstraat zou zijn geboren gaat al meteen mank wanneer we zijn geboortejaar (1804) en het tijdstip van aankoop van de woning in 1807 door zijn ouders Meyer Isaacs en Rebecca Samuels Reyzer in ogenschouw nemen.

De koopacte is op respectievelijk 17 en 20 maart 1807 ondertekend door de in Den Haag en Leeuwarden woonachtige verkopers. De woning werd op dat moment bewoond door Juffer Gasinjet, één van de verkopers, en zou pas op 12 mei 1807 door de kopers in vrije eigendom zijn te aanvaarden. Op 24 april 1807 werd groot consent verleend op de voorgenomen verkoop. Samuel moet dus drie jaar eerder elders in de stad zijn geboren.

De Bollemanssteeg in 1957, gezien vanuit de Bagijnestraat. Het 5e pand links (met fiets tegen de pui) is nr. 11, waar Samuel Myer Isaacs naar alle waarschijnlijkheid is geboren. Daarnaast gaapt een gat waar zich voorheen de  nummers 13 en 15 bevonden. Ten noorden van nr. 17 bevond zich de Kalksteeg, welke ooit toegang gaf tot het Bagijneklooster. 

Vluchtig onderzoek in een belastingkohier uit 1804, dat helaas niet alfabetisch is ontsloten, doch op wijk- en adresvolgorde moet worden doorgebladerd, leverde, door puur intuïtief in de nabije omgeving van de Kleine Kerkstraat te zoeken, al vrij snel resultaat op. Het perceel met nummer 274 in het Noord Oldehoofster Espel (na 1876: Bollemanssteeg 11), eigendom van een zekere H. Beukers, werd voor 100 caroligulden per jaar gehuurd door Meyer Isacks. Dit was in 1805 nog zo. In 1806 had het pand een nieuwe huurder en komen we Meyer Isacks tegen als huurder van het perceel West Minnema Espel 141, tegenwoordig Grote Kerkstraat 49, en eigendom van zijn zwager en schoonzus Jacob Samuels Reyzer en Minke Salomons Polak. Al met al lijkt het dus waarschijnlijk dat Samuel in de Bollemanssteeg op nummer 11 is geboren. Dit pand is in 1972 gesloopt. Het Historisch Centrum Leeuwarden beschikt over één foto uit 1957 waarop het pand in de verte nog staat afgebeeld.

Naast een poëzietableau met een gedicht van een Jiddisch dichter werd in overleg met de nazaten van Samuel Myer Isaacs reeds gewerkt aan een gedenkbordje op het vermeende geboortehuis aan de Kleine Kerkstraat. De tekst zal nu herinneren aan het feit dat de Amerikaans-Joodse leider hier een deel van zijn jeugd heeft doorgebracht. Nog net op de valreep kon dus - historisch gezien - een misser worden voorkomen.

Een fragment)genealogie is gepubliceerd op het internationaal genealogisch Web 2.0-platform Geni.com: http://www.geni.com/family-tree/index/6000000019213330557

Terug


Johannes Sems (1572-1635)Volgens een toelichting van sociaal geograaf Meindert Schroor op de in 2012 heruitgegeven stadsplattegrond van Johannes Sems (1572-1635),was laatstgenoemde verantwoordelijk voor de landmetingen. Op grond hiervan tekende hij de kaart van Leeuwarden die de basis vormde voor de kopergravure van Pieter Bast. Deze gravure was de grondslag voor de in 1603 in druk verschenen kaart. Sems verrichtte zijn werkzaamheden in opdracht van het Leeuwarder stadsbestuur. Zijn kaart kan dan ook worden gezien als een lofzang op de Friese hoofdstad op de drempel van de Gouden Eeuw. De kaart geeft de bebouwing in de stad uiterst gedetailleerd weer en wordt tot op de dag van vandaag als historische informatiebron gebruikt.


Een in het verleden gehouden steekproef met betrekking tot het aantal woningen per huizenblok heeft uitgewezen dat Sems bij het vervaardigen van de stadsplattegrond uiterst nauwkeurig  te werk is gegaan. Dit zal niet voor een onbelangrijk deel te danken zijn aan de omstandigheid dat Sems voor langere tijd in Leeuwarden woonachtig is geweest en derhalve de stad goed kende. Latere kaarten werden door 'vreemde kartografen' vaak klakkeloos nagetekend, waarbij vaak volledig werd voorbijgegaan aan veranderingen die in de loop van decennia in het straatbeeld hadden plaatsgevonden.

Lange tijd was niet geheel duidelijk wáár precies in Leeuwarden Johannes Sems zelf had gewoond, doch naar aanleiding van het crowdfundingsproject ‘Adopteer een pand, bouw mee aan Leeuwarden in 3D' is dit nader onderzocht. Door bestudering van de bij het Historisch Centrum Leeuwarden bewaard gebleven afschriften van koopbrieven en belastingregisters is nu onomstotelijk vast komen te staan dat Johannes Sems en echtgenote Baertke van Soutelande vanaf 1 mei 1602 tot aan hun vertrek naar Bunde in Oost-Friesland het pand Sint Jacobsstraat 22 - op de hoek van het zogenaamde Spooksteegje - hebben bewoond. Daarnaast bezaten ze ook nog een aantal éénkamerwoningen in de Oude Oosterstraat. Beide echtelieden hadden het door hen te betrekken pand op 24 maart 1602 voor de somma van 1.050 goudgulden (ƒ 1.470,--) gekocht van Jan Lenertsz van Hoorn en Sijouck Sijbedr. In 1606 wordt 'Jan Sems' blijkens een uit dat jaar bewaard gebleven 'Schoorsteengeldregister' als eigenaar-bewoner aangeslagen voor het in gebruik hebben van 4 haardsteden of schoorstenen. Het pand was gelegen in het Minnema-espel. Derhalve kan gevoeglijk worden aangenomen dat Johannes Sems op deze locatie heeft zitten zwoegen op zijn stadsplattegrond.

Het tweede pand van links naast de ten zuiden daarvan gelegen steeg verving in 1697/1698 het woonhuis van Johannes Sems

Uiteindelijk verkochten zij het huis weer op 3 februari 1611 aan Wyerd Meynerts, Secretaris van Gedeputeerde Staten van Groningen en Ommelanden, en wel  voor 415 goudgulden meer als dat zij ervoor hadden gegeven. Saillant detail hierbij is, dat Sems het huis op dat moment verhuurde aan Pibe Wolters, dan wel Pibo Gualtheri, de beroemde, uit Franeker afkomstige wiskundige en instrumentmaker. Deze moest nu hals over kop nieuwe woonruimte zoeken. Deze vond hij in de Minnemahof aan de Eewal zuidijde.  Op een ter bebouwing uitgegeven kavel liet hij een splinternieuwe woning bouwen. Het oorspronkelijke pand dat door Sems bewoond werd viel in 1697 ten prooi aan de slopershamer en werd vervangen door een nieuwe woning. Deze nieuwe woning - waarvan nog wel afbeeldingen bestaan - is op haar beurt in 1926 in opdracht van bakker P.J. de Jonge vervangen door het in de stijl van de Amsterdamse School opgetrokken huidige pand.

Zoals gezegd verhuisde Sems in 1611 naar het Oostfriese Bunde, waar hij sinds 1607 betrokken was bij de opmetingen van het Bunderneuland. In 1614 liet hij zich als landmeter beëdigen door de Hoge Justitiekamer in Groningen. Vanaf 1616 voerde Sems ook opdrachten uit voor de Deense koning. In zijn latere levensjaren was Sems betrokken bij de aanleg van de Nieuwe of Langackerschans en tekende hij een aantal kaarten van het buitendijkse land van Noord-Groningen (1630-1632), waar hij ook eerder al actief was geweest. In 1635 overleed hij in de stad Groningen.

Terug


Afdeling I:


1-34     Mr. P.A. Bergsma: 1830-1915. Secretaris gemeente Leeuwarden.

2-35     Mr. J.C. Bergsma: 1828-1894. Rechter. Raadsheer gerechtshof.

3-2       D. van Konijnenburg: 1841-1905. Landbouwspecialist.

3-10     P. Pama de Kempenaer: 1820-1881. Directeur gasfabriek Leeuwarden.

4-27     J.B. Weerman: 1835-1882. Predikant Nieuwe Evangelische Gemeente.

4-30     G.  Bloembergen: 1805-1881. Wethouder gemeente Leeuwarden.            

5-22     R.D. Smeding: 1804-1885. (amateur) natuurkundige en meteoroloog.

5-34     Mr. A. Bloembergen: 1838-1901. Rechtsgeleerde. Liberaal lid 1e Kamer.

5-37     Jhr. Mr. J.M. van Beijma: 1813-1898. Officier van Justitie.

6-17     W. Sprenger: 1836-1911. Directeur Leeuwarder Courant.     

6-18     H.G. Knorre: 1798-1869: Directeur Leeuwarder Courant.

6-20     P. Koumans Smeding: 1791-1854: Directeur Leeuwarder Courant.

6-38     Mr. J.L. Huber: 1805-1871. Kantonrechter.

7-22     P.H. Asman: 1832-1870. Medicus.

7-38     C. P. Burger: 1825-1908. Directeur R.H.B.S. en pedagoog.

8- 6      E. Hora Adema: 1831-1916: Directeur stroopfabriek Huizum.

8-12     J. Andrea: 1812-1876. Conservatief lid 2e Kamer. Vice-admiraal.

8-33     Mr. J. Minnema van Haersma de With: 1825-1904. Advocaat. Wethouder.

8-38     G.T.N. Suringar: 1804-1884. Drukker-uitgever.

9-1       Dr. N. IJpey: 1794-1869. Medicus. Filantroop. Laat ‘bos van IJpey' aanleggen.

9- 3      Mr. A. Looxma IJpey: 1833-1892. Kunstliefhebber/verzamelaar. (hekwerk vernieuwd).

9-17     J.D. van der Plaats: 1780-1853. Notaris en schoolopziener.

9-20     J. Ledder: 1817-1855. Medicus.

9-31     Jhr. O.R. van Andringa de Kempenaer: 1801-1868. Lid G.S. Grietman van Lemsterland.

9-39     Jhr. J. Speelman: 1855-1883. Rijksbetaalmeester te Winschoten.

10-36   Mr. J. Bieruma Oosting: 1816-1885. Burgemeester. Kantonrechter. Lid 2e Kamer.


10-38   Jhr.Mr. C.J. Speelman: 1817-1891. Advocaat. Rechter.


11-27   O. Schreuder: 1818-1905. Medicus.

11-31   G.W. Heesen: 1846-1921. Predikant. Christusbeeld verplaatst naar Grote Kerk.

11-37   Mr. J.E. Cats: 1793-1853. lid 2e Kamer en rechter.

12-8     J.N. Witteveen: 1821-1915. Lid G.S.

12-37   Jhr. W.E. Engelen: 1817-1879. Burgemeester Leeuwarderadeel. Lid 2e Kamer 1853.

13-2     Mr. J.H. van Boelens: 1792-1865. Jurist. Burgemeester. Administrateur van 's Rijksschatkist.

13-8     J. Albarda Cz.: 1825-1862. Notaris. Advocaat. Burgemeester van Franeker.

13-9     C. Albarda: 1796-1866. Rechter.

13-16   E. Bruinsma: 1768-1843. Beeldhouwer. Werkte o.a. aan het orgelfront van de Grote Kerk.

13-17   A.A. Bruinsma: 1766-1849. Architect.

13-22   J.J.G. van Wicheren: 1808-1897. Schilder. Leerling van W.B. v.d. Kooi en Otto de Boer.

13-24   Mr. C. Wichers Wierdsma: 1823-1902. Grietman van Hennaarderadeel.

13-26   Mr. J. Schik: 1800-1847. Griffier der Staten.

13-28   P. Wierdsma: 1776-1846. Advocaat. Rechter.

14-16   J.A. Baron van Zuijlen van Nijevelt: 1776-1840. Gouverneur der provincie.

14-29   Mr. J. Dirks: 1811-1892. Advocaat. Lid 2e Kamer. Medeoprichter Fries Museum.

14-40   M. Manger Cats: 1817-1896. Grietman van Smallingerland..

15-19   Jhr. G.W.F. Lycklama a Nijeholt: 1808-1875. Advocaat.Grietman van Oost-Stellingwerf.

15-20   Jhr. T.M. Lycklama a Nijeholt: 1766-1844. Grietman van Oost-Stellingwerf. Lid 2e Kamer.

15-21   C. Kuipers: 1765-1837. Apotheker. Oprichter Natuurkundig Genootschap.

15-31   H. Schutte: 1807-1860. Luthers predikant.

16-29   Mr. A.A.F. Baron van Panhuys: 1841-1894. Griffier gerechtshof. Kamerheer.

16-32   Jhr. W.L.B. van Panhuys: 1811-1880.  Surnumerair betaalmeester.

16-35   Ph. Silvergieter Hoogstad: 1777-1859. Predikant.

16-37   J. Baart de la Faille: 1839-1918. Medicus.

16-40   S. Crommelin: 1778-1858. Predikant.

17-2     S.J. Vermaes: 1839-1902. Hoofdingenieur Provinciale Waterstaat.

17-18   Jhr. Mr. F.J.J. van Eysinga: 1818-1901. Voorzitter 1e Kamer. Minister van Staat.

17-23   D. Menalda: 1856-1898. ‘Frau Regierungsrath Lehman'.

17-34   Jhr. T.A.M.A. van Andringa de Kempenaer: 1806-1870. Grietman van Het Bildt. Lid 1e Kamer.

17-36   Jhr. I.J.W.H. van Andringa de Kempenaer: 1844-1895. Burgemeester Ferwerderadeel.

17-38   Jr. H. van Andringa de Kempenaer: 1807-1872. Bewaarder Hypotheken.

17-39   S. Brouwer: 1793-1856. Medicus. Hoogleraar Groningen. Lid 2e Kamer.

18-14   Jhr. Mr. I.F. van Eysinga: 1794-1870. Grietman van Hennaarderadeel.

18-16   Jhr. Mr. C. van Eysinga:1841-1862. Lid G.S. Grietman van Hennaarderadeel.

18-27   Dr. P.J. van der Gijp: 1819-1897. Medicus. Kolonel Geneeskundige Dienst.

18-29   J.G. Ottema: 1804-1879. Classicus. Uitgever Oerlalindaboek.

18-35   M.A.J. Losgert: 1826-1911. Directeur Registratie Domeinen. Directeur Staatsloterij.

19-3     Ir.  H.G. Levert: 1841-1892. Waterleidingexpert, o.a. in Ned.-Indië.

19-14   Jhr. Mr. WC.G. van Eysinga: 1866-1910. Landbouwexpert.

19-26   G. Andrea Pz.: 1805-1887. Vicepresident Gerechtshof.

19-31   A. van Halmael: 1788-1850. Jurist. Publicist (met name over Friese geschiedenis).

19-33   G.E. le Maire: 1810-1882. Rechter.

20-11   Dr. A. Meursinge: Medicus.

20-16   Mr. C.A. Römer: 1855-1935. Vooraanstaand advocaat.

20-24   Mr. W.A. van Sloterdijck: 1834-1918. Auditeur militair.

21-26   D. Burger: 1853-1876. Diergeneeskundige. Buitengewoon verstand, zwak gestel.

22-6     C.J. Prakken: 1852-1916. Schoolopziener. Rechter.

22-22  A. van der Meulen: 1842-1891: Moeder van Mata Hari.

NB: de grafsteen vermeldt ook de grootouders van Mata Hari. Cornelis Zelle is hier inderdaad ook begraven. Margaretha Hamstra is echter begraven in IV-38-25.

22-28   Dr. L. Proes: 1805-1891. Vooraanstaand predikant. Publicist.

22-34   W.C.A. Hofkamp: 1849-1924. Directeur Gemeentewerken.

23-1     A.E. Kempees: 1856-1913. Hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat.

24-3     Mr. A.C. Folkersma: 1846-1915. Raadsheer Gerechtshof.

24- 5    Ir. D.F. Wouda: 1880-1961. Hoofdingenieur Provinciale Waterstaat en architect gemaal Lemmer.

24-11   Ph.J.H. Hayward: 1819-1882. Hoofdingenieur Rijkswaterstaat.


Afdeling II:

5-14     H. de Jong: 1835-1916. Directeur Stedelijk Muziekkorps. Gaf dansles aan de jonge Mata Hari.

8-14     S. Baron: 1854-1909. Eerste directeur Ambachtsschool.

9-31     Ir. R. Kielstra: 1828-1894. Bouwer Dam naar Ameland in 1881.

11-25   J. Troelstra: 1833-1906. Vader van P.J. Wethouder. Directeur brandwaarborgmaatschappij.

12-27   C. van Dalen Fontein: 1842-1897. Burgemeester van Barradeel.

13-27   Jhr. Mr. S.W.H.A. van Beyma thoe Kingma: 1812-1877. Rechter. Vooraanstaand liberaal.

13-48   B. Albarda: 1797-1862. Vooraanstaand rechtsgeleerde. Liberaal lid 2e Kamer.

14-43   L.P. Roodbaard: 1782-1851. Tuinarchitect van o.a. deze begraafplaats (steen uit 2005.

15-17   S.A.B. Taconis: 1867-1928. Tabaksfabrikant en amateur-fotograaf.

15-19   Mr. J.G. van Blom: 18370-1893. Griffier der Staten.

15-38   S. Wigersma Hz.: 1857-1912. Koopman en penningkundige.

15-48   Mr. J.H. Albarda: 1826-1898. Advocaat. Lid G.S. Bekwaam ornitholoog.

15-50   Dr. M. van Staveren: 1815-1900. Predikant. Publiceerde vele theologische geschriften.

16-15   M. van Geuns: 1824-1904. Invloedrijk en geliefd Doopsgezind predikant.          

17-16   T.A. Keikes: 1804-1886. Zilversmid, graveur en stempelsnijder.

19-36  H.J. Prakke: 1825-1881. Veearts. Publiceerde veel over diergeneeskunde.

20-35   S. Coronel: 1827-1892. Stadsgeneesheer. Publicist (o.a. voor de LC).


Afdeling III:

3-52     A. de Jong: 1864-1936. Fotografe.

8-53     F. Bakker Pzn.: 1842-1904. Orgelfabrikant (Bakker & Timmenga).

9-45     B. Goedemoed: 1862-1944. Bekend calligraaf.

10-18   W.C. van Munster: 1839-1913. Voorvechter Christelijk Onderwijs.

10-82   J.F.L. van Loo: 1859-1879. Vroeg overleden leerling R.H.B.S.

11-93   D. Alkema: 1848-1887. Chef Friesland Singer Company.

12-76   L. Zandstra: 1848-1923. Strijder voor het Socialisme.

14-61  G. Colmjon: 1828-1884. Archivaris-bibliothecaris. Prominent lid Frysk Selskip.

14-70   C.B. Broersma: 1841-1919. Fotograaf.

14-82   C. Feiters: 1864-1913. Chef firma Mohrman en Co.

15-29   O. Stellingwerf: 1847-1897. Strijder voor het socialisme.

19-39   D.R. Dijkstra: 1820-1862. Archivaris-bibliothecaris.

20-44   G.J. Hennink: 1842-1896. Gemeentearchitect.

21-23   W. Eekhoff: 1809-1880. Boekhandelaar. Archivaris-bibliothecaris. Historicus.

22-15   T. Ganzinga: 1857-1943. Fotografe.

22-32   J. Kroes: 1877-1925. Smid bij J. Kroes&Zn. (hekwerk deels gerestaureerd).

23- 9    Th.A. Romein: 1811-1881. Directeur Gemeentewerken.

27-33   S. Haven: 1829-1897. Doodgraver.

29-10   H. Meursinge: 1791-1864. Chirurgijn/medicus.

31-8     J.R. Kooistra: 1859-1904. Doodgraver.


Afdeling IV:

9- 9      H. Wildts: 1802-1887. Commandeur walvisvaarder (gedenkteken is in Harlingen).

15-27   J.C. Puist: 1873-1900. Fotograaf.

17-11   J.L. Brouwer: 1863-1880. Kweekelinge van de Rijksnormaalschool.

25-8     Fam. Wielenga: -1890. 4 verdronken kinderen en hun moeder.

30- 6    G. Arzoni: 1834-1894. Instrumentenmaker.

34-17   C. Becke: 1802-1856. Chirurgicale instrumentenmaker.

36-20   J. van Dam: 1783-1840. Orgelmaker.

36-67   J.F. Stoett: 1862-1890. Architect.

37-76  J. Zandstra: 1900-1969. Als laatste op de AB begraven.


Afdeling IV nieuw / 4a:

1-52    J.J. Beek: 1848-1918. Moordenaar (‘de taartvergiftiger').


Afdeling V:

5-82    Y.B. de Graaf: 1813-1860. Terechtgestelde moordenaar.

9-41    J. Barger: 1853-1900. Predikant te Harlingen. Moordenaar (‘De blikken dominee').

16-57  R.P. van Dijk: 1816-1846. Terechtgestelde moordenaar.

Terug

(Dit artikel is in maart 2001 gepubliceerd in het tijidschrift Leovardia nr. 4 van de Leeuwarder Historische Vereniging 'Aed Levwerd' , p. 10-14, )

Klaas Zandberg

Scherprechters, of beulen zoals ze meestal genoemd werden, spraken tot de verbeelding. Ook in Leeuwarden oefenden ze eeuwenlang hun beroep uit. In 1568 werd David Vlaender van Göttingen als eerste ‘meester van de scarpen swaerde' van het gewest Friesland bij naam genoemd. Op 23 maart 1860 werd met het ophangen van Ype Baukes de Graaf op het Zaailand de laatste executie in Leeuwarden verricht, de op één na laatste in Nederland. De meest spraakmakende beul was ongetwijfeld Dirk van Gorkum, die maar liefst van 1755 tot 1797 dit ambt bekleedde

Beulen hadden over gebrek aan publieke belangstelling niet te klagen. Als er één evenement was dat in vroeger eeuwen een massa kijkers trok was dat wel een terechtstelling. De overheid bevorderde het openbare karakter van deze executies ook zoveel mogelijk. Dit vooral tot een exempel ende afschrik.

Dankzij hun kennis van de menselijke anatomie oefenden beulen vaak het nevenberoep van chirurgijn of ledenzetter uit en kregen daardoor betalende klanten. Over het algemeen behoorden ze tot de rijkere bewoners van een stad.

Hoewel het werk van de beul noodzakelijk werd geacht, werd het tegelijkertijd beschouwd als iets verachtelijks en minderwaardigs. De beulen en hun familieleden werden door de meeste mensen dan ook gemeden als de pest. Kinderen van beulen moesten noodgedwongen met elkaar trouwen, zodat er typische beulsfamilies ontstonden. Soms kregen ze aantoonbare morele problemen met hun werk.

Er werd niet zo heel vaak een doodstraf voltrokken; rond 1700 gemiddeld 5 per jaar in Leeuwarden. Justitie hield zich veel vaker bezig met andere lijfstraffen als brandmerken, geselen en verminken. Een hoofd of een hand moest in één klap worden afgeslagen, anders ontstak de toekijkende menigte in woede en was de beul zijn leven niet zeker. Er moest dus flink worden geoefend. Daar gebruikten ze gewoonlijk varkens en ander al dan niet dood vee voor.

Dirk van Gorcum zwaait het zwaard over het hoofd van de voorwaardelijk terdoodveroordeelde Mr.  C. van den Burg, 1788In Leeuwarden herinneren nog enkele namen aan deze sinds lang verdwenen beroepsgroep. De naamgever van de Bullepolder zou volgens overlevering een Leeuwarder beul zijn geweest, maar een schriftelijk bewijs is niet te vinden. In 1562 en later was er sprake van Beulsbrug of Beulspijp als benaming voor de Brol. De plaats waar in de 16e eeuw de meeste executies plaats vonden was de Brol, zodat de benaming Beulsbrug een zekere logica had. De namen Galgerak en Blokhuisplein -de plekken waar vroeger eveneens werd terecht gesteld- bestaan nog. De meeste beulsfamilies hebben niet veel sporen nagelaten in Leeuwarden. De Friese scherprechters waren in de 16e en 17e eeuw in de regel jongere zonen van beulen in Duitse steden als Bentheim, Lingen, Tecklenburg en Bremen.

De tweede generatie vertrok vaak weer naar elders. Wie wil weten hoe het belangrijkste gereedschap van de beul er uit zag moet het grote (‘zweihänder') zwaard in de entreehal van het Fries Museum, dat door sommigen aan Grutte Pier wordt toegeschreven, maar eens van dichtbij bekijken.

Voorgeslacht
Philip Gercken, ca. 1630 geboren te Neheim (Westfalen) en achtereenvolgens scherprechter te Zutphen, Deventer en Groningen, werd in de Nederlandse gewesten ook wel Gorcum genoemd. Zijn zoon Jan Dirksz en andere afstammelingen hanteren ‘Van Gorcum' als min of meer vaste familienaam. Deze Jan (die ook wel Dirk werd genoemd) van Gorcum was vanaf 1688 scherprechter te Groningen, maar werd in 1694 wegens openbare dronkenschap uit zijn functie ontheven. Kennelijk was hij wel goed genoeg voor de Friezen, want in 1702 wordt hij te Leeuwarden benoemd. In Groningen was een versje over hem in de omloop:

Geen Zaterdag in 't gansche jaar,
Of meester Dirk mijn Bessevaar,
Die veegde agtenveertig slagen.
Moest merk en roeden zelvers dragen,
Doch 't was een sterke, stoute gast,
Die meester Dirk naar 't leven tast.

En meester Dirk of gij 't ook weet,
Die veegde dat het roode zweet
Hun liep van schouders tot de lenden,
En of zij zich al tot hem wenden
En schreeuwden, duizend ach! En wee!
Hun drukte hun de Vriesche V
Zoo netjes op het schouderblad
Alsof Hosson 't geteekend had

Deze eerste ‘Leeuwarder' Van Gorcum wordt na zijn dood in 1726 opgevolgd door zoon Christiaan. Dirk, de oudste zoon van Christiaan van Gorcum en Petronelle Geerts, wordt op 18 februari 1727 geboren en drie dagen later (hervormd) gedoopt. Het begraven van Christiaan van Gorcum op 23 februari 1755 kan best wel eens traumatisch zijn geweest voor zijn zoon en andere naaste familieleden. Niet alleen was het graf op het Oldehoofsterkerkhof voor luiden van zyne bedieninge en hunne familie afgezonderd, maar ook konden pas na langdurig getouwtrek tussen de buren en justitie kistdragers worden geregeld. Bovendien kwam nog eens een uitzonderlijk groot aantal nieuwsgierigen op de begrafenis af.

‘Veel aanzienlijker dan 't dom gemeen bezeft'
Toen hij na het overlijden van zijn vader in diens voetsporen trad, zal Dirk of ‘Theodorus' van Gorcum waarschijnlijk niet hebben kunnen vermoed dat hij voorbestemd was tot een bijna vijftigjarige carrière als ‘dienaer van Justitie'.

Uit een in 1777 gepubliceerd lofdicht ter verjaaring van meester Theodorus van Gorkum, blijkt dat hij en de zijnen toch beslist niet door iedereen met de nek werden aangekeken: Wat uw nuttig, ja noodzaak'lijk Ampt betreft, Da's veel aanzienlijker dan 't dom gemeen bezeft. Waard gij ‘er niet, wie at gerust zijn brood en zuivel? De Boosheid heeft meer vrees voor U dan voor den Duivel. Uit de verdere tekst (zie achterzijde omslag) blijkt dat de schrijver A. Jeltema, een bekend publicist in 18e eeuws Leeuwarden, Dirk goed heeft gekend en hem zelfs ‘vriend' noemde.

Dirk van Gorcum staat ook te boek als chirurgijn. Kennelijk hadden de andere chirurgijns geen bezwaren tegen zijn praktijk, want in tegenstelling tot de meeste van zijn voorgangers zijn over hem geen bezwaren aangetroffen in het archief van het chirurgijnsgilde. Van Gorcums expertise lag vooral op het terrein van verwrongen ledematen en gekneusden pees, of ader. Vanuit Leeuwarden bezocht hij met zijn eigen rijtuig en span paarden ook dorpen in de omtrek.

Vergoedingenlijst van door de Leeuwarder scherprechter uitgevoerde strafexercities, 1753


De rijkdom van Dirk van Gorcum is niet precies te bepalen. Een testament of boedelbeschrijving is niet aangetroffen. Wel is uit boedelbeschrijvingen van vroegere Leeuwarder scherprechters bekend dat er meestal nogal wat bezittingen vielen te verdelen, waaronder veel goud- en zilverwerk. Van Gorcum was in ieder geval kapitaalkrachtig genoeg om geld te kunnen uitlenen aan handelaren. Ook is zeker dat hij behoorlijk veel onroerend goed bezat. Na allerlei aan- en verkopen was Dirk aan het eind van zijn leven in bezit van een complex van minstens vijf panden tussen Weaze, Ossekop, Blokhuissteeg en Keizersgracht. Dus vlakbij zijn voornaamste werkplek: het Blokhuisplein.

Terwijl grootvader Jan van Gorcum zijn echtgenote nog binnen de scherprechtersfamilies moest zoeken, konden zijn oudste zoon en kleinkinderen met telgen uit burgerfamilies in het huwelijk treden. Het huwelijk in 1782 van Anna Christina, de dochter van Dirk, met een telg uit het rijke Groninger koopmansgeslacht Reisiger zal vast als een groot succes zijn beschouwd door de familie.

Liever scherprechter dan beul
De term beul was in Friesland eigenlijk alleen van toepassing op de knecht van een scherprechter. In de regel was de knecht een zoon van de functionerende scherprechter. Beide begrippen werden echter steeds vaker verwisseld en het kwam zelfs voor dat ‘beul' als scheldwoord werd gebruikt.

Op woensdag 28 januari 1778 kregen twee Leeuwarder kooplui ruzie in de herberg van Tytsjerk. Hessel Barends, woonachtig aan het Vliet, verweet Douwe Ypes dat hij geld van Van Gorcum had geleend: Jimme binne groote luiden van de beul zijn geld. Jimme hebben geld van de beul op intressen. Barends zal met deze opmerking hebben bedoeld dat hij dat geld eigenlijk als bloedgeld beschouwde. Toen Dirk van Gorcum later van dit meningsverschil hoorde, reageerde hij furieus. Dat hij voor beul werd uitgemaakt was in zijn ogen hoon en smaed. Hij eiste op 13 maart 1779 voor de rechtbank dat de lasteraar met een boete van 24 goudguldens bestraft zou worden. Bovendien wilde Van Gorcum dat hij voortaan niet meer met de veragtelijke naam van beul maar met die van scherptregter werd bestempeld.

Strafvoltrekking op het schavot voor het Blokhuis, 1788


De gedaagde Barends verklaarde dat hij niet de bedoeling had gehad Van Gorcum te beledigen. Hij had zich goed voorbereid en haalde naslagwerken en deskundigen aan om zijn stelling dat beul en scherprechter gelijk beteekende woorden waren, kracht bij te zetten: Samuel Litiscus zeijde in zijn lexicon ‘in voce camiflex' dat zelve beteekende een beul een scherprechter, daaragterbij volgende: zij noemen zig zelven meester van de scherpen zwaarde ‘in voce lictor' zeijde dat hetzelve betekende een beul, pijniger, scherpregter. (...) F. Halma in zijn woordenboek stelde beul en scherprechter ook volkomen als hetzelfde betekende woorden. (...) De Nederlandse historie van den beroemden Heer Wagenaar, gebruikte in de passages over de onthoofding van Johan van Oldebarnevelt in 1619 en het verhoor van Cornelis de Wit in 1672 de beide benamingen door elkaar.

Tenslotte noemde Barends ook nog het verslag van James Boswell. Die schreef in 1769: De beul van Corsica verdiende een buitengewone aanmerking dewijle hij in alleruiterste verfoeiing stonde durfe hij niet leven gelijk een ander inwoner van 't eiland. De man woonde in een klein hoeck torentie, alwaar hij maar een gerige ruimte voor sijne rampzalig bed en een weinigje vuur hadde om daar op zijne bekrompene spijze die hij tot levensonderhoud nodig hadde te kunnen bereiden want niemand wilde eenige verkeering met hem hebben, maar elk een keerde hem de rugge toe. Toen de Corsicanen deze geboren Siciliaan eerder vroegen het beulsambt te aanvaarden, schijnt hij -in zijn lot berustend- te hebben geantwoord: mijn grootvader was een beul, mijn vader was een beul, ik zelvs ben een beul geweest, ik ben gewillig een beul te blijven. De rechter was door al deze voorbeelden overtuigd dat de termen beul en scherprechter van een gelijke kragt sijn. Barends werd vrijgesproken en hoefde geen cent te betalen.

‘Filia carnificis Leovardiensis'
Anna Christina,de al eerder genoemde dochter van Dirk van Gorcum, ondervond in 1782 een nare ervaring die te maken had met haar afkomst. Met haar verloofde Jacob Reisiger, diens vader en een aantal andere familieleden, bezocht ze vanuit de stad Groningen per rijtuig de Zuidlaarder markt. Op de terugweg kreeg het gezelschap een woordenwisseling met enkele Groninger studenten. Er ontstond een vechtpartij met als gevolg verwondingen en beschadiging van eigendommen.

Opmerkelijk aan deze kwestie is vooral dat in een willekeurige herberg, in dit geval Het Jagtwagentje te Haren, Anna Christina van Gorcum werd herkend als de dochter van de Leeuwarder scherprechter. Kennelijk was haar afkomst iets waar niet gemakkelijk over werd gepraat: (...) waarop een van de studenten, welke in gezelschap mede was gegaan gevraagd hadde, ‘wat meisje dat was', aan welken de student Heshusius, haaren Vader niet openlijk willende noemen, in het Latijn geantwoord hadde, ‘est filia carnificis Leovardiensis' (zij is de dochter van de beul van Leeuwarden)'. Waarschijnlijk werden de studenten klef en vervelend. Volgens één bron werd Anna Christina zelfs uitgescholden voor Vriesche hoer.

De ruzie escaleerde op een gegeven moment nadat een van de studenten eenen geweldigen slag aan het hoofd hadde gekregen, zoodanig dat (hij) sterk daarvan uit de neus hadde gebloed. Tijdens de terugreis ging werden in een andere herberg zelfs de wapens te voorschijn gehaald. 's Avonds komt het voor het huis van de familie Reisiger in Groningen uiteindelijk tot een oploop van een grote groep studenten. Over wat er precies voorviel tijdens het uitstapje naar Zuidlaren, bleven de meningen uiteen lopen. Na jaren procederen werden in 1786 tenslotte enkele leden van de familie Reisiger veroordeeld wegens mishandeling.

Opvolging
De zoon van Dirk, de op 12-10-1759 in de Westerkerk gedoopte Petrus, leek aanvankelijk in de voetsporen van zijn vader te treden. Samen hadden ze een bloeiende praktijk als chirurgijns en ledenzetters en zo nu en dan assisteerde Petrus zijn vader ook als scherprechter. Waarschijnlijk had Petrus van Gorcum zijn vader op kunnen volgen als scherprechter, als hij niet in opspraak was gekomen. Petrus was een overtuigd patriot. Toen de Bataafse Republiek in 1795 werd gerealiseerd, werd hij lid van het Leeuwarder stadsbestuur. Hij hield dit nog geen jaar vol. In januari 1796 wordt hij wegens fraude gezocht en vlucht de stad uit. Het dagboek van voormalig stadsbestuurder Roelof Storm geeft de volgende beschrijving van dit voorval:

30 december heeft een van de Leden van de Municipaliteit sig te buiten gegaan, dat hij als Commissaris sat bij de opbreng der vijffentwintigste penning, dat hij sig van het geld, het welk in de losse bakken stond, bediende, het welk door eene swangere vrouw gesien werdt, die het selve heeft uitgebragt, en is van dat gevolg geweest, dat hij des Saturdags, sijnde 2 Janij 1796, toen hij hoorde, dat het hem sou gelde, is hij voortgaan: want der sijn informasjes van hem aan 't Hoff gekomen, en daarop geordonneerd, soo sij hem mogten te weeten komen, hem direkt te vatten: het is de soon van onse thans fungerende Beul, sijn naam is Petrus van Gurkum.

Oranjegezinden vervaardigen naar aanleiding van dit wangedrag van een vooraanstaand voorvechter van het nieuwe gezag een uitgebreid spotgedicht getiteld: Ode op de onverwagte vlugt van den grooten municipaal Petrus van Gorkum. Later keert hij toch terug naar zijn geboortestad. Tot op hoge leeftijd blijft hij het beroep van ledenzetter uitoefenen vanuit zijn woonhuis De Karseboom aan de Keizersgracht. Hij overlijdt in 1845.
Met het wegvallen van Petrus als assistent, bleef de zware taak aan de inmiddels bijna zeventigjare Dirk voorbehouden. Hoewel de beide galgen op 4 augustus 1796 werden afgebroken, duurde het nog enkele jaren voordat de guillotine zijn intrede deed in Friesland. In maart 1798 gaf dit problemen toen een van de aanstichters van het Kollumer oproer van 1797 ter dood moest worden gebracht. Van Gorcum kon het zware zwaard niet meer goed hanteren en vroeg om een vervanger.

Beschrijving van de executie van Jan Binnes, één van de hoofdaanstichters van het Kollumer Oproer op 18 maart 1797

Deze invalbeul werd Hendrik Gjalts Zandberg of Zandburg, een ver familielid van schrijver dezes. Hendrik slaagde er niet in zoveel kapitaal en prestige op te bouwen als zijn voorgangers. Toen hij in 1800 overleed, bleef zijn weduwe achter onder behoeftige omstandigheden. Dirk van Gorcum overleed pas in 1807 en kon al met al terugzien op een geslaagde carrière.

De laatste beul in Leeuwarden, de uit Utrecht afkomstige Joannes J. Ras, woonde rond het midden van de 19e eeuw in Weaze nr. 27 (tegenwoordig deel uitmakend van de opvang voor drugsverslaafden). Dus vlak bij de plek waar eerder Dirk van Gorcum woonde en werkte.

* Met dank aan dhr. C.R.H. Snijder te Berg en Terblijt, de kenner van de Nederlandse beulenhistorie bij uitstek.

Zie hier voor meer scherprechters in De Nederlanden.

Terug