­­­
In 1949 rondde Sophie Duparc (1880-1963) het ‘Levensbericht van Arie Duparc’ af: een biografie over haar vader, die jarenlang in Leeuwarden actief was als journalist, griffie-ambtenaar en gemeenteraadslid en nog vele andere functies bekleedde. Omdat Sophie meende dat in haar familie niet zoveel belangstelling zou zijn voor de biografie, besloot ze deze aan het Leeuwarder gemeentearchief te schenken. In het voorwoord geeft de auteur aan dat het –omdat het aanvankelijk voor familie bedoeld was– geen objectief verslag is. Uit de tekst spreekt duidelijk de bewondering en waardering voor dhr. Duparc.Duparc portret

Het ‘Levensbericht’ bestaat uit een levensbeschrijving, een lijst van zijn functies en lidmaatschappen, een lijst van zijn geschriften/publicaties, een overzicht van programma’s ter illustratie van het toneel- en muziekleven in de periode 1863-1903 en (fragmenten van) lezingen, redes en een gemeenteraadsverslag m.b.t. zijn afscheid in 1909. Het originele handschrift is opgenomen in het bibliotheekcatalogus van het Historisch Centrum Leeuwarden onder signatuur E-453. De paginanummers uit het originele handschrift zijn in de transcriptie vetgedrukt (1) weergegeven. 

Arie Duparc (1826-1916) was het achtste en op twee na jongste kind van de joodse ouders Mozes Isac Duparc en Clara Hessel Drielsma. De familie had in 1811 de naam ‘Duparc’ aangenomen als deftige verwijzing naar de woonplaats van Mozes’ vader: het Schoenmakersperk. Mozes woonde zelf met zijn gezin in de Grote Kerkstraat (nu huisnummer 27). Arie Duparc ging naar een school voor ‘meer uitgebreid lager onderwijs’ en solliciteerde daarna naar een kantoorbaan bij deurwaarder Harmenson. In 1847 volgde een baan als correspondent voor het Algemeen Handelsblad en in 1850 begon zijn loopbaan bij de provinciale griffie. In 1864 werd Duparc raadslid voor de Gemeente Leeuwarden. Hoewel geen socialist, zette Duparc zich wel in voor de arbeidersklasse. Hij hield o.a. diverse redes voor de Vereeniging Nijverheid. 

Arie Duparc werd ook lid van de Commissie voor de Gemeentelijke Gasfabriek in 1864. Verder was hij dekker, en later bibliothecaris, bij vrijmetselaarsloge De Friesche Trouw en werd hij in 1873 benoemd als secretaris bij de Kamer van Koophandel. In 1876 werd Duparc lid van de Commissie van Toezicht op het Lager Onderwijs, waar hij later president van werd.


Rond 1875 verhuisde Duparc naar een woning aan de Eewal (nmmer 54). Daar bleef hij zo’n tien jaar wonen. Daarna woonde hij de rest van zijn tijd in Leeuwarden in het pand op de hoek van het Gouverneursplein en de Sint Jacobsstraat (oostzijde). In 1909 verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij tot aan zijn dood in 1916 bleef wonen. Arie Duparc was getrouwd met Rosalie Anna Coopman (1840-1911).

De transcriptie is gemaakt door Karin van der Woude


(1)

Levensbericht van Arie Duparc,
geboren te Leeuwarden op 25 juni 1826.
overleden te Amsterdam op 4 augustus 1916.

Oorspronkelijk was het mijn bedoeling een levensbericht van mijn vader na te laten aan zijn kinderen en achterkleinkinderen, omdat als ook ik, de laatste van zijn vier kinderen zou zijn heengegaan, die voor zijn gezin een liefhebbend en zorgzaam echtgenoot en vader, voor de stad zijnergeboorte een – ik aarzel niet, dit hier neer te schrijven – een goed burger is geweest.

Nu echter kort na zo den tweeden wereldoorlog de eenige volwassen kleinzoon kwam te overlijden, bleek mij al spoedig dat het jonge geslacht met een zoo onzekere toekomst voor oogen niet de minste belangstelling zou hebben voor een groot- en overgrootvader, die in een ver verleden ergens in een noordelijke provinciestad geleefd en gewerkt heeft. De gedachte kwam toen bij mij op, of het handschrift te vernietigen, of ter plaatsing aan te beiden aan het gemeente archief van Leeuwarden voor zijn bibliotheek, waaraan zijne vader de meeste overdrukken van zijn geschriften reeds bij zijnen leven ten geschenke had gegeven. Mede op aandringen van zijn familie besloot ik tot het laatste. Daar door deze verandering van bestemming het Ms. aan de openbaarheid zou worden prijsgegeven, ware het misschien naar het oordeel van hem, die het onder oogen krijgen, mijn plicht geweest, het in zijn geheel om te werken tot een objectief verslag en alles te schrappen, dat getuigde van de liefde en (2) bewondering van de dochter voor den vader, de waardeering van vele ingezetenen voor hun stadgenoot. Hiertoe echter kon ik met uitzondering van het strict intieme uit zijn persoonlijk en gezinsleven – niet besluiten. Den lezer vraag ik dit te willen verontschuldigen, of anders die passages over te slaan.
Moge hij verder bedenken, dat vele Leeuwarders niet minder dan mijn vader hun tijd, hun krachten, hun liefde aan de stad hebben gegeven. Misschien zou hij hier in aanleiding vinden een werk – waaraan groote behoefte bestaat – te schrijven over de politieke, economische, sociale en culturele ontwikkeling van Friesland’s hoofdstad gedurende de 2e helft van de 19e eeuw, in aansluiting aan de uitstekende topografische beschrijvingen van Leeuwarden van 1846 tot 1906 van mejuffrouw R.Visscher.

Wat nu het geschrift zelf betreft, er stonden mij slechts heel weinig bronnen te beschikking. Op de brieven van het kamerlid, later minister J.K.H. de Roo van Alderwerelt na, had hij helaas alle correspondentie voor zijn vertrek naar Amsterdam vernietigd. Dank zij de welwillendheid van de nog in functie zijnde archivaressen mejuffrouw R. Visscher, die alle gemeentebladen ter inzage zond haar archief in de plaats mijner inwoning, was het mij mogelijk een nagenoeg zuiver beeld te geven van zijn werkzaamheid als raadslid. Van al zijne andere functies ontbrak een eenigzins uitvoerige berichtgeving, eenige mij bereidwillige mondelinge verstrekte mededeelingen konden dit gemis niet vergoeden- waardoor tot mijn spijt het geheel wat onevenwichtig werd uit alles wat hij heeft gepubliceerd, heb ik nagenoeg niet overgenomen, eenerzijds omdat de meest brochures van zijn hand (3) reeds in het archief van Leeuwarden aanwezig zijn, anderzijds omdat het onbegonnen werk zou zijn uit de ontelbare groote en kleine stukken voor de pers uit zijn pen gevloeid een keuze te doen. Wel heb ik uit enkele bewaard gebleven lezingen die gedeelten overgeschreven, welke mij geschikt voorkwam ter kenschetsing van zijn persoon en zijn werk. Toen een vriend hem kort voor zijn dood dringend verzocht zijn mémoires te gaan schrijven antwoordde hij: och waarom, daarvoor heb ik te weinig beleefd, dat van belang was maar misschien worden het, om je een plezier te doen, in navolging van Chateaubriand: Mémoires d’outre tombe.

Levensloop

Arie Duparc is geboren te Leeuwarden op 25 juni 1826 het achtste, op twee na jongste kind uit het huwelijk van M.J. Duparc en C. Drielsma. Op zijn grootmoeder van vaders zijde na- die nauwelijks een jaar oud met haar ouders uit Stuttgart de wijk nam naar Friesland, uit angst van het naderende, plunderende en brandschallende, leger van den koning van Pruisen, Frederik II (in oorlog met Marie Theresia) – waren al zijn familieleden geboren en getogen Leeuwarders.
Volgens mededeelingen van zijn jongste zuster, de eenige van al zijn broers en zusters, die nog mijn vader eenige zien overleefde, was hij een levendig, vroolijk en echt speelsch kind met de opvallende eigenschap van jongs af aan niet de in zijn oogen minste onrechtvaardige behandeling van hemzelf of van anderen in zijn omgeving te kunnen aanzien zonder protest, ongeacht de nadeelige gevolgen voor hemzelf.

(4) Op school was hij altijd de eerste van zijn klas en zoo leergierig was hij, dat toen hij, bij wijzen van belooning- voor de keuze werd gesteld een mooi nieuw jasje van Pinksteren (onder gewoonte verschenen jong en oud op dese feestdagen in de mooiste zomersche kleedij) of Fransche les, hij het laatste koos.
Van zijn beide oudste broers, den toekomstigen medicus en apotheker, kreeg hij onderricht in de beginselen van Latijnsche taal, vaktermen en nog heel veel meer heeft hij opgevangen en verwerkt, wat bijdroeg tot zijn algemeene ontwikkeling.
De inkomsten van het kassierskantoor van zijn vader waren van dien aard, dat het groote gezin, waartoe ook behoorden een paar ouderlooze nichten en de grootmoeder van Duitsche origine, die eerst op den leeftijd van 106 jaar in den zomer 1848 kwam te overlijden, in zekeren welstand kon leven. Zij waren echter niet toereikend, om – met uitzondering van den oudsten zoon, die in Groningen een vriendelijk tehuis vond bij de ouders van den toekomstige schilder Josef Israëls – de andere zes jongens van uitmuntend verstand een academische opleiding te kunnen geven. De drie zusters, van wie de eene “het wandelend woordenboek” werd genoemd, kwamen voor die tijden vanzelfsprekend daarvoor niet in aanmerking.
Nadat mijn vader, wat wij nu zouden noemen een school voor meer uitgebreid lager onderwijs had doorlopen, was voor hem de tijd aangebroken, om naar een betrekking uit te zien. Ik herinner mij nog zoo goed zijn verhaal van zijn eerste sollicitatie (5) dat ik dit nagenoeg in zijn eigen bewoordingen kan weergeven. Per advertentie in de Friesche Courant werd door deurwaarder Harmenson tegen 1 januari 1843 een net, gewillig jongmesch gevraagd, voor het verrichten van alle voorkomende kantoor werkzaamheden: een fraai, proper handschrift voor het copieeren van allerlei acten vereischt. Belooning f 3 ’s maands, de welke bij gebleken ijver en plichtsbesef niet onaanzienlijk zou worden verhoogd.

Het regende pijpestelen, toen ik met kloppend hart den kloppen in beweging bracht. Na lang wachten werd de deur geopend door een oude afschrikwekkende vrouw. Op mijn schuchtere vraag of mijnheer thuis was, snauwde zij mij toe, buiten op de stoep te blijven wachten, totdat ik zou worden geroepen. Weer verliep eenige tijd en mijn angst en spanning vermeerderden met de minuut. Eindelijk riep ze mij naar binnen en werd mij bevolen mijn voeten te vegen op een reusachtige mat , blijkbaar had ik dit niet naar haar zin gedaan, want toen ik halverwege de gang was gekomen, werd ik teruggeroepen, “omdat de jongeheer vuile voeten had gemaakt op de pas gepolijste marmeren steenen”. Eerst nadat ik onder haar scherptoezienden blik naar behoren opnieuw deze sacramenteele handeling had verricht mocht ik het heiligdom van haar heer en meester betreden. De ontvangst was hier veel vriendelijker, maar ik was door het voorafgaande zoo geïntimideerd, dat ik nauwelijks de mij gestelde vragen kon beantwoorden. Wat ten gevolge had, dat mijnheer mij ten slotte mijn congé gaf met de woorden: “eigenlijk ben je, jongeheer nog wel wat jong voor een dusdanige betrekking.” Toen vermande ik mij en ik was zoo vermetel te zeggen: dit is een bezwaar mijnheer, dat elke dag vermindert”. (6) En gelijk zoo vaak in zijn later leven redde hij door dit woord van pas de situatie. Hij werd aangenomen. Tot in hoogen ouderdom heeft hij nooit anders dan met den grootsten lof over zijn eersten patroon gesproken, die mij als een zoon heeft bejegend en van wie ik zoo bijzonder veel heb geleerd.”
Tot beider teleurstelling kwam onverwacht een einde aan deze eerste betrekking. Na een kort ziekbed stierf plotseling zijn vader, nauwelijks 56 jaar oud. Hoewel een paar broers het kantoor overnamen, bleek het noodig, dat ook mijn vader voortaan moest bij dragen in de onderhoudskosten van het groote gezin, waarvan de moeder de ziel was. Ik kan niet nalaten een paar woorden aan haar nagedachtenis te wijden. Zij moet wel een zeer bijzondere vrouw zjin geweest, die, meer dan de inzichzelf gekeerde vader-wiens leven geheel in beslag was genomen door financiële beslommeringen en door zijn liefhebberij (het bestudeeren van aardrijks- en zeevaartkunde, een van zijn voorvaderen schijnt zeekapitein te zijn geweest?- met vaste hand en met een ‘hart vol liefde’, om de woorden van mijn vader te herhalen, de kinderen opvoedde tot behoorlijke menschen. Zelfs toen deze al volwassen en getrouwd waren, riepen zij voor het nemen van belangrijke beslissingen haar raad in. Mijn moeder Rosalie Anna Coopman, een Amsterdamsche van geboorte, die op 3 juli 1860 met mijn vader in het huwelijk trad, heeft haar schoonmoeder innig lief gehad. Vooral in den eersten tijd, toen het levenslustige, ietwat verwende jonge vrouwtje zich moest leeren aanpassen aan een van het ouderlijk huis zoo verschillend milieu, aan een stijve, stugge bevolking, wier taal zij nauwelijks verstond, aan oude familieleden (de jonge waren allen met haar ingenomen en de wederzijdse verhouding was een zeer prettige/ met hun (7) vastgeroeste gewoonten, waarvan elke afwijking tot heel wat critiek aanleiding gaf en aan nog zooveel meer-vond zij bij haar man en niet minder bij haar volledig begrip voor en immer gevoel met al haar moeilijkheden.
“Voornamelijk aan haar liefde, goedheid, wijs insicht, tact en geduld hebben wij beiden zoo oneindig veel te danken. Zij was en is ook ver weg altijd onze beschermengel gebleven.” Dit is een aanhaling uit den brief van mijn moeder aan mijn vader, geschreven op den dag (2 april 1875), dat hij zijn moeder, op 83-jarigen leeftijd te Cleve overleden, naar haar laatste rustplaats gebracht.

Toen mijn vader reeds heel oud was, stond hij eens in diep gepeins voor haar portret. Even later zei hij tegen mij: “ik kan mij geen dag herinneren, dat ik niet aan moeke heb gedacht.” Mijn vader moest dus omzien naar lucratievere betrekking. Door bemiddeling van zijn oudsten broeder kreeg hij in het jaar 1847 een voorloopige aanstelling toto correspondent van het “Algemeen Handelsblad”, een jaar later volgde een vaste verbintenis. Dit was het begin van zijn schrijven voor de dagblad & drukpers in het algemeen, wat eerst tot een einde kwam precies een week voor zijn dood.

Op 1 januari 1850 ving zijne ambtelijke loopbaan aan de Provinciale Griffie aan. Tusschen dit begin en einde ligt een leven van hard werken, slechts onderbroken door korte vacanties (met uitzondering van een langeren duur in den zomer van 1886, doorgebracht in een “Heilanstalt”te Godesberg, om te herstellen van een zenuwoverspanning, waaraan een ernstige roodvonk, een ziekte die toen epidemisch in de stad heerschte, was voorafgegaan). (8) Een welkome afwisseling waren de algemeene vergaderingen en congressen, en niet te vergeten de maçonnieke bijeenkomsten benevens zijn vaste kaartavond op zaterdag in ‘Amicitia’, later in de ‘Harmonie’, waarvoor hij “geen pen behoefde nat te maken”. Diezelfde ontspanning brachten hem de muziek avonden bij ons thuis, meestal ’s zondags, waar instrumentale en vocale werken werden uitgevoerd van zijn meest geliefde componisten: Beethoven, Mozart, Hayden, Schubert, Schuman en Mendelssoh. Alle verjaardagen van ons gezin werden ingeluid met een concert. Deze traditie wordt nu nog voortgezet door jongere familieleden.

Natuurlijk zijn ook hun teleurstellingen niet bespaard gebleven, aan vele moeilijkheden moest hij het hoofd bieden maar nooit heeft hij den moed laten zakken. Zijn optimistische levensbeschouwing overwon alle bezwaren. Zijn zonnige natuur oefende daarenboven een heilzame invloed uit op zijn geheele omgeving. – Hoe druk hij het ook had, als zijn kinderen, jong of oud, met hun bezwaren kwamen, hem raad vroegen, dan schoof hij alles op zij, om rustig naar hem te luisteren en zelden of nooit verlieten zij hem zonder een bemoedigend woord, een wijs advies of belofte van de kwestie nog eens rijpelijk te zullen overdenken, c.q. te onderzoeken. – Ontelbare sollicitanten en anderen die zijn voorspraak of voorlichting inriepen, heeft hij te woord gestaan en velen ander hen voortgeholpen. Niet te ontkennen valt een zeker gemis aan menschenkennis, waardoor hij meer dan eens de dupe werd van zijn goed vertrouwen in die menschen, die dit niet verdienden. Een gebeurtenis, die hem karakteriseerde en die op mij een diepe indruk maakte, wil ik niet onvermeld laten.

Op een keer, dat ik wat rust nam in de kamer naast de zijne, werd ik (9) opgeschrikt door luide, driftige stemmen, gevolgd door aanhoudend afgaan van de tafelbel. Zoo vlug ik kon, betrad ik zijn kamer en nauwelijks binnen, riep mijn vader mij toe: “laat mijnheer onmiddellijk uit,” terwijl hij staande en doodsbleek naar de deur wees. Teruggekomen, zei hij, met een door emotie nauwelijks hoorbare stem: “weet je, wat die man wou, die had mij willen omkopen, die had je vader tot een eerlooze, tot een plicht vergeten ambtenaar willen maken.” “Onthoud goed, wat hij mij voorstelde: “Alles heb ik er voor over, als u mij zou willen mee deelen, of ik voor herbenoeming in aanmerking kom en indien de voordracht nog niet is verzonden, zou u dan mijn pleitbezorger bij den C.d.k. willen zijn?” “Die man, die mij zoo iets durfde vragen, bestaat niet meer voor mij.”
De bode op de griffie ontving de order “voor burgemeester R ben ik nooit te spreken.” Vele jaren gingen voorbij in rusteloozen arbeid. Er waren dagen waarop hij nauwelijks aan tafel verscheen. Zoo’n dag begon met het te woord staan van sollicitanten, daarna op de griffie tot ongeveer half twee, even thuis om de post na te zien en onder de hand wat te gebruiken; vervolgens een raadsvergadering, die soms tot zes uur duurde, waarna vliegensvlug een kort verslag in triplo voor de Hollandsche bladen gemaakt en een van ons ter hand gesteld werd, om het te posten vóór het vertrek van den avondtrein. ’s Avonds een concert of toneel-voorstelling, waarvoor direct na afloop een critiek werd geschreven zijn ijzersterk gestel, dat alleen van tijd tot tijd te lijden had van hevige migraines – behoudens dan een roodvonk aanval en als gevolg een tijdelijke inzinking- kende geen vermoeienis, zelfs niet bij het (10) Klimmen der jaren. Zoo bereikte hij bijna ongemerkt de leeftijd van de sterken, zelfs van de zeer sterken. Langzamerhand begon hij zich uit zeven betrekkingen en commissies terug te trekken. Maar eerst nadat de commissaris der Koningin, Mr. B.Ph. van Harinxma thoe Slooten, met wie hij van het jaar 1879 af, op de meest aangename wijse heeft mogen samenwerken, zijn ontslag had genomen, achtte ook hij den tijd gekomen zijn ambt neer te leggen. Bij de a.s. verkiezingen voor den Gemeenteraad stelde hij zich niet meer verkiesbaar. Op 83-jarigen leeftijd mocht hij de reeds lang verdiende rust nemen, die iedereen hem van harte gunde, behalve…hijzelf. De gedachte, dat hij-om zijn eigen woorden te gebruiken “had uutdiend en voor de stad gien piep tabak meer weerd was,” liet hem niet los. “Ik zie mij al zitten,zei hij eens quasi gekscherend, bij die gasthuismannetjes en andere politieke tinnegieters op een der banken bij de muziektent [in den Prinsentuin], die daar elke dag sociëteit houden, om al pratende den tijd te dooden.”
Inmiddels bereikten ons uit Amsterdam, waar mijn zuster met zoon en mijn jongste broer, pas getrouwd, woonden, steeds dringende verzoeken, om ons in hun nabijheid te komen vestigen. De beslissing, wel of niet verhuisen, viel mijn vader niet gemakkelijk, te minder omdat mijn moeder en ik, gedachte aan het : oude boomen moet men niet verplanten, niet den geringsten invloed erop wilden uitoefenen. Ten slotte won de liefde voor zijn kinderen het van de liefde voor “zijn”stad. Met grooten weemoed nam hij afscheid van goede en trouwe vrienden (vele waren reeds voorgoed heengegaan) en van de plekjes, vol herinneringen aan zijn jeugd tot aan zijn ouderdom – De laatste zeven jaren van zijn leven heeft hij zich heel gelukkig gevoeld in zijn gezin en – een ongekende weelde- in de nabijheid van zijn getrouwde kinderen en kleinkinderen, die geen dag oversloegen, ons op te (11) zoeken in onze gesellig ingerichte flat, waar zijn “den ouden heer” als hij niet zijn dagelijksche wandeling in het nabije Vondelpark maakte (hij is steeds een groote natuurliefhebber geweest) lezende of schrijvende aantroffen. Want zelfs in zijn otium gunde hij zijn pen weinig rust, schreef hij artikelen voor tijdschriften (postuum verscheen een in “Themis”over de lijkverbranding). Week en dagbladen. Om zijn geest werkzaam te houden en up to date te blijven, alles wat op staatsrechtelijk en administratief gebeid verscheen, keek hij door.
Tot op eens stagnatie intrad, die maandenlang zou duren. Korten tijd, nadat met groote opgewektheid het 50-jarig huwelijksfeest van mijn ouders op den 3en juli 1910 in intiemen kring was gevierd, werd mijn moeder door een attaque getroffen, die, na eenige maanden gevolgd door een tweede, den 7den juni 1911 op 71-jarigen leeftijd een einde aan haar leven maakte. Het was een zware slag, dien mijn vader nooit geheel te boven is gekomen. “Behind the clouds the sun is shining” mocht hij den dichter nazeggen, toen in hetzelfde jaar dat hij zijn vrouw moest missen, zijn eerste kleindochtertje werd geboren, dat naar hem werd genoemd. Wat dit allerliefste kind voor den ouden man is geweest, kan niet beter worden gekenschetst dan door dezen zin uit een brief, gericht aan zijn zoon en schoondochter te Soerabaja: “Atie wordt morgen vier jaar: dit goudstukje maakt het geluk uit van mijn ouderdom: mijn dag is eerst goed, als ik haar beeldig gezichtje zie en haar lief stemmetje hoor zeggen: dag opa, wat gaan wij spelen? De geboorte van haar broertje heeft hij niet meer mogen beleven. Het uitbreken van den (eersten) wereldoorlog wierp een tweede schaduw op zijn zoo onbezorgd bestaan. Ook nu duurde het een (12) geruime tijd, voordat de lust tot schrijven terugkeerde. “Die afschuwelijke menschenslachting, voorbereid door den geweldenaar Bismarck en bevolen door den verdragschender Wilhemus” pakte hem erg aan. Dat Nederland bij handhaving van stricte neutraliteit gelijk in 1870, buiten den oorlog zou blijven, was zoo stelde hij zijn omgeving gerust, aan geen twijfel onderhevig. Het viel niet te ontkennen, dat deze onrustige tijden vol alarmeerende berichten (o.m. Antwerpen gevallen!), vaak omstreeks het nachtelijk uur per bulletin verspreid en uitgeschreeuwd, een nadeeligen invloed begon uit te oefenen op zijn lichamelijke gesteldheid. Hij kreeg last van zijn hart, de wandelingen kortte hij telkens meer in, de bezoeken aan zijn kinderen werden zeldzamer.
Toch konden wij zijn 90ste verjaardag tot een feest maken. Hij scheen dien stralenden zomerdag (zondag 25 juni 1916) beter dan ooit; opgewekt, welbespraakt, onvermoeid stond hij ieder te woord-onder wie velen uit de omliggende plaatsen en, wat hem het meest genoegen deed, een van zijn vroegere ambtenaren, expres uit Leeuwarden overgekomen- in ons tot een bloementuin herschapen appartement. Vooral de in zoo hartelijke bewoordingen gestelde telegrammen vanwege het gewestelijke en gemeente- bestuur van Friesland en Leeuwarden. Van zijn vroegere stadgenoten, het waardeerende artikel van dr. J. Baart de La Taille in de “Groene” en van de redacties in de Leeuwarder Courant en in het Algemeen Handelsblad, dit alles heeft hem diep ontroerd. Na den terugkeer van een spoedig hierop gevolgd veertiendaagsch verblijf te Ellecom, waar hij nog volop genoot van de prachtige middachter allée, gingen zijn krachten zienderoogen achteruit. Onder protest moest hij ten slotte gehoor geven aan den raad van den dokter, een paar dagen bedrust te nemen. Het werden er vijf. In de weinige uren, dat hij klaar wakker was, informeerde hij naar (13) de gebeurtenissen in de wereld en in onze omgeving. Een keer wou hij graag wat pianomuziek, liefst van Beethoven, hooren. Hoe Leeuwarden nooit uit zijn gedachten was, blijkt wel overtuigend uit een verzoek in zijn laatsten levensnacht. “Wil je morgen in de Friesche Almanak de voornamen opzoeken van gedeputeerde Pollema? zoo gauw ik op de been ben, moet ik hem schrijven over een aangelegenheid, die in de a.s. najaarsvergadering (van de Provinciale Staten) aan de orde komt en waarbij Leeuwarden kans loopt, in het ongelijk te worden gesteld. Op den 4en augustus 1916, te ongeveer één uur in den namiddag is hij, tot op het laatste oogenblik helder van geest en onbewust van zijn toestand, bijna ongemerkt ingeslapen. Eenige dagen later hebben wij vieren onzen vader en grootvader naar zijn laatste rustplaats gebracht. Geen belangstellenden, geen toespraken, geen bloemen, ingevolge zijn wensch. Toen het oogenblik was gekomen, dat wij hem alleen moesten achterlaten, begon een merel ergens hoog in de lucht te zingen. Een afscheidslied…

Oorspronkelijk zou op deze plaats volgen een karakteekening van mijn vader, om aan de volgende generaties een meer dan vluchtige indruk te geven van zijn persoonlijkheid. Door de veranderde bestemming van dit levensbericht moet dit voornemen vervallen. Ik kan echter geen weerstand bieden aan de neiging, om een paar aanhalingen uit lezingen en eenige in mijn geheugen bewaard gebleven uitspraken en gezegden hier neer te schrijven, die zoo typerend zijn voor zijn levensbeschouwing, gevoelsleven, humaniteit, werklust en plichtsbesef. (14) Uit een lezing, gehouden in het jaar 1871:
…Ik zie in god niet den ijverzuchtigen, wraakgierigen god, maar een god van liefde en humaniteit. Ik erken geen god die geheel buiten den menschelijken geest staat, wel een die eene gelijkmatige, oneindige kracht heeft, zich openbarende in een wijzen van werken. die aanhoudend voortgaat en tot verdere ontwikkeling en volmaking leidt… De oude theologie, de wijsgeerige beschouwingen van den godsdienst van vroeger tijden kunnen ons niet meer voeden. Wij hebben een godsdienst noodig van het verstand, van het geweten, van de liefde, van de ziel, de natuurlijke godsdienst van al de menschelijke vermogens. Aan dezen godsdienst hebben wij behoefte, om de gebreken des hedendaagsche maatschappij te kunnen genezen, om het nog steeds van kracht zijnde leenstelsel van het goud omver te werpen, om rijken en armen te vereenigen tot en verbond van menschelijke broederschap, om den muur weg te breken, die de eene klasse de andere, die natiën van natiën en rassen van rassen scheidt, om alle klassen tot ééne natie alle natiën tot een groot menschelijk huisgezin te vereenigen… uit een ongedateerde rede: (waarschijnlijk 1871)
…Boven al die wetboeken staat eene wet bij uitnemendheid, gelijkvormig aan de rede, gegrift in de harten, wier stem ons onze rechten en onze plichten voorschrijft, wier waarschuwingen ons van het kwaad terughouden. Van die wet kan men niets afnemen, aan die wet kan men niets veranderen. Geen macht ter wereld bestaat die er ons van kan bevrijden. Zij heeft noch uitlegger noch vertolker noodig. Zij is overal dezelfde, Zij omvat alle volkeren, alle tijden. Aan die wet niet te gehoorzamen horen gelijk staan met zich (15) zelven te verloochenen, zich van zijn karakters als mensch te ontdoen… Deze wet, die de zedelijke eenheid van het menschelijk geslacht, ondanks alle verschil van eeredienstige instellingen uitmaakt, is noch het werk van een buiten ons staande wil, noch van zekeren geheimzinnigen indruk, noch eene gevolgtrekking van eene opvatting der algemeene orde (volgt motivering hiervan) De zedenwet is dus niet en kan niet zijn eene afgeleide wet, zal zij de voorwaarden van onveranderlijkheid en algemeenheid hebben, die wij gevoelen, dat haar wezen uitmaken, dan moet zij rusten op een bewaarheid, duidelijk onbetwistbaar voor allen zonder uitzondering, waarneembaar feit, een feit, dat ieder mensch in zich zelven bekrachtigd vind. Bestaat dit feit? Ja dit feit bestaat hierin, dat een mensch vrij, en verantwoordelijk wezen is…Als zoodanig verzet elk menschelijk wezen zich tegen alle dwang, tegen alle geweld onder welken vorm. Vandaar het gevoel van waarde, van achting, die hij zichzelven toedraagt. Maar die achting voor zichzelven eischt de mensch van den mensch voor zijn persoon…Dit is de oorsprong van het recht en den plicht, die niet anders is dan het recht, dat wij in anderen erkennen. Alle zedekundige voorschriften ten opzichte van zichzelven en van anderen spruiten voost uit die dubbele achting voor den menschelijke persoon... Diezelfde waardigheid, zoodra zij tot ideaal wordt verheven, voltooid of voleindigt de redelijk orde. Vandaar dat de grondslag der zeden niet alleen een regelende grondslag is, maar een grondslag van handelen wordt…een grondslag o.m. van zelfopoffering, van een verwezelijking van het recht en de rechtvaardigheid.

(16) Het geweten is dus niet een onzeker, onbepaald, geheimzinnig vermogen, maar een duidelijk verklaard gevoel en begrip. Ziedaar in mijn oog de geheele zedekunde met haar onderscheidingsvermogen van het goed en kwaad, hare verplichting, hare bekrachtiging en hare werkdadigheid…

Uit een lezing gehouden in het jaar 1872.

…Niemand kan de oogen sluiten voor de troostrijke waarheid van het verleden, dat elke overwinning, die de vrijheid der individuen en algemeen menschelijke behoefte tegen dwang en zelfzucht tot erkenning bracht duurzame vruchten heeft geschonken. De zaak van beschaving en vooruitgang, vroeger tot eigen kring beperkt, wordt hoe langer zoo meer de zaak der geheele menschheid… uit een lezing, gehouden in het jaar 1875.
Wij moeten mensch zijn, om het humanisme te betrachten. De middelen van een goedwillend mensch daartoe zijn in de eerste plaats de arbeid, niet alleen voor zijn stoffelijke behoeften, maar vooral voor de ontwikkeling van zijn geest en van zijn hart tot heil der menschheid (tweede middel: beoefenen der liefdadigheid: derde middel die der geselligheid). De mensch moet altijd naar arbeid in zedelijken en geestelijken zin zoeken, dat sterkt hen. Het leven is te korstondig en te ernstig, om het te verbeuzelen.
Uit een rede, gehouden op 30 december 1904.
…Wij moeten onze stem blijven verheffen voor volksontwikkeling en voor volksbeschaving en vooral ook tot verdediging van ons openbaar neutraal onderwijs. Bovenal tegen den gruwel van den oorlog. De waarheid zal eindelijk zegevieren. In de ontwikkeling van den mensch (17) ligt de toekomst van der wereld. De eene mensch vindt zijn kracht in de liefde en vriendschap van den ander: het ideale spiegelt zich nergens zuiverder af dan in een menschelijke ziel die lief heeft…eens zal het zoover komen, dat de beschaafde volken niet langer willen zijn de weerlooze kudde, die op een machtbevel zich ter slachtplaats laat leiden. Misschien verbergt de toekomst ontzettende geheimen en wie weet, welke vreeselijke conflicten nog zullen komen eer het vrede op aarde zal zijn. Maar eens toch zal de vrede komen; de vrede met onze medemenschen, de vrede in ons zelven…

Uit zijn laatste rede gehouden op bijna 80-jarigen leeftijd, [maart, april? Moeilijk leesbaar] 1906.
(na eerst den mensch te hebben geteekend, wiens hoogste streven is: het najagen van zinnelijk genot stelt hij daar tegenover) den werkzamen mensch, vergrijsd in den dienst der nuttige bezigheden. Deze miskent geenszins de genietingen der wereld. Toch heeft hij een hoogere behoefte: hij weet, dat werken en denken zooveel beteekend als leven. Daarom is krachtig en zelfstandig denken, ijverig, verstandig en nuttig werken in het belang van de algemeene zaak der menschheid mede te arbeiden, welwillendheid te bewijzen voor hem: leven… En als eenmaal de dood ook hem wenkt zal zijn nakomelingschap hem in eere blijven gedenken en met deze woorden zegen over zijn graf spreken: “Gij hebt niet tevergeefs geleefd.” Heeft hij zichzelf niet met deze woorden gekenschetst? En hier volgen dan nog eenige uitlatingen voor in den familiekring, gericht tot zijn kinderen”weerspiegeling van eigen leven.
(18) ‘Labor ipse voluptas’ een kernwoord van Van Rauke is mij uit het hart gegrepen.-
Ulrich von Hütten’s: ‘Leben ist arbeiten, wie konn ’t ich tem leben ohne zu arbeiten?’zou ook voor mij ’n raadsel zijn. Werk zoo lang het dag is, later na dit leven komt een tijd van rusten.-
Het werk mag mij nooit de baas worden, maar ik wel het werken, men vroeg mij eens, ‘waar haal je toch den tijd voor al dat werken vandaan’,- waarop ik antwoordde: den tijd, die de menschen weggooien, raap ik op.-
In het zweet des aanschijns zult ge uw brood eten mag nooit als straf worden uitgelegd.-Werken is te edel, dan dat het ooit den kinderen als straf mag worden opgelegd.-
Stel nooit iets uit tot den dag van morgen, wat ge nog denzelfden dag kunt doen,-
Doe wat je doet goed.-
En empirische methode is ook een methode; zij leidt alleen langzamer naar het beoogde doel.
Zeg nooit, ik kan niet,-
Pouvoir c ‘est vouloir.-
Je veux is steeds onder de moeilijkste omstandigheden zegde richtsnoer van mijn leven geweest.
De maçonnerie gaf wijding aan mijn leven.-
Wilt ge het leven waarderen, kijk dan nooit naar hen, die boven, maar naar hen die beneden je staan.-
Tout savoir, c’est tout pardonner.-
Wees altijd zacht in je oordeel; veroordeel niet te snel wees nooit haatdragend; spreek nooit kwaad.-
(19) Verder nog eenige losse gezegden:
Ik heb altijd ernaar gestreefd in den vorm te blijven en in een debat den goeden toon te bewaren.-
De oorlog is een gruwel. Uit den oorlog, die zoo iets afschuwelijks is, die de slechtste hartstochten van de menschen opwekt, kan nooit iets goed voortkomen.-
De vrouw als hoofd van den staat moet wetten bekrachtigen waarom mag de vrouw dan niet meewerken, bij het maken dier wetten?.-
Het toekennen van algemeen kiesrecht-zoowel aan mannen als aan vrouwen zal een daad van gerechtigheid zijn, waaraan niet te ontkomen is.-
Ik ben pacifist in hart en nieren.-
Oud worden is geen verdienste, maar een voorrecht.-
Het leven is te ernstig en te kort, om het te verbeuzelen.-
De dood heeft niet de minste verschrikking voor mij, omdat ik meen hier op aarde naar mijn beste weten mijn plicht te hebben vervuld ten opzichte van mijn gezin. Mijn medemenschen de stad mijner inwoning en de maatschappij.-
De groote taak, die wij ons moeten opleggen, is mensch te zijn, het humanisme te betrachten.-
Kinderen liefhebben is kinderen begrijpen.-
Het volk, dat het meest tegen zijn taal zondigt, is het Nederlandsche. (onder het schrijven vallen mij nog tientallen uitingen in, die o.m. er op wijzen, hoezeer hij vervuld was met de problemen van zijn tijd. Ten slotte nog dese: ) er gaat niets boven mijn oud Leeuwarden.- Van de Leeuwarders ondervond ik nooit anders dan goeds.- Hier in het bevolkingsregister sta ik ingeschreven als Amsterdammer, in mijn hart ben en blijf ik Leeuwarder.-

(20) Betrekkingen. Lidmaatschappen.

Ambtenaar aan de Provinciale Griffie van Friesland. Hoewel mijn vader reeds werkzaam was op journalistiek en politiek terrein, vóórdat hij den eersten stap zette op de laagste sport van de ambtelijke ladder, wil ik de rubriek van de door hem bekleede betrekkingen openen met de functie aan de Provinciale Griffie van Friesland, omdat deze zijn voornaamste ambt was, die tevens zijn geheelen verderen levensloop heeft bepaald.
Zou het niet aan zijn voortreffelijke leerschool bij deurwaarder Harmsen te danken zijn geweest, dat hij uit de vele sollicitanten benoemd werd tot buiten gewoon ambtenaar aan de Prov. Griffie op 2 januari 1850? (zie voor zijn staat van dienst onder bijl I).
Hij werd geplaatst aan het hoofd van een nieuw bureau speciaal opgericht tot uitroering van eenige reglementen ter bestrijding van de in het jaar 1847 uitgebroken besmettelijke longziekte onder het rundvee, die den geheelen veestapel bedreigde. Van den tijd af leverde hij de jaarlijksche overzichten hier van aan de landhuishoudkundige congressen, in wier verslagen ze werden opgenomen en van tijd tot tijd ook aan het maandblad ‘De Boerengoudmijn’. (Ontleend aan twee art. van zijn hand over ‘Veeziekten in Friesland’in de Leeuw.crt. van 8 en 15 mei 1911) Van zijn aanstelling af heeft hij medegewerkt aan de jaarverslagen van den toestand der provincie Friesland en na zijn bevordering tot commis in het jaar 1865 werd dit onder zijn leiding samengesteld. Twee jaar daarna volgde zijn benoeming tot chef van de eerste (hoofdbureau (21) kabinet van den C.d.K betreffende uitvoering van allerlei wetten, handel, scheepvaart, nijverheid, fabriekswezen enz. militie) en derde afdeeling (statistiek, onderwijs, armwezen, medische politie, verkiezingen enz)
Van dien tijd af begonnen de dagelijksche besprekingen van de agenda met den gouverneur, later genaamd commissaris. Alle belangrijke uitgaande stukken elk kabinetschrijven concipieërde hij en deze werden zooveel mogelijk denzelfden dag verzonden. Op de dienstreisen door de provincie, waarbij alle gemeenten in de loop van vier jaar moesten worden bezocht, vergezelde hij altijd den gouverneur. m.m. den commissaris. Wat heeft hij, de groote natuurliefhebber, dan na lange, vermoeiende dienstreis over talrijke problemen genoten van de rijtoeren door Frieslands wouden, langs het meerengebied en van de prachtige zonsondergangen. Door deze tourbeurten kwam hij in aanraking met alle gemeentebesturen en met de meeste bevolkingsgroepen, leerde hij hun wenschen, belangen en nooden kennen verwierf hij een uitgebreide kennis omtrent alles, wat de provincie betrof.
In alle belangrijke gebeurtenissen, waarbij de provincie was betrokken, had hij een werkzaam aandeel. Heel wat conferenties en correspondenties gingen vooraf aan de opening van de eerste Friesche spoorlijn Leeuwarden-Harlingen op 14 october 1863, waarbij het geheele ministerie met Thorbecke aan het hoofd tegenwoordig was. (zie hierover zijn twee artikelen, getiteld ‘Ter herinnering’ in het handelsblad van 13 en 15 october 1903). Als secretaris van de commissie tot voorbereiding van de (22) ‘feestelijke inwijding ‘ van de nieuwe, de Willemshaven van Harlingen op 1 juni 1877, waaraan gepaard ging de officiëele opening van de spoorlijn Nieuweschans. Ihrhove (in october 1876 reeds in werking gesteld? moest hij bergen werk en kosten tijd verzetten. Dank zij de voortvarendheid en ’t uithoudingsvermogen van alle commissieleden kon, in weerwil van tegenspoed alles tijdig gereed zijn voor de plechtige ontvangst van prins Hendrik (de koning had op het laatste oogenblik moeten afzeggen wegens doodelijk ongesteldheid van de Koningin) en vele autoriteiten uit geheel Nederland en West-Duitschland. (behalve zijn verslagen hierover in Leeuwarder Courant van die dagen is dit alles nog eens beschreven in het feuilleton: Vorstelijke bezoeken aan Friesland in de negentiende eeuw ingenoemden courant, februari – maart 1903). Het was bij deze gelegenheid dat mijn vader benoemd werd tot ridder in de orde van de Eikenkroon (bij besluit van 1 juni 1877). Hertog Peter van Oldenburg onderscheidde onderscheidde hem met het ridderkruis van verdienste (bij besluit van 31 december 1880).
Jaren tevoren was hij in zijn qualiteit van chef van het bureau voor de statistiek evenals zijn ambtgenooten in de andere provinciën tegenwoordig geweest bij het internationaal statistisch congres te ’s Gravenhage (in het jaar 1869) waar coryfeeën als Leroy Beanheu, Laboulay, Engels, Wirth het woord voerden. Het hoogtepunt was wel de ontvangst van Koningin Sophie op het Huis ten Bosch, die in dit cosmopolitisch gezelschap elken afgevaardigde in diens taal toesprak met al de innemendheid, waarover zij beschikte en wat op allen een onvergetelijken indruk maakte. (overgenomen uit de Leeuwarder Courant van 4 september 1913) (23) Tien jaar later werd hij aangezocht zitting te nemen in de commissie tot voorlichting van de Regeering omtrent Volkstellingen en omtrent een nieuwe regeling der bevolkingsstatistiek.
Deze vergaderingen werden in den Haag gehouden en om het vele heen en weer reizen te voorkomen installeerde hij zich met zijn gezin gedurende dien tijd in een hotel te Scheveningen. De avondconcerten in het Kurhaus – na een heerlijke wandeling langs het strand, waar ‘de zee met haar machtige golven en de onvergelijkelijke zonsondergangen’ hem telkens opnieuw fascineerden - sloeg hij zelden over. Dit verblijf maakte bij zich mede ten nutte, om enkele zittingen van de Tweede Kamer bij te wonen. (het was in de nadagen van het ministerie Kapperijke) en de Liberale leden, van wie hij de meesten kende, op te zoeken, om met hen eenige voor Friesland belangrijke aangelegenheden te bespreken – ten zware ramp trof de bevolking van Paesens en Moddergat, toen in een ongekend hevige najaarsstorm nagenoeg de geheele visschervloot met bijna de voltallige bemanning verging (in 1883). Tot leniging van den nood van de talrijke weduwe en weezen werd een algemeen fonds in het leven geroepen. De commissaris werd voorzitter en mijn vader lid en secretaris van de commissie, die het beheer over het fonds zou voeren. Na een dergelijk onheil overkomen aan de vloot van de visschers van Wierum, precies tien jaar erna, werd een nieuwe opgericht fonds hetzelfde bestuur opgericht.
Hoeveel werk, vooral in de eerste tijden hieraan vast zat, het haalde niet bij de vele en velerlei bemoeiingen die aan de bezoeken van leden van ons Koninklijke Huis en van andere vorsten voorafgingen. (Bijzonderheden vermeld in (24) het vorengenoemde feuilleton; Vorstelijke bezoeken enz) Ten slotte wil ik nog een gebeurtenis uit zijn aan afwisseling zoo rijken ambtelijken werkkring mededeelen. Friesland was omstreeks de jaren 1890 te prooi aan een groote malaise, welke nog in omvang toenam door herhaalde misoogsten. Dit had ten gevolge, dat hier en daar onrust werd verwekt door hen, die het meest te lijden hadden onder deze abnormaal economische dépressie. Vooral in de gemeente Opsterland, in de Veenpolders onder Beets en Terwispel, waar de bevolking het ergst gebukt ging onder een onbeschrijflijke armoede, kwam het tot opstootjes en tot verzet tegen het wettelijk gezag. De jonge socialistische partij, die hier een vruchtbaar arbeidsveld vond, maande aan tot werkstakingen. Om op alles voorbereid te zijn, wendde de commissaris zich tot de Regeering voor militaire bijstand. Eenige detachementen infaneris en cavalerie werden naar Gorredijk en Beetsterzwaag gedirigeerd, waar de stof gelegerd werd op het landgoed van de familie van Harinxma thoe Slooten. Dank zij het tactvol optreden van den C.d.K, die met militaire en rechterlijke autoriteiten en met den chef van de 1e afdeeling onmiddellijk naar het terrein van de woelingen was vertrokken, duurde het niet lang of de rust was hersteld. De militairen behoefden, nadat een enkele charge was uitgevoerd en eenige ‘raddraaiers’in verzekerende bewaring gesteld waren, alleen eenige weken patrouille diensten te verrichten. In twee uitvoerige rapporten, opgesteld door mijn vader werd de minister van Buitenlandsche zaken in kennis gesteld van het gebeurde, onder toevoeging van een afzonderlijk memorie, houdende een plan tot verbetering (25) van den zeer deplorabelen toestand. (rapporten gedateerd 19 en 23 april 1890)
De bestudeeringen toepassing van nieuwe en gewijzigde wetten, voornamelijk op sociaal gebied, die den nieuwe tijd inluidden, wier strekking voor het meerendeel overeen kwam met zijn denkbeelden, verleende aan zijn werkzaamheden gedurende de laatste twintig jaar van zijn ambtelijke loopbaan een byzondere attractie.

Als hij op zijn dagelijkschen gang naar de kamer van de commissaris ter bespreking van de agenda de koffiekamer van de stateleden passeerde, zal zijn oog wel eens gevallen zijn op de boven den deur geplaatste waarschuwing: ‘De tiid haldt zin skoft. Tot die erkenning moest hij ongetwijfeld komen op den dag, dat hij vijftig – om een uitdrukking van hem te herhalen - ‘naar zijn beste weten de provincie heb gediend: al drie jaren heeft hij van de zijde van zijn chefs, den gouverneur mr.J.E. Baron Panhuys, den commissaris mr. B.Ph. Baron van Harinxma thoe Slooten, van de griffiers mrs van der Laan, J.G. van Blom en in het bijzonder van mr. C.B. Menalda en van drie van zijn mede ambtenaren last but not least, nooit anders dan waardeering en medewerking ondervonden. Wegens rouw in ons gezin had hij verzocht geen aandacht te schenken aan zijn vijftig jarig ambtsjubileum. Zijn verrassing was daarom des te grooter, toen een commissie hem verzocht zich onder haar geleidde naar de statenzaal te begeven, waar de voorzitter, de Gedeputeerde staten en de Griffie in buitengewone vergadering bijeen waren. In zeer hartelijke bewoordingen huldigde de commissaris “den bekwamen trouwen ambtenaar en na de aanbieding van een (26) prachtig artistiek bewerkt zilveren schenkblad, met aan de keerzijde gegraveerd het Friesche wapen en inscriptie, een geschenk van hen allen, beëindigde hij zijn rede met de mededeeling, dat binnenkort het besluit zou afkomen van de bevordering tot het nieuw gecreëerde ambt – van hoofdcommies van den jubilaris. ‘Ik was er geheel beduusd van’, vertelde hij ons later. In den middag volgde een gezellige samenkomst met de ambtenaren; waarbij hem in proza en poëzie hulde werd gebracht voor zijn medeleven met hen in hun ambtelijke en huiselijke omstandigheden. Uit hun allernaam en uit die der boden werd hem een fraai beeld op piedestal, een sieraad voor onze woning, ten geschenken gegeven. Geheel onder den indruk van deze hem zoo overrompelde eerbewijzen, viel het hem eerst moeilijk in beide bijeekomsten in zijn dankwoord uiting te geven aan zijn gevoelens van diepe erkentelijkheid en innige dankbaarheid voor al die bewijzen van sympathie. Hij hoopte nog eeuwige jaren in den gelegenheid te zijn, in zijn nieuwe rang met de daad te toon, dat deze onderscheiding niet geheel onverdiend was. Dit werd hem nog ruim negen jaar vergund. Toen de commissaris om gezondheidsredenen aftrad, was ook voor hem de tijd gekomen zijn ambt neer te leggen. Met ingang van 1 september 1909 werd hem op zijn verzoek eervol ontslag verleend, ‘onder dankbetuiging voor de langdurige en goede diensten van hem aan de provincie Friesland bewezen.’

Secretaris van de Kamer van Koophandel.
Vermoedelijk is het toe te schrijven aan vorengenoemde ambtelijke werkzaamheden, dat toen moest worden voorzien in de vacature van secretaris van de Kamer van Koophandel (27) moest worden voorzien, de keuze op hem viel. (in het jaar 1873).

Deze functie heeft hij altijd met het meeste genoegen vervuld, omdat zij hem in aanraking brachten met namen van kunde, durf en energie.
Naarmate de handel toenam, werden de jaarverslagen dikker en de daarin opgenomen statistieken talrijker, met gevolg dat de samenstelling steeds meer tijd en moeite vorderde. Menigmaal vergezelde hij den president naar de algemeene vergaderingen, waar de afgevaardigden van alle kamers bijeen kwamen ter bespreking van belangrijke onderwerpen. Zoo o.m. die in het voorjaar van 1898 te Utrecht werd gehouden, waar hij deelnam aan de beraadslagingen ter vaststelling van een schema voor een algeheele reorganisatie van de kamers. Dit schema werd den 14en juli de Koningin Regentes, in bijzijn van de jonge koningin, gedurende een audiëntie te Soestdijk aangeboden. In tegenstelling met de ceremoniëele ontvangst ten paleize door de van hun waardigheid bewuste hofdignitarissen en de begeleidende lakeien in statie gewaad, (dit alles deed mijn vader terugdenken aan een scene uit “madame sans géne) was de begroeting door de Regentes, zoo vriendelijk en inconventioneel mogelijk. H.M. had zich terdege voorbereid wat bleek uit de deskundige vragen, die zij tot elk der aanwezigen richtte. Voor zich terug te trekken, gaf de moeder een wenk aan haar dochter, die daarop ieder de hand reikte, en ten slotte aangekomen bij den aanbieder van het schema uit eigen beweging hem met haar melodieuze stem de verzekering gaf, dat zij door het gehoorde eenig begrip had gekregen van de werkzaamheden der kamers.

(28) Bij zijn 25 jarig jubileum en nogmaals tien jaar later mocht mijn vader vele blijken van waardeering in ontvangst nemen. Op den 1sten october 1909 werd hem in gevolge zijn verzoek “Op de meest eervolle wijze ontslag verleend onder dankbetuiging voor zijn vele en velerlei en belangrijke werkzaamheden als secretaris der kamer gedurende een tijdvak van bijna zes-en-dertig jaren’.

Journalist. lid van de liberale Partij.
De journalistieke arbeid en politieke activiteit van mijn vader vloeiden zoo in elkaar over, dat het niet mogelijk is, de een los van de ander te bespreken. In den aanhef van een artikel over de Aprilbeweging van 1853, opgenomen in het Handelsblad van 20 mei 1913. wijst hijzelf op dit samen gaan in de volgende bewoordingen: ‘als lid van het verkiezingscomité uit de liberale vereeniging ”vooruitgang” en als correspondent van twee Hollandsche liberale bladen had ik alles te volgen wat in die dagen in Friesland voorviel’.

Van huis uit liberaal en door zijn oudere broers in de liberale beginselen ingewijd, ving hij reeds in zijn leertijd onder een pseudoniem stukjes naar de liberale bladen te zenden. Die belangrijke politieke gebeurtenissen tusschen de jaren 1840-1848 leefde hij met hart en ziel mee. In den huiselijken kring werden de geschriften van liberale voorgangers in binnen en buitenland voorgelezen en besproken, waaronder die van den ‘aangebeden vrijheidsheld Thorbecke’ in de eerste plaats. Als plaatsvervangend correspondent van het Handelsblad werd hem opgedragen in dagelijksche berichten verslag te leveren van het zg. broodoproer, dat op 24 juni 1848 en volgende dagen (29) in Harlingen, Leeuwarden en andere plaatsen was uitgebroken. Het begon in Harlingen, waar het armste deel der bevolking niet alleen in verzet kwam tegen de onrustbarende prijsstijging van de eerste levensmiddelen, bovenal het brood- een gevolg van de over geheel Europa heerschende aardappelziekte- maar voornamelijk tegen den uitvoer van de weinige gezonde aardappelen, die in de haven ter verzending naar Holland gereed lagen. Vandaar sloeg het over op Leeuwarden; (In eenige feuilletons in de Leeuwarder Courant van 12/19 April 1900 heeft hij nog eens het geheele verloop beschreven, ook zijn persoonlijk aandeel hierin als ‘rustbewaarder’, die –ofschoon hij gelijk velen van zijn wapenbroeders, nooit een geweer in handen had gehad, dus ‘wel strijdvaardig, maar niet schietvaardig was’, tot taak had de inwoners te beschermen en de belhamels gevangen te nemen.)

Dat hij deze opdracht tot tevredenheid van de hoofdredactie heeft volbracht, valt af te leiden uit de spoedig hierna volgende aanstelling tot vasten correspondent. Hiermede werd een band gelegd tusschen de directie en redactie van dit blad en mijn vader, welke eerst met zijn dood zou worden verbroken.
Toen eenmaal de aandacht op hem was gevestigd, verkreeg hij de eene aanbieding als zoodanig na de andere. Zoo was hij correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant (van 1851-1909), van de Nieuwe, daarna van de Provinciale Groninger Courant (van 1858-1897), van het Vaderland (1869-1905), korte tijd van het Dagblad van ’s Gravenhage en van de Arhemsche Courant, verder medewerker aan de Gemeentestem, het weekblad van Burgerlijke administratie, van Gemeentebelangen, Economist e.a. (30) Hierbij is het echter niet gebleven. Reeds in october 1848 was hij den zeer vooruitstrevende hoofdonderwijzer J.F. Jansen te Harlingen sub rosa (want in den tijd mocht een ambtenaar niet voor zijn politieke overtuiging uitkomen) opgenomen in de redactie van de Provinciale Friesche Courant, die in 1862 overging in de Friesche Courant en waaraan hij verbonden bleef tot het jaar 1879. In hoofdartikelen en entrefilets, vaak geïnspireerd door liberale kamerleden en stadgenooten, gaf hij zijn meening over alle belangrijke gebeurtenissen van dien tijd. De omstandigheden leidde er toe, dat hij deze functie, al die jaren met zooveel genoegen waargenomen, met ingang van 1 januari 1879 moest neerleggen. En wel om de volgende reden: Niet alleen van de Friesche, maar eveneens van de Leeuwarder Courant maakte hij, sedert zijn aanstelling tot verslaggever van het plaatselijke nieuws op 1 januari 1851 deel uit van de redactie. Drie jaar later droeg de directeur P. Koumans Smeding hem mede de verzorging op van de rubriek Kunst en letteren. Toen echter de Leeuwarder, die toenmaals driemaal in de week uitkwam, met ingang van de eersten januari 1879 als dagblad zou verschijnen, begreep mijn vader, dat hij onmogelijk beide betrekkingen kon blijven waarnemen naast zijn ambt aan de Provinciale Griffie. Hij stond voor een wel zeer moeilijke keuze.
Na een openhartig onderhoud met den uitgever- directeur W. Sprenger besloot hij ‘na rijp beraad en met bezwaard gemoed’ zich uit de redactie van de Friesche Courant terug te trekken. Tot dit besluit zal ongetwijfeld hebben bijgedragen het beroep, dat de heer Sprenger op hem deed, De (31) erven Koumans Smeding niet in den steek te laten juist op het critieke moment. waarop de courant een vuurproef zou moeten doorstaan. Dank zij de dubbele inspanning van allen is na deze reorganisatie de courant voortdurend in groei en bloei toegenomen. Mijn vader heeft nooit de keuze berouwd, evenmin de directie, wat overtuigend bleek op den dag, dat de eerste huldiging van de laatste in ontvangst mocht nemen. Dit gebeurde op Nieuwjaar 1901, den dag waarop hij vijftig jaar geleden zijn functie als verslaggever aanvaardde.

Nog steeds onder den indruk van het heengaan van zijn schoonzoon had hij tegenover niemand, de huisgenooten incluis, een woord gerept over dezen gedenkdag. Juist toen hij op het punt stond naar de Griffie te gaan werd een monumentaal bloemstuk met een kaartje van de familie Sprenger bezorgd, later in de morgen nog gevolgd door een bloemenhulde van de redactie en van de zetterij ons aller verrassing was natuurlijk niet gering, maar zij werd nog groter, toen in den namiddag de heer en mevrouw W. Sprenger met hun kinderen hem persoonlijk hun gelukswenschen kwamen brengen onder aanbieding van een prachtig geschenk. Onvergetelijk blijft voor mij de toespraak van den ouden heer Sprenger waarin hij den ouden vriend diep bewogen den dank overbracht van vier generaties, die hij met zijn uitzonderlijke gaven , zijn helder verstand, zijn klaar doorzicht, zijn onuitputtelijke werkkracht, zijn journalistiek talent, in onbezweken trouw en aanhankelijkheid gedurende een menschenleeftijd ter zijde heeft gestaan, juist bij den tijd, dat de Leeuwarder tot groote ontwikkeling kwam, van een drie keer per week verschijnend blaadje tot dagelijk uitkomend orgaan voor de geheele (32) provincie uitgroeide.
Mijn vader was zoo ontroerd, dat het eenige minuten duurde, voordat hij in staat was, de rede van den heer Sprenger te beantwoorden. Na eerst de nagedachtenis te hebben geëerd van diens voorgangers, de directeuren P.Koumans Smeding en H.G. Knosse, richtte hij woorden van zinnigen dank tot den tegenwoordigen directeur, van wien hij al de jaren, dat hij aan het bewind is, ondubbelzinnige bewijzen van waardeering voor zijn arbeid, van hartelijke toegenegenheid voor zijn persoon in ontvangst mocht nemen, die hem vaak tot stem is geweest in moeilijke levensomstandigheden en die hem nu zooveel lof heeft toegezwaaid, dat hij alleen kan zeggen, daarbij wijzende op het prachtige bloemstuk: trop de fleurs. In zijn dankwoord betrok hij ook mevrouw Sprenger-Knosse, de kleindochter, dochter en echtgenoot van vorengenoemden, die zoo geheel meeleeft met alles, wat ‘haar’ Courant betreft en met allen, die er aan verbonden zijn, de ideale vrouw en moeder, de weldoenster van velen, die ‘belast en beladen zijn’ en verder de vierde generatie, die hij al meemaakt, van hun tegenwoordigheid onder wie de oudste zoon, die zijn vader met kennis en energie ter zijde staat. (zoo ongeveer was de inhoud van beide redevoeringen, opgeteekend kort nadat ze waren gehouden). In een gezellig napraatje, waarbij de heeren Andriessen en Landstra, afgevaardigden van redactie en zetters personeel zich aansloten, werden veel oude herinneringen vooral uit het gedenkwaardige jaar 1879 opgehaald, waaraan mijn vader nog menig onbekend voorval uit zijn eersten tijd kan toevoegen. – Jaren na zijn heengaan vond ik (33) in een nooit te voren opgemerkt vak van een ouderwetschen lessenaar, juist voordat ik deze van de hand wou doen, o.m. een lijst van al zijn betrekkingen, eenige redevoeringen en een oud almanakje, met een gedurende eenige jaren bijgehouden dagboek. Achter den 1en januari 1901 “een van de gelukkigste dagen uit mijn leven. Onvermoed, daardoor des te verrassender de huldiging van allen, betrokken bij de Leeuwarder, bij 50-jarige dienstvervulling. Onvergetelijke herdenkingsrede van den ouden heer S. te midden van zijn en mijne familie bij ons thuis. Allen zeer ontroerd”.
Nog zes jaar zou hij aan de redactie verbonden blijven. Vier dagen voor zijn 81ste verjaardag, een dag voor het weerzien na twaalf jaar van zijn oudsten zoon, die met vrouw uit Indië was overgekomen, werd hij overvallen door een vrij ernstige ziekte, waarvan hij w.i.w. herstelde, maar die toch merkbaar sporen had achtergelaten.
Er was nu geen ontkomen meer aan, hij moest, wat wij al zoo lang wenschten, een deel van zijn zeven betrekkingen neerleggen. Voor het begin van het drukke seizoen diende hij zijn aanvraag om ontslag bij de ‘erven Koumans Smeding’ Het afscheid is hem zwaar gevallen, al erkende hij de noodzakelijkheid van een wat meer rustiger leven. Vaak heb ik mij afgevraagd, hoe het mogelijk is geweest, dat hij naast zijn ambtelijke en andere betrekkingen, en functies een zoo omvangrijke taak bij de Leeuwarder heeft kunnen vervullen. Want dat deze veel beslag op zijn werkkracht en zijn tijd legde, moge blijken uit een globaal overzicht van wat tot zijn werkzaamheden behoorde. In den eersten tijd was hem opgedragen het ‘verslaan van (34) alle dagelijksche gebeurtenissen, later beperkt tot het leveren van verslagen van vergaderingen en bijeenkomsten van eenig belang van lezingen, tentoonstellingen, harddraverijen en hardrijderijen en van zoovele incidenteele voorvallen als jubilea en overlijden van vooraanstaande stadgenooten (Langen tijd vertaalde hij alle ingekomen buitenlandsche telegrammen).
Kolommen druks zijn gevuld met vaak humoristische beschrijvingen van wat er op de kermis te zien, te genieten en te bewonderen viel, vooral in de jaren, toen deze dubbel zoo lang duurde dan de tegenwoordige en nog het oude karakter van een jaarmarkt had, waar Hollandsche en zelfs buitenlandsche firma’s in de mooiste kramen op de beste plaatsen van de ‘Lange piep’ hun waren uitstalden.
Om te ontvluchten aan de tot ons huis doordringende cacophonie van allerlei instrumenten, die eerst na keuring op de menigte mocht worden losgelaten, voor zoover ze naar het oordeel van een politie inspecteur aan zeer minimaal gestelde eischen voldeden maakte mijn vader vlak voor de officieële opening een rondgang en dan kwamen uit al die tentjes en kramen de menschen aangeloopen, om hem als een oude, goede kennis de hand te drukken. En het kostte heel wat moeite, ze duidelijk te maken, dat hij ‘De kleine geschenken, die vriendschap onderhouden’ en die hem zoo gul aanboden, niet mocht aannemen. Bij het afscheid klonk het steevast uit alle monden: ‘Krijgen wij een mooi stukje in de krant?’ Als dan den volgenden morgen klokslag negen uur de jongen van de Leeuwarden de ‘compie’ met het ‘mooie stukje’ kwam halen, dan gebeurde het dikwijls, dat mijn vader zelf hem dit overreikte en dan zoo onder de hand vroeg (35) wat hij het mooiste van de kermis vond. Dit interview leverde hem de stof voor een volgend artikel en stelde den jongen in de gelegenheid tot een extra rit in een of ander, ‘draaiend spul’, of een bezoek aan de dikste dame, aan een varken met twee koppen en zes pooten, of aan andere abnormaliteiten, ook wel tot een paar slagen op den kop van Jut, naar gelang van zijn voorkeur. Voor den interviewer had de kermis eveneens zeker attracties in petto: om een middagvoorstelling in het circus Dassie-Verdi, later bij carré of Corty. Althoff, waar hij temidden van een enthousiaste kinderschaar niet minder dan deze genoot van de grappen en grollen van de clowns, van de goocheltoeren van den ouden of jongen Bamberg en vooral van de prachtige paardedressuur, eulimineerend in het hoogeschool rijden door de vrouw van de directeur: verder de poffertjes en wafelkraam van Vulsma of Consael, na het met zeer matig genoegen bijwonen van een der vele draken, als Jeanne de gevloekte, gasten van Frankrijk of de man met het ijzeren masker, Fridolin of de gang naar de ijzersmelterij- waarmee de uit Holland met eigen tenten overgekomen tooneelgezelschappen, waarin meespeelden tooneelisten van den eersten rang-zooals Peters, Haspels, Kleine - Gartman, Cath. Beersmans de bouwmeesters, de Faassens- vollere zalen trokken dan met de tot hun vast repertoire behoorende- treur- & blijspelen uit de klassieke romantische school.
Wat hij mij vertelde van een allergrappigst vooraval op den laatsten avond van een der kermissen wil ik zoo beknopt mogelijk hier inlasschen. Na afloop van – als ik mij goed herinner- een opvoering van “de twee weezen” had een niet geheel nuchtere bezoeker zich bij een der uitgangen van de tent met een zakmes in de hand (36) geposteerd, in afwachting van de komst van den “Schurk en verleider van de belaagde onschuld” die hij als wreker het leven wou benemen. De ‘Komiek Judels’, die den “verrader”(zooals hij in den volksmond heette) Veltman vergezelde, zag het “gevaar” in met donderende stem beval hij “den ‘wreker’ het moordtuig aan hem te geven, dan zou hij ‘dien schoft wel morsdood door zijn verdorven hart steken”. De man geheel geïntimideerd, gaf het mes: Veltman kreeg zijn verdiende loon en viel met een oorverscheurende kreet ter aarde. Een agent die in looppas kwam aangerend, om de steeds aangroeiende menigte te verspreiden, kreeg de opdracht “mijnheer een vrijkaartje te offreeren voor de nachtvoorstelling”. Zooals van Judels te verwachten was, heeft hij deze scene, gechargeerd en aangevuld, verwerkt in een van meesterlijke lachwekkende créaties.
- Geen kermis, geen Koninginnedag, geen verkiezingstijd hebben hem zooveel te doen gegeven als de bezoeken van leden van het Koninklijk huis. Van het bezoek van Koning Willem III op 19 april 1852 en volgende dagen tot aan dat van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik van 25-27 september 1905, gevolgd door een kort verblijf van beiden in gezelschap van de koningin moeder ter gelegenheid van de onthulling van het standbeeld van ‘Us heit’ op 15 september 1906 heeft hij alles, wat de vorstelijke bezoeken in eenige betrekking stond, beschreven. (herinnering hieraan in een feuilleton getiteld: Vorstelijk bezoeken aan Friesland in de 19de eeuw in de Leeuw.crt. 27 februari-16 maart 1903) Al het voorgaande viel onder de rubriek “stadsnieuws”. Sedert zijn aanstelling tot kunstrecensent had hij mede tot taak van alle uitingen op kunstgebied-concerten, tooneelopvoeringen, tentoonstellingen van beeldende kunsten e.t.g.- een (37) beredeneerd verslag te concipiëeren (meestal dit na afloop onmiddellijk begonnen) en verder alles te redigeren, wat onder deze afdeeling behoorde.
Ik betreur het zeer, dat mij geen Leeuwarder Couranten ter beschikking staan, om een greep te kunnen doen uit de talrijke critieken. Zij mogen uit vaktechnisch oogpunt ten achter staan bij drie van de tegenwoordige critici, opbouwender en humaner waren zij ongetwijfeld. Dank zij de mij met zoo groote voorkomenheid verstrekte inlichtingen door den Gemeente-archivaris van Leeuwarden, den heer H.M. Mensonides, was ik wel in de gelegenheid kennis te nemen van een ten archieve aldaar berustende collectie programma’s en aankondigingen van gebeurtenissen op cultureel en vermakelijkheidsgebied over de jaren 1863-1903, afkomstig van den oudheidkundige J.T.Eekhoff.
Wel was het mij bekend, dat –afgescheiden van de medewerking van eenige beroemde solisten aan de oratoria uitvoeringen door de zangvereeniging “Concordia” (te danken aan de milddadigheid van onzen maecenas Jhr Ayso van Eysinga)- enkele kunstenaars van Europeesche vermaardheid hier zijn opgetreden, maar niet, dat zoovele corypheeïn, muziek- en toneel ensembles van naam, zelfs in het hartje winter hun kunst brachten naar- om de woorden van den Duitschen tooneelspeler Ernst von Possart, den gunsteling van den kunstzinnigen Koning Lodewijk II van Beieren te herhalen- “Het barre Noorden, waar echter reeds na het eerste bedrijf (van het treurspel Nacis van Brachvogel) de interlijke onbewogen, koele Friezen als warmbloedje Zuiderlingen zich ontpopten.”(zie verder bijl.II) De Leeuwarder Courant noemenden wij wel eens schertsend (38) “Vaders heilig huuske”, waaraan niet mocht worden geraakt. Alleen met haar door de traditie voorgeschreven strict neutrale houding ten opzichte van de binnenlandsche politiek welke zoo in flagrante tegenstelling was met de vaak scherpe wijze, waarop in haar kolommen de buitenlandsche gebeurtenissen werden besproken en veroordeeld (de boerenoorlog, de Dreyfus-affaire), kon hij zich moeilijk vereenigen.
Voor zijn overtuiging in politicis moest hij in woord en geschrift kunnen uitkomen. Reeds vroeg verschafte hem zijn relatie tot de Hollandsche bladen van Liberale kleur hem daartoe de gelegenheid. En verder kon in spreekbeurten, in correspondentie met partij genooten, onder wie verscheidene leden van de eerste en tweede kamer en bovenal in de Raadzaal gedurende zijn langdurig lidmaatschap van de Gemeenteraad hij overvloedig hieraan uiting geven.
Het liberale grondbeginsel van de geestelijke vrijheid van “erkenning en eerbiediging van de waarde der menschelijke persoonlijkheid”, gelijk I.J. Brugmans dit in zijn voortreffelijke biographie van Thorbecke schetst, vond in mijn vader een geestdriftige aanhanger. Zijn gehechtheid aan de liberale leerstellingen heeft hij nooit verloochend, zelfs niet op lateren leeftijd, toen een zekere opschuiving naar rechts te constateeren viel.
In de volgende bladzijden zal telkens uitkomen, hoe zeer ook hij heeft geijverd voor het recht van ieder mensch op de vruchten van eigen arbeid, voor vrijheid van het handel en nijverheid, voor neutraal openbaar onderwijs, voor betere levensvoorwaarden en ontwikkelinge van den arbeidende stand, kortom voor alles, wat het stoffelijk en geestelijk (39) welzijn van het geheele volk in den meest uitgebreide zin kon bevorderen.
Toen in het jaar 1870 in de liberale partij door het verzwakken van haar regeerkracht als gevolg van onverschilligheid en verdeeldheid in eigen boezem het gevaar dreigde van een splitsing tusschen de behoudende en vooruitstrevende elementen, schaarde hij zich aan de zijde van de laatsten, van Kappeijne, van Houten c.s. die in een nieuw programma hun denkbeelden hadden neergelegd omtrent uitbreiding van kiesrecht, van onderwijs, van staatsbemoeiing door invoeren van sociale wetten.
Het was ook in de jaren voor en na 1870, dat hij in briefwisseling stond met het Tweede Kamerlid, den lateren minister van Oorlog J.K.H. de Roo vna Aldersweselt. Deze kapitein, wegens zijn geavanceerde denkbeelden, die geen rekening hielden met de militaire hiërarchie en bureaucratie, voor straf overgeplaatst naar Leeuwarden, wist zich al spoedig in die mate de sympathie van de ingezetenen te winnen, dat zij hem in 1866 naar den Haag afvaardigden. (De levensloop van zijn geestverwant kapitein Thomson vertoont een opvallende gelijkenis met de zijne. Vgl het artikel “een nabetrachting over beiden van A.D. Hand 25 juli ’14) Uit diens brieven (de eenige correspondentie, die althans ten deele is gespaard gebleven en een plaats heeft gekregen in de Gemeente archief van ’s Gravenhage) blijkt, hoe hard mijn vader met mr.A. Bloembergen, mr. T. van Hettinga Tromp en andere vooraanstaande liberalen voor zijn verkiezing in 1866 en herkiezingen tot kamerlid heeft gewerkt. (in 1870 en ’74) “Nu de herkiezing is afgeloopen”schrijft hij in october 1874, “gevoel ik behoefte, U dank te zeggen van al hetgeen U tot (40) het welslagen mijner kandidatuur hebt gedaan. Zonder U zo de zaak waarschijnlijk niet en zeker niet zoo goed zijn gerensseerd.” In andere brieven verzoekt hij hem, onder het aangeven van eenige richtlijnen, artikelen in liberalen geest te schrijven in de Friesche Courant (“naar ik heb hooren verluiden zit U in de redactie”) van onderwerpen, die in de kamer zouden worden behandeld. In den brief van 24 december 1876 vraagt De Roo, wat hij denkt over de wet op het lager onderwijs en over de liberale situatie bij de a.s. verkiezingen “zijt gij”vraagt hij op 2 october 1877, “en de overige leading men in het district tegen de vereeniging minister-kamerlid, dan houdt alles op”en op 9 november d.o.v. vervolgt hij: “In elk geval hoop ik, dat gij die kaart van het land zoo goed kent, ook zult zorgen dat ik geen échec leide, dan doe ik beter, mij een kandidaat te stellen.” Ten slotte nog een aanhaling uit een brief van 1 December 1877: “Hartelijke dankzegging van al uwe moeite, gij hebt mij uitstekend op de hoogte gehouden. De strijd is zeer zwaar geweest. Maar welk een overwinning, Gij moogt U daar een goed deel van toeeïgenen…”
Waar het de belangen van Leeuwarden en geheel Friesland betrof riep mijn vader op zijn beurt de medewerking van De Roo in. Ook zijn medeleven in de liberale kies vereeniging stelden vertrouwen in hem. Zoo werd hij met mr. T. van Hettinga Tromp en P.H. van der Meulen in het jaar 1873 benoemd in een commissie, om middelen te beramen tot het doen samenwerken der onderscheidene liberale kiesverenigingen in het hoofddistrict Leeuwarden. Nadat de liberale kiesvereeniging zich had aangesloten bij de liberale unie, werd hij verscheidene malen tot afgevaardigde gekozen naar de algemeene vergadering. (41) Uit enkele redevoeringen die aan de algemeene vernietiging vóór onze verhuizing naar Amsterdam zijn ontkomen en waarvan de belangrijkste voor de Vereeniging Nijverheid zijn gehouden, wil ik mij wat langere aanhalingen permitteren, omdat zijn persoonlijkheid, zijn kijk op de maatschappelijke verhouding, zijn wenschen tot verbetering van de sociale toestanden hier het helderst worden belicht. Tot juiste waardeering van dit alles moge ik herinneren aan het Fransche gezegde: il faut juger les écrits d ‘après lens date. Grèves”,rede gehouden in de vereenigng Nijverheid in maart 1866, naar aanleiding van werkstakingen te Parijs, die gepaard gingen met hevige opstootjes: …”In mijn oog is de vereeniging van arbeiders om hooger loon te verkrijgen, een hun wettig toekomend recht en mag de uitoefening van dit recht niet worden beperkt of gestraft alleen dan wanneer geweldpleging of slechte manoeuvres ermede gepaard gaan”… “Alle verbodsbepalingen tegen arbeidsvereenigingen is een schreeuwende onrechtvaardigheid tegen de arbeidende klassen”…”Bekwaamheid tot arbeid is voor den arme, wat fonds is voor den kapitalist. Welnu honderd of duizend kapitalisten mogen zich tot een maatschappij of vereeniging vormen, al hun maatregelen gemeenschappelijk nemen en zoodanig over hunnen eigendom beschikken, als zij in hunne collectieve betrekking het voordeeligst achten voor hunne belangen, waarom zou het dan honderden of duizenden arbeiders niet vrij staan, om hetzelfde met hun fonds te doen? Van al de fondsen van eigendom, die iemand kan bezitten, zijn de vermogens van zijn geest en de krachten van zijn lichaam in de allereerste plaats zijn eigene en hem te binden in de (42) wijze, waarop hij deze vermogens en krachten moet uitoefenen of aanwenden is, het kan niet genoeg worden gezegd eene openlijke inbreuk op de onschendbaarste aller rechten een inbreuk, die alleen door eene onweerstaanbare noodzakelijkheid kan worden gerechtvaardigd.”… “Wijziging van de wettelijke bepaling tegen de vereeniging van arbeiders, zoowel uit het beginsel van rechtvaardigheid als uit dat van raadzaamheid zal een wijze en goede maatregel zijn”. … Zij leven in een tijd, waarin terecht is gedeserteerd de vrijheid van den arbeid maar wat beteekenis heeft die vrijheid, indien men er niet tevens aan verbindt der arbeiders?”…”Arbeidsloonen” Rede van dezelfde vereeniging gehouden in Febr.1869 “onder het motto: De 19de eeuw is de eeuw der arbeiders; het arbeidersloon is de grootste arbeiderskwestie (gladstone).
Hierin verdedigt hij de volgende stellingen:
1. Zal het volk niet gedemoraliseerd worden, dan mag het niet hoofzakelijk van het goedkoopste voedsel leven. Het mag dit slechts als hulpartikel bezigen.
2. Het arbeidsloon wordt niet bepaald door vraag en aanbod evenmin door gewoonte. Een en ander oefent er slechts invloed op uit.
3. De basis van elke loonshoogte moet zijn het tot onderhoud en voortplanting noodzakelijk voedsel, de zgn. levensstandaard.
4. Aan deze voorwaarde wordt in de meeste gevallen nog niet voldaan; de loonen moeten dus worden verhoogd.
5. Verhooging van loon zal nochtans den arbeider niet baten om het gewenschte genot der verhooging te kunnen hebben en om zijn levensstandaard inderdaad te kunnen verbeteren moet dit gepaard gaan met de ontwikkeling van den arbeider door een wezenlijk goed en nuttig stelsel van openbaar onderwijs. (43) Op 6 maart 1882 leidt hij op de meeting der Liberale Kiesvereeniging de vraag in: “Is herziening der grondwet noodzakelijk?” “In 1848, zoo vangt hij aan, “drong de tijdgeest tot het toestaan van het rechtstreeksche kiesrecht, in 1882 dringt hij veel verder en verlangt hij het algemeen kiesrecht”… of men het wil of niet: wij drijven er heen. Langzaam maar zeker schrijden wij voort op den weg, die tot het algemeen kiesrecht leidt. Elke beweging in tegenovergestelde richting kan wel eenig oponthoud en veel onrust veroorzaken, tot stilstand kan het voortschrijden niet meer worden gebracht. Denkbeelden ontstaan in een kring, die de elementen bevat voor hunne ontwikkeling, kunnen niet worden uitgeroeid, dewijl ze altijd opnieuw veld winnen, zoolang de elementen aanwezig blijven. Men noeme dit zoo men wil een ramp, maar trachte het ten goede te leiden. M.i. behoort de uitoefening van het kiesrecht zoo te worden ingelicht, dat zij in het meeste belang van de orde, de rust en de ontwikkeling der maatschappij het best beantwoorde aan de bestemming en van de oplevering van een volksvertegenwoordiging, welke afspiegeling is van de zedelijke en stoffelijke belangen van geheel het volk. De verkiezing der vertegenwoordiging behoort zoo te worden geregeld, dat zij den verkozenen maakt tot de zoo juist mogelijke uitdrukking van den volksgeest. Door middel van de verkozenen moet het volk de verscheidenheid van inzichten en belangen die het bezielen, kunnen kenbaar maken. De regeling van het kiesrecht moet bij grondwetsherziening aan den gewonen wetgever moeten worden overgelaten. Tot de rechten van een vrij volk behoort, dat het zijn staatsregeling volgens nationale grondstellingen en naar de behoeften des tijds (44) kan wijzigen. Dit kenmerk eener liberale constitutie wordt in onze grondwet gemist”…
“De ondervinding sedert 1848 heeft het onwedersprekelijk geleerd, dat onze grondwet bij vele nationale beginselen, bij veel goeds en voortreffelijks, te veel belemmeringen aanbiedt aan nuttige hervormingen en wetten die in het algemeen belang noodzakelijk zijn. De grondwet moet worden vervormd tot de krachtige en korte uitdrukking van het Nederlandsche staatsrecht.
Ten einde te komen tot eene hervorming van het kiesrecht en tot eene betere wijze van samenstelling en aftreding van de Staten-Generaal is noodig het volgende in de grondwet te bepalen:
1. Het kiesrecht wordt uitgeoefend door de meerderjarige namelijke ingezetenen, Nederlanders, die in het volle genot zijn der burgerlijke en burgerschapsrechten, volgens de regelen bij de wet te herstellen.
2. Er zijn vaste kiesdistricten.
3. De leden van de Tweede Kamer en van de Eerste Kamer hebben zitting gedurende vijf jaren.
4. Het getal leden van de Tweede Kamer bedraagt 100, dat van de Eerste kamer 50.
5. De leden van de Eerste Kamer worden gekozen volgens de regelen door de wet te stellen. ( De Provinciale Staten moeten niet langer het Kiescollege zijn van de Eerste Kamer.)

Dit waren ongeveer de hoofdpunten, die in het programma stonden, dat het ministerie Kappeyne bij zijn opheden voor zich had vastgesteld, gelijk wij althans uit de samenspreking correspondentie met onze vroegeren afgevaardige De Roo van Alderwerelt (45) bekend is. Men moge het dien gewezen minister nog steeds tot eene grieve aanrekenen, dat hij, terwijl het ministerie demissionair was, met een voorstel tot uitvoering van dat gewichtige deel van het program voor den dag kwam, het is onwaar, gelijk steeds is beweerd, dat de heer Kappeyne pas in de laatste dagen van zijn ministerieel leven op het denkbeeld van grondwetsherziening zou zijn gekomen. Waar thans naar ik meen voor het eerst de vraag omtrent het noodzakelijk voor grondwetsherziening in het openbaar wordt besproken, heb ik gemeend deze mededeeling niet te mogen terughouden, om alzoo aan de plicht der rechtvaardigheid tegenover een inderdaad groot man te voldoen.
De veranderingen, waarop ik mij veroorloofde te wijzen rusten niet op de meening van een oogenblik, maar zijn het uitvloeisel van een reeds lang door mij beleden staatkundig geloof, een geloof, dat tevens in zich sluit dat het Nederland alleen kan wél gaan, als onder de soevereiniteit van Oranje, goede en deugdzame waarborgen voor de volksvrijheden worden gegeven.”
[bedenkingen hiertegen o.m. van mr. A. Bloembergen en dr. J. Zaayer] “De Nederlandsche Handelsmaatschappij” Rede van de Vereeniging Nijverheid gehouden, waarschijnlijk in December 1887. [Hierin komt voor zijn politieke geloofsbelijdenis.] “Ik wil het gaarne erkennen van natuur, aanleg en neiging weinig gezind te zijn geweest, een monopolie als die van de N.H.M. te eerbiedigen- ook al wanneer de eerbied daarvoor door het staatsbelang blijkt te zijn voorgeschreven- Met zoovelen kwam het mij stees voor, een ongezonde (46) toestand te zijn, op de schouders van een landsregeering een stapel handelsplichten te zien gelegd, die elders te huisbehoorende ook moeten worden geacht, elders beter te zullen worden behartigd. Met deze leer ben ik opgevoed en ik heb het dan ook nooit zoö ver kunnen brengen, in beginsel tot de voorstanders van de N.H.M. te kunnen behooren. Vermenging en verwikkeling toch van groote ingrijpende economische en financiële belangen tusschen het land en zijne burgers is ten allen tijde af te keuren en hier vooral kwamen die belangen gedurig met elkander in strijd, waardoor conflicten lezen, die op hunnen beurten botsingen ten gevolge hadden. Staatsbemoeiing en staatsbescherming moeten steunen op natuurlijken en gezonden bodem. Wordt die bodem gemist, dan ook behooren die bemoeiing en bescherming van het Rijk plaats te maken voor de werking van het particulier initiatief, opdat dit zich te allen tijde vrij kan ontwikkelen. Dit aloude, die inheemsche vrijheidsbegrip heeft dan ook in ons land weten te zegevieren”…
“En toch leert de practijk vaak, dat ook bij de beste leer de vaste regel geldt, dat de wet der onontbeerlijke uitzonderingen niet krachteloos kan worden gemaakt. De practische staatsman, die geroepen is, deel te nemen aan de bestuurszaak van land en volk, behoort op iets meer acht te slaan, dan alleen op de leerstellingen, die hoe waar ook in het afgetrokkene, nochtans bij de toepassing dikwijls volstrekt in strijd blijken te zijn met de werkelijke nooden en behoeften, waarmede vooral een klein land als het onze, dat zich (als het onze) door groote staten begrensd en omringd (47) ziet, steeds heeft te worstelen. Elke waarde heeft een betrekkelijke waarde, die vaak daalt of klimt, naar gelang van plaats tijd en omstandigheden, waarop of waaronder zij practische proeven zal hebben te ondergaan.”
“Fabriekswet” 1875, ‘Wet van Houten op den Kinderarbeid’ 1874 ‘Arbeidswet’ 1890. ‘Veiligheidswet’1895. Deze wetten werden achtereenvolgens behandeld in een bijeenkomst van de Vereeniging Nijverheid op 25 maart 1896… “Heftig is de strijd, die in de laatste jaren wordt gestreden tusschen de vrienden van Laisser-faire aan de eene en de voorstanders van het staatsvermogen aan de andere zijde. Doch hierover zijn het allen eens, dat wat voor het overige ook de roeping moge zijn van het hoogste lichaam op aarde, den staat, dit ééne muurvast is, dat het tot zijne taak behoort, voor de veiligheid en gezondheid der burgers te waken. Waar deze belangen op het spel staan, moet de staat tusschen beide treden en zijn “tot hiertoe en niet verder!” laten weerklinken over stad en dorp.”… Door deze veiligheidswet draagt de staat naar veler overtuiging, die ook de mijne is, bij tot oplossing der sociale kwestie, want hij steunt de economische zwakken in hun moeilijken strijd om het bestaan. Ontzettende toestanden heerschen er in de fabrieken en werkplaatsen. Men moet een verstokt aanhanger van de Oude Manchester-school zijn, om te willen beweren, dat de staat hier niet mocht, ja niet moest tusschenbeiden treden. Dit is geen misplaatste philanthropie, maar een noodzakelijkheid…Particulier initiatief staat hier volkomen machteloos. De veiligheidswet zou ik willen noemen: een veiligheidsklep voor de maatschappij”… (48)

Lid van de Gemeenteraad
Inleiding
Bij de op 19 April 1864 gehouden verkiezingen voor den Gemeenteraad kwam Arie Duparc, candidaat gesteld door de Liberale Kiesvereeniging, in herstemming met den candidaat van de conservatieve partij mr. Paul W.H. Sonsbeeck, den 3den mei volgde zijn verkiezing en op 26 mei vond zijn installatie plaats. Toen de Raad nog uit twee partijen was samengesteld, werd hij herhaaldelijk bij enkele candidaatstelling, daarna bij eerste stemming herkozen. Alleen in het jaar 1903, toen het districten stelsel was ingevoerd en hij bij loting dat stadsdeel trok, waar vele arbeiders hun woonplaats hadden, kon hij bij eerste stemming niet het vereischte stemmen aantal halen en eerst na harden strijd, waarbij vele aanhangers van andere partijen hun stem op hem uitbrachten, versloeg hij den S.D.A.P. tegen candidaat bij de herstemming.
Direct na den uitslag in eerste instantie was hij dermate gedesillusioneerd, dat hij reeds den dag erop zijn ontslag brief schreef en het heeft heel wat overredingskracht van zijn omgeving en zijn vele vrienden gekost, voordat hij erin toestemde, dezen te verscheuren.
Een aardige bijzonderheid wil ik niet onvermeld laten. Na de behaalde overwinning konden onze kamers nauwelijks allen bevatten, die hem kwamen gelukwenschen; onder hem waren op een zeker oogenblik pater Houtman- die met inzet van geheel zijn fascineerende persoon zijn geloofgenooten had opgewekt te stemmen op “zijn vriend Duparc”.. (wat misschien een van de redenen is geweest, waarom hij door zijn overheid, die hem liberale ideeën verweet, naar een Klooster (49) in Noord-Schotland werd verbannen, van waaruit hij mijn vader een hartelijken afscheidsbrief zond)- ds.Jas, hervormd predikant en opperrabbijn Rudelsheim. Getroffen door de aanwezigheid van deze “drieëenheid” begon mijn vader met zijn lieve, zachte stem onder diepe stilte “Der Ring”, de parabel uit Lessing’s “Nathan der Weise”te reciteeren.

Daarop trad hij op de geestelijken toe, legde hun handen in de zijne en vervolgde (voor zover ik mij zijn woorden die een diepen indruk maakten nog herinner): “moge dit symbool van verdraagzaamheid in het klassieke land van gewetensvrijheid binnen afzienbaren tijd een realiteit wordt voor die volken, die hun medemenschen ten doode toe vervolgen om der wille van geloof en ras.”[”In dezen tijd progrooms in Rusland, uitroeiing van de Christelijke Armeniers door de Turken.] Ten slotte bedankt hij uit den grond van zijn hart de hem trouw gebleven Leeuwarders, die niet hebben getwijfeld aan zijn trouw, aan zijn liefde voor de stad en haar bewoners en voor wier welzijn hij, zoo lang hem het leven zou worden geschonken, zou blijven werken met geheel zijn verstand en geheel zijn hart.
Het jaar daarop zou hij-evenals bij zijn 25-en 30- jarig lidmaatschap van den Raad-ondervinden, hoezeer het college van Burgemeester en wethouders en zijn medeleden zijn verdiensten in het belang der Gemeente op prijs stelden. Tot zijn groote verrassing werd hem, den nestor, in de vergadering van 31 mei 1904 door den voorzitter, burgemeester Röell, mededeeling gedaan van het besluit van den Raad, “aan Arie Duparc toe te kennen den grooten zilveren gedenk penning, ingesteld bij raadsbesluit van 14 november 1826”. (50) Deze ‘grootste belooning, die de Raad toekennen kan’, werd hem verleend uit overweging dat hij “op den 26ste mei j.l. veertig achtereenvolgende jaren lid van den Raad van Leeuwarden is geweest, gedurende welken tijd hij zich met groote toewijding en overmoeiden ijver aan de belangen der gemeente heeft gewijd.” Na een hartelijke toespraak van den voorzitter en onder warme instemming van de leden werd hen “dit zeldzaam uitgereikt eereblijk” overhandigd. Zelden heb ik mijn vader zoo stralend gelukkig gezien als bij zijn thuiskomst na deze geheel onverwachte huldiging. Tweemaal heeft hij in zijn kwaliteit van raadslid en koninklijke onderscheiding in ontvangst mogen nemen; de eerste werd hem de ridderorde van Oranje-Nassau verleend en de tweede maal ter gelegenheid van het bezoek van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik bracht een kamerheer na afloop van het diner door den Raad aan de vorsten op het stadhuis aangeboden, hem de verrassende tijding van zijn bevordering tot officier in de orde. Toen zijn vertrek uit de stad vaststond, stelde hij zich niet meer candidaat voor de a.s. verkiezingen. In de raadsvergadering van 24 augustus nam hij in een uitvoerige rede afscheid van den Raad, waarna hij op zeer hartelijke wijze werd toegesproken door dr. J. Baart de la Taille, en door den loco-burgemeester J. Schoondermark. (zie bijl. III)
Van al zijn functies is er niet één geweest, die hem zoo na aan het hart lag als het lidmaatschap van den Raad. Hij heeft dit altijd als een eereambt beschouwd (vandaar zijn protest tegen het invoeren van presentiegeld), dat van den drager behalve een goed verstand en helder inzicht in de gemeentelijke huishouding een onkreukbaar karakter, een zuiver geweten, een strict gevoel voor recht en (51) rechtvaardigheid, bovenal een groote liefde vraagt. Geen werk was hem te veel, geen studie te omvangrijk, geen tijd te bezet, geen persoon te gering, geen zaak te onbelangrijk, waar het gold het welzijn van de stad en haar ingezetenen.
Ter kenschetsing van zijn werk als raadslid en van de wijze waarop hij zijn taak als medebestuurder in liberaal vooruitstrevenden zin opvatte, heb ik gemeend, dit niet beter te kunnen doen, dan hoofdzakelijk hemzelf aan het woord te laten, waartoe de gemeentebladen als bron dienden. Hij heeft in die vijf-en-veertig jaar zoo onnoemelijk veel maal het woord gevraagd van de meest verschillende onderwerpen, dat ik mijzelve bij het verwerken van dit uitgebreide materiaal de uiterste beperking moest opleggen, met het gevolg dat alleen die in aanmerking konden komen voor een behandeling, waaraan hij voortdurend zijn aandacht schonk. Om het geheel beter te kunnen overzien, is dit onderverdeeld in rubrieken en binnen deze begrenzing is de stof gerangschikt naar tijdsvolgorde, behoudens eenige uitzonderingen. In zijn maidenspeech kan men onmiddellijk den volgeling van Thorbecke herkennen, als hij, gedachtig diens uitspraak: “de publieke zaak moet publiek behandeld worden”, aandringt op het drukken en uitgeven van alle stukken, die voor openbaar maken geschikt zijn. Als rapporteur van de voor dit doel ingestelde commissie brengt hij op 12 december 1867 verslag uit, dat geheel van zijn geest doortrokken met algemeene stemmen wordt aangenomen. Zijn eerste succes. Toen de raad nog bestond uit twee partijen nl. de conservatieven de iberale, behoorde hij tot de meest links georiënteerden (52) leden van laatstgenoemde partij. In het begin worden zijn, wat wij nu zouden noemen “roode” voorstellen meestentijds verworpen. Vooral het opkomen voor de rechten voor den zg. ‘mindere man’ het pleiten voor betere sociale toestanden ondervindt doorloopend bestrijding van conservatieve zijde, niet het minst van de tafel van B en W. Langzamerhand wint hij aan invloed, te danken aan zijn kennis, zijn humane bevoelingen, zijn wijze van debateeren (volgens zijn stelregel: fortiter in re, suariter in modo) Onafgebroken waakt hij voor de rechten van den Raad en voor het nakomen van de wettelijke voorschriften. Naar aanleiding van een nota van de rekenkamer op de gemeenterekening, bestrijdt hij- op grond van aantasting van de zelfstandigheid van het Gemeentebestuur – de z.i. niet op de wet gegronde inmenging in zijn zaken-in een nota, waaraan door de dagbladen bekendheid wordt gegeven en die allerwegen instemming vond (dec 1884) Zoo gauw als de wettelijke bepalingen ook in den Raad zelf niet in acht worden genomen, komt hij hiertegen in verzet, maar geeft tevens het middel aan de hand om het te nemen besluit aan de wet aan te passen. Dank zij zijn groote wetskennis, vooral op het gebied van administratief en staatsrecht, redt hij vaak den Raad uit een impasse.
In de laatste jaren is hij stiller geworden, mengt hij zich alleen in het debat als er een beroep wordt gedaan op zijn wetskennis en op zijn ijzersterk geheugen. Als echter bij het begrotingsdebat op 29 october 1907 de aanvoerder van de vier sociaal- democratische raadsleden in felle bewoordingen alle andere leden, vooral die van de liberale partij, de bitterste (53) verwijten doet over hun jarenlang wanbestuur, dan vertoont de ruim 80-jarige zich weer in zijn volle kracht. In een uitvoerige rede komt hij op tegen de “formeele acte van beschuldiging gericht tegen de liberale partij in het algemeen en tegen den Raad, zooals deze vroeger was en nu is samengesteld… Gedurende het jarenlang door hem gehekelde liberale beheer is zeer veel gedaan voor alle standen der maatschappij, ook de arbeider, de vruchten plukt.” Hij wijst erop, wat de liberalen hebben gedaan voor verbetering van de positie van de gemeente-ambtenaren, van het onderwijs “Leeuwarden was de eerste gemeente van het land, waar het voorbereidend onderwijs vanwege de gemeente finaal en in alle opzichten werd geregeld in 1878 en bovenal aan de kinderen uit den arbeidenden stand kwam deze regeling ten goede “Dan”, zoo gaat hij verder “kan ik wijzen op den uitstekenden staat der volksgezondeheid gelijk blijkt uit de sterfte-statistiek, op de invoering van de waterleiding de brandweer en nog zooveel meer. Uit dit alles moge blijken dat de grieven onverdiend zijn. De S.D. en hebben geenszins het recht zich het monopolie toe te eigenen van het bevorderen van de belangen der arbeiders. Het verschil tusschen hem en de liberalen is, dat de eersten slechts op de belangen van één stand, de laatsten op de belangen van alle standen het oog hebben”…
Het was niet alleen bij deze gelegenheid, dat beider meeningen op elkaar botsten, maar hieraan is voorafgegaan en gevolgd sedert de komst van dezen, “vrijgestelde” der S.D.A.P. in den Raad-wat ik zou willen noemen menig ongewapend duel tusschen twee krachtige persoonlijkheden, (54) die niet alleen op politiek terrein, maar in elk opzicht elkaars antipolen waren.

Raadscommissies.
In onderscheidende raadscommissies, vaste en ad hoc heeft hij zitting gehad. Bijzonderheden betreffende zijn aandeel in haar werkzaamheden zijn mij niet bekend. Wel valt uit de beraadslagingen in den Raad over wat in deze bijeenkomsten besproken en besloten werd, af te leiden, dat hij zich ook daar niet onbetuigd heeft gelaten, wat tevens blijkt uit het feit, dat hij vele malen als rapporteur het aldaar verhandelde-den Raad voorlegde en zoo noodig verdedigde.
Verordeningscommissie belast met het ontwerpen van de verordeningen tegen wier optreden straf is bedreigd. In deze strafverordeningscommissie voelde hij zich-meermalen de eenige niet gestudeerde onder de juristen bijzonder op zijn plaats, omdat in dezen kring zijn wetskennis, zijn bekendheid met den wettenlijken stijl, zijn scherpzinnigheid, het meest tot hun recht kwamen. Niet alleen van de Nederlandsche maar evenzeer van de buitenlandsche wetten was hij op de hoogte. Bij de verdediging van een nieuwe politieverordening geeft hij een resumé van de in Frankrijk vigeerden wetgeving over deze materie, waarna alle rechtgeleerden hem bijvullen en alle amendementen van zijn opponent-een rechter van beroep- worden verworpen. (1887) Heel wat verordeningen en reglementen zijn gedurende zijn lidmaatschap van 1 october 1865 tot aan 1 september 1909 door hem ontworpen of gewijzigd. Het zou ondoenlijk zijn (55) deze de revue te laten passeeren. Alleen een enkele wil ik op deze plaats- en later als de gelegenheid zich voordoet in een der volgende rubrieken-noemen. Zoo verdedigde hij in den Raad als rapporteur: Ontwerp wijziging van het Reglement van orde voor de raadsvergaderingen (1868 en +/- 1890) ontwerpverordening, welke regelt de politie(1873,’87, ’94) idem op het houden van openbare vermakelijkheden (1885) idem tot voorziening tegen ene bij brand (1885,1897). Verder trad hij vele keren op als algemeen rapporteur van het ontwerp gemeente-begrooting in het laatste kwartaal van de negentiende eeuw.
Commissie voor de Gemeentelijke Gasfabriek.
Op 7 juli 1864 nam na langdurigen en heftigen strijd de Gemeente het beheer en de exploitatie van de gasfabriek over van de particuliere ondernemers. Daar mijn vader veel heeft begedragen tot het bereiken van dit gunstige resultaat, was het vanzelf sprekend, dat hij in de commissie voor de Gemeentelijke Gasfabriek, tot lid werd benoemd. Als lid en secretaris heeft hij van deze commissie deel uitgemaakt tot 4 october 1885. Zeer tot zijn leedwezen ging hij ertoe over deze functie, met zooveel ambitie vervuld, neer te leggen, genoodzaakt tot eenige beperking van zijn overtalrijke bezigheden door een tijdelijk minder goede gezondheid.
In de laatste door hem bijgewoonde vergadering huldigde de voorzitter hem in warme bewoordingen voor al zijn arbeid gedurende ruim twintig jaar verricht in het belang van de gasfabriek en haar verbruikers. Een zilveren presenteerblad met inscriptie getuigd nu nog van de appreciatie van zijn medeleven. (56) Er zijn weinig jaren voorbijgegaan, ook nadat hij de gascommissie had verlaten, zonder een uitvoerige “gasrede” bij de behandeling van de Gemeente-begrooting. Telkens komt hij daarbij terug op zijn stokpaardje, dat het winst cijfer der gasfabriek niet de sluitpost van de begrooting mag uitmaken. In de zitting van 22 october 1901 motiveert hij dit aldus: ”Het principe, dat de gasfabriek de kurk moet zijn, waarop de gemeentefinanciën drijven is in strijd met de belangen van de bevolking. Een particuliere onderneming mag winst behalen; de gemeente echter is het zedelijk lichaam, dat eenig en alleen heeft te denken aan het belang der ingezetenen. Hij betwist ten sterkste dat de gasfabriek een industrieële onderneming is. De gemeente is geen koopman, maar een publiekrechterlijk lichaam.”
Invoering van een door hem gewenscht 3-ploegen stelsel voor stokers en machinisten “ook al zal een belangrijke verlooging van den post werkloonen het gevolg hiervan zijn, mag de Raad niet weerhouden, zich voor deze verbetering te verklaren,” wordt de praematuur geacht en afgestemd.
Zijn laatste ‘gasrede’ houdt hij op 24 maart 1908, waarbij hij het voorstel van B. en W. tot verbouwing en uitbreiding der gasfabriek krachtig ondersteunt.
Dat zijn werk bij de leden van de gascommissie niet in vergetelheid is geraakt, mocht hij ervaren uit de rede van haar voorzitter wethouder Buinerts, bij de voering van het gouden jubileum van de Gem. Gasfabriek, die de volgende woorden aan hem wijdde: “De heer Duparc was reeds voor 50 jaar als secretaris der gascommissie de ziel van dat college en met de hem eigen groote bekwaamheid heeft hij de ziel gelegd van het scheepje, dat zoo voorspoedig heeft gevaren.” Een telegram in den geest tot hem gericht, verschafte hem veel vreugde.
(57) Onderwijs.
Voor alles had het onderwijs in al zijn geledigingen zijn groote liefde.
Reeds sedert het jaar 1869 had bij zitting in het bestuur van het schoolverbond en na de fusie in 1876 in dat van de Vereeniging tot bevordering van het volksonderwijs en het schoolbezoek. Vooral als lid (van 1876 af) en als president (van 1883-1895) van de commissie van Toezicht op het Lager Onderwijs kreeg hij in den Raad volop gelegenheid haar adviezen en wenschen kenbaar te maken en voor deze, gesteund door zijn medeleden, in het strijdperk te treden. In de eerste jaren werden vele desiderata, vele door hem voorgestelde moties en amendementen wegens hun vooruitstrevende strekking, na felle bestrijding van de zijde van B. en W. en van de conservatieve leden verworpen. Dan berustte hij in zijn nederlaag met de profetie ontleend aan de rede van Thorbecke ter verdediging van het voorstel der Negenmannen: “De tijd komt, waarin de tegenstemmers van nu zullen erkennen, dat ik te vroeg gelijk heb gehad.” Deze voorspelling is in vele gevallen uitgekomen.
Bewaarschool-onderwijs.
In de Raadzitting van 11 september 1884 wordt hij benoemd in een commissie van drie leden voor het ontwerpen van een verordening tot regeling van het voorbereidend onderwijs aan de Gemeentelijke Bewaarscholen.; op 24 augustus 1886 verdedigt hij als rapporteur het ontwerp, dat vrnl. als zijn werk kan worden beschouwd, en het wordt z.h.st. aangenomen. Naar dit model hebben vele andere steden dit onderwijs ingericht. Zelfs kwam een commissie uit een der steden Bremen of Hannover in opdracht van het stedelijk bestuur (58) zich op de hoogte stellen, van wat hier tot stand was gebracht. Zij was zóó enthousiast over deze “wunderschöne kindergarten”, dat zij met het vaste voornemen, dergelijke inlichtingen in hun stad in het leven te roepen, huiswaarts keerde. Van hoeveel belang mijn vader het voorbereidende onderwijs achtte, komt wel heel duidelijk uit bij de behandeling van een voorstel tot oprichting van een zesde bewaarschool: “Deze scholen zijn geen Philantropische inrichtingen, gelijk een der leden zegt, maar zij zijn van het grootste belang als voorportaal van het Lager Onderwijs. De Gemeente dient haar zorg uit te strekken over het Bewaarschool Onderwijs. Zij moet volgens mijn overtuiging zelf verder gaan dan wat de wet haar als plicht voorschrijft…”(13 mei ’85)
Lager en Voortgezet Lager Onderwijs.
Hoewel hij aan elken tak van onderwijs de grootste aandacht schonk, was het L.O. zijn - wat hij wel noemde- ‘troetelkind’.
Menig uur van studie, vele verzoeken om inlichtingen aan onderwijsautoriteiten in en buiten de provincie, besprekingen met schoolhoofden, “de mannen van de praktijk, ”gingen vooraf aan zijn “onderwijsrede” bij de behandeling van de Gemeente begrooting. Hij wou “beslagen ten ijs komen”, om de nieuwe denkbeelden, die zelden daarin ontbraken, ingang te doen vinden of te verdedigen, waarbij het hem dikwijls gelukte met klem van redenen de argumenten van de tegenpartij te ontzenuwen.
Het zou onbegonnen werk zijn, om zelfs zoo beknopt mogelijk een overzicht te geven van al zijn bemoeiingen. Enkele grepen uit het overvloedig materiaal moge getuigen (59) van zijn vooruitstrevenden en vooruitzienden geest en vooral van zijn voorliefde voor ’t onderwijs aan het arme schoolkind. Zoo pleit hij voor het invoeren van handenarbeid en teekenen, “waardoor het kunstgevoel kan worden ontwikkeld”, en van vrouwelijke handwerken “dat zich niet moet bepalen tot hemden zoomen en kousen breien,” onder toezicht van een in te stellen damescommissie op de zgn Armenscholen (die hij een anderen naam zou wenschen te geven) , voor beter zangonderwijs, “niet meer afhankelijk van de muzikalen aanleg van den klasse, onderwijzer”, maar te geven door een vakmusicus, voor uitbreiding van schoolbibliotheken, voor afschaffing van prijzen en van openbare examens, die moeten worden vervangen door getuigschriften, voor verlaging van schoolgeld, voor verbetering van de salariëring van het onderwijzend personeel, waardoor het onderwijs zou worden gebaat. Hier volgen dan nog eenige aanhalingen uit redevoeringen. Bij het ter sprake komen van het toenemend schoolverzuim brengt hij in de zitting van 20 october 1870 in het midden: “In de loop der jaren heb ik tientallen gezinnen bezocht, om het schoolverzuim te keeren. Ik heb daarbij veel ervaring opgedaan. Vaak was het geen onwil of onverschilligheid, maar onmacht, om schoolgeld te betalen. B. en W. moeten toelating tot de armenscholen zoo ruim mogelijk stellen”… “Door verhooging van schoolgeld.”(volgens voorstel van B. en W.) wil men kinderen uit de school drijven. Is er overbevolking zijn er te weinig onderwijzers, verhoog dan het salaris van laatst genoemden. Door alle tijden heen was het Openbaar Lager (60) Onderwijs de roem, de eer, een kleinood van deze stad…Laten wij onzen goeden naam niet op het spel zetten, alleen om een uitgaaf te dekken van F 2 á F 300.”(23 juli 1874)… Toen de onderwijswet van 1878 tot stand kwam, bleek in onze stad het onderwijs zoo goed, dat niets behoefde te worden veranderd”. (11 maart 1889). Uit dezelfde zitting: “Niet alleen voor kinderen uit den gegoeden stand moet onderwijs in het Fransch worden gegeven, maar ook kinderen uit den kleinen burgerstand moeten in de gelegenheid worden gesteld voor weinig geld deze taal te leeren,”… En verder, ‘juist’ omdat de lagere school voor het arbeiderskind eindonderwijs is, waarop het heel zijn leven moet teren, moet het kind het beste onderwijs ontvangen door de bekwaamste leerkrachten, die levenslast hebben voor hun leerlingen… De leerlingen moeten het allereerst worden gesteund door hun ouders in het gezin. Daar moet den onderwijzer de behulpzame hand worden geboden, doch juist dit geschiedt helaas maar al te weinig. School en huisgezin moeten veel meer aan elkaar sluiten “Daarom is hij voor het houden van schoolvergaderingen mits vrijwillige en niet verplichte, want door ze aan de hoofden te willen opdringen, zouden deze niet aan hun doel beantwoorden.” (27 september 1904)
Hoe warm zijn hart klopte voor het arme schoolkind, blijkt duidelijk bij het motiveren van zijn stem voor een uitgave van F300, te besteden voor een schoolfeest. “Meermalen heeft spr. met anderen zoo’n schoolfeest georganiseerd en wie eenmaal er getuige van was, hoe zoo’n feest de kinderen dikwijls ook hunnen ouders gelukkig maakte, hij zou geen oogenblik aarzelen het luttele bedrag uit te keeren.”( 3 nov.1881)
(61) Evenzoo als het gaat over het verstrekken van kindervoeding en kleeding van gemeentewege voor de allerarmsten. Dan valt hij het voorstel hiertoe van B. en W. bij in de volgende bewoordingen: “Ook spr. is toegedaan het beginsel, dat voeding allereerst in het gezin moet geschieden en gaarne zere wenschen dat wij in eene maatschappij leefden, waardoor dit beginsel in zijn geheel kon worden doorgevoerd. Doch de toestand onzer maatschappij laat dit nu eenmaal niet toe. Het gaat hier mede als met de uitgaven der gemeente voor het armwezen die zeker ieder ook gaarne onnodig zou willen. Het een zoowel het ander is echter een ideaal, dat wel nooit zal worden verwezenlijkt. Vaak pijnlijk was spr. getroffen bij school bezoek, hoe daar kinderen waren gezeten, verkleumd en zonder vooraf maar eenigzins behoorlijk voedsel te hebben genoten. De leerplichtwet schrijft getrouw schoolbezoek voor: welk onderwijs kunnen echter zulke kinderen in zich opnemen?”(27 augustus 1901)
Het onderwijs voor schipperskinderen had steeds zijn volle belangstelling. Veelvuldige bezoeken aan de school, herhaalde aanvraag bij den Raad, om dit onderwijs te stimuleeren en hij de schippers, om hun kinderen bij langer verblijf in de stad naar school te sturen, zijn er bewijzen van.
Alleen één onderwijsinrichting was hem een doorn in het oog. nl. de Burgerdag-en Avondschool, die in 1867 opgericht, nooit aan haar doel heeft beantwoord. Van 1883 af heeft hij gestreden voor haar opheffing en vervanging door een H.B.S. met 3 jarigen cursus. Maar al zijn voorstellen in dien geest worden verworpen en tenslotte moet hij zich “onder protest tegen den dwang van de Regeering” neerleggen bij het besluit (62) van B. en W. tot oprichting van een dagschool en tot reorganisatie van de Burgeravondschool, met als gevolg de opheffing van de Burgerdagschool. (24 november 1903)
Middelbaar Onderwijs.
Over aangelegenheden betreffende het gymnasium heeft hij weinig woord gevoerd. Zijn eerste succes op onderwijsgebied gold echter deze instelling. Op zijn voorstel wordt overgegaan tot afschaffing van de prijzen en een amendement de kennis van de Fransche taal voortaan niet meer als eisch te stellen bij het toelatingsexamen wordt mede door zijn krachtig verzet hiertegen verworpen (in 1872).
Twee jaar tevoren in zijn eerste groote onderwijsrede gedurende de begrootingsdebatten houdt hij reeds een warm pleidooi voor de oprichting van een Middelbare School voor Meisjes; “De Fransche school” betoogt hij, “Is bijna een M.R.v.M naar het schoolgeld schrikt den 29 middenstand af. Voor deze moet er een inrichting komen, waar kinderen uit dien stand zich kunnen bekwamen, om later door eigen arbeid in hunne behoeften te voorzien. Men vindt meisjes bij de staatsspoorwegen, als leerling-apothekers etc. mettertijd zal men hoe langer zoo meer ook de Nederlandsche vrouw van de gelegenheid, zoo die slechts wordt aangeboden, zien gebruik maken, om zich verstandelijk te ontwikkelen. Zij behoeft daarom niet te worden wat men noemt een bas-bleu.” (20 october 1870).
Bij de behandeling van de rapporten, uitgebracht door een commissie, belast met het onderzoek naar de wenschelijkheid en noodzakelijkheid van de oprichting eener school voor M.O. voor meisjes, waarin ook mijn vader was opgenomen, worden de meeste van zijn amendenten, als te praematuur geacht, door (63) den Raad niet aanvaard. Eerst op 14 januari 1875 valt het besluit tot oprichting. In alle volgende jaren komt hij op voor de belangen van zijn “Papieren kind”. En het was zeer tegen zijn zin, dat achtereenvolgens van het leerplan de vakken gezondheidsleer, boekhouden en staatshuishoudkunde worden afgevoerd.
Als naar aanleiding van het intrekken van een sedert het jaar 1876 verleende rijkssubsidie er stemmen opgaan tot opheffing van de school behoort hij tot de eersten, die voor haar in de bres springen. Het blijft niet bij dezen eersten keer. Telkens wanneer er gevaar voor haar leven bestaat- en dit was in de jaren 1888, 1906 en 1908 treedt hij als haar verdediger op. Als gedurende de begrootingsdebatten op 31 october 1906 een voorstel tot opheffing wordt ingediend, verklaart hij “niet tegen een onderzoek te zijn, omdat dan aan het licht zal komen de wenschelijkheid van het voortbestaan dezer school.”…
Met het oog op de gesegende vruchten, die deze inrichting reeds sedert een dertigtal jaren voor honderden en honderden meisjes uit den beschaafde stand van Leeuwarden heeft opgeleverd en volgens zijn innige overtuiging bij haar voortbestaan zal blijven opleveren, zal hij zich niet alle hem gegeven macht en kracht tegen haar opheffing verklaren.”…
Nog eenmaal in een rede van groot formaat vertoont hij zich in zijn volle kracht bij de uitvoerige toelichting op zijn voorstel tot het indreinen van een verzoekschrift aan de Tweede Kamer tot het verleenen van een rijksbijdrage aan de gemeenten ten behoeve vandaar haar opgerichte hoogere burgerscholen voor meisjes. De Raad blijkt zoo onder den indruk te zijn van dit betoog (64) en van de kracht, die van dezen meer dan tachtigjarige uitgaat, dat na zijn slotwoord wethouder Beekhuis onder applaus der leden hem huldigt in de volgende bewoordingen. “De heer Duparc heeft zoo duidelijk mogelijk uiteen gezet, dat het doel is, het verloren rijkssubsidie terug te krijgen. Het komt spr. voor dat de Raad zijn nestor dankbaar mag zijn voor het door hem genomen initiatief. Een woord van hulde schijnt hem daarom hier op zijn plaats voor den man, die op zijn hoogen leeftijd nog lust en ambitie heeft gehad, om deze zaak aan te pakken en met vuur te verdedigen. Zijn voorstel wordt met 15 tegen 5 stemmen aangenomen. (9 maart 1909)

Volksgezondheid.

Na het onderwijs was het de volksgezondheid, die hem het meest ter harte ging, getuige o.m. de vele artikelen daaraan gewijd in verschillende hygiënische tijdschriften. Reeds in het ouderlijk huis had hij vol belangstelling geluisterd naar de gesprekken over hygiënsche en medische onderwerpen tusschen de beide broers, een a.s. medicus en a.s. apotheker. Sedert zijn benoeming tot lid van de vereeniging voor volksgezondheid in het jaar 1869 kreeg hij volop gelegenheid, deze wel zeer fragmentarische kennis uit te breiden in den kring van ervaren hygiënisten. Zijn inzicht werd niet weinig verruimd, doordat de geneeskundige armverzorging en de medische politie in haar uitvoering onder zijn ambtelijke werkzaamheden op de Provinciale Griffie ressorteerden, waaraan in latere jaren nog werden toegevoegd de bestudeering en toepassing van de ziekte- en woningwet. Zoo toegerust aarzelde hij niet, zich te mengen in de (65) beraadslagingen, zoo gauw een hygiënische aangelegenheid aan de orde was, al vroeg hij volgens zijn gewoonte eerst het woord, nadat de medici het hunne hierover hadden gezegd. En al zijn hem ook hierbij geen teleurstellingen bespaard, toch heeft hij meermalen de voldoening gehad, dat zijn zienswijze lijnrecht tegen de oppositie in door de kracht van zijn argumenten en gesteund door de medici-raadsleden bij de meerderheid ingang mocht vinden.
Ook op deze plaats zou het te ver voeren, om de vele besluiten tot verbetering van de volksgezondheid, op zijn initiatief of met zijn medewerking tot stand gekomen te vermelden, zoodat evenals bij de vorige rubriek moet worden volstaan met een korte samenvatting. Nauwelijks twee jaar raadslid houdt hij in de zitting van 14 juni 1866 naar aanleiding van eenige cholera-gevallen die spoedig door vele gevolgd zouden worden, een interpellatie, welke eindigt met het dringend verzoek, onmiddellijk over te gaan tot het benoemen van een cholera-commissie. Dit gebeurt. Een motie, om direct een ontwerp- verordening tegen het verspreiding der cholera in de afdeelingen in behandeling te nemen, wordt ondanks verzet hiertegen van den wethouder met 11 tegen 5 stemmen op 28 juni d.o.r. aangenomen.

Reeds in de vergadering van 12 juli kan hij als rapporteur de verordening verdedigen, die onveranderd wordt aangenomen. (bijzonderheden in een artikel getiteld “vee en menschen” in het Handelsblad van 11 september 1867) Telkens bij het uitbreken van besmettelijke ziekten, waaronder opnieuw de cholera, brengt hij rapport uit over de extra verordeningen ter voorkoming, wering en beteugeling van be-(66)smettelijke ziekten (o.m. in de jaren 1873,1887 en 1892) Voorstellen tot oprichting van een hulpziekenhuis voor besmettelijke zieken buiten de gemeente, in weerwil van alle pogingen hiertoe ook van zijn kant, kunnen voornamelijk om financieële redenen geen meerderheid van stemmen verkrijgen. Een beter lot ondergaat een door de gezondheidscommissie ingezonden rapport in zake het aanschaffen en exploiteeren van een ontsmettingsoven, uitvoerig door hem toegelicht en verdedigd (en daarna z.h.st besloten tot de aanschaffing).
Vooral de huisvesting van de arme bevolking heeft zijn speciale belangstelling. Herhaaldelijk vestigt hij de aandacht op de slechte woningtoestanden in de arbeiders wijken en wijst hij de middelen tot verbetering aan, zoo o.m. in zijn rapport betreffende de ontwerpverordeningen op het bouwen en inrichten van woningen en tegen het bewonen van voor de gezondheid nadeelige woningen (22 januari 1874, 8 maart 1898, 14 maart 1905). Met ander leden dringt hij aan op het onbewoonbaar verklaren van krotten, “Waarbij de woningwet zoo streng mogelijk moet worden uitgevoerd, ongeacht de gevolgen.”
De volksgezondheid liep doorloopend gevaar door het zeer slechte gehalte van het drinkwater en in tijden van langdurige droogte gebrek eraan. Aan al deze bezwaren zou een waterleiding een einde kunnen maken. Maar er moest nog heel wat water door Leeuwarden’s grachten vloeien, vóórdat de Raad overging tot het verleenen van een concessie tot aanleg en exploitatie. (op 4 october 1884, terwijl mijn vader wegens ziekte afwezig was, staakten de stemmen over het voorstel. Na heftig aandringen bij zijn dokter tevens raadslid krijgt hij, hoewel lang niet hersteld, verlof om in de vergadering (67) Op 9 october alleen zijn stem uit te brengen. En tot zijn groote vreugde wordt de concessie verleend met… 11 tegen 10 stemmen) Hieraan is nog voorafgegaan een bestrijding van een voorstel van B en W strekkende om niet over te gaan tot de oprichting van een gemeentelijk abattoir. In een breed opgezet betoog zegt hij o.m.: “Het algemeen belang moet voorgaan boven het bijzondere (van de slagers). Het zal voor de Gemeente een min of meer dure inrichting zijn, maar daar tegenover staat dan het belang van de algemeene gezondheid. Dat belang is niet onder cijfers te brengen. Doch al kon het geschieden, “de gezondheid kan nooit te duur worden gekocht”. “Hij kant zich fel tegen een abattoir van particulieren. Alleen een gemeente kan waarborgen geven. Steunende op Oppenheim behandelt hij de kwestie ook nog uit staatsmachterlijk oogpunt. Maar het mag niet baten, het voorstel van B. en W. wordt aangenomen (10 november 1881). In 1887 en nogmaals in 1889 komen dr. Baart de la Faille en hij op de zaak terug, doch met hetzelfde negatieve resultaat.
Naar aanleiding van een vleeschvergiftiging houdt hij op 9 augustus ’92 een interpellatie, waarbij hij “de keuring van vleesch onvoldoende acht en aandringt op wetenschappelijk gevormde keurmeesters, die ook een microscopische onderzoek weten in te stellen, maar geenszins zooals hier een vroegere slager en wat nog erger is, commiezen van ‘r Rijks belastingen, fiscale ambtenaren die allen verstand kunnen hebben van de waarde van het vee.” In maart 1904 verschijnt weer de oprichting van een gemeentelijk abattoir als punt op de agenda en het zijn als van ouds overwegingen van financieëlen aard, die de totstandkoming beletten. Bij de behandeling van de begrooting op 29 october 1907 wordt nu door (68) de sociaal-democratische leden een dergelijk voorstel ingediend, dat krachtig aanbevolen wordt door mijn vader, waarbij hij eraan herinnert sedert vijf-en-twintig jaar hierop bij elke gelegenheid te hebben aangedrongen. Alweer tevergeefs, met 13 tegen 5 stemmen wordt het voorstel verworpen.
In dezelfde zitting wordt echter een motie, waarbij de wenschelijkheid wordt uitgesproken tot oprichting van een Centraal Bureau voor keuring van levensmiddelen- ook al een wensch van jaren- met 13 tegen 5 stemmen aangenomen. Een kleine pleister op de wonde.
Ten slotte is er toch nog een gemeentelijk abattoir gekomen, maar ik kan mij niet herinneren, of hij dit nog heeft beleefd.

Diversen
Zelden is er een raadzitting in zijn tegenwoordigheid voorbij gegaan, zonder dat hij zich in de discussies mengde. Alleen hield hij zich afzijdig bij de behandeling van bouw- en andere zeken van technischen aard, waarvan hij volgens eigen zeggen “niet het minste verstand van had”. Met één uitzondering! Als B. en W. met een voorstel voor den dag komen, om aannemers te verplichten zich zelven en hun werkvolk te verzekeren tegen ongelukken bij de groote werken, aanbesteed door de gemeente “juicht sps. dit zeer toe, maar hij wenscht verder te gaan, door het voor alle werken verplichtend te stellen niet alleen, maar dat de Gemeente haar eigen werklieden tegen ongelukken moet verzekeren.” Een amendement in dezen geest wordt echter met 10 tegen 8 stemmen verworpen, waarna het voorstel van B. en W. wordt waargenomen. (13 mei 1890) (69) Zoo gauw evenwel financieële aangelegenheden, o.m. het belastingstelsel, een punt van bespreking uitmaakten, liet hij zich terdege gelden. Reeds op 21 october 1865 brengt hij rapport uit over een voorstel van B. en W. betreffende de regeling van het belastingstelsel. In de vergadering van 26 augustus 1875 pleit hij voor een enkelvoudig stelsel. “Ook al erkent spr. de daaraan verbonden moeilijkheden. Maar eerst als men zoo gelukkig zal zijn geweest, den steen der wijzen te hebben gevonden, zal men misschien ook eens een belasting kunnen uitvinden, geheel beantwoordende aan de eischen der billijkheid en rechtvaardigheid.”
Merkwaardig voor iemand van zoo’n vooruitstrevende geest is zijn verzet tegen de uitvoering van progressie bij de directe belastingen: zijn vrees “dat een uittocht van de gefortuneerden het gevolg hiervan zal zijn tot groote schade van de stad” wordt door niemand gedeeld. Hij is de eenige tegenstemmer! De voorgestelde belasting op toneelvertoningen en andere openbare vermakelijkheden kan evenmin zijn goedkeuring wegdragen. “Spr. is nooit voorstander ervan geweest, om de kunst te belasten. Het ligt z.i. veeleer op den weg van het gemeentebestuur de kunst te bevorderen, zelfs door het verleenen van susidie.” De verordening krijgt slechts 4 stemmen. (13 januari 1903) – Van converteeren van Gemeenteschuld is hij steeds een groote voorstander geweest, wat o.m. blijkt uit een door hem uitvoerig toegelicht voorstel tot conversie van rapporteurs, dat door den Raad in de zitting van 16 november 1887 voor kennisgeving wordt aangenomen. “La mort sans Phrase” volgens hem. Een amendement op een voorstel van B en W. tot converteeren van de gemeenteschuld (70) van 4 % in een van 3 ½ % om alle leeningen te converteeren kan evenmin een meerderheid verkrijgen op 13 augustus 1888. Groot is zijn verrassing als B. en W. in de vergadering van 22 augustus 1890 met een voorstel komen tot conversie van de resteerende gemeenteschuld, terwijl zijn daartoe strekkend amendement van slechts acht maanden geleden, door B. en W. met alle kracht was bestreden. In zijn dankwoord verklaart hij geneigd te zeggen niet “les idées marchent, mais les idées galoppes.”
Elk voorstel, dat volgens zijn overtuiging in het belang van handel, nijverheid en verkeer moet worden aangenomen, ondersteunt hij en het gebeurde meer malen, dat hij bij het motiveeren van zijn stem de desbetreffende adviezen of adressen, ingezonden door de Kamer van Koophandel en door hem geconcipieerd, nader toelicht en aanbeveelt. Evenmin heeft hij zich onbetuigd gelaten bij de beraadslagingen in ontelbare vergaderingen over de plaats van het te stichten Beurs- en Waaggebouw. Tweemaal- in 1872 en 1877- brengt hij als algemeen rapporteur verslag uit van de in de afdeelingen gehouden besprekingen.
In de Leeuwarder Courant van 25 en 27 September 1880 laat hij aan een beschrijving van het gebouw en van de feestelijkheden bij de opening op den 24sten een historisch overzicht voorafgaan, waaruit blijkt, dat het vijf en tachtig jaar heeft geduurd, vóórdat eindelijk overeenstemming was bereikt over de plaats van het gebouw. Eén zin uit het verslag typeert hem volkomen: “Moge de tegenstanders nooit uit het ook verliezen, dat het gemeentebelang de hoogste wet is (71) voor alle ingezetenen. Niet alleen is hij doorlopend opgekomen voor de belangen van de onderwijzers, maar evenzeer voor die van de gemeente ambtenaren. Reeds in 1866 pleit hij voor verhooging van hun salarissen en in 1869 van pensionneering zoowel van een politieagent als van den Gemeente-ontvanger; een vaste regeling moet er komen.”
In een debat over hoogere bezoldiging van ambtenaren van de Bank van Leening zegt hij o.m. “Men heeft eene instelling tot voorkoming van armoede en men geeft de daaraan verbonden beambten een tracement, dat ze armoede doet lijden, men hoopt hem als het ware om tot de clientéle over te gaan.”(13 mei 1875).
Op 14 september 1876 komt hij weer terug op de pensioneering: “De Gemeente is moreel daartoe verplicht en het dreint wettelijk te worden vastgelegd.” Hoewel hij telkens spoedige behandeling van deze kwestie aandringt, komt eerst de verordening omtrent het verleenen van pensioen of wachtgeld aan gemeente-ambtenaren en – bedienden aan de orde in de vergadering van 13 maart 1879 en … zij wordt met 10 tegen 9 stemmen (hij kon niet aanwezig zij) verworpen. Eenige pogingen in het jaar 1892 hebben evenmin succes. Eindelijk op 27 juni 1893 krijgt de zaak haar beslag. Met 14 tegen 8 stemmen wordt de door B. en W. ingedreinde verordening tot het verleenen van pensioen aan gemeente-ambtenaren, - bedienden en werklieden aangenomen. Tegen den zin van den wethouder en van mijn vader wordt op 14 febr. 1899 besloten, de ambtenaren te laten bijdragen van eigen pensioen, gelijk overal elders in den lande. (72) Hoewel ik reeds meermalen heb aangetoond, hoe mijn vader, begaan met het lot van de arme bevolking, bovenal in deze functie met al zijn vermogens heeft meegewerkt aan elke maatregel ter verbetering van haar destijds nog zoo droevig bestaan, kan ik niet nalaten, om tot besluit van deze rubriek nog eenige bewijzen hiervan te geven. Bij de begrootingsdebatten in het jaar 1886 verklaart hij , “dat in tegenstelling tot de meening van B. en W. de Gemeente wel degelijk particuliere pogingen tot werkverschaffing mag steunen. Wat al of niet tot de bemoeiingen van het openbaar gezag behoort, is moeilijk uit te maken: z.i. behoort men in elk concreet geval daarover te beslissen. De oude school, die het laisser faire laisser aller als beginsel huldigde, heeft meer en meer volgelingen verloren. Er zijn thans heel andere begrippen te dien aanzien beginnen te heerschen (of de oud-Thorberkiaan met zijn tijd is meegegaan!) Hij vraagt of als een man in de kracht des levens en in staat om te werken, de hand ophoudt en ondersteuning vraagt, hetzij aan particulieren, hetzij bij een armbestuur, niet allicht het eerste woord, dat hen tegemoet gevoerd, zal zijn: “ga werken.” Maar als er geen werk is, wat moet hij dan toch? Verdient het daarom niet goedkeuring en ondersteuning, als men hun, die geen werk hebben, doch wel kunnen en willen werken, de gelegenheid daartoe verschaft? Velen, ook buiten den Raad, hebben de meening geuit, dat het gebrek aan werk meestal te wijten zou zijn aan eigen schuld. ze mogen er onder zijn, maar er zijn tal van arbeiders, die geheel huns ondanks ten gevolge der tijdsomstandigheden, eerlijke armen, die gaarne willen werken, als zij maar arbeid kunnen vinden. Door het veelvuldig huisbezoek kan hij hier genoegzaam over oordeelen (73) en daarom ondersteunt hij met alle kracht de voorstellen van de commissie tot werkverschaffing, dat verre de voorkeur verdient boven het geven van aalmoezen.” Als de heer Troelstra hem en dr. Baart de La Faille verwijt, dat wat beiden in het midden hebben gebracht in zeker kringen met genoegen zal worden gelezen “daarop wil sps. alleen antwoorden, dat hij als hij in de raadzaal het woord voert, hij en niet minder dan de heer Troelstra dit doet omdat hij zich daartoe genoopt of geroepen acht, dat hij dit doet niet alleen om de inspraak van zijn hart, maar ook om zijn overtuiging te volgen, geenszins met de bedoeling om een speech te houden voor de kiezers of voor het volk achter de kiezers.
Als de Vereeniging van Volksbijeekomsten, in welk bestuur hij zit, een lokaal vraagt ten behoeve van haar afdeeling volkszangonderwijs, komt hij met klem op tegen de bezwaren van B. en W. “Volkszang is een volkszaak, die alle aanmoediging verdient. Hij schenkt aan velen uit den minder gegoeden stand de gelegenheid zich in den zang te bekwamen, hetgeen niets anders dan op hunne beschaving gunstig kan terugwerken.” De zaal wordt toegewezen (26 augustus 1869). Op 24 mei 1876 juicht hij het voorstel van B. en W. toe, om een loaailiteit (de zaal boven de Waag) gratis af te staan en een subsidie van F 400 toe te staan aan een op te richten muziekschool, onder voorwaarde, dat de Raad hem leerlingen voor gratis onderwijs kan aanwijzen. ”Onbegrijpelijk is het voor spr. hoe men er een bezwaar in kan zien, dat ook de behoeftigen op de muziekschool zullen worden onderwezen.” Bij de behandeling van het voorstel van B. en W. om het Friesch (74)
Genootschap een subsidie van F 250 te verleenen onder voorwaarde, dat tenminste zes zondagen in het jaar het museum voor 10 cent zal worden opengesteld, wil hij inplaats van 10 cent kostelooze openstelling op tenminste zes zondagen. “Spr. vreest geen nadeelige gevolgen. Uit ervaring weet hij dat het volk zich bij de gelegenheid behoorlijk weet te gedragen. Ieder, die tot zoodanig bezoek komt ook het volk, geeft daardoor reeds het bewijs van gevoel voor het schoone en dit weerhoudt hem als vanzelf van handelingen, die schade aan voorwerpen of gebouwen zouden kunnen brengen. Het volk weet op zijn tijd ook in overdrachtelijken zin, wat “noblesse oblige” beteekent. Zijn voorstel, eenigzins geamendeerd, wordt aangenomen. (26 augustus 1890)

In het verslag betreffende zijn verrichtingen als raadslid is er reeds op gewezen. Dat hij aangelegenheden besproken of door hem aanhangig gemaakt in andere colleges vaak in opdracht van zijn medeleden, in den Raad ter tafel bracht, C.q. verdedigde met argumenten, waaruit bleek, hoezeer hij zich in de materie had ingewerkt. Hieruit mag worden afgeleid, dat zijn invloed in deze lichamen op den gang van zaken niet gering is geweest. Uit mededeelingen ontleends aan jaarverslagen en aan inlichtingen, mij welwillend verstrekt door een paar bestuursleden, is het mij mogelijk nog iets hieraan toe te voegen.
Lid van het schoolverbond en van de Vereeniging Volksonderwijs. Een jaar na de oprichting van de afdeeling Leeuwarden van het schoolverbond in october 1869 werd mijn vader, die wel (75) eens de pionier van het openbaar onderwijs genoemd een plaats aangeboden in het dagelijksch bestuur. Aan het doel van het schoolverbond, door persoonlijke bezoeken aan de gezinnen aan het veelvuldig schoolverzuim paal en perk te stellen, heeft hij met hart en ziel meegewerkt. Wat hij van die meestal eenvoudige lieden te hooren kreeg over slechte behuizing, onvoldoende voeding en kleeding, werkloosheid ondanks wil tot werken en over nog veel meer ellendige toestanden bracht hij in diepbewogen bewoordingen over aan den Raad bij elke gelegenheid, die zich voordeed. En hij rustte niet, voordat verschillende misstanden uit den weg waren geruimd of althans eenige verbetering in de ergste toestanden in uitzicht werd gesteld.
Bij de oprichting van de afdeeling Leeuwarden van de Vereeniging Volksonderwijs in het jaar 1871 gaf hij zich dadelijk als lid op en na de fusie vier jaar later onder den naam van de Vereeniging ter bevordering van het Volksonderwijs en van het schoolbezoek, later kortaf genoemd Vereeniging Volksonderwijs, bleef hij een even enthousiast en werkzaam lid. Hij ontwierp een reglement en innig artikel van zijn hand verscheen in drie eerste jaren in de Friesche Courant ter verdediging van het Openbaar Onderwijs, dat juist toen aan felle critiek, zelfs aan verdachtmaking van orthodoxe zijde blootstond.
Van onderscheidene commissies maakte hij deel uit, zoo o.a. van een ter bevordering van het avondonderwijs (in 1872) en van een tot het instellen van een onderzoek naar de eischen, waaraan het schoolwezen in de Gemeente volgens de nieuwe wet op het L.O. zal moeten voldoen. In een lijvig (76) rapport, dat deze commissie in 1880 in het echt gaf, heeft hij met mr. A.E. Boelens van Eijsinga het hoofdstuk: “De plaatselijke schoolcommissies en de schoolgeldheffing bewerkt. In het jaar 1878 woonde hij voor het eerst als afgevaardigde van de afdeeling de algemeene Vergadering te Utrecht bij, waar hij aan de discussies deelnam over het wetsontwerp L.O. zoo werden in de kwaliteit nog vele bezoeken aan deze jaarlijksche bijeenkomsten gebracht en vele denkbeelden over wat wij nu zouden noemen “Onderwijsvernieuwing”ontwikkelde hij in dezen kring van deskundigen.

Lid van de Plaatselijke Schoolcommissie, sedert 1878 genaamd Commissie van Toezicht op het Lager Onderwijs. Weinig heeft mijn vader tegenover ons uitgelaten over zijn persoonlijk aandeel in de werkzaamheden van de verschillende colleges.
Wel weet ik door eigen waarneming en van hooren zeggen, dat hij reeksen sollicitanten, onder wie vele aankomende onderwijzers met onverflauwde belangstelling in ons huis te woord stond, dat hij menig keer als vredesrechter is opgetreden bij geschillen tusschen de hoofden en het onderwijzend personeel, door als het eenigzins kon, hij tegenwoordig was bij overgangs- en eindexamens, bij jubilea en schoolfeesten; voorts dat hij trouw de hem aangewezen scholen bezocht, de lessen bijwoonde en daarna met de leerkacht onder vier ogen zijn op – en aanmerkingen besprak, dat hij met de hoofdens wier werk en kennis hij zeer waardeerde, langdurige en conferenties hield over onderwijs-problemen, o.m. over het afschaffen (77) van verouderde methouden en over de mogelijkheid deze te vervangen door nieuwe, aangepast aan moderne opvattingen, en daarbij zorgvuldig elk politiek element vermijden aan te raken.
En niet te vergeten zijn liefde voor de kinderen. Waren deze geïntimideerd door zijn aanwezigheid in de klasse, dit veranderde spoedig als die “vreemde mijnheer” met als zij gezeten in een bank de voor hem zittende leerling zachtjes voorzei als deze een vraag van den onderwijzer niet goed kon beantwoorden. Als dan nog die “aardige meneer” op de plaats van den meester hun een grappig verhaaltje vertelde, dat altijd met een vraag eindigde en hij dan plotseling uit het hoofd of de neus van de meester een paar dropjes of pepermuntjes tevoorschijn tooverde voor het jongetje en meisje die het beste antwoord hadden gegeven, dan kostte het die vriendelijk lachenden mijnheer heel wat moeite die juichende schaar vaarwel te zeggen en … den onderwijzer om de orde te herstellen.
Wat mijn gepresteerd heeft in den boezem van de commissie is op zoo’n fijnzinnige en zaakkundige wijze geschetst in de afscheidsrede door den secretaris dr. J. Ariëns Kappers in de vergadering van ? 18 september 1895 gehouden naar aanleiding van het neerleggen van zijn lidmaatschap, dat ik niet kan nalaten deze in haar geheel over te nemen uit het verslag van den Staat van het Lager Onderwijs in de Gemeente Leeuwarden over 1895.
“In onze vergadering van 18 september 1895 deelde onze hooggeachte voorzitter, de heer Duparc, mede, dat hij op raaf van zijn geneesheer had besloten het lidmaatschap (78) Onzer commissie vaarwel te zeggen en dat hij een daartoe strekkend verzoek aan den gemeenteraad om ontslag reeds had ingediend.
Ofschoon wij de reden van zijn heengaan uit ons midden moeten eerbiedigen, hebben wij niet dan van nooden berust in zijn besluit.
Wat zijn heengaan beteekent voor onze commissie en voor het lager onderwijs te Leeuwarden, zullen zij beseffen die als wij den heer D. Kennen, die weten, dat hij twintig jaren lang lid onzer commissie en sinds dertien jaren onze voorzitter, de leider onzer was; dat hij tevens sinds lange jaren lid zijnde van den gemeenteraad, steeds met gelukkigen tact en met scherpzienden blik de belangen der gemeente en die van het onderwijs wist te doen samengaan en aan elkaar dienstbaar te maken. Wij en zeer velen met ons weten, welk een krachtige strijder voor de belangen van het lager onderwijs in deze gemeente hij steeds was en wat dat onderwijs aan hem heeft te danken, aan hem wiens lust en levenstaak het was het onderwijs, dat hem zoo na aan het hart lag, steeds te doen beantwoorden aan de behoeften des tijds. Wij en zeer velen met ons weten, dat alle thans vrijgeven de gemeente verordeningen op het lager onderwijs, die in de laatste twintig jaren elkaar steeds verbeterd hebben opgevolgd, zijn tot stand gekomen, dikwijls op zijn initiatief en door hem ontworpen, steeds door zijne bemoeiingen (getuige het in leven roepen eener damescommissie voor de vrouwelijke handwerken, de verordening op de regeling van het onderwijs, de verordening op de jaarwedden, de verordening op orde en tucht en andere).

(79) Steeds hebben wij bewonderd zijne groote wetskennis, zijne administratieve bekwaamheid, zijne buitengewone werkkracht, zijne groote hulpvaardigheid. Hoe menigmaal waren wij getroffen door zijn stalen geheugen, zijn helderen blik, zijne degelijke adviezen, zijne scherpzinnige altijd diep doordachte argumentatie.
In de geschiedenis van het lager onderwijs alhier zal steeds met onuitwischbare letters staan gegrift de naam van Arie Duparc.
“Overeenkomstig ons advies werd hem door den Raad van Leeuwarden eervol ontslag verleend met ingang van 1 januari 1896, onder dankbetuiging voor de vele en belangrijke diensten door hem aan het onderwijs in deze gemeente gedurende twintig jaren bewezen. Moge hij nog lange jaren de goede vruchten aanschouwen van zijn onverpoosd streven en werken voor het lager onderwijs te Leeuwarden”.
Hieraan valt alleen nog toe te voegen, dat op een voorjaarsdag van het jaar 1896 aan ons huis werd afgegeven een magnifiek zilveren schenkblad, een persoonlijk geschenk van de leden en een in kalfsleer met het wapen van Leeuwarden, waaronder de letters S.P.Q.L gebonden verslag over 1895 met een calligraphische opdracht, aangeboden door de commissie. Dit laatste kreeg een eereplaats in zijn bibliotheek.

Lid van de vereeniging tot bevordering van de volksgezondheid daarna van de gezondheidscommissie. Al dadelijk bij de oprichting van de vereeniging tot bevordering van de Volksgezondheid in het jaar 1869 werd mijn vader benoemd (80) tot lid en secretaris. Uit deze laatste functie nam hij acht jaar later wegens drukke bezigheden ontslag; hij bleef echter lid. Na de ontbinding van deze vereeniging volgde hij beschikking van den commissaris der Koningin op 21 november 1902 zijn benoeming tot lid van de Gezondheidscommissie. Tot de organisatie der commissie, belichaamd in haar huishoudelijk reglement, nam hij een werkzaam aandeel; de eerste buitgewone vergadering werd in ons huis gehouden.

Ook voor de commissie was hij, mede in nauwe samenwerking met dr. Baart de la Faille de aangewezen tot verdediger van de vele hier behandelde onderwerpen van hygiënsch belang voor de stad in den Gemeenteraad. Met bijzonder veel genoegen aanvaardde hij de opdracht de commissie te vertegenwoordigen op het congres van sociale hygiëne te Breda in 1903 en te Nijmegen een jaar daarna.
In de laatste vergadering, die hij na het indienen van zijn ontslag als lid bijwoonde, huldigde de voorzitter, dr. LaFaille hem in een afscheidsrede, (opgenomen in het verslag over 1909). In woorden vol waardeering beschreef deze wat de aftredene voor de Vereeniging volksgezondheid en “daarna sedert haar oprichting voor de Gezondheidscommissie was geweest en hoe hij in woord en schrift talentvol en onvermoeid op de bres had gestaan, waar het verdediging der hygiënische belangen van stad en land gold. Hij bracht den nestor der commissie op hartelijke wijze hulde en dank voor alles, wat hij had gedaan”… Zeer zeker zou de opheffing van de Gezondheidscommissies (81) die een schakel vormden tusschen overheid en burgerij en plaats moesten maken voor ambtelijke colleges, zeer door mijn vader zijn betreurd.

Lid van de Vereeniging voor Volksbijeenkomsten. Op initiatief van ds. P.J. Hugenholtz kwamen op een november dag van het jaar 1864 een-en-twintig stadgenooten bijeen, met het doel een vereeniging “Voor het volk op te richten, die”de lagere volksklasse een degelijke ontspanning moest verschaffen.” Deze vereeniging voor Volksbijeenkomsten, zooals de definitieve naam luidde, heeft veel bijgedragen tot de ontwikkelingen ontspanning van deze bevolkingsgroep door het houden van populaire en wetenschappelijke lezingen, door het geven van zanglessen ter verbetering van den volkszang, van concerten en tooneelvoorstellingen, voordrachten etc en niet te vergeten het verstrekken van kosteloos gymnastiek onderwijs, waarvoor van het begin af de grootste belangstelling bestond.

Mijn vader, die tot de oprichters behoorde, heeft menige spreekbeurt vervuld. Hij ontwierp in de Commissie van wetsherziening het huishoudelijk reglement van 1867. Verder had hij zitting in de commissie “Floralia”, wier tentoonstellingen van eigen gekweekte bloemen en planten hij nooit verzuimde te bezichtigen. Dat men hem ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan der vereeniging in het eerecomité had opgenomen (met de heeren R. Bloembergen en W.J. Oosterhoff als de eenigen nog in leven zijnde oprichters) heeft hem veel genoegen gedaan. De uitgebroken eerste wereldoorlog belette de voorgenomen feestelijke viering van dit jubileum. (82) Lid van de Vrijmetselaarsloge “De Friesche Trouw.” Op voorstel van zijn schoonvader J. Coopman werd mijn vader als broeder-vrijmetselaar opgenomen in de Amsterdamsche loge “La Pain” op 11 october 1861. Twee dagen hierna volgde zijn installatie als broeder-leerling in de loge: “De Friesche Trouw” te Leeuwarden en op 7 october 1863 verkreeg hij de meester titel.
Als mede-afgevaardigde heeft hij van het jaar 1873 af vele vergaderingen van het ‘het Groot-Oosten’ te ’s Gravenhage bijgewoond. Zoo vertegenwoordigde hij ook met eenige broeders de loge bij het jubileum van Prins Frederik, op den dag, dat deze vijftig jaar geleden de maconnieke wijding kreeg. Nogmaals tien jaar later in november 1877 woonde hij als zoodanig het feest ter viering van ’s Prinsen zestig jarig jubileum bij aangewezen in de commissie tot ontvangst en binnen leiden van prinsen Frederik en Alexander en van den kroonprins van Duitschland (den lateren Kaiser Frederich) mocht hij van alle drie de “broederhand” gedrukt krijgen. Ter gelegenheid van zijn 70sten verjaardag werd hij onderscheiden met den titel van “Meester van Eer.” En of dit geen eer genoeg was, mocht hij op den dag van zijn 50-jarig lidmaatschap het diploma van “Officier van Eer” in ontvangst nemen. Wat was hij blij met dit teeken, dat de broeders hem nog niet vergaten.
Nooit heeft hij zich tegenover een van ons niet één woord uitgelaten over het innerlijke wezen van de maçonnie. Alleen zijn benoeming tot eenige hierboven genoemde eere-ambten heeft hij voor de huisgenooten niet willen verzwijgen. Door een toeval vond ik eenigen tijd geleden (83) in een zg. geheim laadje van zijn oude secretaire, juist voordat ik haar van de hand wou doen, eenige maçonnieke diploma’s en opgaven van benoemingen.
Hoewel ik niet zonder schroom deze feiten aan den buitenkant bekend maak, kan ik na zorgvuldige overdenking mij hierdoor niet schuldig achten aan een schending van “het geheim” door ze onvermeld te laten zou ik de mooiste gebeurtenissen uit zijn leven met stilzwijgen voorbijgaan. Het was eerst op zijn 80sten verjaardag, dat ik te weten kwam, hoe gelukkig en bevrijd van de dagelijkse zorgen hij zich voelde te midden van zijn medebroeders op de vrijdagavond- “comparities” in de “Harmonie”. Op dezen feestdag, dien wij in besloten kring in Amsterdam ten huize van zijn oudste dochter vierden, brak voor hem het gelukkigste moment aan, toen geheel onverwacht de voorzittend mr. Binnerts en ds. Deenik, als afgevaardigden van hun loge, de meest hartelijke gelukwenschen kwamen aanbieden. Met ontroerde stem gaf hij uiting aan zijn diepgevoelde erkentelijkheid voor deze verrassende onderscheiding en hij eindigde met deze voor mij onvergetelijke woorden: “De Vrijmetselarij gaf wijding aan geheel mijn leven.”

Lid van tal van nog niet genoemde Vereenigingen en Commissies hoezeer men van alle zijden beslag heeft gelegd op zijn werkkracht, kennis en hulpvaardigheid moge blijken uit een opsomming van tal van lidmaatschappen van Vereenigingen en Commissies.
In de Provinciale Almanak voor Friesland van het jaar 1872 vond ik een door hem eigenhandig bijgehouden lijst tot aan 1885. De reeds door mij genoemde heb ik bij de weergave laten vervallen (84) Verder voegde ik eraan toe eenige met betrekking op het Koninklijk huis; tot eenige completteering ben ik helaas niet in staat. Het zou echter mogelijk zijn, dat gezondheidsredenen, die hem juist in ditzelfde jaar 1885 noopten, zich uit de gascommissie terug te trekken, hem ertoe brachten, geen nieuwe verplichtingen op zich te nemen, met die ééne uitzondering te begrijpen van zoo’n vurigen “Oranjeklant”als mijn vader was.
Lijst van Lidmaatschappen:

1864. Lid der Commissie van de Tentoonstelling van Friesche Nijverheid en Kunst, tevens 2e secretaris en lid der jury voor druk-bindwerk enz.
1866. Lid der Commissie voor het verstrekken van warme spijzen aan minvermogenden. (in het cholera-jaar)
1868. Erelid der jury voor de Algemeene Nijverheidstentoonstelling te Arnhem.
1869. Lid der Commissie voor de Noodlijdenden aan de Kaap de Goede Hoop.
1872. Lid der Commissie voor het Aprilfeest (den Briel).
1874. Lid van de Commissie van het 25-jarig regeeringsjubileum van Koning Willem III.
1874. Lid van de Algemeene Commissie tot oprichting van de “Harmonie”.
1875. Lid van het voorloopig bestuur (bedankt voor een plaats in het vaste bestuur.)
1877. Lid van het comité tot bevordering van Tooneelvoorstelingen.
1877. Lid van het Friesch Genootschap voor Geschied-Oud en Taalkunde, met nog twaalf ingezetenen benoemd ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Genootschap.
1878. Lid van de Commissie voor het Nationaal cadeau. (85)
1878. Voor Koningen Emma en lid der uitroerende Commissie.
1879. Lid van de Debatingclub (opgericht door ds Hugenholtz)
1880. Lid van de commissie Nationale Nijverheidswedstrijd voor het in 1881 te vieren 25-jarig bestaan van de Vereeniging Nijverheid.
1880. Lid van de Commissie voor de wetsherziening van de Sociëteit “Amicitia”.
1881. Lid van de Commissie tot financieële reorganistatie van “Amicitia”.
1881. Lid van de financiëele commissie van de “Harmonie”.
1883. Lid van de Commissie voor de reorganisatie van de Brandblusserij (geheel nieuw reglement gemaakt.)
1883. Lid van de Commissie voor hulpverleening aan Krakatau.
1883. Lid en Voorzitter van het Montefiore-Comité.
1884. Lid van de Commissie voor de Wetsherziening van de Vereeniging Nijverheid.
1885. Lid van het Plaatselijke Comité tot versterking van het ondersteuningsfonds van Onderwijzers.
1887. Lid van de Commissie ter viering van den 70sten verjaardag van Koning Willem III.
1891. Lid van de commissie ter viering van de verjaardag van Koningin Wilhelmina.
1892. Lid en secretaris van de Commissie voor het Nationaal Huldeblijk aan Prinses Sophia, groothertogin van Saksen. Weimar-Eisemach.
1892. Lid der feestcommissie ter voorbereiding van het bezoek van de Koningin-regents en de Koningin Voorzitter van de Muziekcommissie.
(86)
1898. Lid van de Commissie voor het Nationaal geschenk aan de Koningin bij haar troonsbeklimming.
1901. Lid van de nu vast geconstitueerde 31 augustus feestcommissie.
1905. Lid van de Commissie ter ontvangst van de Koningin en Prins Hendrik.

Lijst van geschriften.
Een maand voor den 25sten juni 1916 kwam een van ons op de gedachte onzen vader op zijn 90ste verjaardag te verrassen met en verzamelwerk van zijn publicaties.
De tijd voor zoo’n veel onderzoek vereischenden arbeid was echter veel te kort, zoodat wij ons moesten beperken tot het bijeen brengen van de overdrukken en de voornaamste couranten-artikelen, het doorzien van de Handelsblad leggers en het inwinnen hier en daar van inlichtingen. Van eenige volledigheid kon in de verste verte geen sprake zijn. Maar dit verhinderde niet, dat de 90-jarige overgelukkig is geweest met ons geschenk. Daar ik mijn niet competent acht tot een bespreking laat staan een beoordeeling van de meeste van zijn pennevruchten en het mij tot wenschelijk voorkwam een-zij het ook globaal-overzicht te geven van de onderwerpen en gebeurtenissen, die hem tot schrijven noopten, zoo besloot ik tot het samenstellen van de navolgende lijst, vermeldende de titels van de tijd schrijfartikelen in den eersten bundel en die van de couranten artikelen, opgenomen in het tweede deel. (een kruisje voor een titel duidt aan, dat een overdruk van dit artikel aanwezig is in de Stedelijke Bibliotheek van Leeuwarden.) (87)

* verbodswetten zonder strafbepalingen. Tijdschrift voor strafrecht, 1888 dl III afl.3. Het nieuwe reglement van politie op de waterstaatswerken, in onderhoud en beheer bij de Provincie Friesland.
Themis, 1893 dl LIV nr 3 en 4.
* De Makelaardij
Themis, 1897 nr. 3
* De Makelaardij
Verm. herdruk verschenen bij gebr. Belinfante, ’s-Gravenh. 1898.
*Art. 178 der Militiewet, in verband met art. 227 van het wetboek van strafrecht.
Themis, 1898 no.1
* De Ziektewet, in verband met de onteigeniswet. Hyg.bladen, 1900.
Gemeente archivarissen.
(N.a.l. van dit artikel een polemiek met mr. S. Muller Fr over de benoeming van mej. R. Visscher tot gem. archivaris van Leeuwarden)
NED Archievenblad 1900/1901 afl. 2 en 3.
* De woningwet.
Hyg.bladen 1901.
* Over de wenschelijkheid van een rijksontsmettingsdienst.
Hyg. bladen 1901
* Plaatselijke verordeningen tegen mazelen.
Hyg. bladen 1901.
* Onteigening bij besmettelijke ziekten.
Hyg. bladen 1902
*Loterijen- Banken van Leening. Themis 1903 no.1
(88)
* Ontsmettingsdienst
- Tijdschr. v. Soe.Hyg. 1903 jg V afl.4
* Iets over sterfte aan kanker te Leeuwarden
- Tijdschr. v. Soe. Hyg. 1903 jg. V. afl. 5.
* Gemeentebesturen tegen Gezondheidscommissies.
- Tijdschr. v. Soe. Hyg. 1905.
Een Noodzakelijke wijziging.
- Tijdschr. v. Soe Hyg 1906 jg VIII no.1
* Afvoer van faecale stoffen.
- Tijdschr. v. Soe. Hyg. 1908 jg X no.1
* Hinderwet en Gezondheidswet.
- Tijdschr. v. Soe. Hyg. 1908 jg. X no. 5 en 6.
* Gezondheidscommissiën
- Tijdschr. v. Soe. Hyg. 1908 jg X no. 7
Gezondheidscommissien.
Gemeentestem, 18 April 1908.
Bebouwde kom.
- Tijdschr. v. Soe. Hyg. jg X no.10
Een bekeering.
- Tijdschr.v.Soe. Hyg. 1909 jg XI no.5
* De eedsdwang.
- Themis, 1910 no.1.
Een gewijzigd Eedsformulier.
- Gemeentestem, 12 Sept.1910
* De Gemeenteraad en de Politie.
- Themis, 1910 no.2
*Raadslid-Onderwijzer.
- Themis. 1910 no.4.
(89)
* De Wettelijke regeling van het Armbestuur in Nederland. Sedert 1818.
- Economist. Oct. en Nov.1910.
De Gemeenteraad en Politie
- Gemeentebelangen, 1 jan 1911.
Geschillen over de rekening der gezondheidscommissie.
- Tijdschr. v. Soe. Hyg. 1911 jg XII no.2
Openbaarheid.
Gemeentebelangen, 1 maart 1911.
* Over het begrip “Ambtenaar”
- Themis 1912 no.1.
Art. 37 van het ontwerp-Armenwet.
- Gemeentestem, 2 maart 1912.
De Voorzitter van den Gemeenteraad.
- Gemeentestem, 8 juni 1912.
* Openbare Armenzorg. Schoolvoeding.
- Economist, 1912
De Gemeenteraad en de Politie.
- Gemeentestem, 31 aug en 12 oct. 1912.
Toezicht op Levensmiddelen en gebruiksartikelen in Friesland.
- Gemeentebelangen, 1 dec. 1912 en 1 jan. 1913.
Voorziening in de behoefte aan drinkwater in Friesland.
- Gemeentebelangen, 15 dec. 1912.
Waterrechten.
- Gemeentestem, 15 feb.1913.
Installaties van burgemeesters.
- Gemeentestem, 7 maart 1914.
De Begrafeniswet en lijkverbranding.
- Gemeentestem, 16 mei 1914.
(90)
Over het begrip “Bebouwde kom”
- Gemeentestem, 12 sept.1914
Kosten van overbrenging en verpleging van arme krankzinnigen.
- Gemeentestem, 1 jan. 1915.
Over het recht van benoeming van de voorzitters der Tweede Kamer en den Eerste Kamer van de Staten-Generaal.
- Themis, 1915 no.2 en 3.
De electriciteits-verordeningen der Provinciën Overijssel en Noordbrabant.
- Gemeentestem, 29 mei 1915.
Artikel 96 der Grondwet, in verband met artikel 35 der Provinciale Wet.
- Themis 1916 no.1
Keuring der levensmiddelen.
- Tijdschr. v. Soe. Hyg. 1916 jg XVIII no.2
Het koppelteeken. Een spoorwegkwestie.
- Economist, 1916.
Pensionneering van vroegere gemeente-ambtenaren.
- Gemeentestem, 14 maart 1916.
De Begrafeniswet en de Lijkverbranding.
- Themis, 1916 no. 4. (verschenen na zijn overlijden)

Vee en Menschen. Hand. 11 sept. 1867.
Feestelijke Opening van het Nieuwe Beurs- en Waaggebouw. Leeuw.Crt. 24 sept 1886.
De Fabriekswet I en II. Hand. 24 maart 1896.
De Veiligheidswet. Hand. 15 dec. 1896
Minister-kamerlid. Hand. 10 aug. 1897.
Toelatings, examens. Hand. 28 aug 1897.
De Makelaardij. Hand. 17 sept en 4 oct 1897.
Het broodoproer in Friesland. Leeuw. Crt. 1900.
(91)
Toelatingsexamens. Hand. 4 april 1902.
Vorstelijke bezoeken aan Friesland in de Negentiende eeuw. Leeuw. Crt.
De loterijwet I en II. Hand. 25 en 26 sept. 1903.
De eerste Friesche Spoorweg I en II. Leeuw. Crt. 13 en 15 oct. 1903.
De eed der Israëlieten. Hand. 26 jan. 1905.
Geneeskundigen in de Tweede Kamer. Hand. 19 febr. 1905.
Een Rijkslandbouwconsulent in Engeland. I en II hand. 2 mei 1906.
Herinneringen aan Adelaïde Ristori. Leeuw. Crt. 19 oct.1906.
Notarissen-Makelaars I en II. Hand. 4 en 5 Febr.1908.
In Thorbecke’s dagen. Hand. 25 maart 1910.
Wegzenden van kinderen van de Openbareschool. Hand 28 mei 1910.
De eedsquestie. Hand. 10 juni, 28 oct, 9 nov. 1910.
De wijziging der ziektewet. Hand. 20 dec 1910.
De Roo van Alderwerelt. Hand. 30 jan. 1911.
Veeziekten in Friesland I en II Leeuw.Crt. 8 en 15 mei 1911.
Nog eens…de eedsquaestie. Hand. 23 mei 1911.
De Gemeentewet juli 1851-juli 1911. Groene Amsterd. 16 juli 1911.
In memoriam P.H. Hugenholtz jr. Groene Amsterd. 27 aug 1911.
Verorderning op de winkelsluiting. Hand. 28 sept. 1911.
De Gereformeerden en de doodstraf. Hand. 29 oct. 1911.
De vroegere lijfstraffen. Hand. 3 maart 1912.
De Eerste Kamer. Leeuw. Crt. 8 maart 1912.
Het vroegere en tegenwoordige strafstelsel. Hand. 29 maart 1912.
De Prinsentuin en het Koninklijk Paleis te Leeuwarden. Hand. 14 mei. 1912.
Tegen onwillige gemeentebesturen. Hand. 23 aug. 1912.
De burgerlijke en militaire overheid, in geval van oproerige beweging, van samenscholing of van andere stoornis der openbare orde. Hand. 21.3.’13
Het Leeuwarder stadhuis. Leeuw. Crt. 7 april 1913.
De April-beweging van 1913. Hand. 20 mei 1913.
(92)
De inquisitie. Hand. 14 juni 1913.
De vroegere Lemster beurtschepen. Leeuw.Crt. 16 aug.1913.
De eerste Friesche spoorlijn 1863-14 october-1913. Leeuw.Crt. 14 oct. 1913.
Een wondeplek in onze rechterlijke macht. Hand. 31 dec. 1913.
De Nederlandsche taal. Leeuw.Crt. 25 maart 1914.
De Leeuwarder waterleiding. Leeuw.Crt. 11 mei 1914.
De Roo an Alderwerelt-Thomson. Hand. 25 juli 1914.
Effecten koersen na de Fransche revolutie en februari 1848. Hand. 30.1.1915.
De nadere wettelijke regeling van het eedsvraagstuk. Hand. 13 maart 1915.
De prijzen der levensmiddelen. Leeuw. Crt. 3 april 1915.
Friesche plaatsnamen. Leeuw. Crt. 10 april 1915.
Het Eedswetteke. Vrij Friesland 15 juli 1915.
Nog eens het eedsvraagstuk. Hand. 24 oct. 1915.
De standaard en het eedsontwerp. Nieuwe Amsterd. 4 dec. 1915.
Het amendement van Idsinga (op het eedsontwerp). Hand.9 febr. 1916.
Onze geneeskundige wetgeving. Nieuwe Amsterd.      1916

Naschrift
Punctum. Automatisch vloeit dit woord uit mijn pen nu ik aan het eind ben gekomen van de taak, die ik mij heb gesteld.
Punctum. Hoe vaak heeft dit woord niet in onze huiskamer geklonken, nadat mijn vader zijn pen had neergelegd. In de huiskamer, want van een aparte studeerkamer in huis of op de griffie- “College” zeiden wij altijd- wou hij nooit iets weten. Hij bezat de kostelijke gave zich geheel op zijn werk te kunnen concentreren, zelfs te midden van de grootste drukte. Alleen mochten wij niets tegen hem zeggen, hem niet in zijn gedachten gang storen, als hij over zijn bureau gebogen zat. Plaats (93) voor veel boeken was er niet, maar dit was ook niet nodig want alles wat hij eenmaal had gelezen, had hij in zijn geheugen geprent.
Had dan dit ‘punctum’ was uitgesproken, volgde steevast de vraag, of een van ons wat muziek wou maken of wij allen een partijtje guaorille of hombre wilden spelen. Maar het kon ook gebeuren, dat hij mij een artikel met een voor mij begrijpelijke inhoud toeschoof, met het verzoek dit ‘met attentie’ door te lezen en in de marge- met het daarbij gevoegde roode potlood-aan-of opmerkingen te plaatsen. Na mij van deze opdracht zoo goed mogelijk te hebben gekweten, was zijn eerste vraag: ‘hoe vind je het?’
Nu ik op het punt sta, dit geschrift te beëindigen, zou ik hem zoo graag willen vragen: hoe vindt vader het? En omdat een antwoord uitblijft, zou ik verder met vragen willen doorgaan.
Vindt u het goed, dat, waar U zelf bezwaar had tegen het schrijven van uw memoires, iemand anders en wel een U zoo nastaand familielid uit uw leven het een en ander vertelt? Zoo ja, vindt u het goed, dat dit geschrift met al zijn gebreken, ook uit stilistisch en taalkundig oogpunt- want ik heb nu eenmaal niet uw talent van schrijven- noch uw zeer ontwikkeld taalgevoel meegekregen – wordt geplaatst in een openbare instelling, al is deze de bibliotheek, waaraan gijzelf de meeste overdrukken van uw geschriften hebt geschonken: Vindt u het goed, dat ik uitsluitend-het licht heb laten vallen op uw verdiensten, in het bijzonder op uw optreden in den Raad, zonder eenige aandacht te schenken aan het vele goede en belangrijke, dat uw medeleden- mag ik enkelen (94) noemen, Jongsma, Attema, Plantenga, van Sloterdijck, Ketwich Verschuur, Baart de la Faille, j’am passe et des meilleurs hebben verricht en die door hun medewerking en stem het mogelijk maakten, vele van uw denkbeelden ingang te doen vinden en talrijke wenschen te verwezenlijken?
Ik zou u graag nog zooveel vragen willen stellen, als ik maar eenig zins de hoop mocht koesteren, dat uw antwoord mij zou kunnen bereiken. Daar het echter voor mij vaststaat dat dit tot de pia vota behoort, ontleen ik aan deze zekerheid den moed, om mijn eigen weg te volgen en overeenkomstig mijn oorspronkelijk voornemen het manuscript ten geschenke aan te bieden aan de Stedelijke Bibliotheek van Leeuwarden.

Amsterdam 25 juni 1949                              S. Duparc

(95)

Naam en voornaam Datum, maand en jaar van geboorte Rang   Datum en nr van het besluit van aanstelling of bevordering Tijdstip van aanstelling of bevordering
Arie Duparc 25 juni 1826 Buitgewoon Beambte F 416,- - 2 januari 1850
    Tweede klerk F 275,- 4 jan 1851 no31 1 jan 1851
*(Bovendien toelage uit het longZute-fonds van F125,-   Eerste Klerk F 275,-* 13 january 1851, no 43 1 april 1851
    Eerste Klerk F400,- 5 january 1852, no 43 1 janyary 1852
    Adj. [-unct] Commies 2e Klasse F400,- 12 september 1854 no.36 1 october 1854
    Adj. [-unct] Commies 2e Klasse F500,- 4 january, 1855 no.2 1 january 1855
    Adj. [-unct] Commies 2e Klasse F 600,- 14 mei 1858, no 39 1 july 1858
    Adj. [-unct] Commies 1e Klasse F 700,- 30 mei 1859, no 66 1 july 1859
    Adj. [-unct] Commies 1e Klasse F750,- 30 sept 1861, no 48 1 oct. 1861
    Adj. [-unct] Commies 1e Klasse F900,- 6 mei 1862, no 20 1 july 1862
    Adj. [-unct] Commies 1e Klasse F1000,- 30 maart 1863, no 3 1 april 1863
    Commies F1200,- 15 nov 1864 no 52 1 january 1865
    Commies F1300,- 28 february 1867, no 28 1 april 1867
    Commies F1400,- 30 december 1869 no 35 1 january 1870
    Commies F1650,- 27 maart 1873, no 41 1 april 1873
    Commies F1750,- 5 mei 1875, no 64 1 january 1875
    Commies F2000,- 16 december 1875, no 71 1 april 1876
    Commies F2100,- 13 maart 1879, no 33 1 april 1879
    Commies F2200,- 16 february 1882, no 71 1 january 1882
    Hoofd Commies F 2700,- 31 mei 1900, no 61 1 juni 1900
    Hoofd commies F3000,- 16 december 1905, no 5 1 januarie 1906
           

(96)
Bijlage

(1)

Grepen uit de verzameling programma’s 1863-1903, ter kenschetsing van het muziek- en tooneelleven in Frieslands hoofdstad gedurende deze periode.

Toonkunst

Het eerste Noordelijke muziekfeest was een gebeurtenis (6 en 7.6.1871) van den eersten rang, niet alleen voor de Leeuwarder ingezetenen, maar evenzeer voor de muziekliefhebbers in den wijden omtrek. Hieraan werkten mee: de zangvereeniging ‘Ceacilia’ het Leeuwarder Mannenkoor, het Groninger orkest onder directie van J.H. Bekker.
Op den eersten avond werd in de Groote Kerk uitgevoerd het oratorium Sancta Caecilia van G. A. Heinze. Op den tweeden avond in de zaal van Van der Wielen op het zg. Kunstenaarsconcert o.m. de derde symphonie van Mendelsshon Bastholdy en het eerste deel van het vioolconcert van Beethoven met als solist C. Coenen. De solisten van den vorigen avond, onder wie de beroemde alt Colin Tobisch en bas Bletzacher zongen aria’s uit orantonia en een serie klassieke liederen. In de namiddagen werden concerten gegeven in den Prinsentuin en bij Van der Wielen door het Mannenkoor, Stedelijk Muziekcorps onder leiding van P. Wedemeijer en door de Kapel van het 1e Regiment. Infanterie, gedirigeerd door J. F. Sloetz.
Een groot vuurwerk met illuminatie in den Prinsentuin besloot de feestelijkheden.

(2)
De Gemengde Zangvereeniging ‘Concordia’

Dit eerste muziekfeest werd in den loop der jaren door verscheidene andere gevolgd. Zij vormden het hoogtepunt van het seizoen voor alle muziekvrienden en waren vooral in de latere jaren hoofdzakelijk te danken aan de kunstzin en milddadigheid van den president- medeoprichter van de gemengde Zangvereniging ‘Concordia’, jhr. mr. Ayso E. Boelens van Eysinga.
Daar volgens mededeeling van mr. C. H. Beekhuis den voorzitter van de afdeeling Leeuwarden der Maatschappij ‘Toonkunst’ alle bescheiden van voor het jaar 1900 van ‘Concordia’ – wier leden in 1930 zijn overgegaan naar ‘Toonkunst’ - in ongereede zijn geraakt, kon ik niet aan de verleding weerstand bieden, om op deze plaats een overzicht te geven van Concordia’s werkzaamheden, voor zoover de bewaard gebleven programma’s mij hiertoe in gelegenheid stellen. Dank zij de mij verstrekte inlichtingen van den Gemeente-Archivaris van Leeuwarden en jhr. A.E. van Humalda van Eysinga te Laren (N.H.) ben ik te weten gekomen, dat in de vergadering van 27 februari 1874 werd besloten tot ontbinding van de Zangvereenigingen ‘Caecilia’en ‘Luterpe’en tot het vormen van een nieuwe gemengde zangvereeniging. Deze zou spoedig hierop den naam aannemen van ‘Concordia’. In het eerste bestuur hadden zitting:

B.T. Hayward, president, A.E. van Boelens van Elysinga, vice-president, A. Meinkema, secretaris, H. Beucker Andreae, pennigmeester. B. Miedema, bibliothecaris. Het eerste concert was een “soirée Musciale” (20.3.1875) onder direchie van A.Schliebuer. Als solisten traden op mejuffrouw E. de Vries en twee door initialen aangeduide koorleden. Ter gelegenheid van het 12 ½ jarig bestaan van (28.29.30.5.1886) “concordia” werd in samenwerking met de Gemengde zangvereeniging “Becker” en het Groninger Harmonie orkest, geheel geleid door Becker een driedaagsch Noordelijk Muziekfeest gegeven. Uitgevoerd oratorium: messias van Händel, (twee avonden achtereen; de eerste voor het publiek toegankelijke generale repetitie). Op kunstenaarsmatinée; aria’s en liederen. Solisten: Marie Filleenger, Adéle Assmann, Henri Westenberg, Emil Fischer. Om de twee jaar vond zoo’n Noordelijk Muziekfeest plaats, afwisselend in Leeuwarden en in Groningen. Hierna volgen eenige belangrijke uitvoeringen; Das Paradies und die Peri van Schumann (3.2.1888) Ealias van Mendelsohn- Bartholdy (4.1889) Ein deutsches Regmein van Brahms (24.11.1893) Die eerste Walpurgisnacht von Mendelsohn (24.11.1893)
Josua van Händel, solisten: Wally Schauseil,(1,2,3,6.1894) Charlotte Huhn, Johan Messchaert. Fanstscénen van Schumann; solisten: Johanna Nathan,(29.11.1895) Jeanne Landré, A. Sistermans, Antern van Rooy, C. Diebrich.
Odyssens van Bruch; solisten: Jeannette de Jong (29.5.1896) Charlotte Huhn, Anton van Rooy, Wilhelm Fenten (Ch. Hulen en A. van Rooy, beroemde Wagner-zangers). [25 jarig bestaan] Les Béatitudes van C. Franck, Magnigicat van Bach, (9.10.11.6. 1899) Neujahrslied van Schumann; solisten: Marcella Pregi, Johanna Groneman, Pauline de Haan, Manifar ges J. Messchaert, J. Orlio, Jan Dijker, Carl Burrian P.C. Koerman was inmiddels (jaar onbekend) tot directeur van “Concordia”benoemd, leidde in elk geval deze uitvoering van koor, solisten en orkest. Op de Kunstenaarsmatinée stond Wouter Hutschenruyter voor zijn eigen (Utrechtse) orkest. Ten gehoore werden gebracht o.m. de 7e symphonie van Beethoven, het vioolconcert van Bruch, als solist Hugo Heermann, Kreutzersonate van Beethoven met Heerman en Julius Röutgen aan den vleugel. Die zerstöreng Jersusalems door Klughardt; (20.4.1900) solisten: Meta Geyer, Jeanne Bleyenburg, Filly Koenen, J. Rogmans, E. Hildach. Nanie van Brahms, Die jungfrau von Orleans van (16.9.1901) solisten Meta Geyer, C. Diebrich, Paul Haase.
Die Jabreozeiten van Hayder; solisten, Alida(29.5.1903) Oldeboom-Lutkeman, A. Jungblut, P. Setterkorm. Verder meen ik mij nog te herinneren een uitvoering van de Elias en een van die Schöpfung van Hayden: solisten Aaltje Noordewier-Reddinguis, Pauline de Haan-Manifayes, Johan Roymans, Johan Messchaert.

(3)
Op deze lijst zijn vermeld de concerten gegeven door orkesten en opera-gezelschappen, die, doordat ze jaren achtereen de stad bezochten, a.h.w. een integreerend deel van haar muziekleven uitmaakten; verder door instrumentale en vocale ensembles van den eersten rang en ten slotte door alleen optredende kunstenaars, wier namen dank zij haar eminente gaven en buitengewone prestaties, in herinnering zijn blijven voortleven bij de na hem komende generaties.

Guides van Brussel onder leiding van Kapitein Bender (12.5, 13.6.1870)
Deutsches opera gesellschaft Trieres Stadt-Theater.
Operás: Der Barbier van Sevilla van Rossini; Die weine (12,15, 28.5, 13.6.1870)
Dame van Boieldieu, Der Troubadour van Verdi.
Martha van Flotow.
Florentijner strijkkwartet. Kwartetten van Mozart,(11.1.1873. 24.1.1877) Hayden, Cherubini, Mendelshohn.
Signora Monbelli, opera-zangeres. Italiaansche aria’s (12.1.1873, 9.9.1889) Stafmuziek van het Regiment Grenadreis en Jagers onder directie van F. Dunkler.
Henri Wieniawski, violist. Composities van Beethoven (13.10.1874 en in 1878)
Bach en van hemzelf (o.a. de bekende “Légende”)
Utrechtse Symphonie-orkest, dirigent C.Coenen. (12.12.1874)
Park. orkest, dirigent W. Stumpff. (1.2.1875)
Deutsches opera-Gesselschaft aus Arnhem I Opera’s
Das Nachtslager zu Granada van C. Kreutzer (28.10.1876)
Figaro’s Hochzeit van Mozart. Martha (21.11.1877)
Die Weisse Dame, Der Waffenschmid van Lortzing (5.1,2.2.,6.1.1880)

(4)
Deutsches Opera-Gesellschaft aus Arnhem II. Opera’s.
Der postillon von Longjumeau van Adam. (16.1.1882)
Der Fledermans van Johann Strauss jr. Martha (26.2.1882) Troubadour, Freischütz van Weber, Barbei van Sevilla (?11.12.1882)
Groninger Harmonie-orkest, directeur H.J. Bekker (25.6.1877)
symphoniën van Beethoven, Schubert, Schumann, (en vele volgende jaren 22.11.1880,6,8)) Mendelssohn, Brahms etc.
Domkoor uit Berlijn 7.11.886, 10.5.1895)
Wanderers Wagner Theater, directeur Angelo Neumann (17.1.1888)
orkest, solisten. Koor van het Richard Wagner Theater (13.2.d.o.r sheif Wanger) te Bayrenth onder leiding van Anton Seidl. (deze beide musici in gelijke functie later werkzaam aan de beroemde Prager Opera genoten een wereld reputatie door hun veelvuldige tournée’s met deze instelling door vele landen)
Het programma is waard te worden overgeschreven.

  1. Ouverture Taunhaüser
  2. Frühlingslied und liebesdueth aus ‘Die Walküre’
  3. Vorspiel und Isoldens liebestod aus Tristan und Isolde
  4. Vorspiel zu den Bühnenweihfestspiel aus Parsifal
  5. Siegfrieds Tod und Trauermusik aus Götterdämmersung
  6. Rits der Walküren und grose Insembelscéne aus am Brünnhildenstein aus den III Act der Walküren.

Orkest uit Berlijn onder leiding van B. Bilse. (13.8.1884)
Fransche Opera uit ’s Gravenhage. (17.12.1884)
Wiener Hofcapell, dirigent Eduard Strauss. (21.8.1885)
Muziek uit operetten, gecomponeerd door vader en zoon Johann Strauss.
Eugene Isaye, Violist. (18.1.1886)
Amsterdamer Deutscher Oper, Director W. Kienzl. (13,27.2.1886)
Opera’s: Die zauberflöte en Don Jan van Mozart.
Philhamonisch orkest uit Berlijn onder leiding van (10.6.1887) F. Mannstädt. o.m. werden uitgevoerd de Leonore ouverture, no.3 en de 5e symphonie van Beethoven.
Duitsche Opera van Rotterdam met voorstellingen van (in 1887 en volgende jaren 6.5.1890, 5.1.1892) van de meeste bovengenoemde opera’s, van Lohengrin van Wagner, Wilhelm Tell van Rossini, Mignor van Thomas, Mini Hank, concertzangeres, sopraan. 26.3.1890
Eugéne d’Albert, pianist 11.12.1890
Concertgebouw orkest, directeur Willem Kes. 6.4.1892
Programma vermeldt o.m. overtüre Taunhäser, Danse macabre van Saint-Saens, 5e symphonie van Beethoven, Invitatron á la valse van Weber, Danse des sylphes uit La Dammation de Faust van Berlioz,
Rapsodie Hongroise, no 12 van Liszt.
Sigrid Arnoldson, opera-zangeres, sopraan (?1893)
Amsterdamsch á Cappella-koor onder directie van Daniël de Lange. (26.5.1893)
Concert van “Die drei Holländerinnen”, de zangeressen (18.3.1893)
Jeanette de Jong, dochter van den Kapelmeester van het stedelijk muziekcorps H.de Jong) sopraan, Anne Corvermezzo-sopraan en Marie Snijders, alt.
Liederenavond van Johan Messchaert, bas, aan den vleugel (24.1.1895 en vele volgende jaren 28.1.1895 en vele volgende jaren) Julius Röntgen. Liederen o.m. van Schubert (die Schöne Müllerin, wintersessie) Schumann (Dichterliebe/Brahuis, Wolf Utrechtsch stedelijk orkest, dirigent W. Hutschenruyter symphoniën, piano-concerten en vioolconcert van Beethoven, etc werken van moderne (o.m. Nederlandsche) componisten.

(5)

Italiaansch Opera-ensemble cospi. (6.1, 31.10.1896)
Russisch vocal. national Capelle onder leiding van (4.10.1897) Nadini Slavianska.
Nederlandsche Opera; directeur C. van der Linden.
Opera’s: Lohengrin van Wagner, Cleopatra van Enno (12.1, 25.3.1894)
Mignon van Thomas, De opwekking van Lazares van (6.7,2.1897)
Perosi, Faust van Gounod. Solisten o.m. Urlus, Thijssen (10.3.1899)
Orelio, Engelen-Seuring, Thijssen-Bremerkamp, Irma Lorin.
Boheemsch strijkkwartet. Werken van Mozart, Smetana Beethoven(10.2.1898)
Opera-gesellschaft, stadttheater aus Bremen. (12.1.1900)
Opera’s barber von Sevilla, Figaro’s Hochzeit (3.3.1900)
Orpheus und eurydike van Gluck, Martha en bovengenoemde werken. (6.3.,10.11.1900 en volgende jaren)
Julia Culp, alt-zangeres (20.2.,26.6.1901)
Cellist, Johan Wijsman, pianist.
Negerconcert van de Amerikaansche Jubilee-swingers uit Philedelphia. (9.12.1901)
Amsterdamsch conservatorium kwartet (Bram Eldering, André Spoor, H.W. Hofmeister, J. Mossel). (21.12.1901) kwartetten van Mozart, Beethoven en Schubert.
Het Rotterdamsch instrumental trio Wolff. Bouman (7.1.1903)- verhey met medewerking van Jeannette Greunbacher-de Jong Opera-zangeres Emma Nevada.(11.3.1903)
Nog velen zouden hier kunnen worden genoemd, maar om niet te uitvoerig te worden wil ik alleen memoreeren de onvergetelijke concerten in de Groote Kerk, gegeven in de septembermaand door de zangeressen Aaltje Noordewier-Reddingius, Pauline de Haan- Manifarges en de organist Anton Verhey gedurende vele achtereen volgende jaren, verder een orgel-matinzé op dezelfde plaats door: den Franschen componist C. Saint Saëns, de zangeressen Louise Heymann, (begeleid door de pianiste Johanna Heymann, Anna Kappel, Tilly Koenen, de pianisten Harold Bauer, Frederic Lamond, Emma Koch, den violist Bronislaw Hubermann (als wonderkind), ik meen ook den violoneellist Pablo Casals (tezamen met Harold Bauer) en ten slotte den over de geheele wereldberoemden zanger en declamator Ludwig Wüllner, (begeleid door Coenraad Bos) nu Das Hexenlied van Ernst van Wildenbruch). Maar de Kroon van alles, wat hier is vermeld, spande het concert ter viering van het 25 jarig bestaan van de ‘Harmonie’. Het bestuur had hiertoe uitgenoodigd het concertgebouw orkest onder aanvoering van Willem Mengelberg. Deze voor mij eerste kennismaking met orkest en dirigent was voor mij een openbaring gelijk en zij heeft indrukken achtergelaten, die in een tijdsverloop van meer dan veertig jaar, waarin ik het voorrecht had ontelbare malen het orkest in eigen omgeving te hooren, niet in het minst zijn vervaagd.
Het programma, dat werd uitgevoerd, moge deze rubriek besluiten: (13.2.1903)
De 6e symphonie (de Pathétique) van Tschaikofsky, Vorspel en slotscene uit Tristan en Isolde & Siegfried, Idyll van Wagner, Tod en Verkläring van Richard Strauss.

Toneelkunst (6)

Nog meer dan tot de muziek voelden de stadgenooten zich aangetrokken tot het tooneel. Het gebeurde zelden of nooit, - gelijk dit bij concerten meermalen het geval was- dat toneelvoorstellingen niet konden doorgaan wegens gebrek aan belangstelling. Integendeel. De zalen waren steeds goed bezet een toen in latere jaren abonnementen voor een serie voorstellingen werden verkrijgbaar gesteld, waren deze bij het begin van het seizoen reeds uitverkocht. Het zou onbegonnen werk zijn, om zelfs een beperkte keuze te doen uit de vele tooneelopvoeringen uit de jaren 1863-1903.
Lang hebben de Duitsch romantische werken van Hotze Iffland, Bisch Pfeiffer, de Fransche en Engelsche melodrama’s, waaronder de ergste draken, repertoire gehouden, maar gelijk overal elders begon het beschaafdeel onder het publiek zich meer en meer ervan af te wenden en belangstelling te tonen voor de Fransche comédies, Engelsche salonstukken, Duitsche blijspelen werken van Nederlandsche en van Noorsche schrijvers, die sedert het begin dezer eeuw aandacht begonnen te schenken aan problemen van maatschappelijk-socialen aard en niet te vergeten voor de klassieke tooneelstukken, die trouwens nooit geheel van het tooneel waren verdwenen. Hier volgt van een zeer willekeurige greep uit de opgevoerde werken, wegens vele herhalingen van het meerendeel der stukken ongedateerd, maar waarbij toch eenigzins rekening is gehouden met den tijd van spelen.
Menschenhaat en Berouw van kotzebue, De Jagers van Iffland, Laurierboom en Bedelstaf, Margot de Bloemenverkoopster, De Gebochelde, ontschuldig veroordeeld, Rogier de Geschandvlakte, De twee Weezen, De Voddenrappers van Parijs, Gaston van Parijs, of de man met het Yzeren masker, Marie Antoinette, Koningin en Martelares, Jane Eyse, of de wees van Lowood- Max Havelaar, Vorstenschool van Multatuli (met Mina Krüseman en Elise Baart onder regie van den schrijver. 12 mei 1875: later in den titelrol met Catharine Beersmans), Een Amsterdamsche Jongen of het Buskruitverraad van 1622 van Van Lennep, De Koopman van Venetië, Otbello van Shakespeare, singeur Semeyns, Juffrouw Serklaas van Schimmel (50-jarig tooneeljubileum en afscheid van de eerste actrice M.J. Kleine-Gartman, 15 april 1885). Tartuffe van Moliére, Maria Stuart van Schiller, Marguerite Gantier van Dumas, De Demi-Monde, een wereld, waarin men zich verveelt van Pailleson, De Familie Benorton, Fédora, Madame Saus-Géne van Sarderu, Adrienne Lecouvreu, DokterKlaus van L’Arronge, De Industrieël van Pont-Aveones, Lastertongen van Sheridam, De tweede MevrouwTanqueray van Ppnero, mejonkvrouw de la Seigliëre van Landeau, Frere-Frere van Meilhac en Halévy, Uitgaan van Glanor, Janus Tulp, Fejie Beschuiten van Jushes van Maurik, Zwarte Griet van Rosier Faassen, De Kiesvereeniging van Stellendijk door Mulder, Goudvisje, Eerloos van Nerehuys, De candidateur van Bommel door De Koo, Domheidsmacht & smart, Antigone Koning Oedipus van Sophocles, Medea van Aeschylds, Nora, Spoken, Hedda Gabler van Ibren Voerman Henschel van Hamptmann, Monna Vanna van Maeterlinck, Ghetto. Op hoop van zegen van Heyermans. Al deze en vele andere stukken werden gespeeld door tooneelgezelschappen uit Amsterdam, die den Stadsschouwburg onder verschillende directies hun terrein van werkzaamheden hadden (o.a. de Kon. Vereeniging Het Nederlandsche Tooneel) Het Grand Theatre van Lier, De Nederlandsche Tooneelvereniging. Het Rotterdamsch Tooneelgezelschap en nog eenige kleine onder wie dat van de Friesche familie Bakker. Van de reeksen tooneelisten, in deze veertig jarig opgetreden in de zalen van Van der Wielen, Stadsschouwburg en in “De Harmonie”, zijn de namen van vele vooraanstaande kunstenaars nog niet vergeten. Enkele mogen hier een plaats vinden.
De acteurs: Anton Peters, Jaha Tjasink, Nathan Judels, August Morin, L.J. Veltman, J.H. Albregt, Victor Driessens, Jacques de Boer, Daan van Ollafen, E.J.J. Bachigaloupi Tourniaire, C.C. van Schoonhoven, Jan D. de Vos, L.B. J. Moor, Cor Schulze, Henri Poolman, Dirk Haspels, Rosier Faassen, Willem van Zuylen, J. Ternooy Apél, L.H. Chirspijn sr., Boven allen blonk uit Louis Bouwmeester.
De actrices: allereerst Maria (Mietje/Johanna kleine-Gartman, Wilhelmina Ellenberger, Christina Stoets, Josephine de Groot, Sophie Pauwels-van Biene, Anna de Sablairolles, Sophie de Vries, Louise Korlaar van Dam, (7) Christine en Guusje Poolman, Betty Holtrop- van Gelder, Catharina Beersmans, Marie van Eysden Vink, Alida Tartand-Klein, Esther de Boer-van Rijk, Wilhelmina van der Horst-van de Lugt Melsert, Theo Mann-Bouwmeester, die allen overtrof.
Willem Royaards heeft niet alleen naam gemaakt als tooneelspeler, maar even zeer als de amateur. Hij trad hier voor de eerste maal op met de vorodracht van Julius (19.4.1899) Caesar: naar ik meen een jaar er op met Richard II, beide in de vertaling van Burgerdijk en vervolgens met Vondel’s (21.3.1902)
Geboorteklok.
Een geheel nieuw genre, een combinatie van muziek, tooneel, voordracht met een conférencier als verbindingspersoon, deed haar entrée met het optreden van het (18.27, 28,1,6.10.1902 Berliner Original Neberbrettl onder directie van Oscar von Fielitz en met Ernst von Wolzogen’s Buntes Theater. (17.8.1902)
Ten slotte volgt hier nog een overzicht van de buitenlandsche corypheeën, die hun eigen gezelschappen meebrachten of een gastrol vervulden bij een der Nederlandsche tooneelgezelschappen en van enkele buitenlandsche theaters op tournée.
Hoewel het buiten het tijdsbestek valt, kan ik niet nalaten, het optreden te memoreeren van de beroemde Italiaansche tooneelspeelster Adelaïde Ristori, die met haar gezelschap een voorstelling gaf van Schiller’s Marie (?.7.1861) Stuart in Italiaansche vertaling (in de Leeuwarder Courant van 19 october 1906 wijdde A.D. ‘Een herinnering”aan dien avond). Het tooneelstuk Béatrice ou la Madonna d’art van Legouvé in de oorspronkelijke taal volgde een avond erop.
(8) Het tooneelgezelschap van den stadschouwburg van (30.4.’70, 15.4.’74. 17.3.’74, 20.7.’75) Antwerpen onder directie van V. Driessens: Max Havelaar, Tartstuffe, Margérite Ganthier e.a. (26.7.1877) Madam Agar: geheel of enkele acten uit:Horace, Phédre, (16.10.,13.11.’76) Amphitryom, Les Femmes savantes, Mérope, Les Plaideurs, (24.10.1877)
Brittamnicus, Le Bourgeois gentilhomme (? ’79, 22.1.1882)
Marie Seebach, Grisseldis oder Liebe und entsagung von (16.4.1877)
F. Hahm, Faust. En met het Residens Ensemble uit (17.4.1877)
Berlijn: Mutter und sohn van CH. Birch-Pfeiffer (24.1.1886)
Noordduitsch Tooneel- en zanggeselschap onder directie gedurende van M. Auerbach: Maria Stuart, Jane Lyre, Onkel Brasy het jaar 1877 von Reuter, blijspelen van Kadelburg en Schöntharm. Ludwig Barnay met het Residenz Ensemble uit Berlijn, (22.10.1885) Hamlet.
Madame Thénard (vaak opgetreden voor de Alliance Francaise) met Fransche een actes etc.
Ernst Possart: Othello, Faust, Freud Fritz (2.,16. ? 11 1890)
Madame Segond-Weber, Phédra, Les Jacobites (12.11.’93, 3.11.’95)
Schaftesburg Theatre van Londen: Morocco Bound (26.4.1895)
Emil Richard met het Kon. Würtenburger en Keiserl. Russische Hoftheater: Onkel Bräsig, Der Herr Senator (29.10.1900) van Kadelburg en Schöntau (?..1901)

Bijl III
Verslag van de handelingen van den gemeenteraad van Leeuwarden van Dinsdag 24 augustus 1909. 177
naming te vinden, maar dit gaat niet zoo gemakkelijk. De titel door den heer Hartenlust voorgesteld, geeft echter niet juist de bedoeling weer van Burgemeester en Wethouders. Wanneer toch de bedoelde functionaris ‘hoofdopzichter’ werd genoemd, zou daaruit kunnen worden geconcludeerd, dat hij in positie boven de anderen staat en dit is niet het geval. Wel wordt door dezen opzichter een hooger salaris voorgesteld, maar dat is niet het gevolg daarvan, dat hij boven de anderen staat, maar van de grootere omvangrijkheid van zijn werk. De taak der andere opzichters is afgeloopen tegelijk met die der reinigers en tonnenbezorgers, de werkzaamheden van den opzichter op de belt blijven doorgaan. Zijn werkkring ligt op de belt, de andere opzichters werken geheel onafhankelijk van hem. ‘Hoofdopzichter’ geeft dus niet juist de bedoeling van Burgemeester en Wethouders weer, terwijl dezen den door hen voorgestelden titel hebben gekozen in overeenstemming met andere steden.

De heer Hartenlust herhaalt dat hem uit de stukken is gebleken dat het wel degelijk de bedoeling is, een verschil in rang te creëeren en daarom is bij spreker de gedachte opgekomen dezen opzichter den titel van ‘hoofdopzichter’ te geven. Nu spreker het bezwaar daartegen van den heer Oosterhoff heeft gehoord, wil hij zich daarbij wel neerleggen, maar hij vraagt of het dan nog niet beter zou zijn den man ‘terreinopzichter’, te noemen. Hij verricht toch zijn werkzaamheden op het terrein.

De heer Baart de la Faille heeft alle respect voor de bezwaren van den heer Hartenlust. Waar het aschland uit den aard der zaak al een onaesthetische zaak is, moet men deze nog niet meer onasthetisch maken door onaesthetische titels. Ook spreker heeft de naam belt-opzichter alleronaangenaamst in de ooren geklonken en hij had dan ook aan dezelfde verbetering gedacht als de heer Hartenlust. Spreker vertrouwt ook dat, waar de kwalificatie ‘terrein-opzichter’geheel de bedoeling weergeeft, er bij Burgemeester en Wethouders geen bezwaar zal zijn het voorstel van den heer Hartenlust over te nemen.

De heer Oosterhoff verklaart dat Burgemeester en Wethouders, ofschoon zij hopen dat de toestand op het aschland binnen net al te langen tijd zoo zal zijn, dat het noemen van den naam alleen geen onaangename gewaarwordingen meer zal opwekken, het voorstel van den heer Hartenlust overnemen.

De algemeene beraadslagingen worden gesloten.
De onderdelen I-II worden achtereenvolgens met algemeene stemmen aangenomen, waarna het geheele voorstel en bloc met algemeene stemmen wordt aangenomen.

6. Voorstel van Burgemeester en Wethouders tot vaststelling van verordeningen op de heffing en invordering van markt- en weeggelden voor het gebruik van de veemarkt en van de daarop geplaatste weegtoestellen (bijlage no.14)

Het nader schrijven van Burgemeester en Wethouders (no. 3 van de ter tafel gebrachte stukken) luidt als volgt:

Blijkens nader bij ons van deskundige zijde ingekomen adviezen zal de definitie van ‘kalveren’ en ‘biggen’ in art. 2 van ons voorstel van 30 juni l.l. tot vaststelling eener nieuwe verordening op de heffing van veemarktengelden (bijl. 14 van dit jaar) in de praktijk moeilijkheden ontmoeten; wat de kalveren aangaat omdat de aanvoer daarvan hier te belangrijk is dan dat de met de controle der veemarktgelden belaste personen zich bij elk beest omtrent de ontwikkeling vna de hoornen goed zouden kunnen gewissen. Bovendien staat het begrip anderzijds bij de vaklieden vast. De aangevoerde graskalveren zijn alle in het voorjaar en den voorzomer geboren en blijven het jaar van hunne geboorte in de praktijk een kalf heeten, zoodat ze na 1 januari als runderen kunnen worden belast. Het tweede lid kan dus overbodig heeten.
Evenzeer ducht men bezwaren, indien de beoordeeling van wat een big is moet gaan naar de ontwikkeling of den stand van het gebit en zou daarom liever volgens het gewicht willen onderscheiden; een varken beneden de 15 k.g. is volgens dien maatstaf dan een big.
Aangezien het ons echter voorkomt, dat de beoordeeling als regel toch wel op het gezicht zal gaan en pas bij verschil tusschen den aanvoerder en den gaarder overgegaan wordt hetzij tot het inspecteeren van het gebit, hetzij, bij de definitie volgens het gewicht, tot het wegen van het dier, en beide maatregelen in dat geval gelijk oponthoud zullen veroorzaken, terwijl bovendien, naar ons is medegedeeld, in Groningen ter zake geen bezwaren worden ondervonden, waar men, bij een ongeveer gelijken marktaanvoer van varkens als hier, dezelfde definitie heeft als thans in het 3e lid van art. 2 wordt voorgedragen, zijn wij van meening dat die alinea onveranderd behouden kan blijven.
Wij verzoeken u mitsdien art. 2 der ontwerp-verordening tot het heffen van markt- en weeggelden voor het gebruik van de veemarkt en van de daarop geplaatste weegtoestellen (bijlage 14 van 1909) nader aldus te lezen, dat daaruit het 2e lid vervalt.

Algemeene beraadslagingen worden niet gehouden.

Aan de orde is de:

Verordening tot het heffen van markt- en weeggelden voor het gebruik van de veemarkt en van de daarop geplaatste weegtoestellen.

Deze verordening wordt eerst artikelsgewijs, daarna en bloc met algemeene stemmen vastgesteld.

Aan de orde is de:

Verordening op de invordering van het markt- en weeggeld voor het gebruik van de veemarkt en van de daarop geplaatste weegtoestellen.

Deze verordening wordt eerst artikelgewijs, daarna en bloc met algemeene stemmen aangenomen.

VI. De voorzitter deelt mede dat hij, alvorens de vergadering te sluiten, het woord verleent aan den heer Duparc, die daarom heeft gevraagd teneinde een woord van afscheid tot den Raad te richten.

De heer Duparc zegt:
Mijneheeren, voorzitter, medeleden en secretaris van den gemeenteraad, Nadat ik ruim vijfenveertig jaren de betrekking van lid van den gemeenteraad had vervuld, meende ik, toen dit jaar ook voor mij weder de beurt van aftreding was gekomen, mij niet weder verkiesbaar te moeten stellen.
Gij zult het begrijpelijk vinden, dat, nu na nog slechts weinige oogenblikken de raadsvergaderingen voor mij zullen zijn gesloten, gevoelens van verschillenden aard mij bezielen.

Allereerst is het een besef van het groote voorrecht, dat ik zooveel jaren hier heb mogen medewerken tot bevordering van de belangen der stad, waaraan ik door geboorte en traditie zoo nauw ben verbonden.
Dan is het een gevoel van diepe erkentelijkheid aan de kiezers, die mij gedurende een zoo lang tijdvak onafgebroken hun vertrouwen hebben willen schenken. Daaraan paart zich een niet minder warm gevoel van dankbaarheid aan de burgemeesters en de raadsleden, van wie ik in de verloopen vijfenveertig jaren zoo menigmaal blijken van waardeering en toegenegenheid heb mogen ondervinden, en aan de secretarissen en andere gemeente-ambtenaren voor de steeds mij betoonde welwillendheid, als ik hun hulp kwam inroepen.

Gedurende mijn lidmaatschap van den Raad zag ik hier niet minder dan acht burgemeesters werkzaam, van de vorige zeven zijn gelukkig nog drie in leven, één, altijd in Leeuwarden gebleven, die zou kunnen worden genoemd: ‘Ereburger van Leeuwarden’, wiens naam, evenals die van zijn zoo waardige echtgenoot, door een vorstelijk geschenk tot in lengte van dagen onafscheidelijk aan onze stad zal zijn verbonden. Is het nog wel noodig, hierbij mr. Wilco Julius van Welderen baron Rengers te noemen? Ook de andere twee oud-burgemeesters leven voort in de dankbare herinnering van Leeuwardens ingezetenen voor zóóveel, door hen gedaan in het belang der gemeente. Pieter Lycklama á Nijeholt, onlangs als Commissaris der Koningin in Overijssel afgetreden en jhr. mr. Antonie Roëll, die nu sedert vijf jaren te Arnhem de taak voortzet, hier op zoo uitstekende wijze begonnen.
Met meer dan honderd raadsleden heb ik hier mogen samenwerken. Van de ruim tachtig, die zijn heengegaan, behooren verreweg de meesten niet meer tot het rijk der levenden. Onder hen waren er, aan wier groote toewijding Leeuwarden oneindig veel heeft te danken gehad. Dit geldt evenzeer voor zoovelen, die gelukkig nog in leven zijn en mede tal van jaren het lidmaatschap van den Raad met eere hebben bekleed.
Laat ik ook niet vergeten de vier secretarissen, die tijdens mijn lidmaatschap van de Raad Zoo krachtig hebben medegewerkt tot bevordering van de belangen onzer gemeente. Van de drie, die na verloop der jaren zijn heengegaan, vertoeft de eenige nog in leven geblevene, mr. Pieter Adrianus Bergsma, in ons midden, om nu sedert vijf jaren een otium cum dignitate te genieten.
Ik zou te uitvoerig, worden, indien ik, al ware het slechts in korte trekken, wilde schetsen in hoe groote mate Leeuwarden in de laatste halve eeuw op materieel en intellectueel gebied is vooruitgegaan. Het is trouwens voor het grootste deel beschreven in het mooie Geschiedboek van Leeuwarden, van 1846 tot 1906, dat onlangs van de hand van onze talentvolle stadsarchivaresse, mejuffrouw Renske Visscher, is verschenen.
Indien ik naar uw meening tot dien vooruitgang eenigzins mocht hebben medegewerkt, dan zal dit gedurende de levensdagen, die mij mochten worden geschonken, steeds een streelende gedachte voor mij zijn. Heerschte er vóór en na verschil van gevoelen tusschen u, zooals gij hier zijt gezeten, en mij, de onderlinge goede verstandhouding heeft er nimmer onder geleden, evenmin als tusschen uw voorgangers en mij.
Ik neem thans afscheid van U allen.
Wilt u er van verzekerd houden, dat ik u en de ingezetenen van Leeuwarden, waarvan velen mij zoo dikwijls van hun vriendschap en toegenegenheid blijk hebben gegeven, een dankbaar hart zal blijven toedragen. Laat ik ten slotte den wensch uitspreken, dat het u met de uwen bij voortduring in alle opzichten moge wél gaan, en dat onder uw bestuur Leeuwarden steeds in bloei toeneme en een eereplaats behouden moge onder de provinciale hoofdsteden van ons geliefd vaderland.
Het aandenken aan u en aan Leeuwarden zal nooit bij mij verloren gaan. Wilt u van uw zijde, óók als ik weldra Leeuwarden metterwoon zal hebben verlaten, mij niet geheel vergeten.

De heer Baart de la Faille spreekt als volgt; Mijnheer Duparc! Uw afscheidswoord heeft zeker den Voorzitter dezer vergadering, de Wethouders, den Secretaris en de leden diep getroffen. Terwijl gij anders gewoon waart om met vaste stem Uw gevoelen uit te spreken, heeft het u nu eenige moeite gekost onder den indruk van dit diep bewogen oogenblik.
Het zal u niet verwonderen dat vanwege de leden van den Raad een woord van afscheid tot u wordt gericht, een woord van dank is voor al datgene wat gij in de afgloopen 45 jaar voor den Raad en de gemeente hebt gedaan.
Mijnheer Duparc, vooral de oudere leden van den Raad, die u het beste hebben gekend, die weten wat gij waart, zijn er van doordrongen dat de Raad door uw heengaan een groot verlies lijdt. Zij hebben u gekend als een man van karakter, die nooit geschroomd heeft, de vrijzinnige gevoelens, door u sedert 1848 ingezogen, tot hun recht te doen komen. In dien vooruitstrevenden zin zijt gij altijd werkzaam geweest en gij hebt daarvoor den dank uwer geestverwanten ingeoogst. Zij denken met bewondering aan hetgeen gij hebt gepresteerd op het gebied van administratieve-en van wetskennis en op dat der volksgezondheid en het onderwijs. Gij hebt u op ieder gebied een meester getoond. De commissie voor de strafverordeningen zal uwe heldere adviezen missen, in de gascommissie zal de gedachte bewaard blijven aan wat gij voor haar hebt gedaan, in tal van andere commissiën hebt gij uw licht doen schijnen. Daarbij hebben wij u altijd bewonderd, die te allen tijde den goeden toon hebt weten te bewaren, die altijd in den meest parlementaireen vorm voor uwe gevoelens zijt uitgekomen, daarmede de goede traditie handhavende. Met leedwezen nemen wij afscheid van U, maar wij verheugen ons dat gij niet heengaat als een gebroken man. Integendeel, gij neemt afscheid van Leeuwarden en dat doet ons leed, maar ik kan mij voorstellen, dat het stuk geschiedenis van Leeuwarde, dat gij in Uw 45 jarig lidmaatschap van den Raad meemaaktet, u ter harte blijft en ik stel mij voor dat het leven in Amsterdam Uw leven zal zijn en dat het U zal sterken om Uw levensavond in alle genoegen door te brengen. Mijnheer Duparc! Het otium wacht U, het otium cum dignitate, maar het is geen otium, dat in rust berust, gij zult wel eene passende werkzaamheid vinden.

Mijnheer Duparc, waar gij Uwe beste wenschen hebt uitgesproken voor de leden van den Raad, den Voorzitter, de Wethouders, den Secretaris en hunne familie, daar spreken wij wederkeerig onze beste wenschen uit voor u en de uwen. Moge het u gegeven zijn nog eenige jaren te genieten van het leven en wees ervan overtuigd, dat uw aandenken in dankbare herinnering zal blijven.

De voorzitter zegt:
Mijnheer Duparc! De heer Baart de la Faille heeft mij een zware taak van de schouders genomen. Het lag in mijne bedoeling een woord van afscheid tot u te richten. De vorige spreker echter heeft het op een zoo schoone, gevoelvolle wijze gedaan dat ik te kort zou schieten door er iets aan toe te voegen. Hoe uw werk gewaardeerd werd is gebleken toen u vijf jaar geleden werd toegekend de gedenkpenning, ingesteld bij raadsbesluit van 14 november 1836. Toen u die gedenkpenning werd overhandigd, zeide de toenmalige Voorzitter, Jhr. Mr. Roëll, tot u: ‘Gij zijt oud van lichaam, maar nog jong van hart, nog helder van geest.’ Die woorden kunnen wij – gode zij dank- nog eens herhalen.
Mijnheer Duparc! geniet een weldadige rust, wel verdiend is die zeker. Het ga u wel, leef nog lang in gezondheid met allen, die u dierbaar zijn.

De heer Duparc zegt, dat hem thans een nieuw gevoel van dankbaarheid bezielt, en wel voor de door den heer Baart de la Faille tot hem gerichte waardeerende woorden, waarbij de voorzitter zich heeft willen aansluiten een waarmede de leden zoo zeer hun sympathie hebben betuigd. Hij herhaalt zijnezijds de beste wenschen voor de gemeente Leeuwarden en voor haar ingezetenen.

Niets meer te behandelen zijnde sluit de Voorzitter de vergadering.

Constante militaire dreiging, een bittere machtsstrijd, grote spanningen op religieus gebied. De jaren 80 van de zestiende eeuw waren geen makkelijke periode voor een jonge stadhouder. Toch verbond graaf Willem Lodewijk zijn lot aan het opstandige Friesland. Lees hier zijn verhaal.

Willem Lodewijk wordt in 1560 geboren in Duitsland. Met drie jongere broers krijgt hij zijn opvoeding aan de hofschool op het stamslot van de Nassau-familie, de Dillenburg. Willem Lodewijk trekt in deze jaren veel op met zijn neef  Maurits van Oranje, zoon van prins Willem van Oranje. Met Maurits sluit de jonge graaf een hechte vriendschap. Door zijn huwelijk met zijn zuster Anna wordt hij later zelfs zijn zwager.

Naar de Nederlanden
Willem Lodewijk studeert in Heidelberg, de hoofdstad van het Duitse calvinisme. In 1577 reist hij samen met zijn neef Maurits en broer graaf Jan naar de Nederlanden. Hier wordt Willem Lodewijk op zijn negentiende benoemd tot kolonel in het Staatse leger. Met zijn neef Maurits zal hij met dit leger een belangrijke rol spelen in de opstand van de Nederlanden tegen de Spaanse bezetter.

Een scherpe geest
Willem Lodewijk is misschien niet de knapste Nassau. Hij heeft een kogelrond hoofd, een borstelige baard en een gedrongen figuur. Bovendien loopt hij een groot deel van zijn leven kreupel. (Bij de slag in Coevorden wordt hij getroffen door een kogel van zes pond). Maar hij wordt door iedereen geroemd om zijn scherpheid van geest, vindingrijkheid en doortastendheid.

Roerige jaren
Willem Lodewijk leeft in een roerige tijd. De strijd tussen katholieken en protestanten ontbrandt in alle hevigheid. De Tachtigjarige oorlog belandt in een nieuwe fase: die van openlijke oorlog met Spanje. Ook persoonlijk gaat het Willem Lodewijk niet voor de wind. In 1587 trouwt hij zijn nicht Anna van Oranje. Zij wordt ziek en overlijdt na een zware miskraam. Willem Lodewijk komt dit verlies niet te boven en zal nooit hertrouwen.  

Stadhouder van Friesland
Wanneer prins Willem van Oranje Nassau, die ook stadhouder van Friesland is, een plaatsvervanger zoekt, wijst hij in 1584 zijn neef Willem Lodewijk aan.
Wanneer de prins van Oranje een half jaar later in Delft wordt vermoord, benoemen de Staten van Friesland de jonge Willem Lodewijk tot stadhouder. Hiermee is hij de eerste stamvader van de Friese Nassau-tak die tweehonderd jaar onafgebroken Friesland dient.

Hervormer van het leger
Willem Lodewijk speelt een belangrijke rol in de Tachtigjarige oorlog . Met zijn neef Maurits hervormt hij het leger. Hierbij gebruiken ze oorlogstechnieken die door de Romeinen werden gebruikt. Tactieken die Willem Lodewijk in 1594 inzet bij de belegering van Groningen. Nadat het Staatse leger alle toegangswegen naar de stad afsluit, geeft Groningen zich na enkele weken over. Willem Lodewijk wordt benoemd tot stadhouder van Groningen en Drenthe.

Onderwijs en religie
Ruim 36 jaar bekleedt de graaf het stadhouderschap. Hij reist vaak naar Den Haag om daar op te komen voor de Friese belangen. Hij maakt zich sterk voor de komst van een universiteit in Franeker en is betrokken bij de stichting van de Rijksuniversiteit van Groningen. Hij zet zich in voor de ontwikkeling van het protestantse geloof van het Noorden. Ook is hij nauw betrokken bij de modernisering van een groot aantal steden en schansen.

In 1584 wijzen de Friese Staten hem het Camminghahuis aan de Grote Kerkstraat toe als woning. Wanneer hij in 1620 een brief dicteert aan zijn neef Maurits wordt hij getroffen door een hersenbloeding en overlijdt hij op zestigjarige leeftijd.

Het lichaam van Willem Lodewijk is bijgezet in de Grote- of Jacobijnerkerk in Leeuwarden. De Friezen belonen hem met de bijnaam ‘Ús Heit’, onze vader.

Terug


Jan Faber

Dit artikel is gepubliceerd in het historisch tijdschrift  Leovardia nr. 33 (september 2010)

In Leovardia 30 werd in een bijdrage van Peter de Haan over ‘Gevierde Friezen in Amerika' ook een aantal, in maatschappelijk opzicht zeer geslaagde, Leeuwarders voorgesteld die in het land van de onbegrensde mogelijkheden onuitwisbare sporen hebben nagelaten. Zo ook de in 1804 in Leeuwarden geboren en tot 1814 getogen Samuel Myer Isaacs, die zich rond 1839 als Joods voorzanger en prediker vanuit Londen aan gene zijde van de Atlantische Oceaan vestigde.

Hij zou zich in New York ontwikkelen tot een belangrijk Joods leider die scholen en diverse andere Joodse instituties stichtte en bij maar liefst 47 inwijdingen van synagogen als gastprediker heeft opgetreden. Daarnaast lanceerde hij in 1857 het toonaangevend weekblad The Jewish Messenger. Na de geweldadige dood van president Abraham Lincoln was Samuel één van de officieel aangewezen geestelijken bij de herdenkingsplechtigheden op Union Square. Bovendien mocht hij generaal Ulysses S. Grant, één van de helden van de Amerikaanse Burgeroorlog en op 4 maart 1869 geïnaugureerd als de 18de president van de Verenigde Staten, tot zijn persoonlijke vrienden rekenen.

In hetzelfde artikel werd gewag gemaakt van het voornemen van nazaten van Samuel Isaacs om hun eerstvolgende mondiale reünie in Leeuwarden te houden. Dit treffen op historische grond heeft inmiddels plaatsgevonden. Op 3 en 4 juli jongstleden waren zo'n 20 leden van de Isaacs Family te gast in de Friese hoofdstad, waarbij volgens de verslaglegging in de Leeuwarder Courant het 'Oh, my God' en 'Oh, my dear' niet van de lucht waren toen zij op het punt stonden om het woonhuis van hun stamouders in de Kleine Kerkstraat te betreden.

In het Historisch Centrum Leeuwarden werden de gasten door Peter de Haan en Klaas Zandberg geïnformeerd over de geschiedenis van de Friese hoofdstad en die van de Joodse inwoners in het bijzonder. Daarna vond een rondleiding plaats door de straten waar de kleine Samuel zijn eerste onbezorgde jaren heeft doorgebracht.

Zowel in het hiervoor aangehaalde artikel als in het boek Gevierde Friezen in Amerika van de hand van dezelfde auteur en oud LC journalist Kerst Huisman, waaraan het artikel is ontleend, wordt gewag gemaakt van het geboortehuis van Samuel Isaacs in de Kleine Kerkstraat 32. Echter de veronderstelling dat Samuel in de Kleine Kerkstraat zou zijn geboren gaat al meteen mank wanneer we zijn geboortejaar (1804) en het tijdstip van aankoop van de woning in 1807 door zijn ouders Meyer Isaacs en Rebecca Samuels Reyzer in ogenschouw nemen.

De koopacte is op respectievelijk 17 en 20 maart 1807 ondertekend door de in Den Haag en Leeuwarden woonachtige verkopers. De woning werd op dat moment bewoond door Juffer Gasinjet, één van de verkopers, en zou pas op 12 mei 1807 door de kopers in vrije eigendom zijn te aanvaarden. Op 24 april 1807 werd groot consent verleend op de voorgenomen verkoop. Samuel moet dus drie jaar eerder elders in de stad zijn geboren.

De Bollemanssteeg in 1957, gezien vanuit de Bagijnestraat. Het 5e pand links (met fiets tegen de pui) is nr. 11, waar Samuel Myer Isaacs naar alle waarschijnlijkheid is geboren. Daarnaast gaapt een gat waar zich voorheen de  nummers 13 en 15 bevonden. Ten noorden van nr. 17 bevond zich de Kalksteeg, welke ooit toegang gaf tot het Bagijneklooster. 

Vluchtig onderzoek in een belastingkohier uit 1804, dat helaas niet alfabetisch is ontsloten, doch op wijk- en adresvolgorde moet worden doorgebladerd, leverde, door puur intuïtief in de nabije omgeving van de Kleine Kerkstraat te zoeken, al vrij snel resultaat op. Het perceel met nummer 274 in het Noord Oldehoofster Espel (na 1876: Bollemanssteeg 11), eigendom van een zekere H. Beukers, werd voor 100 caroligulden per jaar gehuurd door Meyer Isacks. Dit was in 1805 nog zo. In 1806 had het pand een nieuwe huurder en komen we Meyer Isacks tegen als huurder van het perceel West Minnema Espel 141, tegenwoordig Grote Kerkstraat 49, en eigendom van zijn zwager en schoonzus Jacob Samuels Reyzer en Minke Salomons Polak. Al met al lijkt het dus waarschijnlijk dat Samuel in de Bollemanssteeg op nummer 11 is geboren. Dit pand is in 1972 gesloopt. Het Historisch Centrum Leeuwarden beschikt over één foto uit 1957 waarop het pand in de verte nog staat afgebeeld.

Naast een poëzietableau met een gedicht van een Jiddisch dichter werd in overleg met de nazaten van Samuel Myer Isaacs reeds gewerkt aan een gedenkbordje op het vermeende geboortehuis aan de Kleine Kerkstraat. De tekst zal nu herinneren aan het feit dat de Amerikaans-Joodse leider hier een deel van zijn jeugd heeft doorgebracht. Nog net op de valreep kon dus - historisch gezien - een misser worden voorkomen.

Een fragment)genealogie is gepubliceerd op het internationaal genealogisch Web 2.0-platform Geni.com: http://www.geni.com/family-tree/index/6000000019213330557

Terug

Herinneringen aan de Leeuwarder kermis, 17 juli-26 juli 1898, door R. Driebergen

Met dank aan Andries Tol voor de foto's en het beschikbaar stellen van het verslag. 

 

Richtje Driebergen werd geboren op 13-06-1882 te Bolsward als dochter van onderwijzer Jan Driebergen en Fetje de Boer. In 1898 was ze gedurende een half jaar in de kost bij het Leeuwarder echtpaar Pieter van der Baan en Klaaske Fogteloo. De Baan was handelaar in naaimachines. Het gezin woonde op Achter de Hoven 182. Richtje volgde onderwijs bij de heer Albers en juffrouw Van der Werff. Even terzijde: de term "juffrouw" kan betrekking hebben op zowel ongehuwde als gehuwde vrouwen. Richtjes verslagje van de kermis omvat tien dagen. Ze schreef het voor haar ouders en jongere broers.  De kopiïst is heel dicht bij het origineel gebleven. Vergissingen en eigenaardigheden in de tekst zijn letterlijk overgenomen. Een alinea-deling hanteert Richtje niet. Ter wille van de overzichtelijkheid zijn enkele alinea-aanduidingen ingevoegd. Met leestekens en hoofdletters is Richtje niet scheutig. Ook op dat punt is het een en ander aangevuld. Wellicht zou de lezer meer verwachten over de ruwe kanten van de kermis: drankgebruik, vechtpartijtjes, sexueel geweld, vandalisme. Daarbij moet men bedenken dat Richtje nog pas 16 jaar oud was. Richtje schrijft ook regelmatig over haar vriendin Grietje. Waarschijnlijk is dit Grietje Propstra, dochter van Karst Propstra en Tjaltje Zwart. Zij woonden op Achter de Hoven 18 en hadden daar een bakkerij. Grietje had een paar zussen, onder wie Anna (Anneke) en Tetske/Fetske/Teatske die ook in het verhaal voorkomen.

Tien jaar na dit verslagje, op 10 februari 1908, zou Richtje in Bolsward trouwen met Andries Strubbe, drogist te Franeker. Ze overleed op 8 april 1930 in Franeker. 

Gezin 1898 2
Het gezin Driebergen rond 1900. Richtje staat in het midden met witte jurk. 

 Kermis 6  

Lieve Ouders en broeders!

Nu zal ik eens een heele gekke brief schrijven. Ik dacht vanmorgen zoo eens bij mezelf na en toen dacht ik: als ik vrijdag naar huis zal schrijven en dat alles op een stuit zoo’n geheele Leeuwarder kermis beschrijven. Ik dacht dat wordt een warrewinkel. Ik zal geloof ik vandaag maar beginnen en dan alle dagen waarop iets bizonders voorvalt maar weer een stukje dan komt er veel geregelder verhaal. Eerst moet ik U echter even bedanken voor die brieven die ik tusschen twee haakjes met ’t grootste plezier gelezen heb en dan voor die ƒ 2,-. Jelui moet nu niet denken dat je voor ƒ 2,- chocolade of zoo iets krijgt. Nee hoor, eerlijk deelen, ik neem mijn zesde partje er ook van, maar nu is de inleiding dunkt me lang genoeg en zal ik maar eens beginnen te schrijven.  

 

 

Maandag
De lucht is een beetje betrokken en de menschen die alles van de zwarte kant bekijken denken dat er vanmorgen nog wel regenwater kan komen, maar om een uur of negen is ’t zonnetje voor den dag gekomen, en hadden we hier ’t prachtigste weer van de wereld, behalve de wind. Juffrouw haar vader is gisteravond al gekomen (en toen heb ik weer bij Aaltje geslapen). ’t Is een heel aardige oude man. Hij heeft ons bij de koffie op oliekoeken en wafels getrakteerd. We hebben om 12 uur half een al gegeten, want ’s middags was ’t harddraven en wanneer we dan met ’t eten zouden wachten totdat ik bij Mijnheer Albers wegkwam, dan werd ’t veel te laat.

 

’s Middags om half drie kwamen Griet en Gijske en Teatske mij halen. Nu hadden Teatske en ik kaartjes (dan konden wij in ’t land waar ’t een kwartje was), want Mijnheer van der Baan is lid en Teatske haar pa ook, maar Griet en Gijske hadden geen kaartjes en die wouen ook geen kwartje betalen. Toen zijn die samen naar ‘t 10 ct land gegaan en Teatske en ik naar ‘t 25 ct land, wat leuk hè. Nu de hardraverij was mooi, en ’t was stampvol menschen. Ik had mijn zwarte rok aan, de witte blouse, ’t manteltje aan en de matelot op, en ze vonden allemaal dat ik er zoo echt chic uitzag. Teatske had zoo’n lange gele jurk aan en ’t land was zoo vreeselijk glad en eensklaps glijdt Teatske uit en ligt ze in de lange gele jurk languit op ’t land. Och menschen, menschen. Ik heb me haast dood gelachen. We liepen samen nog een poosje en dan in eenen begint ’t me te stortregenen en we hadden helemaal geen parapluie bij ons en onze nieuwe kleeren aan en van Teatske huis naar de Marsumerweg (daar was de draverij) is wel zoo ver als ’t Huisje Terlet. We hebben een heel eind hard geloopen, toen samen een stukje noga gekocht, en dat hebben we bij Gebr. Käller (dat is zoo’n winkel op de Nieuwestad) opgegeten. Met de noodige lol erbij. Ik heb T. toen naar huis gebracht, en ben toen zelf naar huis gegaan.

 

We hadden afgesproken dat we zes uur de kermis op zouden tot 8 uur half negen, maar ’t was bijna zeven uur voor we er waren. Nu dat is me wat anders als die Bolswarder kermis. Jongens, jongens wat een drukte. We zijn eerst een keer of drie vier in de fiets [waarschijnlijk de zgn. 'manège de vélocipède'] geweest, en toen hebben we wat omgeloopen en toen zijn we naar een andere fiets gegaan. ’t Zijn prachtige hoor, die van Huuskens die komt zomers ook In Bolsward hè. Nu die vinden ze in B. mooi, maar hier in L. is hij helemaal niet in tel. Hij gelijkt wat hoe klein en nietig. Nu we hebben wel lol gehad. Teatske is wat eerder bij ons weggegaan, want die zou met een kennisje van haar mee. Die ging met haar Pa en Moe naar de Prinsentuin waar concert met vuurwerk was. Wij hadden vandaag al wieweet hoe vaak gevraagd aan Teatske haar Pa en dan aan Mijnheer Propstra of hij niet met ons mee naar de tuin wilde, want als losse meisjes konden we niet daar ’t zoo vreeselijk laat begon. Eerst om 10 uur en kwart voor elf was ’t vuurwerk eerst afgeloopen. Mijnheer Bos kon niet en Mijnheer Propstra had er geen zin in en zei hij. ’t Speet me geducht, dat beloof ik U, want ’t was nu zoo’n prachtige gelegenheid om eens wat anders te zien dan ’t Bolswarder vuurwerk. Om kwart over 8 uur kwamen we (bij Grietendie) thuis. Juffrouw trakteerde ons ieder op een beschuit met aarbeien en terwijl we daar zoo met elkander zaten te smullen kwam Mijnheer Propstra in de kamer en vroeg of we er zin in hadden om met hem naar ’t concert en dan naderhand nog even de kermis op. Dat was me eene verrassing, ik sprong haast een tafel hoog van pure pret. Toen samen gauw even naar huis toe om even te vragen of ik wel mocht. Ze vonden ’t gelukkig goed en ik mee. Om een uur of half tien gingen we weg. Mijnheer Propstra en Gijske en Anneke (Griet haar zuster) voorop en Griet en ik achteraan. Nu ’t vuurwerk was de moeite waard hoor! Een vuur allemaal vuur, en ’t slotstuk was in een woord prachtig. Uit de tuin weg zijn we met zijn allen naar de stoomdraai gegaan. En daar was ’t vol, van belang hoor, want ’t meeste volk uit de tuin ging de kermis nog even op. Nu zijn we in twee stoomdraai’s geweest. Wat een leven en wat een lol en wat een herrie, erg lollig.

 

Uit de stoomdraai weg zijn we met zijn allen naar een Poffertsjeskraam geweest, maar daar was ’t zoo druk dat we vooreerst alle moeite hadden om en plaats te krijgen en toen moesten we nog wel een half jaar wachten voor we bediend werden. Alle Poffertjeskramen waren stopvol en er waren er toch wel een stuk of 5, 6. De poffertjes waren heerlijk. U kunt wel begrijpen welk een lol we gehad hebben. Uit de Poffertjeskraam weg zijn we naar huis gegaan. Toen we thuiskwamen, zat Juffrouw Propstra al in de nachtpon op ons te wachten, want ’t was al zoo laat. ’t Was n.l. toen al even over een uur. Ze had koffie en boterhammen voor ons klaar, die we ons natuurlijk goed lieten smaken. We hebben toen samen nog gezongen en lol gemaakt en toen heeft mijnheer mij met Griet thuisgebracht. Mijnheer van der Baan en die waren al naar bed, zoodat ik de luiden op moest schellen, en och, och ik had me die avond al pijn in de buik gelachen, maar toen mijnheer mijn in zijn wit onderpak de deur opendeed, toen moest ik nog veel meer lachen. Die teekening hiernaast beduidt ’t thuiskomen van mij om 5 min. voor half twee. Nu, morgen vertel ik meer.   Kermis 7

 

 

Dinsdag

Vandaag heb ik zooveel niet te schrijven als gisteren, daar de dag vandaag niet bizonder veel opgeleverd heeft. Kwart over tien hebben Griet en Gijske me bij mijnheer weggehaald en toen hebben we samen wat in de Prinsentuin geweest waar we een poosje gezeten hebben. 's Middags om 3 uur ben ik voor 't naar juffrouw van der Werff geweest. 't Is een heel aardig mensch hoor. Ze leert je naar 't me voorkomt je de dingen ook heel best. 'k Ben nu met mecraméwerk bezig. 't Is wel een leuk werkje. Men neemt een zoo'n kluwen van dat gladde touw en daarmee knoopt men dan, want dat geheele macraméwerk is eigenlijk een soort knoopwerk. Toen ik thuiskwam zat de baker net bij de juffrouw. Ze zou weer eens bij Jo zien, zei ze.

 

Om 6 uur heb ik Griet en Gijske gehaald en toen hebben wij samen Teatske weer gehaald. 't Was toen bijna zeven uur voordat we op de kermis kwamen. We hadden vandaag al afgesproken dat we met ons vieren op een portret zouden en na wat wikken en wegen besloten we dan dadelijk maar te gaan. Toen wij met ons vieren kwamen, waren Jitske Propstra en twee logées van mijnheer Kiers er ook net. Toen zij gebeurd waren. (Ze staan er tusschen twee haakjes misselijk op.) Toen kwamen wij aan de beurt. Teatske heeft nogal wat gelachen en daardoor is Griet ook in beweging geraakt. Toen zei Teatske ineens: kom laat ons er nu ook met ons zevenen op. Dit werd goed gevonden en zo zijn we er met ons zevenen en met ons vieren op gekomen. Ik zal maar even een verklaring van de portretten geven, anders hebben jelui er niets aan. 't Meisje dat hier voor me zit is Gijsje en die naast me staat is Griet en die zoo wazig is, dat is Teatske en dan die nikker dat ben ik in eigen persoon. Gijske gelijkt 't beste op dit portret. En nu de beschrijving van 't andere. Die daar naast me zit met die lichte blouse aan is Griet en die naast me staat met dat grijze manteltje aan is Ietske Propstra, die twee groote meisjes die daar achteraan staan, zijn de beide logées. In die lichte blouse met de zwarte rok die voor mij en Fetske ligt, is Teatske en die daarnaast is Gijske weer. Ik vind dat Griet en Teatske op dit portret 't beste gelijken. Ik vind dat ik zelf niet gelijk, maar daar kan ik zelf natuurlijk niet over oordeelen. Ze kosten 50 ct de twee met lijstjes er om maar wij hebben net zoolang gezeurd tot we ze voor 42½ ct gekregen hebben. Dit alles werd natuurlijk geaccompagneerd door de noodige lachbuien. Griet en Gijske zijn toen samen naar de dikke dame geweest om die te bezien, maar ik vond 't geen 10 ct waard om daar een vreeselijke vieze dikke dame te zien. Ze sprak Fransch, dat was nog wel leuk, maar wij zijn in plaats daar 2x voor in de stoomdraai geweest. Nu daar is 't me ook lollig hoor. Ze gooien je letterlijk onder de serpentines en onder de loovertjes, precies of 't geen geld kost. Uit de fiets weg zijn we nog even naar de Nieuwstad geweest om noga te koopen. En toen zijn we naar huis gegaan.

 

Achter de Hoven is 't natuurlijk even stil als altijd, maar nu viel 't ons daar uit de kermisdrukte weg zoo gezellig aan, zoodat we geloof ik wel een keer of tien op en neer geloopen hebben, heel gezellig pratende. Eindelijk zijn we echter naar huis toe gegaan. Toen ik thuiskwam was 't er niets niet fleurig, want juffrouw was ziek, 't Was niet zoo erg, maar ze lag toch op bed. Ik ben toen ook maar vroeg naar bed gegaan, daar er toen niets meer te beleven was. 

 

Woensdag

Deze dag kon ik wel met dezelfde dreun beginnen als de vorige, want vandaag is er niet zoo razend veel voorgevallen. Gister heb ik werk van juffrouw van der Werff opgekregen, en dat moest vanmiddag af. Ik heb er vanmorgen voor boterham eten flink wat aan gedaan. Griet, Gijske en Teatske zouden mij kwart over tien bij mijnheer Albers weghalen, want dan zouden wij met ons vieren naar de zwemschool, maar Teatske moest een paar boodschappen en toen ze daarvan terugkwam was ze al te laat om er nog heen. We hebben toen in plaats nog een eindje geloopen en zullen er nu naar. 't Plan is morgen vroeg heen.

 

Toen ik om 1 uur naar mijnheer Albers ging, kwam ik “de Wergen” tegen. Mijnheer Schouten zag me wel aan, maar hij herkende me, geloof ik, niet, want anders had hij me wel aangesproken. Vanmiddag ben ik weer naar juffrouw van der Werff geweest; om 3 uur. Ik begin 't nu al zoo wat voor de mik* te krijgen.

 

Om 6 uur hebben de meisjes me afgehaald en toen zijn we samen de kermis op gegaan. Griet en Gijske en Teatske zijn met hun drieën in zoo'n spel geweest. 't Heette 't Hoofd Ebicus. 't Was een los hoofd van een oude man, dat praten kan en ook zoo'n soort van waarzeggerij is. Fokje Bouma en ik durfden er niet in. Toen Griet en die eruit kwamen, zeiden ze dat 't heel mooi was, maar ik geloof niet dat ik erin ga. 't Is vandaag woensdag hé en nu hebben we andere woensdagsavondsclub, maar omdat 't kermis was hebben we dat maar niet gedaan en zijn we in plaats met elkander in de poffertjeskraam geweest. Nu, erg lollig hoor maar duur. Ook Teatske had één glas limonade voor 20 ct en wij hadden 2 wafels voor 15 ct. Nu was dat geloof ik zoowat de gewone prijs. Nu, daar hebben we ook lol gehad. Uit de poffertjeskraam weg zijn we met ons allen naar de fiets gegaan, waar we wel een keer of 10-12 gedraaid hebben, maar toen was 't tijd dat we naar huis toe kwamen, want 't was al over half negen. Juffrouw had een beschuit met aarbeien bij mijn boterham, dat was wel aardig hé.

 

Nu vanavond heb ik niet veel meer beleefd als alleen dit. Aaltje dat is natuurlijk ons meid die heeft zich zondagavond door een waarzegster laten waarzeggen en nu heeft ze ons vanavond ‘t portret van haar toekomende man laten zien. 't Is toch verschrikkelijk hé, dan gelooven zulke stumpers er ook nog aan. Nu ga ik maar uitscheiden, want ik moet naar bed. Wat of de dag van morgen brengen zal? Nu we zullen zien.

 

Donderdag

Van morgen ben ik eerst om 8 uur van 't bed gekomen. Ik was zoo slaperig dat ik bijna de oogen niet open kon houden. Maar toen ik eenmaal van 't bed was, kwam ik alweer een beetje in mijn oude situatie. Mijnheer van der Baan had mij gisteravond verteld dat hij naar Bolsward zou, maar wat hij er ging doen heeft hij niet gezegd. ’t Zal natuurlijk wel weer over mij wezen, nu ik ben mij helemaal geen kwaad bewust, dus kan ’t mij niet veel schelen. Omdat mijnheer toch naar B. toe ging heb ik monsieur van der Baan maar geen brief geschreven, want deze mijnheer van der Baan zei, dat hij hem wel van mij zou feliciteeren. Naar Richtje en Willij heb ik een paar prachtexemplaren van brieven gezonden.

 

Kwart over 10 uur hebben Griet en Gijske en Teatske me bij mijnheer Albers weggehaald en toen zijn we met ons vieren naar de badinrichting geweest, wat gezellig hé. Uit de badinrichting weg, zijn we een eind omgeloopen want ’t is zoo gezond zie om na ’t nemen van een bad, een eind te loopen en toen zijn we op ’t laatst naar de Prinsentuin gegaan waar we een poos gezeten hebben en toen zijn we weer naar huis gegaan. Ik heb toen nog gauw wat werk voor juffrouw van der Werff afgemaakt, want dat moest weer voor vanmiddag klaar wezen, een paar kopjes koffie gedronken en toen ben ik weer naar mijnheer Albers gegaan. Kwart voor 2 uur daar weg. Toen vlug gegeten en toen weer naar juffrouw v.d. Werff. Ik vind ’t een heel aardig mensch en ze leert je zoo flink, vind ik. Ik maak nu een staallap van macraméwerk. Toen ’t mijn tijd werd om weg te gaan, kwam Teatske Propstra er net om een boodschap, zoodat we mooi samen konden loopen. ’t Is hier zoo echt gezellig hé. ’t Gebeurt me tegenwoordig niet eens zoo heel vaak dat ik alleen een eind behoef te loopen, want dan loopt die een eind met je op en dan die weer, zoo geheel anders dan in Bolsward hé. Maar U moet daarom niet denken dat ik nu niet meer naar Bolsward en naar ulieden verlang. Ik zal integendeel wat blij zijn als ’t halfjaar om is en ik hier weer weg ben. Ik verlies hier veel, dat is waar, maar er gaat toch niets boven thuis. Maar ik ben alweer afgedwaald. Maar kom aan, ik zal nu beter oppassen en geregeld mijn verhaal vervolgen.

 

Om zes uur heb ik de meisjes afgehaald. We zijn toen niet eens eerst de kramen langs geweest, maar zijn dadelijk naar de stoomdraai gegaan. Nu daar was ’t een gezellige rommel vanavond. We waren denk ik zoowat met ons negenen, of tienen. Dan ging de eene helft in de fiets en dan stond de andere helft op alle hoeken van de tent klaar om diegenen die op de fiets stonden met serpentines en convetis (dat zijn van die lovertjes) te gooien. Ik had op ’t laatst een geheele hoop van die serpentines, zoo’n groote bosch dat ik ’t maar pas met mijn armen omklammen kon. Nu met die hoop heb ik drie meisjes ingeweeven dat hunne wangen er van pimpelden. Maar toen had ik ze vanzelf alle drie tegen me, maar ik liep hard weg, maar zij mij allemaal achterna. Maar ieder keer de stoomdraai in ’t rond. Nu stonden er drie boerinnetjes te praten. Ik daar gauw achter en toen die meisjes me voorbijgingen, zagen ze me niet eens en hebben ze zich half gek om me gezocht. Eindelijk ging ik op de fiets en toen ik nevens hun was, gooide ik ze met serpentines. U kunt wel begrijpen hoe gek ze opzagen. En zoo is dat de geheele avond doorgegaan. We hebben compleet een razende lol gehad. Griet en Gijsje zullen vanavond met mijnheer en juffrouw Propstra de kermis op; ze hebben me samen thuis gebracht.

 

’t Was zoowat kwart voor negen uur dat we thuis kwamen, een leuke tijd hé. Toen ik thuis kwam, trakteerde tante Impke op wafels en die koeken. De wafels waren niet heel lekker, maar de oliekoeken waren overheerlijk. Om tien uur kwam Mijnheer thuis, hij heeft me ’t briefje gegeven (wel bedankt) en heeft over niets gesproken. Mijn werk dat ik voor juffrouw van der Werff moet maken, heb ik al af. Morgen behoef ik niet eens naar les, want Vrijdags past ’t haar niet daar ze ’t dan zoo druk heeft. Nu dan kom ik zaterdagmiddag. Aaltje heb ik eergister haar kermisdinges gegeven. Ik weet nog niet wat ik Jo zal geven, want ze heeft van alles. Ik ben de kramen al eens rond geweest, maar ik kon niets geschikts vinden. Nu misschien vind ik morgen wel wat. Maar nu moet ik ophouden, want mijnheer zegt net tegen me dat ’t bedtijd is. En ’t is hier natuurlijk: Uw wille geschiede. Nu dag wel teruste.

 

Vrijdag

Wat is ’t vandaag toch prachtig weer geweest. De zon scheen vanmorgen zoo heerlijk toen ik opstond en er woei een zacht zuide windje. Toen ik om negen uur naar mijnheer Albers ging, was ’t me al een herrie en drukte van belang. Ik heb een kwartier bij een draaibrug staan te wachten, zooveel stoombooten moesten er door. Kwart over tien haalde Fokje Bouma mij bij Mijnheer Albers weg en toen hebben wij samen een eind omgeloopen en o zoo’n lol gehad. We lachten letterlijk om alles. De kleinste dingen waren we slap om. Zoo kwamen we ook voorbij ’t huis van Mijnheer Tjebbes. Nu staat daar op zoo’n wit bordje Tjebbes notaris en advocaat en meenden Fokje en ik beide niet dat daar stond: notaris en acrobaat. Wat al gek hé. Nadat we nog wat geloopen hadden, gingen we naar de Prinsentuin, waar we net zaten toen Griet en Gijske en Teatske op ons afkwamen. Ze hadden wel een uur bij mijnheer Albers omgeloopen, maar Richtje kwamen niet en op ’t laatst dachten ze: nu dan gaan we maar naar de tuin en daar zat ik nu deftig en wel en terwijl zij zich zaten te vervelen had ik de grootste pret gehad. Lollig hé. Nu die 3 dames vonden ’t zoo lollig niet, maar ik kon ’t ook niet helpen. Na nog een poosje gezeten te hebben, zijn we met ons vijven een eindje omgewandeld. Fokje is naar huis toegegaan en Gijske en Teatske zijn samen een eindje omgeloopen en in dien tusschentijd hebben Griet en ik de inkoopen voor de kist van thuis gedaan.

 

Om een uur was er een komedie in de Harmonie. Griet en Gijske en Teatske zijn er heen geweest; ik niet want ik moest natuurlijk om een uur naar mijnheer Albers toe en ik wou niet vrij vragen, want ik dacht dan had ik even goed naar huis toe kunnen gaan, als ik toch vrij vraag. ’t Is o zoo mooi geweest. ’s Middags ben ik weer naar handwerkles geweest, bevalt me er nog goed.

 

 

Kermis 8   

’s Avonds om zes uur heb ik de meisjes gehaald. Ik heb in de kermis de witte blouse aan met de zwarte rok, ’t nieuwe manteltje aan en de matelot op, dan zie ik er dunkt me vrij deftig uit. Toen wij de kermis opgingen, was ’t nogal mooi weer. Maar ho, ik moet eerst nog even wat anders vertellen. Ik ben alweer te ver. Die kist kan Aaltje niet alleen naar boot brengen, zegt ze, want die is haar te zwaar en dan moet Reitske Jitske mee om haar zware taak te verlichten. Nu is dat koperen hengsel verrukkelijk aan die kist, maar op ’t laatst beginnen je vingers te piepen van ’t lange sjouwen want van ons naar de boot is zoowat een klein halfuur loopen. A + ik hebben de kist dan tusschen ons in, maar ’t is lastig dragen. 

Nu heb ik er vanmiddag wat op uitgevonden dat ’t dragen gemakkelijker maakt. We deden mijn handschoenen tusschen ’t handvat en namen dan beide er een eind van beet. Maar o wee en o wat een geluk dat ’t mijn oude handschoenen waren, want toen we bij de boot waren, was mijn eene handschoen boven op de hand geheel en al versleten. Ziet u, dat was nu een verkeerde zuinigheid, want om een kruier te besparen sjouwden we zelf met dat ding en nu waren mijn handschoenen kapot, dat was dus niets goedkooper.

Maar om nu weer over de kermis te spreken. We gingen dus om een uur of zes half zeven met ons allen naar de fiets. Daar was ’t me een lawaai en een drukte van belang. ’t Was natuurlijk vrijdag en er waren zoo’n massa menschen in de stad, geen wonder dus dat ’t er druk was. En wat hebben we een lol gehad en wat waren er een hoop dingen waar de jongens ons vanavond mee geplaagd hebben. Vooreerst hadden ze serpentines, dan lovertjes, vervolgens heele fijne steenkool, zoodat je geheel zwart werden, dan hadden ze van die geheele lange pauweveeren die op ’t eind nat maakten en dan kletsten ze je die natte dingen in ’t gezicht om, en dan hadden ze ook van die spuitjes met eaudecologne. Wat een plezier hé. Nog een paar plagen erbij dan hadden we de zeven plagen gehad. Maar lol hadden we toch, maar terwijl we in de fiets waren, dachten we in ’t geheel niet dat ’t weer wel eens veranderen kon, en U kan dus begrijpen hoe gek we opzagen toen we de terugreis aanvaarden wouen ’t letterlijk stroomde of spoelde; ik weet niet zoo precies wat ’t deed, maar erg was ’t, want de straat stond bijna geheel onder water. Na wat overleg besloten we om in vredesnaam maar te blijven totdat we misschien ’t geluk hadden om de een of andere kennis te ontmoeten die een parapluie bij zich had, want wij waren er geheel zonder. ’t Was al negen uur en spoelde nog en er was ook nog geen een bekende met een parapluie, maar op ’t laatst zag ik Aaltje staan en die had er gelukkig een bij zich. Toen met ons zessen onder één parapluie.

  

In de fiets hadden ze Griet en mij al gezegd dat onze mantels niet tegen de regen konden, want dat iedere drup regenwater een zwarte vlek werd. U kunt begrijpen hoe raar ik in mijn tontje* was. Toen we een eindje geloopen hadden, kreeg ik een heerlijk idee. Ik trok mijn mantel uit, vouwde hem binnenstebuiten op en deed over dat zoodje mijn zakdoek. De mantel was dus geheel buiten gevaar, maar dat was ook alles. Ik stond zelf in mijne dunne neteldoekse blouse midden in de stortbui. ’t Plakte mij overal aan vast. En Griet stond voor ’t zelfde geval, maar die had nog eene bonte blouse aan en Gijske had ’t ook al niet ruim, want die had van die mooie verlakte balschoentjes aan, dat ging ook al klats, klats. ’t Was een vermakelijk geval. Zoo liepen we ongeveer.  

 

Kermis 9 
Richtje-Aaltje-Gijske-Teatske-Griet

 

Erg gezellig hé. Maar och hé, was ’t loopen op straat al niet alles, thuis begon de pret opnieuw. Ik heb al gezegd hé dat ik de neteldoekse blouse aanhad. Nu was dat dunne goed overal aan vastgekleefd, aan mijne bloote armen mijn hals en verder aan mijn onderlijfje. Ja ik weet al niet maar nu was ’t oppassen. Och man zou Griet wel zeggen. ’t Moest zoo voorzichtig gaan, want anders scheurde de boel en men moest aan trekken anders wou ’t er niet af. Nu eindelijk was hij gelukkig uit. Ik kan hem nu natuurlijk niet meer dragen. Maar nu doe ik de donkerblauwe aan, die staat ook heel netjes en dan behoef ik geen mantel aan. Want ’t is zonde als er eens wat aankwam. Van die paar regendruppels die erop gevallen zijn, is niets meer te zien. Maar ’t is wel goed dat hem niet iedere keer aangehouden heb. Wanneer ik ’s avonds thuis kom, dan ligt de geheele vloer vol convetis en andere sniepsnaderijen[**], maar die regen van vanavond heeft alles eruitgeregend. Er is dus toch altijd een lichtzijde aan iets te vinden, al denkt men ’t zoo oppervlakkig niet. Mijnheer is eerst om half elf thuis gekomen, die had er ook al op gewacht, maar is op ’t laatst maar naar huis toegegaan. Ik zit dit boven nog even te schrijven, maar nu moet ik naar bed hoor. want anders komt mijnheer straks beneden aan de trap. Zeg eens even wat is me dat daar nog voor leven boven. Gauw naar bed toe hoor! Nu dag morgen meer.

 

Zaterdag

Zoo erg als gisteravond regent ’t niet en ’t is zelfs droog, maar toen ik vanmorgen naar mijnheer Albers toeging, vond ik ’t toch maar raadzaam om een parapluie mee te nemen, daar de lucht nogal donker was. Zie zoo was ’t weer. Om half elf uur haalde Fokje Bouma mij met Griet en Teatske en Gijske bij mijnheer Albers weg. Wij hebben toen samen wat gewandeld, niettegenstaande ’t sombere weer en de waterplassen op straat. Om 12 uur was ik weer thuis. Toen koffiegedronken, nog even wat werk voor juffrouw v.d. Werff afgemaakt en toen weer naar Mijnheer Albers. Toen ik kwart voor twee bij Mijnheer Albers wegkwam, ben ik naar ’t Spoor gegaan dat om 2 uur aankwam en waar volgens uw zeggen Betsy Mekking wel in kon zitten hé. Nu, ik kan U zeggen dat ze er niet in was. Ik heb naar alle kanten uitgekeken maar geen spoor ervan te ontdekken. Toen ben ik gauw naar huis geloopen, want ik moest drie uur al weer naar Juffr. v.d. Werff en moest eerst ook nog eten. Bij Juffr. v.d. Werff weg ’t was toen zoowat half vijf heb ik eerst nogal wat omgeloopen en ben toen weer naar ’t spoor gesjeesd om te zien of ze er nu ook was maar alweer mis. Ik weet niet hoe ’t is of ik heb niet goed gezien of ze is in ’t geheel niet gekomen.

 

Om zes uur kwam ik Griet afhalen en daar wachtte me eene verrassing waar ik minder op gesteld was. Ik doe de kamerdeur open en vlieg pardoes tegen Fem aan. U kan begrijpen welk een gek gezicht ik zette, maar dat ’t heel vriendelijk is geweest, geloof ik niet. Maar ik heb toch de beleefdheid gehad om naar haar gezondheid enz. enz. te informeeren. We zijn met ons vijven de kermis opgegaan en hebben dat moet ik eerlijk zeggen een hoop lol gehad. Fem was heel aardig tegen me. ’t Was precies of ze haar gedrag van laatst weer goed wilde maken. Ik heb me heel gewoon gehouden en net gedaan of ik er niets van merkte. Toen we naar huis zouden gaan, was ’t weer ’t zelfde spulletje van gisteravond. ’t Stroomde weer en we waren ook weer zonder parapluie maar nu kwam er geen Aaltje opdagen, maar ik had nu mijn nieuw manteltje niet aan en de witte blouse ook niet, maar de blauwe. Toen ik thuis kwam, zag ik er geloof ik nog belabberder uit dan gisteravond. Mijn hoed droop aan alle kanten. Mijn blouse was doorweekt. Mijn rok droop, en mijn haar droop ook en dat zat bovendien ook nog vol serpentines conveties of loovertjes fijne stukjes steenkool enz. enz. Een flink rommeltje. Ik dacht zoo in mijn eigen: zoo moest ik eens bij tante Aitema of bij tante Fetje op zaterdagavond aanlanden. Nu de juffrouw nam ’t gelukkig goed op. Ze lachte er eens om en ik moet ook eerlijk zeggen dat ’t heel gek leek. Toen ik mijn blouse na heel veel moeite uitgetrokken had, want die was ook al overal aan vastgeplakt, bekeek ik hem eens van binnen. De voering is nu bijna geheel blauw geworden. Dat staat wel aardig en mijne armen waren ook geheel blauw, wat koddigjes hé. Nu mijn goed kan er best tegen. Hij wordt er niets minder van dat hij eens flink nat wordt. Zoo’n soort is toch vrij wat beter en degelijker dan die beste hoed, van mij en consorten.

 

En nu al weer ’t zelfde dreuntje van altijd: ik moet alweer naar bed en ik moet eerlijk zeggen dat ik er ook wel naar verlang. Wat of de dag van morgen brengen zal, nu ongelijk hoe ’t weer is nu we zullen ’t beste maar hopen. 

 

Zondag

’t Weer is alweer ’t zelfde: een betrokken lucht en men ziet bijna geen zon en dat is ’t juist wat alles zoo’n treurig aanzien geeft. Vanmorgen ben ik nogal vroeg opgestaan, tenminste men kan ’t tenminste vroeg noemen bij de andere dagen vergeleken. Nadat ik mij gekleed heb, ben ik wat zitten gaan lezen in een boek van Teatske. ’t Heet St. Michaël door Werner. Ik vind ‘t in een woord prachtig. U kent ’t zeker wel hé. Nu ik was juist aan dat indrukwekkende gedeelte gekomen waar staat:

 

De wind nam toe. De takken van den wilden rozenstruik waaiden en fladderden om haar hoofd, de zee van wolken omgolfde en omstuwde haar steeds meer en meer en al hooger en hooger steeg de branding van de nevelen alsof zij de geheele vlakte wilde overstroomen. De lichtkrans rondom de toppen van den Arendswand was verdwenen, verdwenen waren ook de omsluierde geesten, slechts dichte grauwe nevelmassa’s dreven thans heen en weder; en zonken al dieper en dieper en vloeiden samen met de donkere wolken, die nu eensklaps scheurden en een vurige bliksemschicht doorlieten. ’t Vlammend zwaard van St. Michaël.

 

Toen de stem van Aaltje me weer tot de gewone werkelijkheid riep door me te vragen of ik kwam te boterham eten. Nu mijn maag verlangde al weer en dus ik ook. Na ’t boterham eten heb ik nog in beraad gestaan of ik ook naar de kerk zou, maar ik ben maar niet heengegaan, want ik dacht de gedachten zijn er toch niet bij en dan doe ik er meer kwaad dan goed aan. Maar ’t is wezenlijk treurig hoe ’t hier aan huis met de godsdienst gesteld is. Maar kom aan, daar wil ik nu maar niet over spreken. Dat moeten de luiden zelf maar weten, maar ik vind dat ze ’t tegenover de kinderen niet verantwoord zijn.

 

Om twaalf uur hebben ze mij met hun vieren gehaald. We hebben samen tot half twee gewandeld, want om 2 uur moesten Teatske en ik eten. Om 3 uur zijn we naar ’t concert in de Prinsentuin, daar ’t nu vanmiddag was in plaats van vanavond. Zie dat komt allemaal van de kermis. Terwijl we daar zoo liepen, zei ik tegen Griet: ik doe mijn best om weer gewoon tegen Fem te zijn, maar ik geloof niet dat ’t me zoo goed afgaat, want ik kan haar nog altijd niet goed uitstaan. Als ik dus vriendelijk tegen haar ben, dan is ’t alleen terwille van jou, want ik vind ’t voor jou vreeselijk vervelend. In plaats dat Griet me prees begon ze te lachen en zei: nu dat is onzettende prachtig. ’t Zelfde heeft Fem me vanmorgen met de grootste ernst verteld. Nu ik moet zeggen dat ik ’t op zoo’n manier een rare draaierij vind. Maar dat is nu eenmaal zoo en daar is niets aan te veranderen.

 

Vanmorgen is grootvader van der Baan hier gekomen. Hij blijft tot morgenmiddag. Om half zeven zijn we de kermis weer opgegaan. Eerst hebben we wat omgeloopen en eindelijk zijn we in fiets of stoomdraai gegaan. Gijske is bij Griet te logeeren hé. Nu heeft ze vanmorgen een brief van haar Moe gekregen met ’t bevel om vanavond nog thuis te komen. Haar Moe zei: ze was al lang genoeg aan ’t pierewaaien geweest. En wat heeft Gijske nu te doen? Ze ziet een meisje dat een klein eindje van hun af woont. Ze geeft dat meisje voor een dubbeltje lekkers en geeft haar een briefje mee voor haar Moe, waarin staat dat ze morgen wel thuis zal komen, want dat ze anders haar geheele zondagavond mist. Nu, wij gaan goed en wel in de fiets, maar we zitten er nog maar pas in, en o wee daat komt Gijske haar Pa aan. Die zou haar halen, want hij vond dan konden ze mooi samen reizen, dat was voor haar ook veel gezelliger. Och arme Gijske, nu moest ze mee en nu miste ze op de koop toe dat lekkers ook nog.

 

In de fiets was ’t me een herrie en een levai dat hooren en zien je verging. Ze hadden dezelfde plaaginstrumenten nog van gisteravond, maar er was nu nog een bij. Ze namen dan nl. een hoop van die ontrolde serpentines en daar maakten ze zoo’n soort bal van. Die duwden ze in wat vuil water en daar rosten ze de meisjes met om ’t gezicht. ’t Was er vanavond compleet een gekke boel. Ik vond ’t er vanavond lang zoo leuk niet als andere avonden. En dat kwam hoofdzakelijk door een stuk of tien Sneekers die zich aanstelden als gekken. Men was bepaald nergens veilig. Zoo hadden ze ’t ook met een paar meisjes, nogal deftige hoor, ze zijn van Griet en die ’s school. Met die zaten elk op zoo’n groot paard, en dat gaat wanneer de boel in beweging is nogal vrij hard, zoodat men gewoonlijk nogal oppassen moet, daar men er anders wel afglijden kan en dan komt men raar te landen. Toen de boel nu in volle gang was, sprongen twee van de grootste gekken achter bij die meisjes op ’t paard, sloegen de handen om hun hals en deden allerlei gekke kunsten. Of die meisjes in de benauwdheid zaten, dat beloof ik U. Ze hebben ’t mij niet gebakt. Nu ze hadden ’t ook eens moeten wagen, dan hadden ze een draai om de kop gekregen. Om half negen hebben we Gijske naar ’t Spoor toegebracht. Daarna zijn wij nog even met ons vieren naar de kramen gegaan om wat chocolade te koopen. Terwijl we daar rustig loopen en in ’t geheel geen kwaad vermoeden, komt daar zoo’n jongen op ons af en spuit mij met zoo’n spuitje in ’t gezicht, maar in plaats dat hij daar eaudecologne in had, had hij daar van dat kleverige citroenwater in. Hé wat een vieze bliek, maar och toch wel lollig. Ik heb bij Griet en die toen nog heel gezellig een beschuit met aarbeien gehad en ben toen naar huis gegaan.

 

Aaltje had haar uitavond, dus konden Mijnheer en Juffrouw niet uit. Ze zijn nog geen een avond naar een komedie geweest, wel zijn ze een avond heel eventjes de kermis op geweest. Juffrouw haalde Mijnheer uit den trein en toen zijn ze nog even de kermis op geweest, maar niets niet hartelijk hé zijn ze, want ze lieten me maar doodgewoon thuis zitten. Net of ik ’t niet gezellig zou vinden om ook even mee. Daar grootvader bij ons is, moest ik vannacht bij Aaltje slapen, maar veel last van Aaltje heb ik niet gehad, daar ze is eerst om halfvier thuis gekomen is. Voordat ik naar bed ging, heb ik eerst nog wat gelezen en heb ik erover gemijmerd hoe heel anders mijn leven hier is als thuis. Wat ’t eindje besluit van mijn gedachten was, zult ge zeker wel kunnen raden. Maar nu moet ik ophouden, want morgen komt er weer een dag en als ik bij alle dagen zoo om zal zeuren, dan krijg ik nooit een eind. Nu dag, tot morgen dan maar.  

 

Kermis 10
 

Maandag

Hoe of ’t weer vanmorgen in de vroegte geweest is, kan ik niet zeggen, daar ik me gladweg verslapen heb. ’t Was al kwart voor negen voor ik wakker werd en dat nog wel door ’t roepen van kleine Jo, die me riep of ik kwam, vermakelijk hé. Daar werd me die lange luie Richtje kwart voor negen door een klein meisje van 3 jaar uit ’t bed geroepen. 

Nu kon er op door, omdat ’t kermis was. Ik natuurlijk haastig me wat gekleed, een boterham gegeten, mijn bed opgemaakt en toen ben ik naar mijnheer Albers gegaan, waar ik nog zoowat net op tijd kwam. 

 

 

Onder ’t naar huis toegaan zag ik Griet en Fem nog die mij af zouden halen om dan samen naar de Prinsentuin, maar ik ben niet meegegaan, want ik moest nog werk voor Juffr. v.d. Werff maken en mijn kousen waren ook kapot. Oude mijnheer van der Baan is vanmiddag om drie uur weggegaan. De hartelijke groeten van hem aan U allemaal hoor. Wat is dat toch mooi met zijn lip beslagen hé. ’t Is maar zoo’n klein zwart streepje meer dus bijna geheel beter.

Fem is om zes uur met de trein weggegaan. Ik heb er nooit om gedacht om even naar de trein te loopen en haar nog even dag te zeggen. Ik zat te schrijven en toen kwam ’t me zoo maar plotseling in ’t zin, maar toen was ’t al veel te laat. Griet heeft me naderhand verteld dat Fem gezegd had dat ’t haar speet dat ik er niet was en toen Griet zoo wat ongeloovig glimlachte, zei ze dat ze ’t eerlijk meende. Nu ik vind zij heeft in ’t geheel ook geen reden om zoo onaardig tegen me te wezen. Griet, Teatske en ik zijn toen met ons drieën de kermis opgegaan, waar we Fokje Bouma met eene logée aantroffen. ’t Is een meisje uit Stiens en zoowat even oud als wij. Ik geloof dat ze gauw zeventien wordt. Ze heet Geertje en is wel heel aardig naar ’t me toelijkt. Wat leer ik hier toch een meisjes kennen hé, en wat kennen hier een hoop meisjes mij al, dat is ook bar. We zijn toen met ons vijven naar de fiets gegaan. Daar was ’t een lol allemaal lol. De grond lag letterlijk bezaaid met convetis en serpentines. ’t Was er echt gezellig en er waren nu ook niet zulke gekke jongens als gisteren. Ik heb nog een heel leuk geval in de fiets gehad. Ik heb me haast dood gelachen en zoo vaak ik die jongen of dat meisje zag, dat proestte ik ’t weer uit. ’t Was zoo, ze hebben bij mijnheer Kiers twee logées hé. Nu zijn dat eene meisje en ik al geheel en al vertrouwd met elkander. ’t Is precies of we elkander al weet hoe lang gekend hebben en ook net of we even oud zijn en dat is beide niet ’t geval. Nu liep ik even met dat meisje (ze heet Geesje) de fiets op en neer en toe zei ze tegen me: ze hebben bij mijn oom Kiers alweer een nieuwe logée gekregen, zal ik je eens even aan elkander voorstellen? Nu ik had er niets op tegen. Ik denk altijd zoo maar: hoe meer menschen men kent hoe beter. Men weet nooit niet hoe ’t eens tepas kan komen. Nu wij zouden dus in optima forma aan elkander voorgesteld worden door Geesje. Geesje zei o zoo deftig: mag ik je voorstellen Richtje Driebergen en Boukje ...? en daarop bogen wij beiden natuurlijk als knipmessen. Maar midden in die buigerij komt daar zoo’n jongen van een jaar of zeventien achtien aan en kittelt ons beide met een pauweveer in ’t gezicht. Och och ik rolde hard ondersteboven van ’t lachen. Maar toen was ’t ijs ook dadelijk gebroken en hebben we heel gezellig  samen gepraat. Dus alweer een kennis. Die drie meisjes zijn geloof ik alle drie uit Heerenveen. Ik zat vanavond letterlijk onder de convetis en de serpentines. Ik wou dat U mij eens gezien had. Om een uur of half negen zijn we naar huis gegaan.

Ik ben nog geen een avond met mijnheer of juffrouw de kermis op geweest. Niet heel aardig hé. Toen ik er vanmiddag zoo eens losweg over sprak, zei juffrouw: nu je moet je dat maar uit ’t hoofd zetten hoor om met ons de kermis nog eens op, want ik kan toch niet weg, want als kleine Jan eens begint en om jou alleen met mijnheer de kermis op, ik vind dat dat geen pas geeft. Nu ik er toen natuurlijk niet verder naar gevraagd, maar dat ik ’t wel een beetje sneu vond, kan U zeker wel begrijpen. Maar ik zou nog sneuer kijken. Toen ik nu met Griet van de kermis kwam, liepen Jo Henrard en Sjoukje Twijnstra met ons op en wie kwamen we daar tegen? Mijnheer en Juffr. van der Baan. Ik liet Griet en die maar even doorloopen, want ik dacht als ze nu de kermis op gaan, dan vragen ze me stellig niet mee wanneer ik met zoo’n kluit meisjes loop. Ik sprak hun dus aan en vroeg of ze de kermis opgingen. Mijnheer zei ja en Juffr. zei ook van ja en die zei bovendien nog dat ik maar wat bij Aaltje achter in de keuken zitten gaan moest, want voor sliep Jan en dan kon ik die eens wakker maken. Ik vroeg natuurlijk niet mag ik even mee? Aaltje is toch thuis. Neen hoor, als de menschen zelf niet gevoelen dat ze mij vragen moeten, dan zal ik hen ook niet vragen mag ik asjeblieft mee. Nee hoor, daar stond mij de kop ook niet naar, maar de tranen sprongen me haast in de oogen, zoo kwaad was ik op dat oogenblik. Griet en die waren wel zoo verwonderd dat ik terugkwam. Ze dachten niet anders of ik zou wel met hen meegaan, maar dat was mis. Mijnheer en Juffrouw zijn niet zoo heel lang weggebleven. Om een uur of elf waren ze al weer thuis. Ze waren nogal vriendelijk tegen me toen ze thuis waren, maar ik ben niet zoo overvriendelijk tegen hen. Ik ben maar gauw naar boven gegaan, want ik wilde in de verste verte niet dat ze er iets van zouden merken dat ’t me afgevallen was. Wat alweer heel anders als thuis hé, maar ’t is misschien wel goed voor mij, daar ik thuis altijd de eerste ben om overal met heen en ik kon op zoo’n manier ’t wel eens als plicht gaan beschouwen en niet meer als een weldaad. Maar nu zal ik maar ophouden. Ik begin er in om te zeuren, geloof ik. Dat komt zeker van de slaperigheid. Nu is ’t vandaag feitelijk de laatste dag geweest, maar wij houden morgenavond nog even goed kermis, dus morgen nog en dan utertuut ’t verteltje* is uut.

 

Dinsdag

Vanmorgen alweer ‘t zelfde deuntje als gisteren. Laat van ’t bed, gauw boterham gegeten, toen naar mijnheer Albers en toen weer samen naar de tuin, waar we nog even gezellig gezeten hebben. Griet en ik zijn toen samen nog een eind omgewandeld. En nu zal ik u eens vertellen welk een leuk plan we hebben. Misschien vindt ge ’t goed, misschien ook wel niet. Verleden maandag zijn Griet en ik begonnen te sparen. Elke dag 10 ct in een doosje en dat 9 dagen lang is 90 ct hé en nu vandaag nog bovendien 10 ct is samen ƒ 1,- en nu zullen we beide voor dat geld een boek van Werner koopen. Zeg vindt U ’t niet goed. ’t Is in alle gevalle beter dan dat we ’t in de fiets verpatst hadden, dat zegt juffr. Propstra ook, die zegt we geraken ’t geld wel kwijt, maar ’t leert ons toch ook al weer om zuinigte wezen en ’t is vrij wat beter zegt ze om een mooi boek te koopen dan om de boel te verpierewaaien. Nu zullen we morgen vroeg een koopen. Wat leer ik hier toch verschrikkelijk om zelf maar te handelen en om eerst geen een om raad te vragen. Ja ju, als ik terug kom dan ben ik een mensch met heel wat levenswijsheid.

 

Vanmiddag is Gijske er nog even op de fiets geweest. We zijn om half zeven met ons drieën naar de stoomdraai geweest, maar ’t was er een belabberde boel hoor! Dit was al half afgebroken en daar stond niets meer van en in de stoomdraai was ’t ook niet leuk. Er waren bijna geen menschen in. Aukje Rijpma uit Irnsum was er ook. Ik heb haar toegeknikt, maar zij knikte niet terug. Of ze heeft me niet herkend, of ze heeft ‘t wat te min gevonden om me toe te spreken, want ’t is een dame geworden, hoor. Ontzettende deftig en statig. Ik vind ’t toch wel wat bespottelijk dat boeredochters zich zoo aanstellen. Om half acht hebben we Gijske een heel eind de Schrans uit gebracht; die most nog op de fiets naar huis toe zie. Hé wat was ’t daar toch prachtig.’t Was blokstil en de avondzon kwam zoo heerlijk door de boomen kijken. ’t Was zoo vredig en zoo stil overal. ‘k Weet niet hoe of dat zoo komt, maar wanneer men in eene mooie natuur en dan nog wel met zulk weer loopt, dan is men ineenen veel ernstiger gestemd en ik vind dan is men in ’t geheel niet tot lachen gestemd. Zoo was ’t tenminste ook met Griet en mij. We hebben maar stil pratende naast elkander geloopen. Geheel anders als anders want dan lachen en doen we altijd. Om kwart over 8 uur waren we zoowat bij Griet en die. Griet is toen nog met hare drie zusjes naar de poffertjeskraam de fiets enz. geweest, maar ik ben maar naar huis gegaan, daar ’t anders toch ook te laat voor mij werd.

 

Kalm en vredig is ’t weer, en zoo is ’t ook met mijzelf gesteld. Ik heb in de kermis heelemaal geen schokkende toneelen bijgewoond en meebeleefd. Ik ben ook geen een avond uit geweest en toch heb ik heel veel plezier gehad. Maar om ’t altijd zoo te houden, neen dank je hoor. En dat zou U denk ik ook wel zeggen. Want zoo’n Leeuwarder kermis kost wat, dat beloof ik U. Ik heb Jo gister wat zuurtjes gekocht. Dat had Juffr. liever als een pop of zooiets, want ze heeft al van alles zie. De Olde Hove heeft vanmorgen de kermis uitgeluid en zoo luid ik deze brief nu ook maar uit. Hij is dunkt me nu ook lang genoeg, 36 blz. notabene. U bewaart deze brief hé. En dan wil ik hem zelf naderhand graag terug hebben. Aardig hé. Maar al mijn postpapier is eraan gegaan. Ik heb maar een velletje meer. Is er thuis nog? Wil Pa ’t dan zondag meenemen? Nu dag beste, ontvang de hartelijke groeten van

 

                                                                                  uwe u liefh. dochter

                                                                                  R. Driebergen.

Driebergen gezin 2
De familie Driebergen rond 1910. De ouders van Richtje, Jan en Fetje, staan in het midden. Richtje staat naast haar vader en achter haar zusje Uilkje ('Uuk').



* yn 'e mik (Fries) > voor elkaar

* raar yn jins tontsje wêze (Fries) > zich niet lekker voelen, erg bezorgd zijn.

[**]  snypsnaarderij (Fries) > zaak van geringe waarde.

*  ferteltsje (Fries) > verhaaltje. 

 

Terug


Afdeling I:


1-34     Mr. P.A. Bergsma: 1830-1915. Secretaris gemeente Leeuwarden.

2-35     Mr. J.C. Bergsma: 1828-1894. Rechter. Raadsheer gerechtshof.

3-2       D. van Konijnenburg: 1841-1905. Landbouwspecialist.

3-10     P. Pama de Kempenaer: 1820-1881. Directeur gasfabriek Leeuwarden.

4-27     J.B. Weerman: 1835-1882. Predikant Nieuwe Evangelische Gemeente.

4-30     G.  Bloembergen: 1805-1881. Wethouder gemeente Leeuwarden.            

5-22     R.D. Smeding: 1804-1885. (amateur) natuurkundige en meteoroloog.

5-34     Mr. A. Bloembergen: 1838-1901. Rechtsgeleerde. Liberaal lid 1e Kamer.

5-37     Jhr. Mr. J.M. van Beijma: 1813-1898. Officier van Justitie.

6-17     W. Sprenger: 1836-1911. Directeur Leeuwarder Courant.     

6-18     H.G. Knorre: 1798-1869: Directeur Leeuwarder Courant.

6-20     P. Koumans Smeding: 1791-1854: Directeur Leeuwarder Courant.

6-38     Mr. J.L. Huber: 1805-1871. Kantonrechter.

7-22     P.H. Asman: 1832-1870. Medicus.

7-38     C. P. Burger: 1825-1908. Directeur R.H.B.S. en pedagoog.

8- 6      E. Hora Adema: 1831-1916: Directeur stroopfabriek Huizum.

8-12     J. Andrea: 1812-1876. Conservatief lid 2e Kamer. Vice-admiraal.

8-33     Mr. J. Minnema van Haersma de With: 1825-1904. Advocaat. Wethouder.

8-38     G.T.N. Suringar: 1804-1884. Drukker-uitgever.

9-1       Dr. N. IJpey: 1794-1869. Medicus. Filantroop. Laat ‘bos van IJpey' aanleggen.

9- 3      Mr. A. Looxma IJpey: 1833-1892. Kunstliefhebber/verzamelaar. (hekwerk vernieuwd).

9-17     J.D. van der Plaats: 1780-1853. Notaris en schoolopziener.

9-20     J. Ledder: 1817-1855. Medicus.

9-31     Jhr. O.R. van Andringa de Kempenaer: 1801-1868. Lid G.S. Grietman van Lemsterland.

9-39     Jhr. J. Speelman: 1855-1883. Rijksbetaalmeester te Winschoten.

10-36   Mr. J. Bieruma Oosting: 1816-1885. Burgemeester. Kantonrechter. Lid 2e Kamer.


10-38   Jhr.Mr. C.J. Speelman: 1817-1891. Advocaat. Rechter.


11-27   O. Schreuder: 1818-1905. Medicus.

11-31   G.W. Heesen: 1846-1921. Predikant. Christusbeeld verplaatst naar Grote Kerk.

11-37   Mr. J.E. Cats: 1793-1853. lid 2e Kamer en rechter.

12-8     J.N. Witteveen: 1821-1915. Lid G.S.

12-37   Jhr. W.E. Engelen: 1817-1879. Burgemeester Leeuwarderadeel. Lid 2e Kamer 1853.

13-2     Mr. J.H. van Boelens: 1792-1865. Jurist. Burgemeester. Administrateur van 's Rijksschatkist.

13-8     J. Albarda Cz.: 1825-1862. Notaris. Advocaat. Burgemeester van Franeker.

13-9     C. Albarda: 1796-1866. Rechter.

13-16   E. Bruinsma: 1768-1843. Beeldhouwer. Werkte o.a. aan het orgelfront van de Grote Kerk.

13-17   A.A. Bruinsma: 1766-1849. Architect.

13-22   J.J.G. van Wicheren: 1808-1897. Schilder. Leerling van W.B. v.d. Kooi en Otto de Boer.

13-24   Mr. C. Wichers Wierdsma: 1823-1902. Grietman van Hennaarderadeel.

13-26   Mr. J. Schik: 1800-1847. Griffier der Staten.

13-28   P. Wierdsma: 1776-1846. Advocaat. Rechter.

14-16   J.A. Baron van Zuijlen van Nijevelt: 1776-1840. Gouverneur der provincie.

14-29   Mr. J. Dirks: 1811-1892. Advocaat. Lid 2e Kamer. Medeoprichter Fries Museum.

14-40   M. Manger Cats: 1817-1896. Grietman van Smallingerland..

15-19   Jhr. G.W.F. Lycklama a Nijeholt: 1808-1875. Advocaat.Grietman van Oost-Stellingwerf.

15-20   Jhr. T.M. Lycklama a Nijeholt: 1766-1844. Grietman van Oost-Stellingwerf. Lid 2e Kamer.

15-21   C. Kuipers: 1765-1837. Apotheker. Oprichter Natuurkundig Genootschap.

15-31   H. Schutte: 1807-1860. Luthers predikant.

16-29   Mr. A.A.F. Baron van Panhuys: 1841-1894. Griffier gerechtshof. Kamerheer.

16-32   Jhr. W.L.B. van Panhuys: 1811-1880.  Surnumerair betaalmeester.

16-35   Ph. Silvergieter Hoogstad: 1777-1859. Predikant.

16-37   J. Baart de la Faille: 1839-1918. Medicus.

16-40   S. Crommelin: 1778-1858. Predikant.

17-2     S.J. Vermaes: 1839-1902. Hoofdingenieur Provinciale Waterstaat.

17-18   Jhr. Mr. F.J.J. van Eysinga: 1818-1901. Voorzitter 1e Kamer. Minister van Staat.

17-23   D. Menalda: 1856-1898. ‘Frau Regierungsrath Lehman'.

17-34   Jhr. T.A.M.A. van Andringa de Kempenaer: 1806-1870. Grietman van Het Bildt. Lid 1e Kamer.

17-36   Jhr. I.J.W.H. van Andringa de Kempenaer: 1844-1895. Burgemeester Ferwerderadeel.

17-38   Jr. H. van Andringa de Kempenaer: 1807-1872. Bewaarder Hypotheken.

17-39   S. Brouwer: 1793-1856. Medicus. Hoogleraar Groningen. Lid 2e Kamer.

18-14   Jhr. Mr. I.F. van Eysinga: 1794-1870. Grietman van Hennaarderadeel.

18-16   Jhr. Mr. C. van Eysinga:1841-1862. Lid G.S. Grietman van Hennaarderadeel.

18-27   Dr. P.J. van der Gijp: 1819-1897. Medicus. Kolonel Geneeskundige Dienst.

18-29   J.G. Ottema: 1804-1879. Classicus. Uitgever Oerlalindaboek.

18-35   M.A.J. Losgert: 1826-1911. Directeur Registratie Domeinen. Directeur Staatsloterij.

19-3     Ir.  H.G. Levert: 1841-1892. Waterleidingexpert, o.a. in Ned.-Indië.

19-14   Jhr. Mr. WC.G. van Eysinga: 1866-1910. Landbouwexpert.

19-26   G. Andrea Pz.: 1805-1887. Vicepresident Gerechtshof.

19-31   A. van Halmael: 1788-1850. Jurist. Publicist (met name over Friese geschiedenis).

19-33   G.E. le Maire: 1810-1882. Rechter.

20-11   Dr. A. Meursinge: Medicus.

20-16   Mr. C.A. Römer: 1855-1935. Vooraanstaand advocaat.

20-24   Mr. W.A. van Sloterdijck: 1834-1918. Auditeur militair.

21-26   D. Burger: 1853-1876. Diergeneeskundige. Buitengewoon verstand, zwak gestel.

22-6     C.J. Prakken: 1852-1916. Schoolopziener. Rechter.

22-22  A. van der Meulen: 1842-1891: Moeder van Mata Hari.

NB: de grafsteen vermeldt ook de grootouders van Mata Hari. Cornelis Zelle is hier inderdaad ook begraven. Margaretha Hamstra is echter begraven in IV-38-25.

22-28   Dr. L. Proes: 1805-1891. Vooraanstaand predikant. Publicist.

22-34   W.C.A. Hofkamp: 1849-1924. Directeur Gemeentewerken.

23-1     A.E. Kempees: 1856-1913. Hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat.

24-3     Mr. A.C. Folkersma: 1846-1915. Raadsheer Gerechtshof.

24- 5    Ir. D.F. Wouda: 1880-1961. Hoofdingenieur Provinciale Waterstaat en architect gemaal Lemmer.

24-11   Ph.J.H. Hayward: 1819-1882. Hoofdingenieur Rijkswaterstaat.


Afdeling II:

5-14     H. de Jong: 1835-1916. Directeur Stedelijk Muziekkorps. Gaf dansles aan de jonge Mata Hari.

8-14     S. Baron: 1854-1909. Eerste directeur Ambachtsschool.

9-31     Ir. R. Kielstra: 1828-1894. Bouwer Dam naar Ameland in 1881.

11-25   J. Troelstra: 1833-1906. Vader van P.J. Wethouder. Directeur brandwaarborgmaatschappij.

12-27   C. van Dalen Fontein: 1842-1897. Burgemeester van Barradeel.

13-27   Jhr. Mr. S.W.H.A. van Beyma thoe Kingma: 1812-1877. Rechter. Vooraanstaand liberaal.

13-48   B. Albarda: 1797-1862. Vooraanstaand rechtsgeleerde. Liberaal lid 2e Kamer.

14-43   L.P. Roodbaard: 1782-1851. Tuinarchitect van o.a. deze begraafplaats (steen uit 2005.

15-17   S.A.B. Taconis: 1867-1928. Tabaksfabrikant en amateur-fotograaf.

15-19   Mr. J.G. van Blom: 18370-1893. Griffier der Staten.

15-38   S. Wigersma Hz.: 1857-1912. Koopman en penningkundige.

15-48   Mr. J.H. Albarda: 1826-1898. Advocaat. Lid G.S. Bekwaam ornitholoog.

15-50   Dr. M. van Staveren: 1815-1900. Predikant. Publiceerde vele theologische geschriften.

16-15   M. van Geuns: 1824-1904. Invloedrijk en geliefd Doopsgezind predikant.          

17-16   T.A. Keikes: 1804-1886. Zilversmid, graveur en stempelsnijder.

19-36  H.J. Prakke: 1825-1881. Veearts. Publiceerde veel over diergeneeskunde.

20-35   S. Coronel: 1827-1892. Stadsgeneesheer. Publicist (o.a. voor de LC).


Afdeling III:

3-52     A. de Jong: 1864-1936. Fotografe.

8-53     F. Bakker Pzn.: 1842-1904. Orgelfabrikant (Bakker & Timmenga).

9-45     B. Goedemoed: 1862-1944. Bekend calligraaf.

10-18   W.C. van Munster: 1839-1913. Voorvechter Christelijk Onderwijs.

10-82   J.F.L. van Loo: 1859-1879. Vroeg overleden leerling R.H.B.S.

11-93   D. Alkema: 1848-1887. Chef Friesland Singer Company.

12-76   L. Zandstra: 1848-1923. Strijder voor het Socialisme.

14-61  G. Colmjon: 1828-1884. Archivaris-bibliothecaris. Prominent lid Frysk Selskip.

14-70   C.B. Broersma: 1841-1919. Fotograaf.

14-82   C. Feiters: 1864-1913. Chef firma Mohrman en Co.

15-29   O. Stellingwerf: 1847-1897. Strijder voor het socialisme.

19-39   D.R. Dijkstra: 1820-1862. Archivaris-bibliothecaris.

20-44   G.J. Hennink: 1842-1896. Gemeentearchitect.

21-23   W. Eekhoff: 1809-1880. Boekhandelaar. Archivaris-bibliothecaris. Historicus.

22-15   T. Ganzinga: 1857-1943. Fotografe.

22-32   J. Kroes: 1877-1925. Smid bij J. Kroes&Zn. (hekwerk deels gerestaureerd).

23- 9    Th.A. Romein: 1811-1881. Directeur Gemeentewerken.

27-33   S. Haven: 1829-1897. Doodgraver.

29-10   H. Meursinge: 1791-1864. Chirurgijn/medicus.

31-8     J.R. Kooistra: 1859-1904. Doodgraver.


Afdeling IV:

9- 9      H. Wildts: 1802-1887. Commandeur walvisvaarder (gedenkteken is in Harlingen).

15-27   J.C. Puist: 1873-1900. Fotograaf.

17-11   J.L. Brouwer: 1863-1880. Kweekelinge van de Rijksnormaalschool.

25-8     Fam. Wielenga: -1890. 4 verdronken kinderen en hun moeder.

30- 6    G. Arzoni: 1834-1894. Instrumentenmaker.

34-17   C. Becke: 1802-1856. Chirurgicale instrumentenmaker.

36-20   J. van Dam: 1783-1840. Orgelmaker.

36-67   J.F. Stoett: 1862-1890. Architect.

37-76  J. Zandstra: 1900-1969. Als laatste op de AB begraven.


Afdeling IV nieuw / 4a:

1-52    J.J. Beek: 1848-1918. Moordenaar (‘de taartvergiftiger').


Afdeling V:

5-82    Y.B. de Graaf: 1813-1860. Terechtgestelde moordenaar.

9-41    J. Barger: 1853-1900. Predikant te Harlingen. Moordenaar (‘De blikken dominee').

16-57  R.P. van Dijk: 1816-1846. Terechtgestelde moordenaar.

Terug