Herinneringen aan de Leeuwarder kermis, 17 juli-26 juli 1898, door R. Driebergen

Met dank aan Andries Tol voor de foto's en het beschikbaar stellen van het verslag. 

 

Richtje Driebergen werd geboren op 13-06-1882 te Bolsward als dochter van onderwijzer Jan Driebergen en Fetje de Boer. In 1898 was ze gedurende een half jaar in de kost bij het Leeuwarder echtpaar Pieter van der Baan en Klaaske Fogteloo. De Baan was handelaar in naaimachines. Het gezin woonde op Achter de Hoven 182. Richtje volgde onderwijs bij de heer Albers en juffrouw Van der Werff. Even terzijde: de term "juffrouw" kan betrekking hebben op zowel ongehuwde als gehuwde vrouwen. Richtjes verslagje van de kermis omvat tien dagen. Ze schreef het voor haar ouders en jongere broers.  De kopiïst is heel dicht bij het origineel gebleven. Vergissingen en eigenaardigheden in de tekst zijn letterlijk overgenomen. Een alinea-deling hanteert Richtje niet. Ter wille van de overzichtelijkheid zijn enkele alinea-aanduidingen ingevoegd. Met leestekens en hoofdletters is Richtje niet scheutig. Ook op dat punt is het een en ander aangevuld. Wellicht zou de lezer meer verwachten over de ruwe kanten van de kermis: drankgebruik, vechtpartijtjes, sexueel geweld, vandalisme. Daarbij moet men bedenken dat Richtje nog pas 16 jaar oud was. Richtje schrijft ook regelmatig over haar vriendin Grietje. Waarschijnlijk is dit Grietje Propstra, dochter van Karst Propstra en Tjaltje Zwart. Zij woonden op Achter de Hoven 18 en hadden daar een bakkerij. Grietje had een paar zussen, onder wie Anna (Anneke) en Tetske/Fetske/Teatske die ook in het verhaal voorkomen.

Tien jaar na dit verslagje, op 10 februari 1908, zou Richtje in Bolsward trouwen met Andries Strubbe, drogist te Franeker. Ze overleed op 8 april 1930 in Franeker. 

Gezin 1898 2
Het gezin Driebergen rond 1900. Richtje staat in het midden met witte jurk. 

 Kermis 6  

Lieve Ouders en broeders!

Nu zal ik eens een heele gekke brief schrijven. Ik dacht vanmorgen zoo eens bij mezelf na en toen dacht ik: als ik vrijdag naar huis zal schrijven en dat alles op een stuit zoo’n geheele Leeuwarder kermis beschrijven. Ik dacht dat wordt een warrewinkel. Ik zal geloof ik vandaag maar beginnen en dan alle dagen waarop iets bizonders voorvalt maar weer een stukje dan komt er veel geregelder verhaal. Eerst moet ik U echter even bedanken voor die brieven die ik tusschen twee haakjes met ’t grootste plezier gelezen heb en dan voor die ƒ 2,-. Jelui moet nu niet denken dat je voor ƒ 2,- chocolade of zoo iets krijgt. Nee hoor, eerlijk deelen, ik neem mijn zesde partje er ook van, maar nu is de inleiding dunkt me lang genoeg en zal ik maar eens beginnen te schrijven.  

 

 

Maandag
De lucht is een beetje betrokken en de menschen die alles van de zwarte kant bekijken denken dat er vanmorgen nog wel regenwater kan komen, maar om een uur of negen is ’t zonnetje voor den dag gekomen, en hadden we hier ’t prachtigste weer van de wereld, behalve de wind. Juffrouw haar vader is gisteravond al gekomen (en toen heb ik weer bij Aaltje geslapen). ’t Is een heel aardige oude man. Hij heeft ons bij de koffie op oliekoeken en wafels getrakteerd. We hebben om 12 uur half een al gegeten, want ’s middags was ’t harddraven en wanneer we dan met ’t eten zouden wachten totdat ik bij Mijnheer Albers wegkwam, dan werd ’t veel te laat.

 

’s Middags om half drie kwamen Griet en Gijske en Teatske mij halen. Nu hadden Teatske en ik kaartjes (dan konden wij in ’t land waar ’t een kwartje was), want Mijnheer van der Baan is lid en Teatske haar pa ook, maar Griet en Gijske hadden geen kaartjes en die wouen ook geen kwartje betalen. Toen zijn die samen naar ‘t 10 ct land gegaan en Teatske en ik naar ‘t 25 ct land, wat leuk hè. Nu de hardraverij was mooi, en ’t was stampvol menschen. Ik had mijn zwarte rok aan, de witte blouse, ’t manteltje aan en de matelot op, en ze vonden allemaal dat ik er zoo echt chic uitzag. Teatske had zoo’n lange gele jurk aan en ’t land was zoo vreeselijk glad en eensklaps glijdt Teatske uit en ligt ze in de lange gele jurk languit op ’t land. Och menschen, menschen. Ik heb me haast dood gelachen. We liepen samen nog een poosje en dan in eenen begint ’t me te stortregenen en we hadden helemaal geen parapluie bij ons en onze nieuwe kleeren aan en van Teatske huis naar de Marsumerweg (daar was de draverij) is wel zoo ver als ’t Huisje Terlet. We hebben een heel eind hard geloopen, toen samen een stukje noga gekocht, en dat hebben we bij Gebr. Käller (dat is zoo’n winkel op de Nieuwestad) opgegeten. Met de noodige lol erbij. Ik heb T. toen naar huis gebracht, en ben toen zelf naar huis gegaan.

 

We hadden afgesproken dat we zes uur de kermis op zouden tot 8 uur half negen, maar ’t was bijna zeven uur voor we er waren. Nu dat is me wat anders als die Bolswarder kermis. Jongens, jongens wat een drukte. We zijn eerst een keer of drie vier in de fiets [waarschijnlijk de zgn. 'manège de vélocipède'] geweest, en toen hebben we wat omgeloopen en toen zijn we naar een andere fiets gegaan. ’t Zijn prachtige hoor, die van Huuskens die komt zomers ook In Bolsward hè. Nu die vinden ze in B. mooi, maar hier in L. is hij helemaal niet in tel. Hij gelijkt wat hoe klein en nietig. Nu we hebben wel lol gehad. Teatske is wat eerder bij ons weggegaan, want die zou met een kennisje van haar mee. Die ging met haar Pa en Moe naar de Prinsentuin waar concert met vuurwerk was. Wij hadden vandaag al wieweet hoe vaak gevraagd aan Teatske haar Pa en dan aan Mijnheer Propstra of hij niet met ons mee naar de tuin wilde, want als losse meisjes konden we niet daar ’t zoo vreeselijk laat begon. Eerst om 10 uur en kwart voor elf was ’t vuurwerk eerst afgeloopen. Mijnheer Bos kon niet en Mijnheer Propstra had er geen zin in en zei hij. ’t Speet me geducht, dat beloof ik U, want ’t was nu zoo’n prachtige gelegenheid om eens wat anders te zien dan ’t Bolswarder vuurwerk. Om kwart over 8 uur kwamen we (bij Grietendie) thuis. Juffrouw trakteerde ons ieder op een beschuit met aarbeien en terwijl we daar zoo met elkander zaten te smullen kwam Mijnheer Propstra in de kamer en vroeg of we er zin in hadden om met hem naar ’t concert en dan naderhand nog even de kermis op. Dat was me eene verrassing, ik sprong haast een tafel hoog van pure pret. Toen samen gauw even naar huis toe om even te vragen of ik wel mocht. Ze vonden ’t gelukkig goed en ik mee. Om een uur of half tien gingen we weg. Mijnheer Propstra en Gijske en Anneke (Griet haar zuster) voorop en Griet en ik achteraan. Nu ’t vuurwerk was de moeite waard hoor! Een vuur allemaal vuur, en ’t slotstuk was in een woord prachtig. Uit de tuin weg zijn we met zijn allen naar de stoomdraai gegaan. En daar was ’t vol, van belang hoor, want ’t meeste volk uit de tuin ging de kermis nog even op. Nu zijn we in twee stoomdraai’s geweest. Wat een leven en wat een lol en wat een herrie, erg lollig.

 

Uit de stoomdraai weg zijn we met zijn allen naar een Poffertsjeskraam geweest, maar daar was ’t zoo druk dat we vooreerst alle moeite hadden om en plaats te krijgen en toen moesten we nog wel een half jaar wachten voor we bediend werden. Alle Poffertjeskramen waren stopvol en er waren er toch wel een stuk of 5, 6. De poffertjes waren heerlijk. U kunt wel begrijpen welk een lol we gehad hebben. Uit de Poffertjeskraam weg zijn we naar huis gegaan. Toen we thuiskwamen, zat Juffrouw Propstra al in de nachtpon op ons te wachten, want ’t was al zoo laat. ’t Was n.l. toen al even over een uur. Ze had koffie en boterhammen voor ons klaar, die we ons natuurlijk goed lieten smaken. We hebben toen samen nog gezongen en lol gemaakt en toen heeft mijnheer mij met Griet thuisgebracht. Mijnheer van der Baan en die waren al naar bed, zoodat ik de luiden op moest schellen, en och, och ik had me die avond al pijn in de buik gelachen, maar toen mijnheer mijn in zijn wit onderpak de deur opendeed, toen moest ik nog veel meer lachen. Die teekening hiernaast beduidt ’t thuiskomen van mij om 5 min. voor half twee. Nu, morgen vertel ik meer.   Kermis 7

 

 

Dinsdag

Vandaag heb ik zooveel niet te schrijven als gisteren, daar de dag vandaag niet bizonder veel opgeleverd heeft. Kwart over tien hebben Griet en Gijske me bij mijnheer weggehaald en toen hebben we samen wat in de Prinsentuin geweest waar we een poosje gezeten hebben. 's Middags om 3 uur ben ik voor 't naar juffrouw van der Werff geweest. 't Is een heel aardig mensch hoor. Ze leert je naar 't me voorkomt je de dingen ook heel best. 'k Ben nu met mecraméwerk bezig. 't Is wel een leuk werkje. Men neemt een zoo'n kluwen van dat gladde touw en daarmee knoopt men dan, want dat geheele macraméwerk is eigenlijk een soort knoopwerk. Toen ik thuiskwam zat de baker net bij de juffrouw. Ze zou weer eens bij Jo zien, zei ze.

 

Om 6 uur heb ik Griet en Gijske gehaald en toen hebben wij samen Teatske weer gehaald. 't Was toen bijna zeven uur voordat we op de kermis kwamen. We hadden vandaag al afgesproken dat we met ons vieren op een portret zouden en na wat wikken en wegen besloten we dan dadelijk maar te gaan. Toen wij met ons vieren kwamen, waren Jitske Propstra en twee logées van mijnheer Kiers er ook net. Toen zij gebeurd waren. (Ze staan er tusschen twee haakjes misselijk op.) Toen kwamen wij aan de beurt. Teatske heeft nogal wat gelachen en daardoor is Griet ook in beweging geraakt. Toen zei Teatske ineens: kom laat ons er nu ook met ons zevenen op. Dit werd goed gevonden en zo zijn we er met ons zevenen en met ons vieren op gekomen. Ik zal maar even een verklaring van de portretten geven, anders hebben jelui er niets aan. 't Meisje dat hier voor me zit is Gijsje en die naast me staat is Griet en die zoo wazig is, dat is Teatske en dan die nikker dat ben ik in eigen persoon. Gijske gelijkt 't beste op dit portret. En nu de beschrijving van 't andere. Die daar naast me zit met die lichte blouse aan is Griet en die naast me staat met dat grijze manteltje aan is Ietske Propstra, die twee groote meisjes die daar achteraan staan, zijn de beide logées. In die lichte blouse met de zwarte rok die voor mij en Fetske ligt, is Teatske en die daarnaast is Gijske weer. Ik vind dat Griet en Teatske op dit portret 't beste gelijken. Ik vind dat ik zelf niet gelijk, maar daar kan ik zelf natuurlijk niet over oordeelen. Ze kosten 50 ct de twee met lijstjes er om maar wij hebben net zoolang gezeurd tot we ze voor 42½ ct gekregen hebben. Dit alles werd natuurlijk geaccompagneerd door de noodige lachbuien. Griet en Gijske zijn toen samen naar de dikke dame geweest om die te bezien, maar ik vond 't geen 10 ct waard om daar een vreeselijke vieze dikke dame te zien. Ze sprak Fransch, dat was nog wel leuk, maar wij zijn in plaats daar 2x voor in de stoomdraai geweest. Nu daar is 't me ook lollig hoor. Ze gooien je letterlijk onder de serpentines en onder de loovertjes, precies of 't geen geld kost. Uit de fiets weg zijn we nog even naar de Nieuwstad geweest om noga te koopen. En toen zijn we naar huis gegaan.

 

Achter de Hoven is 't natuurlijk even stil als altijd, maar nu viel 't ons daar uit de kermisdrukte weg zoo gezellig aan, zoodat we geloof ik wel een keer of tien op en neer geloopen hebben, heel gezellig pratende. Eindelijk zijn we echter naar huis toe gegaan. Toen ik thuiskwam was 't er niets niet fleurig, want juffrouw was ziek, 't Was niet zoo erg, maar ze lag toch op bed. Ik ben toen ook maar vroeg naar bed gegaan, daar er toen niets meer te beleven was. 

 

Woensdag

Deze dag kon ik wel met dezelfde dreun beginnen als de vorige, want vandaag is er niet zoo razend veel voorgevallen. Gister heb ik werk van juffrouw van der Werff opgekregen, en dat moest vanmiddag af. Ik heb er vanmorgen voor boterham eten flink wat aan gedaan. Griet, Gijske en Teatske zouden mij kwart over tien bij mijnheer Albers weghalen, want dan zouden wij met ons vieren naar de zwemschool, maar Teatske moest een paar boodschappen en toen ze daarvan terugkwam was ze al te laat om er nog heen. We hebben toen in plaats nog een eindje geloopen en zullen er nu naar. 't Plan is morgen vroeg heen.

 

Toen ik om 1 uur naar mijnheer Albers ging, kwam ik “de Wergen” tegen. Mijnheer Schouten zag me wel aan, maar hij herkende me, geloof ik, niet, want anders had hij me wel aangesproken. Vanmiddag ben ik weer naar juffrouw van der Werff geweest; om 3 uur. Ik begin 't nu al zoo wat voor de mik* te krijgen.

 

Om 6 uur hebben de meisjes me afgehaald en toen zijn we samen de kermis op gegaan. Griet en Gijske en Teatske zijn met hun drieën in zoo'n spel geweest. 't Heette 't Hoofd Ebicus. 't Was een los hoofd van een oude man, dat praten kan en ook zoo'n soort van waarzeggerij is. Fokje Bouma en ik durfden er niet in. Toen Griet en die eruit kwamen, zeiden ze dat 't heel mooi was, maar ik geloof niet dat ik erin ga. 't Is vandaag woensdag hé en nu hebben we andere woensdagsavondsclub, maar omdat 't kermis was hebben we dat maar niet gedaan en zijn we in plaats met elkander in de poffertjeskraam geweest. Nu, erg lollig hoor maar duur. Ook Teatske had één glas limonade voor 20 ct en wij hadden 2 wafels voor 15 ct. Nu was dat geloof ik zoowat de gewone prijs. Nu, daar hebben we ook lol gehad. Uit de poffertjeskraam weg zijn we met ons allen naar de fiets gegaan, waar we wel een keer of 10-12 gedraaid hebben, maar toen was 't tijd dat we naar huis toe kwamen, want 't was al over half negen. Juffrouw had een beschuit met aarbeien bij mijn boterham, dat was wel aardig hé.

 

Nu vanavond heb ik niet veel meer beleefd als alleen dit. Aaltje dat is natuurlijk ons meid die heeft zich zondagavond door een waarzegster laten waarzeggen en nu heeft ze ons vanavond ‘t portret van haar toekomende man laten zien. 't Is toch verschrikkelijk hé, dan gelooven zulke stumpers er ook nog aan. Nu ga ik maar uitscheiden, want ik moet naar bed. Wat of de dag van morgen brengen zal? Nu we zullen zien.

 

Donderdag

Van morgen ben ik eerst om 8 uur van 't bed gekomen. Ik was zoo slaperig dat ik bijna de oogen niet open kon houden. Maar toen ik eenmaal van 't bed was, kwam ik alweer een beetje in mijn oude situatie. Mijnheer van der Baan had mij gisteravond verteld dat hij naar Bolsward zou, maar wat hij er ging doen heeft hij niet gezegd. ’t Zal natuurlijk wel weer over mij wezen, nu ik ben mij helemaal geen kwaad bewust, dus kan ’t mij niet veel schelen. Omdat mijnheer toch naar B. toe ging heb ik monsieur van der Baan maar geen brief geschreven, want deze mijnheer van der Baan zei, dat hij hem wel van mij zou feliciteeren. Naar Richtje en Willij heb ik een paar prachtexemplaren van brieven gezonden.

 

Kwart over 10 uur hebben Griet en Gijske en Teatske me bij mijnheer Albers weggehaald en toen zijn we met ons vieren naar de badinrichting geweest, wat gezellig hé. Uit de badinrichting weg, zijn we een eind omgeloopen want ’t is zoo gezond zie om na ’t nemen van een bad, een eind te loopen en toen zijn we op ’t laatst naar de Prinsentuin gegaan waar we een poos gezeten hebben en toen zijn we weer naar huis gegaan. Ik heb toen nog gauw wat werk voor juffrouw van der Werff afgemaakt, want dat moest weer voor vanmiddag klaar wezen, een paar kopjes koffie gedronken en toen ben ik weer naar mijnheer Albers gegaan. Kwart voor 2 uur daar weg. Toen vlug gegeten en toen weer naar juffrouw v.d. Werff. Ik vind ’t een heel aardig mensch en ze leert je zoo flink, vind ik. Ik maak nu een staallap van macraméwerk. Toen ’t mijn tijd werd om weg te gaan, kwam Teatske Propstra er net om een boodschap, zoodat we mooi samen konden loopen. ’t Is hier zoo echt gezellig hé. ’t Gebeurt me tegenwoordig niet eens zoo heel vaak dat ik alleen een eind behoef te loopen, want dan loopt die een eind met je op en dan die weer, zoo geheel anders dan in Bolsward hé. Maar U moet daarom niet denken dat ik nu niet meer naar Bolsward en naar ulieden verlang. Ik zal integendeel wat blij zijn als ’t halfjaar om is en ik hier weer weg ben. Ik verlies hier veel, dat is waar, maar er gaat toch niets boven thuis. Maar ik ben alweer afgedwaald. Maar kom aan, ik zal nu beter oppassen en geregeld mijn verhaal vervolgen.

 

Om zes uur heb ik de meisjes afgehaald. We zijn toen niet eens eerst de kramen langs geweest, maar zijn dadelijk naar de stoomdraai gegaan. Nu daar was ’t een gezellige rommel vanavond. We waren denk ik zoowat met ons negenen, of tienen. Dan ging de eene helft in de fiets en dan stond de andere helft op alle hoeken van de tent klaar om diegenen die op de fiets stonden met serpentines en convetis (dat zijn van die lovertjes) te gooien. Ik had op ’t laatst een geheele hoop van die serpentines, zoo’n groote bosch dat ik ’t maar pas met mijn armen omklammen kon. Nu met die hoop heb ik drie meisjes ingeweeven dat hunne wangen er van pimpelden. Maar toen had ik ze vanzelf alle drie tegen me, maar ik liep hard weg, maar zij mij allemaal achterna. Maar ieder keer de stoomdraai in ’t rond. Nu stonden er drie boerinnetjes te praten. Ik daar gauw achter en toen die meisjes me voorbijgingen, zagen ze me niet eens en hebben ze zich half gek om me gezocht. Eindelijk ging ik op de fiets en toen ik nevens hun was, gooide ik ze met serpentines. U kunt wel begrijpen hoe gek ze opzagen. En zoo is dat de geheele avond doorgegaan. We hebben compleet een razende lol gehad. Griet en Gijsje zullen vanavond met mijnheer en juffrouw Propstra de kermis op; ze hebben me samen thuis gebracht.

 

’t Was zoowat kwart voor negen uur dat we thuis kwamen, een leuke tijd hé. Toen ik thuis kwam, trakteerde tante Impke op wafels en die koeken. De wafels waren niet heel lekker, maar de oliekoeken waren overheerlijk. Om tien uur kwam Mijnheer thuis, hij heeft me ’t briefje gegeven (wel bedankt) en heeft over niets gesproken. Mijn werk dat ik voor juffrouw van der Werff moet maken, heb ik al af. Morgen behoef ik niet eens naar les, want Vrijdags past ’t haar niet daar ze ’t dan zoo druk heeft. Nu dan kom ik zaterdagmiddag. Aaltje heb ik eergister haar kermisdinges gegeven. Ik weet nog niet wat ik Jo zal geven, want ze heeft van alles. Ik ben de kramen al eens rond geweest, maar ik kon niets geschikts vinden. Nu misschien vind ik morgen wel wat. Maar nu moet ik ophouden, want mijnheer zegt net tegen me dat ’t bedtijd is. En ’t is hier natuurlijk: Uw wille geschiede. Nu dag wel teruste.

 

Vrijdag

Wat is ’t vandaag toch prachtig weer geweest. De zon scheen vanmorgen zoo heerlijk toen ik opstond en er woei een zacht zuide windje. Toen ik om negen uur naar mijnheer Albers ging, was ’t me al een herrie en drukte van belang. Ik heb een kwartier bij een draaibrug staan te wachten, zooveel stoombooten moesten er door. Kwart over tien haalde Fokje Bouma mij bij Mijnheer Albers weg en toen hebben wij samen een eind omgeloopen en o zoo’n lol gehad. We lachten letterlijk om alles. De kleinste dingen waren we slap om. Zoo kwamen we ook voorbij ’t huis van Mijnheer Tjebbes. Nu staat daar op zoo’n wit bordje Tjebbes notaris en advocaat en meenden Fokje en ik beide niet dat daar stond: notaris en acrobaat. Wat al gek hé. Nadat we nog wat geloopen hadden, gingen we naar de Prinsentuin, waar we net zaten toen Griet en Gijske en Teatske op ons afkwamen. Ze hadden wel een uur bij mijnheer Albers omgeloopen, maar Richtje kwamen niet en op ’t laatst dachten ze: nu dan gaan we maar naar de tuin en daar zat ik nu deftig en wel en terwijl zij zich zaten te vervelen had ik de grootste pret gehad. Lollig hé. Nu die 3 dames vonden ’t zoo lollig niet, maar ik kon ’t ook niet helpen. Na nog een poosje gezeten te hebben, zijn we met ons vijven een eindje omgewandeld. Fokje is naar huis toegegaan en Gijske en Teatske zijn samen een eindje omgeloopen en in dien tusschentijd hebben Griet en ik de inkoopen voor de kist van thuis gedaan.

 

Om een uur was er een komedie in de Harmonie. Griet en Gijske en Teatske zijn er heen geweest; ik niet want ik moest natuurlijk om een uur naar mijnheer Albers toe en ik wou niet vrij vragen, want ik dacht dan had ik even goed naar huis toe kunnen gaan, als ik toch vrij vraag. ’t Is o zoo mooi geweest. ’s Middags ben ik weer naar handwerkles geweest, bevalt me er nog goed.

 

 

Kermis 8   

’s Avonds om zes uur heb ik de meisjes gehaald. Ik heb in de kermis de witte blouse aan met de zwarte rok, ’t nieuwe manteltje aan en de matelot op, dan zie ik er dunkt me vrij deftig uit. Toen wij de kermis opgingen, was ’t nogal mooi weer. Maar ho, ik moet eerst nog even wat anders vertellen. Ik ben alweer te ver. Die kist kan Aaltje niet alleen naar boot brengen, zegt ze, want die is haar te zwaar en dan moet Reitske Jitske mee om haar zware taak te verlichten. Nu is dat koperen hengsel verrukkelijk aan die kist, maar op ’t laatst beginnen je vingers te piepen van ’t lange sjouwen want van ons naar de boot is zoowat een klein halfuur loopen. A + ik hebben de kist dan tusschen ons in, maar ’t is lastig dragen. 

Nu heb ik er vanmiddag wat op uitgevonden dat ’t dragen gemakkelijker maakt. We deden mijn handschoenen tusschen ’t handvat en namen dan beide er een eind van beet. Maar o wee en o wat een geluk dat ’t mijn oude handschoenen waren, want toen we bij de boot waren, was mijn eene handschoen boven op de hand geheel en al versleten. Ziet u, dat was nu een verkeerde zuinigheid, want om een kruier te besparen sjouwden we zelf met dat ding en nu waren mijn handschoenen kapot, dat was dus niets goedkooper.

Maar om nu weer over de kermis te spreken. We gingen dus om een uur of zes half zeven met ons allen naar de fiets. Daar was ’t me een lawaai en een drukte van belang. ’t Was natuurlijk vrijdag en er waren zoo’n massa menschen in de stad, geen wonder dus dat ’t er druk was. En wat hebben we een lol gehad en wat waren er een hoop dingen waar de jongens ons vanavond mee geplaagd hebben. Vooreerst hadden ze serpentines, dan lovertjes, vervolgens heele fijne steenkool, zoodat je geheel zwart werden, dan hadden ze van die geheele lange pauweveeren die op ’t eind nat maakten en dan kletsten ze je die natte dingen in ’t gezicht om, en dan hadden ze ook van die spuitjes met eaudecologne. Wat een plezier hé. Nog een paar plagen erbij dan hadden we de zeven plagen gehad. Maar lol hadden we toch, maar terwijl we in de fiets waren, dachten we in ’t geheel niet dat ’t weer wel eens veranderen kon, en U kan dus begrijpen hoe gek we opzagen toen we de terugreis aanvaarden wouen ’t letterlijk stroomde of spoelde; ik weet niet zoo precies wat ’t deed, maar erg was ’t, want de straat stond bijna geheel onder water. Na wat overleg besloten we om in vredesnaam maar te blijven totdat we misschien ’t geluk hadden om de een of andere kennis te ontmoeten die een parapluie bij zich had, want wij waren er geheel zonder. ’t Was al negen uur en spoelde nog en er was ook nog geen een bekende met een parapluie, maar op ’t laatst zag ik Aaltje staan en die had er gelukkig een bij zich. Toen met ons zessen onder één parapluie.

  

In de fiets hadden ze Griet en mij al gezegd dat onze mantels niet tegen de regen konden, want dat iedere drup regenwater een zwarte vlek werd. U kunt begrijpen hoe raar ik in mijn tontje* was. Toen we een eindje geloopen hadden, kreeg ik een heerlijk idee. Ik trok mijn mantel uit, vouwde hem binnenstebuiten op en deed over dat zoodje mijn zakdoek. De mantel was dus geheel buiten gevaar, maar dat was ook alles. Ik stond zelf in mijne dunne neteldoekse blouse midden in de stortbui. ’t Plakte mij overal aan vast. En Griet stond voor ’t zelfde geval, maar die had nog eene bonte blouse aan en Gijske had ’t ook al niet ruim, want die had van die mooie verlakte balschoentjes aan, dat ging ook al klats, klats. ’t Was een vermakelijk geval. Zoo liepen we ongeveer.  

 

Kermis 9 
Richtje-Aaltje-Gijske-Teatske-Griet

 

Erg gezellig hé. Maar och hé, was ’t loopen op straat al niet alles, thuis begon de pret opnieuw. Ik heb al gezegd hé dat ik de neteldoekse blouse aanhad. Nu was dat dunne goed overal aan vastgekleefd, aan mijne bloote armen mijn hals en verder aan mijn onderlijfje. Ja ik weet al niet maar nu was ’t oppassen. Och man zou Griet wel zeggen. ’t Moest zoo voorzichtig gaan, want anders scheurde de boel en men moest aan trekken anders wou ’t er niet af. Nu eindelijk was hij gelukkig uit. Ik kan hem nu natuurlijk niet meer dragen. Maar nu doe ik de donkerblauwe aan, die staat ook heel netjes en dan behoef ik geen mantel aan. Want ’t is zonde als er eens wat aankwam. Van die paar regendruppels die erop gevallen zijn, is niets meer te zien. Maar ’t is wel goed dat hem niet iedere keer aangehouden heb. Wanneer ik ’s avonds thuis kom, dan ligt de geheele vloer vol convetis en andere sniepsnaderijen[**], maar die regen van vanavond heeft alles eruitgeregend. Er is dus toch altijd een lichtzijde aan iets te vinden, al denkt men ’t zoo oppervlakkig niet. Mijnheer is eerst om half elf thuis gekomen, die had er ook al op gewacht, maar is op ’t laatst maar naar huis toegegaan. Ik zit dit boven nog even te schrijven, maar nu moet ik naar bed hoor. want anders komt mijnheer straks beneden aan de trap. Zeg eens even wat is me dat daar nog voor leven boven. Gauw naar bed toe hoor! Nu dag morgen meer.

 

Zaterdag

Zoo erg als gisteravond regent ’t niet en ’t is zelfs droog, maar toen ik vanmorgen naar mijnheer Albers toeging, vond ik ’t toch maar raadzaam om een parapluie mee te nemen, daar de lucht nogal donker was. Zie zoo was ’t weer. Om half elf uur haalde Fokje Bouma mij met Griet en Teatske en Gijske bij mijnheer Albers weg. Wij hebben toen samen wat gewandeld, niettegenstaande ’t sombere weer en de waterplassen op straat. Om 12 uur was ik weer thuis. Toen koffiegedronken, nog even wat werk voor juffrouw v.d. Werff afgemaakt en toen weer naar Mijnheer Albers. Toen ik kwart voor twee bij Mijnheer Albers wegkwam, ben ik naar ’t Spoor gegaan dat om 2 uur aankwam en waar volgens uw zeggen Betsy Mekking wel in kon zitten hé. Nu, ik kan U zeggen dat ze er niet in was. Ik heb naar alle kanten uitgekeken maar geen spoor ervan te ontdekken. Toen ben ik gauw naar huis geloopen, want ik moest drie uur al weer naar Juffr. v.d. Werff en moest eerst ook nog eten. Bij Juffr. v.d. Werff weg ’t was toen zoowat half vijf heb ik eerst nogal wat omgeloopen en ben toen weer naar ’t spoor gesjeesd om te zien of ze er nu ook was maar alweer mis. Ik weet niet hoe ’t is of ik heb niet goed gezien of ze is in ’t geheel niet gekomen.

 

Om zes uur kwam ik Griet afhalen en daar wachtte me eene verrassing waar ik minder op gesteld was. Ik doe de kamerdeur open en vlieg pardoes tegen Fem aan. U kan begrijpen welk een gek gezicht ik zette, maar dat ’t heel vriendelijk is geweest, geloof ik niet. Maar ik heb toch de beleefdheid gehad om naar haar gezondheid enz. enz. te informeeren. We zijn met ons vijven de kermis opgegaan en hebben dat moet ik eerlijk zeggen een hoop lol gehad. Fem was heel aardig tegen me. ’t Was precies of ze haar gedrag van laatst weer goed wilde maken. Ik heb me heel gewoon gehouden en net gedaan of ik er niets van merkte. Toen we naar huis zouden gaan, was ’t weer ’t zelfde spulletje van gisteravond. ’t Stroomde weer en we waren ook weer zonder parapluie maar nu kwam er geen Aaltje opdagen, maar ik had nu mijn nieuw manteltje niet aan en de witte blouse ook niet, maar de blauwe. Toen ik thuis kwam, zag ik er geloof ik nog belabberder uit dan gisteravond. Mijn hoed droop aan alle kanten. Mijn blouse was doorweekt. Mijn rok droop, en mijn haar droop ook en dat zat bovendien ook nog vol serpentines conveties of loovertjes fijne stukjes steenkool enz. enz. Een flink rommeltje. Ik dacht zoo in mijn eigen: zoo moest ik eens bij tante Aitema of bij tante Fetje op zaterdagavond aanlanden. Nu de juffrouw nam ’t gelukkig goed op. Ze lachte er eens om en ik moet ook eerlijk zeggen dat ’t heel gek leek. Toen ik mijn blouse na heel veel moeite uitgetrokken had, want die was ook al overal aan vastgeplakt, bekeek ik hem eens van binnen. De voering is nu bijna geheel blauw geworden. Dat staat wel aardig en mijne armen waren ook geheel blauw, wat koddigjes hé. Nu mijn goed kan er best tegen. Hij wordt er niets minder van dat hij eens flink nat wordt. Zoo’n soort is toch vrij wat beter en degelijker dan die beste hoed, van mij en consorten.

 

En nu al weer ’t zelfde dreuntje van altijd: ik moet alweer naar bed en ik moet eerlijk zeggen dat ik er ook wel naar verlang. Wat of de dag van morgen brengen zal, nu ongelijk hoe ’t weer is nu we zullen ’t beste maar hopen. 

 

Zondag

’t Weer is alweer ’t zelfde: een betrokken lucht en men ziet bijna geen zon en dat is ’t juist wat alles zoo’n treurig aanzien geeft. Vanmorgen ben ik nogal vroeg opgestaan, tenminste men kan ’t tenminste vroeg noemen bij de andere dagen vergeleken. Nadat ik mij gekleed heb, ben ik wat zitten gaan lezen in een boek van Teatske. ’t Heet St. Michaël door Werner. Ik vind ‘t in een woord prachtig. U kent ’t zeker wel hé. Nu ik was juist aan dat indrukwekkende gedeelte gekomen waar staat:

 

De wind nam toe. De takken van den wilden rozenstruik waaiden en fladderden om haar hoofd, de zee van wolken omgolfde en omstuwde haar steeds meer en meer en al hooger en hooger steeg de branding van de nevelen alsof zij de geheele vlakte wilde overstroomen. De lichtkrans rondom de toppen van den Arendswand was verdwenen, verdwenen waren ook de omsluierde geesten, slechts dichte grauwe nevelmassa’s dreven thans heen en weder; en zonken al dieper en dieper en vloeiden samen met de donkere wolken, die nu eensklaps scheurden en een vurige bliksemschicht doorlieten. ’t Vlammend zwaard van St. Michaël.

 

Toen de stem van Aaltje me weer tot de gewone werkelijkheid riep door me te vragen of ik kwam te boterham eten. Nu mijn maag verlangde al weer en dus ik ook. Na ’t boterham eten heb ik nog in beraad gestaan of ik ook naar de kerk zou, maar ik ben maar niet heengegaan, want ik dacht de gedachten zijn er toch niet bij en dan doe ik er meer kwaad dan goed aan. Maar ’t is wezenlijk treurig hoe ’t hier aan huis met de godsdienst gesteld is. Maar kom aan, daar wil ik nu maar niet over spreken. Dat moeten de luiden zelf maar weten, maar ik vind dat ze ’t tegenover de kinderen niet verantwoord zijn.

 

Om twaalf uur hebben ze mij met hun vieren gehaald. We hebben samen tot half twee gewandeld, want om 2 uur moesten Teatske en ik eten. Om 3 uur zijn we naar ’t concert in de Prinsentuin, daar ’t nu vanmiddag was in plaats van vanavond. Zie dat komt allemaal van de kermis. Terwijl we daar zoo liepen, zei ik tegen Griet: ik doe mijn best om weer gewoon tegen Fem te zijn, maar ik geloof niet dat ’t me zoo goed afgaat, want ik kan haar nog altijd niet goed uitstaan. Als ik dus vriendelijk tegen haar ben, dan is ’t alleen terwille van jou, want ik vind ’t voor jou vreeselijk vervelend. In plaats dat Griet me prees begon ze te lachen en zei: nu dat is onzettende prachtig. ’t Zelfde heeft Fem me vanmorgen met de grootste ernst verteld. Nu ik moet zeggen dat ik ’t op zoo’n manier een rare draaierij vind. Maar dat is nu eenmaal zoo en daar is niets aan te veranderen.

 

Vanmorgen is grootvader van der Baan hier gekomen. Hij blijft tot morgenmiddag. Om half zeven zijn we de kermis weer opgegaan. Eerst hebben we wat omgeloopen en eindelijk zijn we in fiets of stoomdraai gegaan. Gijske is bij Griet te logeeren hé. Nu heeft ze vanmorgen een brief van haar Moe gekregen met ’t bevel om vanavond nog thuis te komen. Haar Moe zei: ze was al lang genoeg aan ’t pierewaaien geweest. En wat heeft Gijske nu te doen? Ze ziet een meisje dat een klein eindje van hun af woont. Ze geeft dat meisje voor een dubbeltje lekkers en geeft haar een briefje mee voor haar Moe, waarin staat dat ze morgen wel thuis zal komen, want dat ze anders haar geheele zondagavond mist. Nu, wij gaan goed en wel in de fiets, maar we zitten er nog maar pas in, en o wee daat komt Gijske haar Pa aan. Die zou haar halen, want hij vond dan konden ze mooi samen reizen, dat was voor haar ook veel gezelliger. Och arme Gijske, nu moest ze mee en nu miste ze op de koop toe dat lekkers ook nog.

 

In de fiets was ’t me een herrie en een levai dat hooren en zien je verging. Ze hadden dezelfde plaaginstrumenten nog van gisteravond, maar er was nu nog een bij. Ze namen dan nl. een hoop van die ontrolde serpentines en daar maakten ze zoo’n soort bal van. Die duwden ze in wat vuil water en daar rosten ze de meisjes met om ’t gezicht. ’t Was er vanavond compleet een gekke boel. Ik vond ’t er vanavond lang zoo leuk niet als andere avonden. En dat kwam hoofdzakelijk door een stuk of tien Sneekers die zich aanstelden als gekken. Men was bepaald nergens veilig. Zoo hadden ze ’t ook met een paar meisjes, nogal deftige hoor, ze zijn van Griet en die ’s school. Met die zaten elk op zoo’n groot paard, en dat gaat wanneer de boel in beweging is nogal vrij hard, zoodat men gewoonlijk nogal oppassen moet, daar men er anders wel afglijden kan en dan komt men raar te landen. Toen de boel nu in volle gang was, sprongen twee van de grootste gekken achter bij die meisjes op ’t paard, sloegen de handen om hun hals en deden allerlei gekke kunsten. Of die meisjes in de benauwdheid zaten, dat beloof ik U. Ze hebben ’t mij niet gebakt. Nu ze hadden ’t ook eens moeten wagen, dan hadden ze een draai om de kop gekregen. Om half negen hebben we Gijske naar ’t Spoor toegebracht. Daarna zijn wij nog even met ons vieren naar de kramen gegaan om wat chocolade te koopen. Terwijl we daar rustig loopen en in ’t geheel geen kwaad vermoeden, komt daar zoo’n jongen op ons af en spuit mij met zoo’n spuitje in ’t gezicht, maar in plaats dat hij daar eaudecologne in had, had hij daar van dat kleverige citroenwater in. Hé wat een vieze bliek, maar och toch wel lollig. Ik heb bij Griet en die toen nog heel gezellig een beschuit met aarbeien gehad en ben toen naar huis gegaan.

 

Aaltje had haar uitavond, dus konden Mijnheer en Juffrouw niet uit. Ze zijn nog geen een avond naar een komedie geweest, wel zijn ze een avond heel eventjes de kermis op geweest. Juffrouw haalde Mijnheer uit den trein en toen zijn ze nog even de kermis op geweest, maar niets niet hartelijk hé zijn ze, want ze lieten me maar doodgewoon thuis zitten. Net of ik ’t niet gezellig zou vinden om ook even mee. Daar grootvader bij ons is, moest ik vannacht bij Aaltje slapen, maar veel last van Aaltje heb ik niet gehad, daar ze is eerst om halfvier thuis gekomen is. Voordat ik naar bed ging, heb ik eerst nog wat gelezen en heb ik erover gemijmerd hoe heel anders mijn leven hier is als thuis. Wat ’t eindje besluit van mijn gedachten was, zult ge zeker wel kunnen raden. Maar nu moet ik ophouden, want morgen komt er weer een dag en als ik bij alle dagen zoo om zal zeuren, dan krijg ik nooit een eind. Nu dag, tot morgen dan maar.  

 

Kermis 10
 

Maandag

Hoe of ’t weer vanmorgen in de vroegte geweest is, kan ik niet zeggen, daar ik me gladweg verslapen heb. ’t Was al kwart voor negen voor ik wakker werd en dat nog wel door ’t roepen van kleine Jo, die me riep of ik kwam, vermakelijk hé. Daar werd me die lange luie Richtje kwart voor negen door een klein meisje van 3 jaar uit ’t bed geroepen. 

Nu kon er op door, omdat ’t kermis was. Ik natuurlijk haastig me wat gekleed, een boterham gegeten, mijn bed opgemaakt en toen ben ik naar mijnheer Albers gegaan, waar ik nog zoowat net op tijd kwam. 

 

 

Onder ’t naar huis toegaan zag ik Griet en Fem nog die mij af zouden halen om dan samen naar de Prinsentuin, maar ik ben niet meegegaan, want ik moest nog werk voor Juffr. v.d. Werff maken en mijn kousen waren ook kapot. Oude mijnheer van der Baan is vanmiddag om drie uur weggegaan. De hartelijke groeten van hem aan U allemaal hoor. Wat is dat toch mooi met zijn lip beslagen hé. ’t Is maar zoo’n klein zwart streepje meer dus bijna geheel beter.

Fem is om zes uur met de trein weggegaan. Ik heb er nooit om gedacht om even naar de trein te loopen en haar nog even dag te zeggen. Ik zat te schrijven en toen kwam ’t me zoo maar plotseling in ’t zin, maar toen was ’t al veel te laat. Griet heeft me naderhand verteld dat Fem gezegd had dat ’t haar speet dat ik er niet was en toen Griet zoo wat ongeloovig glimlachte, zei ze dat ze ’t eerlijk meende. Nu ik vind zij heeft in ’t geheel ook geen reden om zoo onaardig tegen me te wezen. Griet, Teatske en ik zijn toen met ons drieën de kermis opgegaan, waar we Fokje Bouma met eene logée aantroffen. ’t Is een meisje uit Stiens en zoowat even oud als wij. Ik geloof dat ze gauw zeventien wordt. Ze heet Geertje en is wel heel aardig naar ’t me toelijkt. Wat leer ik hier toch een meisjes kennen hé, en wat kennen hier een hoop meisjes mij al, dat is ook bar. We zijn toen met ons vijven naar de fiets gegaan. Daar was ’t een lol allemaal lol. De grond lag letterlijk bezaaid met convetis en serpentines. ’t Was er echt gezellig en er waren nu ook niet zulke gekke jongens als gisteren. Ik heb nog een heel leuk geval in de fiets gehad. Ik heb me haast dood gelachen en zoo vaak ik die jongen of dat meisje zag, dat proestte ik ’t weer uit. ’t Was zoo, ze hebben bij mijnheer Kiers twee logées hé. Nu zijn dat eene meisje en ik al geheel en al vertrouwd met elkander. ’t Is precies of we elkander al weet hoe lang gekend hebben en ook net of we even oud zijn en dat is beide niet ’t geval. Nu liep ik even met dat meisje (ze heet Geesje) de fiets op en neer en toe zei ze tegen me: ze hebben bij mijn oom Kiers alweer een nieuwe logée gekregen, zal ik je eens even aan elkander voorstellen? Nu ik had er niets op tegen. Ik denk altijd zoo maar: hoe meer menschen men kent hoe beter. Men weet nooit niet hoe ’t eens tepas kan komen. Nu wij zouden dus in optima forma aan elkander voorgesteld worden door Geesje. Geesje zei o zoo deftig: mag ik je voorstellen Richtje Driebergen en Boukje ...? en daarop bogen wij beiden natuurlijk als knipmessen. Maar midden in die buigerij komt daar zoo’n jongen van een jaar of zeventien achtien aan en kittelt ons beide met een pauweveer in ’t gezicht. Och och ik rolde hard ondersteboven van ’t lachen. Maar toen was ’t ijs ook dadelijk gebroken en hebben we heel gezellig  samen gepraat. Dus alweer een kennis. Die drie meisjes zijn geloof ik alle drie uit Heerenveen. Ik zat vanavond letterlijk onder de convetis en de serpentines. Ik wou dat U mij eens gezien had. Om een uur of half negen zijn we naar huis gegaan.

Ik ben nog geen een avond met mijnheer of juffrouw de kermis op geweest. Niet heel aardig hé. Toen ik er vanmiddag zoo eens losweg over sprak, zei juffrouw: nu je moet je dat maar uit ’t hoofd zetten hoor om met ons de kermis nog eens op, want ik kan toch niet weg, want als kleine Jan eens begint en om jou alleen met mijnheer de kermis op, ik vind dat dat geen pas geeft. Nu ik er toen natuurlijk niet verder naar gevraagd, maar dat ik ’t wel een beetje sneu vond, kan U zeker wel begrijpen. Maar ik zou nog sneuer kijken. Toen ik nu met Griet van de kermis kwam, liepen Jo Henrard en Sjoukje Twijnstra met ons op en wie kwamen we daar tegen? Mijnheer en Juffr. van der Baan. Ik liet Griet en die maar even doorloopen, want ik dacht als ze nu de kermis op gaan, dan vragen ze me stellig niet mee wanneer ik met zoo’n kluit meisjes loop. Ik sprak hun dus aan en vroeg of ze de kermis opgingen. Mijnheer zei ja en Juffr. zei ook van ja en die zei bovendien nog dat ik maar wat bij Aaltje achter in de keuken zitten gaan moest, want voor sliep Jan en dan kon ik die eens wakker maken. Ik vroeg natuurlijk niet mag ik even mee? Aaltje is toch thuis. Neen hoor, als de menschen zelf niet gevoelen dat ze mij vragen moeten, dan zal ik hen ook niet vragen mag ik asjeblieft mee. Nee hoor, daar stond mij de kop ook niet naar, maar de tranen sprongen me haast in de oogen, zoo kwaad was ik op dat oogenblik. Griet en die waren wel zoo verwonderd dat ik terugkwam. Ze dachten niet anders of ik zou wel met hen meegaan, maar dat was mis. Mijnheer en Juffrouw zijn niet zoo heel lang weggebleven. Om een uur of elf waren ze al weer thuis. Ze waren nogal vriendelijk tegen me toen ze thuis waren, maar ik ben niet zoo overvriendelijk tegen hen. Ik ben maar gauw naar boven gegaan, want ik wilde in de verste verte niet dat ze er iets van zouden merken dat ’t me afgevallen was. Wat alweer heel anders als thuis hé, maar ’t is misschien wel goed voor mij, daar ik thuis altijd de eerste ben om overal met heen en ik kon op zoo’n manier ’t wel eens als plicht gaan beschouwen en niet meer als een weldaad. Maar nu zal ik maar ophouden. Ik begin er in om te zeuren, geloof ik. Dat komt zeker van de slaperigheid. Nu is ’t vandaag feitelijk de laatste dag geweest, maar wij houden morgenavond nog even goed kermis, dus morgen nog en dan utertuut ’t verteltje* is uut.

 

Dinsdag

Vanmorgen alweer ‘t zelfde deuntje als gisteren. Laat van ’t bed, gauw boterham gegeten, toen naar mijnheer Albers en toen weer samen naar de tuin, waar we nog even gezellig gezeten hebben. Griet en ik zijn toen samen nog een eind omgewandeld. En nu zal ik u eens vertellen welk een leuk plan we hebben. Misschien vindt ge ’t goed, misschien ook wel niet. Verleden maandag zijn Griet en ik begonnen te sparen. Elke dag 10 ct in een doosje en dat 9 dagen lang is 90 ct hé en nu vandaag nog bovendien 10 ct is samen ƒ 1,- en nu zullen we beide voor dat geld een boek van Werner koopen. Zeg vindt U ’t niet goed. ’t Is in alle gevalle beter dan dat we ’t in de fiets verpatst hadden, dat zegt juffr. Propstra ook, die zegt we geraken ’t geld wel kwijt, maar ’t leert ons toch ook al weer om zuinigte wezen en ’t is vrij wat beter zegt ze om een mooi boek te koopen dan om de boel te verpierewaaien. Nu zullen we morgen vroeg een koopen. Wat leer ik hier toch verschrikkelijk om zelf maar te handelen en om eerst geen een om raad te vragen. Ja ju, als ik terug kom dan ben ik een mensch met heel wat levenswijsheid.

 

Vanmiddag is Gijske er nog even op de fiets geweest. We zijn om half zeven met ons drieën naar de stoomdraai geweest, maar ’t was er een belabberde boel hoor! Dit was al half afgebroken en daar stond niets meer van en in de stoomdraai was ’t ook niet leuk. Er waren bijna geen menschen in. Aukje Rijpma uit Irnsum was er ook. Ik heb haar toegeknikt, maar zij knikte niet terug. Of ze heeft me niet herkend, of ze heeft ‘t wat te min gevonden om me toe te spreken, want ’t is een dame geworden, hoor. Ontzettende deftig en statig. Ik vind ’t toch wel wat bespottelijk dat boeredochters zich zoo aanstellen. Om half acht hebben we Gijske een heel eind de Schrans uit gebracht; die most nog op de fiets naar huis toe zie. Hé wat was ’t daar toch prachtig.’t Was blokstil en de avondzon kwam zoo heerlijk door de boomen kijken. ’t Was zoo vredig en zoo stil overal. ‘k Weet niet hoe of dat zoo komt, maar wanneer men in eene mooie natuur en dan nog wel met zulk weer loopt, dan is men ineenen veel ernstiger gestemd en ik vind dan is men in ’t geheel niet tot lachen gestemd. Zoo was ’t tenminste ook met Griet en mij. We hebben maar stil pratende naast elkander geloopen. Geheel anders als anders want dan lachen en doen we altijd. Om kwart over 8 uur waren we zoowat bij Griet en die. Griet is toen nog met hare drie zusjes naar de poffertjeskraam de fiets enz. geweest, maar ik ben maar naar huis gegaan, daar ’t anders toch ook te laat voor mij werd.

 

Kalm en vredig is ’t weer, en zoo is ’t ook met mijzelf gesteld. Ik heb in de kermis heelemaal geen schokkende toneelen bijgewoond en meebeleefd. Ik ben ook geen een avond uit geweest en toch heb ik heel veel plezier gehad. Maar om ’t altijd zoo te houden, neen dank je hoor. En dat zou U denk ik ook wel zeggen. Want zoo’n Leeuwarder kermis kost wat, dat beloof ik U. Ik heb Jo gister wat zuurtjes gekocht. Dat had Juffr. liever als een pop of zooiets, want ze heeft al van alles zie. De Olde Hove heeft vanmorgen de kermis uitgeluid en zoo luid ik deze brief nu ook maar uit. Hij is dunkt me nu ook lang genoeg, 36 blz. notabene. U bewaart deze brief hé. En dan wil ik hem zelf naderhand graag terug hebben. Aardig hé. Maar al mijn postpapier is eraan gegaan. Ik heb maar een velletje meer. Is er thuis nog? Wil Pa ’t dan zondag meenemen? Nu dag beste, ontvang de hartelijke groeten van

 

                                                                                  uwe u liefh. dochter

                                                                                  R. Driebergen.

Driebergen gezin 2
De familie Driebergen rond 1910. De ouders van Richtje, Jan en Fetje, staan in het midden. Richtje staat naast haar vader en achter haar zusje Uilkje ('Uuk').



* yn 'e mik (Fries) > voor elkaar

* raar yn jins tontsje wêze (Fries) > zich niet lekker voelen, erg bezorgd zijn.

[**]  snypsnaarderij (Fries) > zaak van geringe waarde.

*  ferteltsje (Fries) > verhaaltje. 

 

Terug