Klaas Zandberg

Dit artikel is een enigszins aangepaste versie van een werkstuk, vervaardigd in het kader van de studie Nieuwe Geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, juli 1994. De scriptie vormde de afsluiting van een serie werkcolleges onder leiding van professor A. Th. van Deurssen over Nederlandse Academici in de Nieuwe Tijd. Destijds heb ik gekozen voor een onderzoek naar Voorda, omdat hij op basis van wat oppervlakkige informatie een veelzijdig en interessant persoon leek. Toen ik ontdekte dat er een weliswaar klein maar zelden gebruikt (en inmiddels definitief geïnventariseerd) familiearchiefje bestond, werd mijn keuze definitief bepaald.


De familie

De literatuur laat de geschiedenis van het geslacht Voorda beginnen met een zekere Jacob Clasens van de Voorde, die omstreeks 1600 met zijn vrouw uit Spaans-Vlaanderen zou zijn gevlucht.1 Dit echtpaar vestigde zich in Harlingen, waar zoon Joost zelfs burgemeester werd. De familie ging behoren tot het patriciaat en liet de naam verfriezen tot Voorda. Jacob of Jacobus, de achterkleinzoon van Joost, promoveerde in 1718 te Franeker in de rechtsgeleerdheid en werd datzelfde jaar nog advocaat in Leeuwarden. In 1723 keerde hij terug naar Franeker, waar hij tot lector werd benoemd. Na enkele jaren volgde een benoeming tot hoogleraar. Vanaf 1730 functioneerde Jacobus als hoogleraar Romeins recht en -incidenteel -als rector magnificus aan de universiteit van Utrecht. Bij tijdgenoten stond hij als praktisch rechtsgeleerde hoog aangeschreven. In 1760 legde hij zijn ambt neer "wegens zwakte" en keerde terug naar Friesland. Ook het feit dat zijn zonen inmiddels weer in Friesland waren gaan wonen, zal met Voorda’ s verhuizing te maken hebben gehad.
In Leeuwarden begon hij kennelijk nog een soort tweede carriere, want hij werd benoemd tot gecommitteerde op de landdag. In 1768 overleed hij aan "een borstkwaal". Zijn echtgenote Petronella van Beucker, met wie hij in 1726 was gehuwd, stierf zes jaar na haar man. Petronella stamde eveneens uit een geslacht van juristen. Zij was degene die het meeste kapitaal inbracht. Volgens de bewaard gebleven boedelinventaris bezat ze alleen al aan obligaties ongeveer _40.000. Daarnaast bezat de familie Beucker land, vooral te Witmarsum en Lekkum. De weduwe Voorda liet bij haar overlijden ook los geld, juwelen, gouden- en zilveren voorwerpen en veel porcelein na, zodat mag worden geconcludeerd dat de familie Voorda-Beucker niet alleen tot de intellectuele elite behoorde, maar hoogst waarschijnlijk eveneens voor chique doorging. Een aanzienlijk deel van het vermogen werd gelegateerd aan de Hervormde Gemeente.2 De echtelijke verbintenis leverde een drietal volwassen zonen op. Naast Gerard Jacob waren dat zijn oudere broers Bavius en Johan Hendrik. Alle drie hadden ze brede wetenschappelijke en maatschappelijke belangstelling en alle drie bleven ze ongehuwd.
De oudste zoon Bavius studeerde in Utrecht en Leiden en was vanaf 1751 advocaat te Leeuwarden. Achtereenvolgens werd hij hoogleraar in Franeker en Leiden. In Leiden was hij zelfs enkele jaren rector van de universiteit. Zijn patriotse gezindheid werd hem noodlottig. In 1788 werd hij uit zijn ambt gezet. De komst van de Fransen bracht hem eerherstel. Aangeboden bestuurlijke functies sloeg hij echter af; het hoogleraarschap ging hij wel weer uitoefenen tot zijn dood in 1799, evenals een juridische adviseursfunctie ten behoeve van het nieuwe bewind. De andere broer, Johannes Henricus, studeerde eveneens rechten te Utrecht en Leiden en vestigde zich ook weer, net als zijn oudere broer, in Leeuwarden als advocaat. In 1761 werd hij lid der provinciale staten. In 1767 keerde hij tijdelijk terug naar Utrecht, waar hij hoogleraar werd en gedurende enkele jaren tevens de functie van rector bekleedde. Johannes Henricus was nog meer patriotsgezind dan zijn broer en moest dan ook van 1787 tot 1795 noodgedwongen in het buitenland vertoeven. Van 1797 tot 1802 was hij hoogleraar te Franeker. Hij overleed in 1814 te Leeuwarden.3


Carrière

Gerard Jacob werd op 29 juni 1735 geboren te Utrecht, waar zijn vader sinds 1730 hoogleraar was.4 Hij schreef zich in voor een studie theologie in zijn geboortestad in 1756. In 1760 volgde het vertrek naar Leeuwarden. Van een in Utrecht uitgeoefend beroep bleek niets, zodat geconcludeerd mag worden dat Voorda spoedig na het afsluiten van zijn studie verhuisde.5 In 1762 werd Gerard Jacob door het stadsbestuur benoemd tot rentmeester der geestelijke goederen en administrateur der logiesgelden; een belangrijke fmancieel-bestuurlijke functie.6 Mogelijk was er sprake van een kruiwagen. De familie van Voorda was invloedrijk. Zo was een vroegere rentmeester van de geestelijke goederen verwant aan zijn moeder.
De opbrengsten uit dit fonds van geestelijke goederen, ingesteld na de opheffing van de kloosters en confiscatie van Rooms-Katholieke goederen, werden gebruikt ten behoeve van kerk, armenzorg en onderwijs. De rekening van de geestelijke goederen uit 1790 vermeldde een totaal aan inkomsten van fl. 28.700 uit de volgende posten: grondpachten in de stad (fl. 304), landhuren buiten wallen binnen klokslag (fl. 7.270), huur stadsverlaat (fl. 1.275), eeuwige renten buiten en binnen Leeuwarden (fl. 194), ontvang van pachtpenningen , (fl. 10.928). Als uitgaven werden met name genoemd: het schoonmaken van de graven van de Oldehoofster- en Jacobijnerkerk, onderhoud en personeelslasten van de Latijnse School, traktementen van voorzangers, organisten, klokluiders, kosters e.d. en reparatie van orgels. De totale uitgaven bedroegen fl. 18.400.7
Volgens de instructie voor de rentmeester mochten de inkomsten niet ten eigen nutte worden gebruikt, moest ieder kwartaal en jaarlijks rekening en verantwoording worden afgelegd ten overstaan van de Magistraat en mocht de rentmeester zonder toestemming de stad niet voor langere tijd verlaten.8 Het burgerschap verwierf Voorda pas op 16 december 1763 na betaling van 69 goudgulden.9 Naast zijn beroep was Voorda in de jaren 1769-1774 tevens voogd van het Nieuwe Stads Weeshuis. In 1792 werd hij lid van de Vroedschap en in 1795 (slechts voor een maand) burgemeester. De omwenteling had voor hem als gevolg - dit in tegenstelling tot zijn broers - dat hij van zijn (semi-) openbare functies werd ontheven.


Archivaris

In 1802 volgde eerherstel middels de benoeming tot onbezoldigd archivari(u)s, "om de stadsarchieven in de voorslagen orde te brengen en het register te verschrijven en zo mogelijk te vermeerderen".10 Sedert 1783 had Voorda reeds toestemming van de magistraat om oude bestuurlijke bescheiden van de stad in te mogen kijken. Naast professionele redenen werd zijn belangstelling tevens gevoed door zijn verzamelzucht met betrekking tot oude munten. Het feit dat al in 1767 werd bepaald dat de historische boeken van zijn vader aan Gerard Jacobus ten deel zouden vallen, verraadt een reeds vroeg aanwezige historische belangstelling. In zijn publicaties over geestelijke goederen haalde Voorda tal van charters en andere originele stukken aan. Reeds in 1794 had hij een rapport naar de magistraat gezonden met aanbevelingen voor verbetering van de archief zorg, te weten een min of meer chronologische opberging in genummerde laden, het bijwerken van het register en het vernietigen van onbelangrijke stukken. De belangrijkste stukken waren voor Voorda vooral die dokumenten die de rechten van de stad bevatten en die betrekking hadden op de relatie met het St. Anthony Gasthuis en Old Burger Weeshuis. Hij had echter ook oog voor het historisch belang. In 1803 verscheen Voorda’ s archiefinventaris. Bij het stadsbestuur viel dit in zulke goede aarde dat Voorda "een douceur van 6 gouden ducaten" ontving.11 Het ambt van archivaris werd eigenlijk slechts beschouwd als erebaantje.
Eekhoff, vanaf 1838 de eerste betaalde archivaris van Leeuwarden en daarmee ook van Nederland, boorde Voorda’s archiefinventaris de grond in: "Het doet mij zeer leed dat ik bij het nauwkeurig nagaan, lezen en vergelijken der Stedelijke Archiven heb bevonden, dat de Heer Voorda, behoudens alle achting voor ’s mans geleerdheid, dit Register met zeer grote onnauwkeurigheid en onvolledigheid heeft samengesteld, ja zelfs, dat de man het oude schrift niet naar behoren kon lezen".12 Ter verdediging kan worden aangevoerd dat Voorda oud (en slechtziend) was en dat hij min of meer de oude orde van het archief probeerde te herstellen, iets waar Eekhoff principieel tegen was! Zeer waarschijnlijk lagen Eekhoff’ s spreekwoordelijk sarcasme en minderwaardigheids-complex ten grondslag aan deze kritiek, want tegenwoordig wordt Voorda’ s archivering beschouwd als een voor een leek best aardige -hoewel nu natuurlijk verouderde -poging om de oude administratie van een stadsbestuur toegankelijk te maken.


Politieke voorkeur

Het bleek zeer moeilijk om Voorda’ s politieke ideeëngoed te doorgronden. Niet alleen waren er vrij weinig bronnen voor handen, maar was Voorda ook op basis van beschikbare gegevens moeilijk in te delen bij een bepaalde partij of groep. Enerzijds bekleedde Voorda als rentmeester van de geestelijke goederen een belangrijke (semi- )overheidsfunctie en werd hij als burge- meester in 1795 door het nieuwe bewind afgezet. Hij was rijk en kwam uit een patriciërsmilieu. Zijn vader had o.a. zitting in de provinciale staten en andere familieleden bekleedden eveneens overheidsfuncties. Anderzijds waren zijn beide broers, waar hij een sterke band mee had, spraakmakende patriotten. Ook andere familieleden speelden na 1795 een vooraanstaande rol. Zo was een neef Beucker Andreae in 1799 topambtenaar bij het "agentschap van oorlog".
Eigen publicaties van Voorda gaven blijk van een sterke betrokkenheid bij de medemens. Een in het Latijn geschreven werk uit 1783 ging over vaderlandslievendheid. Voorda stak zijn nek uit met publicaties over geestelijke goederen. Over het in 1796 anoniem verschenen "noodig bericht aangaande geestelijke goederen der stad Leeuwarden; ter verdeediging van de eere der voorouders, zo met betrekking tot de stad als tot de gereformeerde kerk" merkte Eekhoff op: "een belangrijk geschrift, vooral in die revolutionaire dagen".13 Voorda verdedigde het bestaan van een apart fonds van geestelijke goederen met verwe tegen aanvallen van onverschillige "Bataven" en de begerige Rooms-Katholieke, Doopsgezinde en Evangelisch- Lutherse kerkgenootschappen. De opstand in de noordelijke Nederlanden eind l6e eeuw noemde hij "nationale opstand en door de oppermachtige volksstemme geschied; het volk heeft toen reeds van de rechten van de mensch en burger gebruik gemaakt".14 Misschien zat er een bepaalde tactiek of voorzichtigheid achter deze patriots aandoen de woordkeuze, maar ook uit andere bronnen bleek een grote mate van betrokkenheid van Voorda met het "gewone volk" en maatschappelijk minder bedeelden.
In een publicatie uit 1804 wijdde Voorda uit over zijn zoeken naar de waarheid die "overeenkomstig is met de natuur van de republiek der geleerden" en het belang van tolerantie "daar de menschen zo zeer verschillen in denkbeelden, in oordeel, in gronden en aangenomene stelsels".15 Uit een brief aan zijn broer Johannes Henricus, gedagtekend 1 oktober 1804, bleek
dat hij enkele leden van het nieuwe stadsbestuur op de thee ontving en met hen discussieerde over de positie van Schimmelpenninck. De meest felle patriotten waren toen overigens al weer naar een zijspoor gerangeerd. Ook de buitenlandse politiek volgde Voorda met zeer veel belangstelling. Zo correspondeerde hij rond 1800 met Parijs. Gezien zijn kritische kijk en brede belangstelling was Voorda eerder te beschouwen als een product van de "verlichting" dan als een typische vertegenwoordiger van het "ancien regime". Een vurig patriot was hij echter zeker
niet.


Religieuze voorkeur

Zoals de politieke voorkeur van Voorda moeilijk viel na te gaan, zo waren zijn religieuze gevoelens en richting eveneens lastig in te schatten. Al tijdens zijn studietijd was hij niet alleen geïnteresseerd in theologie, maar ook in recht, geschiedenis en natuurwetenschappen. Hoogst waarschijnlijk volgde hij colleges bij professor Petrus Wesseling, een veelzijdig geleerde die in een goed blaadje stond bij de Oranjes 16 Voorda’ s theologische achtergrond speelde vast mee bij zijn benoeming tot rentmeester van de geestelijke goederen en kwam ook zeker van pas bij de uitoefening van deze functie. Curieus was de registratie van Voorda in de hervormde lidmatenboeken. Hij werd samen met zijn ouders op 12 december 1760 als lidmaat ingeschreven. Opvallend was dat de ouders gewoon ’Nederduitsch Hervormd’ lidmaat bleven, maar dat Gerard Jacobus na enkele jaren naar de Waals-Hervormden overging. In de loop van de 18de eeuw’ switchte’ Voorda jr. meerdere malen van WaaIs naar gewoon Hervormd. 17 Naar de reden kan alleen maar worden gegist. Had Voorda een afkeer van bepaalde predikanten? In ieder geval was geen link te leggen tussen de komst van een nieuwe predikant en de overstap van Voorda.
Door hem geschreven theologische werken gaven enige aanknopingspunten. In zijn vroegst bekende publicatie uit 1778, een zware theologische beschouwing, schreef hij: "gedurende verscheyde jaaren heb ik mijn werk gemaakt de Heylige schrift te overdenken".18 Een in het Latijn geschreven werk uit 1783 bevatte een gezamenlijke aanbeveling van de Franeker theologen Manger en Ratelband.19 Controversieel kan deze publicatie niet geweest zijn aangezien Manger als verlicht (en min of meer patriots) bekend stond en Ratelband uitgesproken orthodox was20 Zijn in 1800 gepubliceerde boek verscheen in opdracht van "het genootschap ter verdediging van de christelijke godsdienst" te Den Haag, waar hij kennelijk lid van was.21 Voorda viel op door zijn grote kennis van met name het oude testament. In zijn laatste werk uit 1804 verdedigde hij het lenen door de theologie bij andere wetenschappen als rechten. De rol van de vrouw beschouwde hij nog als ondergeschikt. De rechten van het individu waren belangrijk, maar ook de maatschappij had bepaalde rechten volgens Voorda.22
Ook uit brieven kwam Voorda naar voren als iemand met veel belangstelling voor religie en kerk: "Gisteravond heeft de prof. Tinga hier een zeer doorwrochte preek gedaan over Luc. 16:8. De kerk was onbedenkelijk vol: in de raadsherenbank waren 10 personen, ’t welk ik niet weet ooyt gezien te hebben".23 Zijn oprecht geloof bleek ook uit opmerkingen als "ik wensche en bidde dat de heer u wil ondersteunen,,24 en "ik danke de hemel,,25. Bij zijn dood bleek hij in het bezit van veel theologische boeken. Waarschijnlijk hield zijn medeleven voor minder fortuinlijken als weeskinderen tevens verband met zijn religieuze gevoelens. Hopelijk is hiermee aannemelijk gemaakt dat Voorda weliswaar diep religieus was, maar niet als orthodox te boek stond.


Andere persoonlijke aspecten

Zoals al eerder is opgemerkt had Voorda een brede belangstelling. Niet alleen was hij beroepsmatig geïnteresseerd in financieel-administratieve en juridische materie en bestudeerde hij al vroeg godsdienstige en politieke vraagstukken, ook met andere uiteenlopende onderwerpen als natuur en muziek hield hij zich bezig. Van zijn vader erfde hij niet alleen een historische bibliotheek, maar ook een diepe historische interesse. Tot historische publicaties kwam het nauwelijks. Voorda schepte vooral genoegen in onderzoek en bovenal in verzamelen. Naast boeken over theologie, politiek, filosofie, geschiedenis, recht, financiën, geneeskunde, muziek en natuurwetenschappen, verzamelde hij honderden munten en penningen en beschikte hij over tal van losse kaarten, muziekstukken en instrumenten als een astrolabium. Zijn bibliotheek bevatte overigens ook luchtiger werken als "Robinson Crusoë" en "het leven van Madame de Pompadour". Uit de bewaard gebleven catalogi en uit correspondentie kwam
Voorda over als een bibliomaan. In brieven aan zijn broer kon hij lyrisch worden over nieuwe aanwinsten. Het interieur van zijn huis aan de Oranje-Eewal (zuidzijde) moet een zeer geleerde indruk hebben gemaakt.
Naast meer abstracte onderwerpen kwamen in zijn briefwisseling veel opmerkingen voor over het weer, oogsten en andere aspecten van de natuur. Ook zijn eigen gezondheid en die van zijn naasten hield hem erg bezig. In geval van ziekte vertrouwde hij niet blindelings op de dokter, maar verdiepte hij zich ook zelf in de medische materie. Zijn critische zin bleek eveneens uit het plaatsen van kanttekeningen bij geruchten die hem ter ore kwamen. Tot op hoge leeftijd bleef Voorda reislustig. In 1799 maakte hij nog een reis naar Overijssel; een jaar later bracht hij een bezoek aan een vriend te Utrecht. Opvallend in het karakter van Gerard Jacobus was een sterk meeleven met mensen uit zijn omgeving. Allereerst was er de sterke band met zijn broers. Ondanks het feit dat ze in religieus en politiek opzicht verschillende denkbeelden aanhingen konden ze goed met elkaar opschieten, hetgeen dus onder meer bleek uit de innige briefwisseling en de talrijke bezoeken die de broers aan elkaar brachten. Ook andere familieleden, buren en zelfs dienstpersoneel werden door Voorda gekoesterd.


Overlijden

Een zekere J. Groenia schetste in een brief aan J .H. Voorda de laatste ogenblikken van Gerard Jacobus: "een zwaar colijk waar meede zijn ed. gepasseerde maandag is bezogt en overvallen, ’t welk hem zoodanig verzwakt heeft en daardoor genoodzaakt is te moeten leggen en al schoon de zwaare pijn wel eenigzins door lavementen en andere hulpmiddelen tot bedaaring schijnt gebragt te zijn, zoo schijnt deeze omstandigheid niet geheel buiten gevaar te zijn wegens de toenemende zwakheid" en in een P .S.: "de kwaal neemt hand over hand toe en ’t laat zich zien dat ’t buiten hoop is en mogelijk weinig ogenblikken van duur kan zijn". ’s Avonds volgde een zware koliek, zodat Voorda de volgende ochtend tussen 9 en 10 uur overleed.26 In de Bataafsche Leeuwarder Courant verscheen de volgende rouwadvertentie: "Op heden (6 februari 1805) overleed alhier, de heer Gerard Jacob Voorda, oud burgemeester en oud rentmeester der stad Leeuwarden, in den ouderdom van ruim 69 jaaren, na sedert den 4 deezer door een hevig colyk te zijn aangetast,,27
Het grootste deel van de erfenis, te weten effecten met een totale waarde van -129.930, liet hij na aan het Nieuwe Stads Weeshuis. Overige begunstigden waren zijn broer en andere familieleden, zijn dienstmeid, enkele (oud-)wezen, de Waalse gemeente en de Hervormde diaconie.28 Het standaardwerk over de geschiedenis van het weeshuis meldde het volgende over de begrafenis: "Voorda’s begrafenis op het kerkhof van Jelsum werd bijgewoond door alle wezen, het personeel en de leden van de voogdij, die daarna een rouwtijd van zes weken in acht namen. Van de sterfdag van ’den milde schenker’ werd een feestdag gemaakt, met vrije tijd voor de kinderen, tractaties van rijstebrij, een pof en kaas en boekgeschenken voor de ijverigste leerlingen van de weeshuisschool. De voogdij liet de schilder Aldert Jacobs van der Poort een portret van de erflater vervaardigen, dat een plaats kreeg in de regentenkamer,,29 Dit aan de hand van schetsen van Voorda’s lijk vervaardigde schilderij kwam vanaf 1966 in het voormalige stadhouderlijke Hof te hangen en werd door de daar werkzame gemeenteambtenaren wel "de neus" genoemd.30


Conclusies

Al was het onderzoek naar Gerard Jacobus Voorda misschien niet uitputtend, toch is enig nieuw licht geworpen op de persoon Voorda en zijn aktiviteiten. Jammer was dat over zijn positie binnen de lokaal-politieke verhoudingen van vlak voor de Franse tijd zo weinig gegevens boven water kwamen. Tegenstrijdig was, dat ondanks zijn deelname aan het "ancien régime" als lid van de vroedschap en als burgemeester, hij onder invloed stond van verlichte en patriotsgezinde figuren uit zijn omgeving. Wat betreft zijn religieuze voorkeur werden we iets beter ingelicht. Ook in deze nam hij een soort van middenpositie in. Zeker is ook dat hij tamelijk invloedrijk moet zijn geweest. Familieleden zaten op belangrijke posities. Hij bekleedde zelf belangrijke ambten. Buiten kijf staat dat hij geleerd was. Duidelijk is ook dat Voorda rijk was. Het Nieuwe Stads Weeshuis kwam door zijn legaat in één klap uit een diepe financiële crisis.
Enkele verschillen met zijn beide oudere broers vielen op. Gerard Jacobus was waarschijn- lijk minder geleerd dan zijn broers. In tegenstelling tot hen had hij geen rechten gestudeerd, was niet gepromoveerd en (dus) ook geen hoogleraar geworden. Gerard Jacobus zijn rol in het openbare leven was vanaf 1795 eigenlijk uitgespeeld. Zijn broers daarentegen waren overtuigd patriot en deden ook in de Bataafse periode van zich spreken. Waarschijnlijk was Gerard Jacobus religieuzer dan zijn broers. Concluderend kan worden gesteld dat Voorda een vooraanstaand en gezien figuur was in achttiende-eeuws Leeuwarden; geleerd en rijk, maar ook gematigd in politieke en religieuze kwesties en met een voor zijn stand sobere levensstijl. Als mens was hij bijna zonder twijfel aardig en meelevend.


Noten

1 B.H. Beucker Andreae, "Het geslacht Voorda," in: Friesche Volksalmanak (FVA), 1865.
2 FamiliearchiefVoorda, voorl. inv.-nrs. A 10 en B.
3 T.b.v. deze paragraaf is vooral geput uit NNBWen Beucker Andrea, "Het geslacht Voorda".
4 Volgens vriendelijke mededeling van het Gemeentearchief Utrecht werd G.J. gedoopt in de Domkerk op 3-7-1735.
5 Vriendelijke mededeling van het Gemeentearchief Utrecht.
6 De beëdiging vond plaats op 22-10-1762 en werd geregistreerd in het instructieboek, arch. stadsbestuur, voorl. inv-nr. M221, f.174v. Logiesgeld is een vergoeding die Staten-Generaal uitkeerde voor huisvesting aan degenen die militairen kreeg ingekwartierd, W.W. van Driel, "Gerard Jacob Voorda 1735-1805, de eerste stadsarchivarius van Leeuwarden 1803-1805," in: Nederlandsch Archievenblad(NAB), 85ejrg. afl. 4, dec. 1981;
7 Arch. stadsbestuur, voorl. inv.-nr. M 417.
8 Arch. stadsbestuur, voorl. inv.-nr. M 221, f. 174 v.
9 Klapper op burgerboek, K IS.
10 Van Driel, "Gerard Jacobus Voorda", p. 317.
11 Ibidem. (12) Ibidem.
13 Aantekening op omslag "Noodig bericht".
14 "Noodig bericht", p. 11-12.
I5 Bijvoegsel "verhandeling", p. 3;
16 NNBW.
17 Klapper op lidmatenregisters, K 24;
18 "Vertoog", voorin.
19 "Exercitatio".
20 NNBW.
21 "Godsregering", voorin.
22 Bijvoegsel "Verhandeling".
23 Arch. G.J. Voorda, brief van G.J. aan J.H. Voorda, 24-9-1804.
24 Ibidem, 22-10~1804.
25 Ibidem, 11-12-1804.
26 Ibidem, 6-2-1805.
27 Leeuwarder Courant, 9-2-1805.
28 Arch. G.J. Voorda, testament d.d. 22-12-1797.
29 H. Spanninga, De blauwe wezen van Leeuwarden; geschiedenis van het Nieuwe Stadsweeshuis, Leeuwarden 1988, p. 67.
30 Van Driel, "Gerard Jacobus Voorda", p. 313.

Terug