(Het hieronder weergegeven arrest bevindt zich in inventarisnummer 78 van het Archief van het Gerechtshof en Procureur-Generaal te Leeuwarden, 1838-1939, dat berust bij het Fries Historisch en Letterkundig Documentatiecentrum Tresoar)
 
 

In naam des Konings.

No 1761 der Rolle

Het Provinciaal Geregtshof van Friesland.

Gezien deszelfs arrest van den 6 October 1859, waarbij Ype Baukes de Graaf, oud 46 Jaren, Sjouwerman, geboren te Workum, wonende te Harlingen, is verwezen naar de Openbare Teregtzitting van dezen Hove, om door hetzelve te worden teregt gesteld.

Gezien de acte van beschuldiging, dientengevolge door den Procureur-Generaal opgemaakt, houdende dat hij wordt beschuldigd van: Moord, of moedwilligen doodslag, gepleegd met voorbedachten rade en met geleider lage; En zulks na reeds te voren tot crimineele straffen te zijn veroordeeld geweest.

Gelet op het ter Teregtzitting van den Hove, van den Zevenden dezer Maand, voorgelezen Proces-Verbaal, opgemaakt den 4 September 1859, door den Regter-Commissaris, Officier van Justitie, en Substituut Griffier bij de Arrondissements Regtbank te Leeuwarden, op den eed bij de aanvaarding hunner respective betrekkingen afgelegd, waar in is vermeld, dat deze Ambtenaren zich naar Harlingen begeven hebbende, hun aldaar door den Commissaris van Politie dier Stad is uitgeleverd het lijk van Aafke Monsma, hetwelk aan de mede aldaar voor hun verschenen benoemde Deskundigen, de Heeren Petrus Ens, Medicine Doctor en Daniel Snijder,Chirurgijn, beiden wonende te Harlingen, is overgedragen, ten einde tot eene uit- en inwendige schouwing over te gaan, een visum repertum van hunne bevinding, benevens eene oordeelkundige conclusie van den staat van het lijk en de oorzaak van den dood aan den Regter mede te deelen.

Gehoord de mondelinge verklaringen van de getuigen door den Procureur Generaal voorgebragt.

Gehoord (de conclusie) het requisitoir van den Procureur Generaal, daartoe strekkende: „ten einde „de Beschuldigde zal worden schuldig verklaard aan de hierboven omschreven misdaad en te dier „zake, op grond van art 302 van het Wetboek van Strafregt, veroordeeld tot de doodstraf, uit te „voeren te Leeuwarden, op de wijze zoo als is voorgeschven bij art 1 der Wet van den 29 Junij 1854 „(staatsblad No 102) en in de kosten van het regtsgeding, invorderbaar bij lijfsdwing, met bevel, dat „een extract van 's Hofs condemnatoir arrest zal worden gedrukt en aangeplakt in de Gemeenten „Leeuwarden en Harlingen."

Gelet op de verdediging door en vanwege den Beschuldigde daartegen ingebragt.

Overwegende dat de Beschuldigde, bij zijne bekentenis, afgelegd voor den Commissaris van Politie te Harlingen en voor den Regter Commissaris bij het voorloopig ingesteld onderzoek, is verbleven en voorts dienaangaande op 's Hofs Teregtzitting, heeft opgegeven en erkend; dat hij in het laatst der Maand Mei, dezes Jaars, uit het tuchthuis te Leeuwarden ontslagen zijnde, zich terstond met het dijkwerk in de omstreken van Harlingen heeft bezig gehouden; dat hij gedurende de Harlinger Kermis in de maand Junij daaraanvolgende, zich aldaar bevindende, zijne vroegere kennis met Aafke Monsma, met welke hij vóór zijne laatste detentie drie jaren had geleefd, en uit welke zamenleving twee kinderen waren verwekt, waar van het jongste was overleden, heeft vernieuwd en getracht die zamenleving met haar te hervatten waartoe zij zich soms niet ongenegen betoonde, doch dat zij in het laatst der daar op gevolgde maand Augustus, daar omtrent eene weifelende houding heeft aangenomen, hetwelk hem aanleiding gaf meermalen aan den getuige Murk Jans de Graaf te kennen te geven, dat hij Beschuldigde niet geloofde Aafke Monsma te zullen krijgen; maar dat het dan zijn ongeluk, of het hare zoude worden. Dat hij Beschuldigde in de laatste dagen van Augustus gedurende den Tijd dat Aafke Monsma bij de achtste getuige Popkje de Jager met het kind gehuisvest was, met haar op een nog vertrouwelijken voet is geweest; doch dat hij hare weifelende houding omtrent hun zamenleven moede zijnde, haar in den avond van Woensdag den 31 Augustus, tot eene wandeling in den Engelschen tuin, bij het Franeker eind, heeft uitgenoodigd, wanneer hij haar heeft gezegd eenige hartelijke woordjes met haar te spreken te hebben en haar daarna te zullen tehuis brengen.

Dat hij bij die gelegenheid haar met het mes, dat als Stuk van overtuiging in regten aanwezig is, heeft gedreigd, terwijl hij het gesloten op zijne hand aan haar vertoonde, zeggende: dat dit mes haar lot zoude zijn, zoo zij nu niet vast stond en nog langer weifelde tusschen Ja en neen, maar dat hij toen aan die bedreiging geen gevolg heeft gegeven om dat zij beloofde weder met hem te zullen te zamenleven, wanneer zij er had bijgevoegd, dat hij hare goederen maar van huis moest halen, hetgeen hij Beschuldigde te kennen gaf den volgenden morgen te zullen doen.

Dat hij Beschuldigde haar den volgenden morgen zijnde Donderdag den 1 September, op de voorstraat ontmoetende, heeft gevraagd of hij nu maar haar inboedel zoude halen, waarop zij hem ten antwoord had gegeven, dat hij dat straks wel zoude zien, onder bijvoeging dat zij te tien uren naar den Commissaris van Politie zoude gaan. Dat dit antwoord hem zoodanig heeft verstoord en driftig gemaakt, dat hij van toen af het besluit heeft genomen om haar bij de eerste gelegenheid te vermoorden.

Dat hij Beschuldigde zich voorstelde die gelegenheid des Zaterdags morgens daaraanvolgende daar toe te zullen vinden, omdat het hem bekend was dat Aafke dien dag gewoon was aan de aardappelenmarkt op de voorstreek te komen, om aardappelen voor de koopers van de markt naar huis te dragen. Dat hij voorts des vrijdags avonds, in de zoogenaamde tuintjes bij de kerkpoort, zijn mes in judicio voor handen, hetwelk alleen aan de eene zijde scherp was, ten einde des te zekerder zijn voornemen, om haar te dooden, ten uitvoer te brengen, ook aan den anderen kant op een stuk zandsteen heeft geslepen.

Dat hij Beschuldigde na dien nacht bij zijnen broeder Jan Baukes de Graaf, alwaar hij gehuisvest was, te hebben doorgebragt, die woning des zaterdags morgens van den 3 September, te half vijf uren, heeft verlaten en terstond is gegaan naar de aardappelenmarkt; alwaar hij, staande eerst op de katrugspijp Aafke Monsma heeft opgewacht, met oogmerk om haar te vermoorden. Dat hij haar toen niet op de markt heeft aangetroffen, doch omstreeks half zes uren haar op de Spekmarkt en voorstreek heeft ontmoet; dat hij vervolgens is gegaan naar de Spekmarkt, alwaar hij haar, volgens zijne uitdrukkelijke verklaring, met dat zelfde oogmerk heeft opgewacht, en haar op nieuw gevraagd of zij met hem wilde leven, doch ten antwoord bekwam: gij zult de handen wel van mij af houden; waar op hij haar heeft toegevoegd: dat zult gij straks wel zien. Dat hij Beschuldigde haar toen nog heeft laten gaan, omdat hij hoopte nog een gunstig antwoord te zullen krijgen, en omdat hij ook zijn mes toen niet geopend had, de kans voor het wel gelukken van zijnen aanslag niet gunstig achtte.

Dat hij daarop is gegaan naar de Spekmarkts-brug, bij de Schritzen, alwaar hij een oogenblik met den eersten getuige, Wybren Nauta, heeft gesproken.

Dat hij Beschuldigde Aafke Monsma van daar een zak aardappelen heeft zien wegdragen en haar, van daar terug komende, is te gemoet gegaan, haar toevoegende: Aafke beraad je! en op haar weigerend antwoord, haar is aangevallen en onderscheidene steken met het voormeld mes heeft toegebragt, met het doel om haar te dooden; waarna hij zich onverwijld heeft verwijderd en de kerkpoort is uitgeloopen, het mes, waar aan hij evenwel geen bloed had waargenomen,  aan zijn broek heeft afgeveegd, gesloten en in zijn zak gestoken, waar uit het na zijne aanhouding , tevoorschijn is gebragt, zijnde het in regten voor handen en aan hem vertoonde mes, waar mede hij toen terstond en ook op 's Hofs Teregtzitting heeft erkend, het feit te hebben begaan.

Desgevraagd, heeft de Beschuldigde op 's Hofs Teregtzitting te kennen gegeven, dat na het in den morgen van den 1 September, hiervoren omschreven weigerachtig antwoord van Aafke Monsma te hebben ontvangen, hij van dat oogenblik het besluit had opgevat, om, bij aldien zij in hare weigering, om samen te leven, bleef volharden, haar te zullen vermoorden; dat hij dan ook met dat voornemen, des vrijdags avonds, zijn mes aan de rugskant heeft scherp gemaakt; dat hij des zaterdags morgens eerst op de katrugs-pijp en later op de Spekmarkts-brug, met dat zelfde doel heeft opgewacht, weinige oogenblikken vóór dat hij zijnen aanslag heeft uitgevoerd en dat hij daar toe is overgegaan, omdat hij het denkbeeld niet konde verdragen, dat een ander zich met Aafke zoude verbinden.

Overwegende dat deze omstandige opgaven zijn bevestigd door de verklaringen der getuigen, die, omtrent ieder hunner waargenomen daadzaken, hunne depositien op 's Hofs Teregtzitting onder eede hebben afgelegd, hebbende de eerste getuige, Wybren Nauta, koopman, wonende te Harlingen, deswegen verklaard, dat hij in den morgen van den Zaterdag den derden September, dezes jaars, omstreeks kwartier na zes uren, komende van de haven, den Beschuldigde heeft zien staan bij de brug bij de Schritzen, en dat hij met hem een gesprek aangevangen hebbende, deze zich eensklaps heeft verwijderd, gaande over eene andere brug in de nabijheid van die streek, wanneer hij kort daarna moord!, moord! hoorde roepen, en zich omkeerende zag, dat een man eene vrouw, welke op de grond lag, zoo hij meende slagen toebragt.

Dat hij onverwijld zich derwaarts begevende, den Beschuldigde, zijnde de persoon die de vrouw sloeg, en die iets in de hand hebbende in den regter zak stak, hard wegloopende is ontmoet.

Dat de vrouw, welke hij voor Aafke Monsma herkende, sterk uit de linker zijde bloede, en dreigende te vallen, door hem is opgevangen en met behulp van anderen, met azijn en water is gewasschen; dat haar ook eenig azijn en water toegediend zijnde, deze drank spoedig vergezeld van een stuk gestold bloed, door haar is opgegeven. Dat Aafke mede door hem in het pakhuis van den Heer van Slooten gebragt zijnde, door den inmiddels aangekomen chirurgijn Ansingh is onder behandeling genomen, wanneer hij getuige in de kleederen vele gestoken gaten en in het ligchaam van Aafke verscheidene diepe wonden heeft waargenomen, onder welke behandeling zij spoedig in zijnen arm is gestorven.

Dat de tweede getuige Jelte Doekes van der Leij, Metselaar, wonende te Harlingen, heeft verklaard, dat hij omstreeks kwartier over zes uren, in den aangeduiden morgen van Zaterdag, Aafke Monsma een korf aardappelen heeft zien brengen aan het huis naast dat op den zuidkant van de Schritzen, waar hij werkzaam was, en nadat zij zich weder van daar had verwijderd, hij op korten afstand hoorde schreeuwen: moord! moord! waar op hij zag dat zij op den grond lag en door den Beschuldigde, die boven haar stond, herhaaldelijk met een mes werd gestoken. Terwijl de derde getuige Hendrik Jans de Vries, Metzelaar, aldaar, die aan den Noordkant van de Schritzen werkte, zag dat de Beschuldigde genoemde Aafke bij de hand hield, wanneer die zeide: laat mij nu maar los, en beschuldigde haar daar op verscheidene steken met een mes toebragt, waar mede hij vol hield, toen zij in eene eenigzins knielende houding op de straat was neder gevallen, waarop hij en de vorige getuige onder het aanheffen van geschreeuw, ten einde den aanvaller te doen ophouden, zich naar de plaats des misdrijfs hebben begeven, wanneer de Beschuldigde zich haastig heeft verwijderd; en op de vraag aan Aafke wie die kerel was, die haar zoodanig had mishandeld zij heeft geantwoord: Ype de Graaf, wonende achter de kerk bij roode Aaf, hebbende zij ook nog gezegd: ik geloof dat ik bloed, mijn arm kind! mijn arm kind!

Dat de vierde getuige, Anna Mank, Werkster, wonende te Harlingen, dienaangaande heeft verklaard, dat zij op het evengenoemde uur, naar haar werk gaande, van af den Noordkant van de Schritzen gezien heeft, dat de Beschuldigde Aafke Monsma bij de hand vast hield, en gehoord heeft dat deze zeide: laat mij los, waar op Beschuldigde haar toevoegde: neen blixem ik laat je niet los, haar toen op den grond heeft geworpen, en met een mes, waar van zij getuige het glinsteren konde zien en hetwelk hij uit zijn mouw haalde, heeft gestoken.

Dat de vijfde getuige, Wytze Westra, Dienaar van Polite, te Harlingen, heeft verklaard, dat hij van het voorgevallene in den vroegen morgen van den derden September, onderrigt zijnde , terstond den Beschuldigde heeft opgespoord en aangehouden op de Rozengracht; dat hij op de wachtkamer uit den regter broekzak van den Beschuldigde het als stuk van overtuiging in regten voor handen mes heeft gehaald, waar mede de Beschuldigde, des gevraagd, aan hem getuige erkende de wonden aan de vrouw te hebben toegebragt.

Dat de zesde en zevende getuigen, Lamkje van der Geest en Dieuwkje van der Geest, Arbeidsters, aldaar deswege hebben verklaard, dat zij op den aangeduiden Zaterdag, des morgens te kwartier na vijf uren, zich naar de aardappelen-markt, aan den noordkant van de Voorstreek hebben begeven, alwaar toen iets later is gekomen Aafke Monsma, met wie zij hebben gesproken over hare betrekking tot den Beschuldigde, daar zij in de afgeloopen kermis en ook meermalen met hem was uit geweest.

Dat een harer toen ook zeide: Aafke daar staat je beminde, waarop deze hernam: ja daar staat die smeerlap; Dat de Beschuldigde toen in hare nabijheid op de leuning van de Katrugs-pijp was gaan hangen, met het aangezigt naar haar en Aafke Monsma gekeerd, van welken standplaats hij zich te zes uren heeft verwijderd, naar de Wortelhaven, alwaar de getuige Dieuwkje van der Geest gezien heeft dat de Beschuldigde op korten afstand achter Aafke was, terwijl deze weder terug ging naar de markt, van waar zij aardappelen had weggebragt.

Dat de achtste getuige Popkje de Jager, Breidster, te Harlingen heeft verklaard dat Aafke Monsma met haar kind van af den avond van Maandag den 29 Augustus, tot aan haren dood, bij haar getuige heeft ingewoond. Dat Beschuldigde Aafke des Dingsdags en Woensdags avonds heeft bezocht, waaromtrent zij niets anders heeft waargenomen, dan dat tusschen deze personen eene goede verstandhouding bestond, ofschoon Aafke haar het gebeurde tusschen haar en den Beschuldigde, in den laten avond van Woensdag den 31 Augustus, had medegedeeld, nadat Aafke, bij hare tehuiskomst, bewusteloos op den grond was nedergevallen.

Dat de negende getuige, Murk Jans de Graaf, Arbeider, te Harlingen, heeft verklaard dat de Beschuldigde vroeger met Aafke Monsma bij hem heeft ingewoond. Dat hij getuige door den Beschuldigde na zijn ontslag uit de gevangenis, in Mei van dit jaar, daar toe weder was aangezocht, doch zulks had afgewezen; dat Beschuldigde intusschen dikwijls en ook in de afgeloopen Harlinger kermis, met Aafke en het kind aan huis is geweest.

Dat ter gelegenheid, dat hij met Beschuldigde over de zamenwoning met Aafke sprak, en hem die sterk afraadde, Beschuldigde hem meer dan eens heeft te kennen gegeven: „dat hij geloofde Aafke niet te zullen krijgen; dat indien hij haar niet kreeg, zulks haar ongeluk of het zijne zoude worden".

Dat zoodra de Justitie te Leeuwarden van deze nederlaag had kennis bekomen, op het requisitoir van den Heer Officier van Justitie bij die Regtbank, door den Regter Commissaris, belast met de instructie van Strafzaken, blijkens het op den inventaris onder No 13 voor handen proces-stuk, den 3 September 1859, zijn benoemd voormelde Deskundigen, ten einde het lijk der Verslagene uit- en inwendig te schouwen en daar van verslag uit te brengen.

Dat dientengevolge door die Deskundigen het rapport onder No 36, ten processe voor handen, is uitgebragt, bevattende het visum repertum met een bepaald besluit, omtrent de oorzaak van den dood van Aafke Monsma, welk verslag en besluit, tot 's Regters inlichting, op 's Hofs Teregtzitting door den Griffier is voorgelezen.

Dat door genoemde Heeren Petrus Ens en Daniel Snijder, als getuigen opgeroepen, ieder afzonderlijk onder eede is verklaard, dat zij volkomen persisteerden bij hun opgemaakt verslag van uit- en inwendige schouwing en het daar bijgevoegd besluit, uitgebragt den 26 September 1859, verklarende wijders op de deswege aan hun gerigte vragen, dat aan het lijk der verslagene zeven wonden zijn bevonden, waarvan eene , zijnde eene hartwonde, tot de volstrekt doodelijke behoorde, de overigen, hoezeer ieder op zich zelve, tot den voorwaardelijk doodelijke behoorende, evenwel te zamen genomen, wegens het daar door veroorzaakt bloedverlies en opgevolgde noodzakelijke stoornis in de onderscheidene levensorganen, afhankelijk van die verwondingen, eenen spoedigen dood hebben moeten aanbrengen.

Overwegende dat de bekentenis van den Beschuldigde, ten aanzien van het plegen van het feit, vergezeld is van eene naauwkeurige en bepaalde opgave van omstandigheden, welke volkomen overeenstemmen, met de verklaringen der vier eerste getuigen, welke met vermelding der door ieder hunner waargenomen bijzonderheden, den Beschuldigde de hem ten laste gelegde nederlaag hebben zien volvoeren, terwijl uit de verklaringen van den Arts en den Heelmeester, ten deze als getuigen gehoord, is gebleken, dat de wonden, aan den persoon van Aafke Monsma toegebragt, haren spoedigen dood hebben veroorzaakt.

Overwegende met betrekking tot het punt in de acte van beschuldiging opgenomen, dat deze daad door den Beschuldigde met voorbedachten rade zoude zijn gepleegd; dat de Beschuldigde heeft erkend, hetgeen ook door de verklaring van den getuige Murk Jans de Graaf volkomen is bevestigd, dat Beschuldigde op onderscheidene tijden aan dezen heeft gezegd, dat hij niet geloofde Aafke Monsma te zullen krijgen, maar dat het dan zijn ongeluk, of het hare zoude worden.

Dat de Beschuldigde verder met opgave van omstandigheden heeft erkend, dat hij in den avond van Woensdag, den 31 Augustus, in den Engelschen tuin bij het Franeker-eind, alwaar hij Aafke Monsma gezegd had eenige hartelijke woordjes met haar te moeten spreken, uit hoofde van hare onstandvastigheid, heeft bedreigd, dat het mes, hetwelk hij gesloten op zijne hand aan haar vertoonde, haar lot zoude zijn, zoo zij nu niet vast stond en nog langer weifelde tusschen ja en neen.

Dat Beschuldigde deswege wijders nog heeft erkend, dat hij des Donderdags morgens den eersten September Aafke Monsma ontmoetende, op de vraag of hij nu haren inboedel zoude halen, van haar ten antwoord bekwam: dat hij dat straks wel zoude zien, en zij te tien uren naar den Commissaris van Politie zoude gaan, door dit antwoord zoodanig is verstoord en is driftig geworden, dat hij van af dat oogenblik het besluit heeft genomen, om haar bij de eerste gelegenheid te vermoorden, en dat hij meende des Zaterdags morgens die gelegenheid daar toe te zullen vinden. En eindelijk dat hij des Vrijdags avonds, in de zoogenaamde tuintjes bij de Kerkpoort, het mes, dat alleen aan de eene zijde scherp was, ook aan den rugskant op een stuk zandsteen heeft geslepen, ten einde met des te meer zekerheid zijn voornemen, om haar te dooden, ten uitvoer te brengen. Welke erkentenis bij de bezigtiging van het in regten voor handen mes, volkomen is bevestigd.

Overwegende dat mitsdien de bekentenis van den Beschuldigde, opzigtens dit punt vergezeld is van zoveel bepaalde en naauwkeurige opgaven van omstandigheden en plaats gehad hebbende gebeurtenissen, welke door den uitslag van het gebeurde zijn bevestigd, en welke overeenstemmen met de van elders gebleken daadzaken, alsmede door de persoonlijke bezigtiging van het bedoeld mes door den Regter, welke bekentenis alzoo op die wijze gestaafd, een volledig bewijs oplevert, dat de Beschuldigde vooraf en zelfs eenige dagen vóór het plegen van den aanslag, het voornemen heeft opgevat, om, en daar in is blijven volharden, de verslagene Aafke Monsma aan te vallen en te dooden.

Overwegende ten aanzien van het punt dat de onderwerpelijke misdaad met geleider lage zoude zijn begaan. Dat de Beschuldigde daaromtrent heeft erkend, dat hij des Zaterdags morgens (den 3 September) te half vijf uren, zijne woning heeft verlaten, en terstond is gegaan naar de aardappelen-markt; dat hij Aafke Monsma daar niet vindende, is gegaan naar de Spekmarkt, alwaar hij haar heeft opgewacht, met het oogmerk om haar te vermoorden; dat hij vervolgens met dat zelfde doel naar de brug bij de Schritzen is gegaan, alwaar hij te ruim zes uren, met den getuige Wybren Nauta heeft staan praten." al het welk door de verklaringen van dezen getuige en die van de zesde en zevende getuigen, is bevestigd, alsmede door de daar op gevolgde nederlaag.

Overwegende dat ook de bekentenis van Beschuldigde omtrent dit punt bevat bepaalde en naauwkeurige opgaven aangaande het opwachten der Verslagene, op twee onderscheidene plaatsen, welke hij wist; dat aldaar op dien dag gewoon was te komen, welke zijn bevestigd door de verklaringen der getuigen, die hem aldaar hebben gezien, en welke alzoo het volledig bewijs oplevert, dat de beschuldigde zich naar de hier boven aangeduide plaatsen heeft begeven, en zijn slagtoffer eenigen tijd vóór het plegen van den aanslag heeft opgewacht, om haar het leven te benemen.

Overwegende dat blijkens de op 's Hofs Teregtzitting voorgelezen bescheiden, ten processe voor handen onder Nis 12, 13, 14 & 16, de Beschuldigde reeds te voren, wegens onderscheidene diefstallen met verzwarende omstandigheden gepleegd, is veroordeeld en wel bij arrest van het hof van Assises in de Provincie Friesland, van den 2 Junij 1831, tot eene tuchthuisstraf van twee jaren; bij arrest van hetzelfde Hof, van den 24 Februarij 1835, tot geeseling met den strop om den hals, het brandmerk met de letters TP en eene tuchthuisstraf van zeven jaren; bij arrest van dit Geregtshof van den 31 Januarij 1843, tot gelijke straffen, doch de tuchthuisstraf voor den tijd van acht jaren, en bij arrest van dit Geregtshof van den 4 April 1854, tot gelijke straffen, doch de tuchthuisstraf voor den tijd van vijf jaren.

Overwegende dat uit de bekentenis van den Beschuldigde, zodanig die hier boven omtrent verschillende punten is omschreven, in overeenstemming zijnde met de door de respective getuigen afgelegde verklaringen en met de in deze vermelde aanwijzingen, een volledig wettelijk en overtuigend bewijs oplevert van het bestaan der in de acte van beschuldiging vermelde misdaad; dat dezelve daar in met juistheid is gekwalificeerd en door den Beschuldigde is bedreven, na reeds te voren tot crimineele straffen te zijn veroordeeld waar op naar het voorschrift van art 11 der wet van den 29 Junij 1854 (staatsblad No 102) door den Regter moet worden acht geslagen.

Beslist dat wettig en overtuigend is gebleken, dat de Beschuldigde zich heeft schuldig gemaakt aan: moord, of moedwillige doodslag, gepleegd met voorbedachten rade en met geleider lage, door in den vroegen morgen van den 3 September 1859, ter uitvoering van een vooraf daartoe beraamd plan, den persoon van Aafke Monsma te Harlingen, op en in den omtrek van den aardappelen-markt, op de Voorstraat, en op de Schritzen aldaar, te hebben opgewacht, met het doel om haar aan te randen, en aar op de Schritzen te zijn aangevallen, en met een daar toe den vorigen avond, aan de beide zijden geslepen mes, met het oogmerk om haar te dooden, onderscheidene steken te hebben toegebragt, welke den dood ten gevolge hebben gehad en moesten hebben; En zulks na reeds te voren viermalen tot crimineele straffen te zijn veroordeeld geweest; welke misdaad met straf is bedreigd bij art 302 van het Wetboek van Strafregt en art 11 der Wet van den 29 Junij 1854 (staatsblad No 102.)

Verklaart de Beschuldigde Schuldig aan moord, of moedwilligen doodlag, gepleegd met voorbedachten rade en met geleider lage; En zulks na reeds te voren tot crimineele straffen te zijn veroordeeld geweest.

Verklaart van toepassing gemeld art 302, luidende: „Al wie schuldig is aan moord, aan vadermoord, „aan kindermoord en aan vergiftiging, zal met den dood gestraft worden onverminderd de „bijzondere verordening van art 13, ten aanzien van den vadermoord."

Voorts gezien art 207 van het Wetboek van Strafvordering.

Veroordeelt den schuldig verklaarden Ype Baukes de Graaf tot de doodstraf, uittevoeren te Leeuwarden, op de wijze, zoo als is omschreven bij art 1 der wet van den 29 Junij 1854, wel artikel aldus luidt: „ De doodstraf wordt door den scherpregter uitgevoerd op een schavot, door den „Veroordeelde met eenen strop om den hals aan eene galg vast te maken en een luik onder zijne „voeten te doen wegvallen."

Condemneert den Schuldig verklaarde in de kosten van het regtsgeding ten behoeve van den Staat.

Gelet op de bepaling van art 22 der laatstaangehaalde wet van 29 Junij 1854.

Gelast dat het stuk van overtuiging zal worden vernietigd. Ordonneert eindelijk dat extract van dit arrest zal worden gedrukt en aangeplakt in de gemeenten Leeuwarden en Harlingen.

Aldus, gedaan en gewezen te Leeuwarden, bij de Heeren Mrs jonkheer Speelman Wobma, President, Buma, Baron van Harinxma Thoe Slooten en Hiddema Jongsma, Raden in den Hove, en Uitgesproken door den President ter Teregtzitting met opene deuren, dezen twaalfden November, een duizend acht honderd negen en vijftig, in tegenwoordigheid van gemelde Heeren en van den Heer Procureur Generaal; En door den President en Raden, benevens den Griffier onderteekend.

Kopij

Op heden den drie en twintigsten Maart, een duizend acht honderd zestig, des middags te twaalf uren, is in tegenwoordigheid van den Procureur Generaal bij het Provinciaal Geregtshof van Friesland, ten overstaan van de Raadsheren Mrs D.J.A. Baron van Harinxma Thoe Slooten en G. Hiddema Jongsma en den Griffier van den Hove, aan den persoon van Ype Baukes de Graaf, oud 46 jaren, sjouwerman, geboren te Workum, wonende te Harlingen, die bij arrest van dit Geregtshof van den 12 November 1859, is veroordeeld tot de straf des doods, deze straf ten uitvoer gelegd, overeenkomstig de bepalingen van art 1 der Wet van den 29 Junij 1854 (staatsblad No 102) op het daar toe opgerigt schavot voor het paleis van Justitie te dezer stede.

Waarvan door mij Griffier van bovengenoemd Geregtshof is opgemaakt en verteekend dit proces-verbaal. (was get.) K. Bonga.

Voor Kopij Conform.                          

Terug