door Jan Faber

Gepubliceerd in: Leovardia, historisch tijdschrift voor Leeuwarden en omgeving; nr. 46, januari 2015, p. 3-10 (N.B. de hieronder in blauw weergegeven toevoegingen konden (nog) niet in het artikel worden verwerkt, enerzijds omdat sommige feiten pas na publicatie aan het licht zijn gekomen en anderzijds omdat omwille van de lengte van het artikel de beknopte geschiedenis van de staat Texas, zoals beschreven op Wikipedia, noodgedwongen achterwege moest worden gelaten)

Zie ook artikel Anja Mast (Friesch Dagblad, 18 mei 2013)

‘Alzoo PHILIP HENDRIK NEERING BöGEL, Ontvanger-Generaal der Floreen Renthe van de Provincie van Friesland, zynde Oud tusschen de Dertig en Veertig Jaaren, van middelmatige Groote, zeer Gezet, Rond van Aangezigt, Bleek van Weezen, Breed van Voorhooft en dun van Hair op de Kruin van 't Hoofd, zynde in het byzonder kenbaar door een Gebrek aan de Regter Hand, waar van de middelste Vinger regt is, zonder beweging in de Gewrigten, van zig heeft kunnen verkrygen om in 't begin van de Maand Mey dezes Jaars, op eene Eer-, Eed- en Pligtvergetene wyze zyn Ampt te verlaten en zig aan eene schandelyke Lands Dieverije Schuldig te maken, dewyle na zyne Vlugt, in het aan hem toevertrouwd Comptoir, een zeer aanzienlyk Deficit bevonden is; zo belooven de Ed. Mog. Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland, een belooning van Duizend Gouden Hollandsche DUCATEN aan den genen, dien den voorn. P.H. Neering Bögel in handen van de Justitie van de Provincie van Friesland zal leeveren; Wordende alle hooge en laage Regters en Geregten, zo binnen als buiten de Republyk, vriendelyk verzogt, den voorn. P.H. Neering Bögel wanneer hy zig onder hun Regtsgebied mogte bevinden, te doen Arresteeren, en van  de gedaane Arrestatie kennis te geven aan de Ed. Mog. Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland, zullende boven voorsz. 1000 Ducaten, de Onkosten der Arrestatie en Extraditie worden voldaan'.

Bovenstaande oproep werd op 1 juni 1793 door het Provinciebestuur van Friesland geplaatst in de Leeuwarder Courant, nadat gecommitteerden uit Gedeputeerde Staten van Friesland en de Rekenkamer in mei van dat jaar de rekening van het Kantoor der Floreenrente over de periode 1 november 1792 tot 4 mei 1793 hadden afgehoord. Er was bij geruchte vernomen dat verantwoordelijk topambtenaar Philip Hendrik Nering Bögel zonder opgaaf van redenen met de noorderzon zou zijn vertrokken. Nader ingesteld onderzoek had de autoriteiten niet bepaald geruster gestemd. Naar deed blijken had de hele familie Leeuwarden met onbekende bestemming verlaten. Tot grote ontzetting van de in allerijl benoemde provinciale kascommissie moest deze enkele dagen na de verdwijning en inspectie van het kantoor van de Ontvanger-Generaal een tekort van maar liefst 250.000 gulden constateren. De oproep tot aanhouding van ‘de leperd' zou - ondanks de in het vooruitzicht gestelde vorstelijke beloning van 1000 gouden ducaten voor degene die de dief zou uitleveren aan justitie - uiteindelijk ijdele hoop blijken. Een kwart miljoen aan achterovergedrukte belastingpenningen moest noodgedwongen door 's Landschaps Rekenkamer als ‘onvoorziene' tegenvaller over het boekjaar 1793 worden opgevoerd. En Philip Hendrik? Deze leek van de aardbodem verdwenen, tot in de tweede helft van de twintigste eeuw de ware identiteit van één van Texas' volkshelden - Felipe Enrique Neri ‘Baron de Bastrop' - door Amerikaanse historici aan het licht werd gebracht. Deze ontdekten in Nederland bronnen die hun volksheld in een geheel ander daglicht zouden plaatsen.

Volgens Stan Ginsel, een Amerikaans filmproducent uit Texas die bezig is met afrondend onderzoek naar het verleden van de ‘Baron' met als doel het maken van een documentaire, getiteld "Mark of the Baron", zou zijn verschijning door tijdgenoten als zeer voorkomend en charismatisch zijn omschreven. Hij zou aan de wieg hebben gestaan van de vestiging van de huidige Anglo-Amerikaanse gemeenschap in wat destijds nog de Spaanse kolonie Tejas was. Hij zou in nauw contact hebben gestaan met Moses Austin, de vader van de oprichter van de onafhankelijke Republiek van Texas, Stephen F. Austin. Diens naam werd in 1838 tevens gegeven aan de hoofdplaats van de ‘Lone Star State', zoals de bijnaam van deze qua inwoneraantal en oppervlakte tweede staat van de Verenigde Staten luidt. Anderhalve eeuw later zou hij dus ontmaskerd worden als een Nederlandse - uit Leeuwarden afkomstige charlatan - die in 1793 met een prijs op zijn hoofd zijn land was ontvlucht.

Homepage van de documentairemakers van Bnex TV
Homepage van de documentairemakers van Bnex TV:
http://www.barondebastrop.com/

Zodra een in Texas gestarte crowdfundingsactie voldoende geld heeft opgeleverd, komt Ginsel van productiebedrijf  BnexTV met een filmploeg naar Nederland, om opnamen te maken bij de firma Nering Bögel BV in Weert, waarvan de grondlegger een neefje was van ‘de Baron'. Sinds er een intensief contact is ontstaan met het Historisch Centrum Leeuwarden en er voor de Amerikanen allerlei onbekende feiten zijn aangereikt wordt het schema voor het bezoek aan Nederland drastisch omgegooid en zullen ook in Leeuwarden opnamen voor de documentaire worden gemaakt. Het ligt te zijner tijd in de bedoeling om de Nederlandse première en de promotie van de documentaire in het HCL te laten plaatsvinden.

Wie was Philip Hendrik Nering Bögel

In een bijdrage in ‘Nederlands Patriciaat' (Jaargang 1948) wordt de oorspronkelijk uit het Westfaalse Essen afkomstige patriciërsfamilie Nering Bögel beschreven. De vader van Philip Hendrik - Conraed Laurens Nering Bögel (1730-1773) - behoorde tot de vierde generatie van de Nederlandse tak van de familie ‘Böegel', die zich in het midden van de 17de eeuw in Terborg in de Gelderse Achterhoek had gevestigd. De meeste leden van de familie bekleedden publieke en bestuurlijke functies. De familienaam ‘Nering' was afkomstig van de grootmoeder van moederszijde van Conraed Laurens, die voor het eerst met de dubbele familienaam ‘Nering Bögel' wordt aangesproken. Conraed Laurens was aanvankelijk rechter in Terborg en, evenals zijn vader ‘drost Hoogheid van Wisch'. Hij huwde in 1754 met de in Suriname geboren Maria Jacoba Kraayvanger (1733-1764). Beiden vertrokken in 1756 naar Suriname. Mogelijk door toedoen van zijn schoonvader Frederik Kraayvanger, die raad van politie en crimineele justitie was, werd Conraed Laurens benoemd tot lid van het Gerechtshof te Paramaribo in Suriname. Hier zag Philip Hendrik als jongste zoon op 23 november 1759 het levenslicht.

Johannes Fredericus Nering Bögel (1755-1817)
Johannes Fredericus Nering Bögel (1755-1817)

Zijn oudere broer Johannes Fredericus Nering Bögel (1755-1817) was de vader van de grondlegger van de firma Nering Bögel BV uit Weert, welke was voortgekomen uit de in 1902 opgerichte NV Deventer IJzergieterij en Machinefabriek voorheen J.L. Nering Bögel en Co.. Naast het algemene gietwerk dat ijzergieterijen vanouds produceerden maakte Nering Bögel onder meer brievenbussen, hekken, lantaarnpalen, putdeksels, grafmonumenten en fonteinen. Verder was zij de belangrijkste leverancier van gietijzeren vuurtorens in Nederland en Nederlands Indië (waaronder die van Ameland, Westkapelle Laag en Scheveningen).

Volgens de genealogie in ‘Nederlands Patriciaat' zou Philip Hendrik Nering Bögel na zijn vlucht uit Nederland eigenaar zijn geweest van de Plantage ‘Fredericstown' bij Baltimore in de Amerikaanse staat Maryland. In 1799 zou hij aldaar als ‘vermist' zijn opgegeven. Een overlijdensdatum wordt in de in 1948 opgestelde genealogie Nering Bögel niet gegeven. Een teken dat de ‘whereabouts' van de gevallen belastingontvanger al die tijd een goed bewaard geheim zijn gebleven.


De Leeuwarder jaren van Philip Hendrik Nering Bögel

Wanneer precies Philip Hendrik zich in Leeuwarden vestigde is niet exact te bepalen. Zeker is dat hij op 28 april 1782, wanneer hij te Oldeboorn in het huwelijk treedt met Georgina Wolfelina Françoise Lycklama à Nijeholt (1765-1816), afkomstig was van Leeuwarden. Zijn naam komt echter niet voor in de lidmatenregisters van de Nederduits Gereformeerde Gemeente. Wel wint hij op 26 november 1787 het burgerschap van Leeuwarden. Uit een collectie brieven van de Friese Stadhouders en anderen aan de Staten van Friesland blijkt volgens een op 2 november 1782 gedagtekende kennisgeving dat Philip Hendrik Nering Bögel is benoemd tot Ontvanger-Generaal van de floreenrente in Friesland. Blijkens de 'Instructie voor den Ontfanger Generâl der Floreen Rente in Vriesland' stond hier een beloning van 1700 caroligulden op jaarbasis tegenover, waarbij tevens de verplichting gold, dat 'hij sijn woonplaats gestadiglijk ter plaatse daar 't Collegie onser Gedeputeerden resideert, sal moeten hebben, en 't Comptoir binnen sijn eigen huis houden, of wel in eens anders huijs, sonder daar van te mogen praetenderen enige huijs huur of andere dedomagement'. Een andere, niet onbelangrijke nadere bepaling was, dat hij voor het uitoefenen van deze functie zou moeten 'verantwoorden, verbinden alle sijne goederen en daar te boven borge stellen tot sestig duijsend Gulden, onder renunciatie van 't beneficium discussionis en alle andere beneficiën, met submissie aan de Reële en Personele 's Lands Executie, so nopens sijn eigene als des borges goederen. En sal de ontfangen acte van borgtogte om de vijf jaren moeten worden doen justificeren of wel vernieuwen, tot genoegen van ons en van onse Gedeputeerde Staten'. Dat deze laatste bepaling op termijn verstrekkende gevolgen voor zijn borg, dan wel zijn schoonmoeder zou hebben, zal straks blijken.

Rechts Andringastate of ‘Het Grietmanshuis' in Oldeboorn rond 1790
Rechts Andringastate of ‘Het Grietmanshuis' in Oldeboorn rond 1790

Niet geheel ondenkbaar is dat zijn invloedrijke schoonvader Augustinus Lycklama à Nijeholt (1742-1789), die naast Grietman van Utingeradeel (1762-1789) tevens volmacht in de Staten van Friesland (1763-1789), curator van de Franeker Academie (1777-1789) en raad ter Admiraliteit te Amsterdam (1766) was, als kruiwagen heeft gefungeerd. Via vererving - zijn grootmoeder was namelijk een Andringa - was Augustinus na het overlijden van Regnerus van Andringa, die in 1754 ongehuwd was overleden, in het bezit gekomen van diens bezittingen in Utingeradeel, waaronder Andringastate in Oldeboorn, dat hij rond 1770 ingrijpend liet verbouwen en zich er vestigde. Tot dat jaar had Augustinus in zijn geboortestad Leeuwarden gewoond, waar ook zijn dochter Georgina in 1765 was geboren. Zoon Tinco Martinus Lycklama à Nijeholt (1766-1844) werd in 1817 in de adelstand verheven, waardoor hij en zijn nageslacht de aanspreektitel Jonkheer en Jonkvrouwe mochten gaan voeren.

Overigens was de levenswandel van Augustinus ook geen onbeschreven blad. Er werd namelijk in een patriottistisch schotschrift, waarbij een onbekende auteur onder het pseudoniem Sexti Sjaardema Cultor de volmachten van de Friese Statenvergadering in categorieën verdeelde, een weinig verhullende toespeling gemaakt op zijn seksuele geaardheid. Hij werd daarin betiteld als ‘Vrijheer van SOD(om)', een zinspeling dus op diens homofiele neigingen, hetgeen destijds als een publiek geheim gold!

Andringastate te Oldeboorn in 1875.
Andringastate te Oldeboorn in 1875
 

Na vermoedelijk een daverend huwelijksfeest op Andringastate in Oldeboorn zullen de jonggehuwden zich vervolgens in Leeuwarden hebben gevestigd. Uit hun huwelijk werden tussen 1783 en 1790 vijf kinderen - vier dochters en een zoon - geboren, waarvan de laatste op jonge leeftijd overleed. Wààr in Leeuwarden het jonge stel de eerste tweeënhalf jaar van hun huwelijk heeft gewoond moet nog worden uitgezocht. Misschien bezat vader Augustinus nog ergens een optrekje in de stad.

Eind 1784 deed zich echter een buitenkansje voor toen Imileus Josinus de Schepper, Grietman over Ferwerderadeel en Vrouwe Amelia Coehoorn van Scheltinga, echtelieden te Hogebeintum lieten proclameren dat zij voornemens waren om het hun in eigendom toebehorende Heer Ivohuis, op de hoek van de Grote Kerkstraat en het Heer Ivostraatje voor 3300 goudguldens te verkopen aan een viertal geïnteresseerde kopers. De voorgenomen verkoop werd echter geblokkeerd door Georgina W.F. Lycklama à Nijeholt, gesterkt door haar man Philip Hendrik Nering Bögel, die zich waarschijnlijk beriep op het recht van eerste koop wegens bloedverwantschap met de verkoopster Amelia Coehoorn van Scheltinga.

Het Heer Ivohuis rond 1915
Het Heer Ivohuis rond 1915
 

Naar alle waarschijnlijkheid stond deze in een naaste familierelatie tot Georgina's grootmoeder Martha Kinnema van Scheltinga. Op deze wijze verwierven Georgina en Philip Hendrik hun eerste bezit ‘op stand' in Leeuwarden, op het drukke kruispunt Grote en Kleine Kerkstraat-Heer Ivostraat.

Zonder in detail te willen treden kochten Georgina en Philip Hendrik in de jaren die zouden volgen nagenoeg de gehele oostzijde van het Heer Ivostraatje aan, inclusief een knechtswoning annex koetshuis en stalling aan het Sint Jobsleen (nr. 246), welke via de tuin van hun hoofdverblijf was te bereiken (zie uitsnede wijkkaart uit 1843). Tegenwoordig vindt men er Restaurant "De Brasserie" (nr. 122) en de aanpalende ‘Karstkarelgeel' geverfde politiepost (nr. 120 en 121) aan het Heer Ivostraatje. Tijdens zwoele zomeravonden kan in de tuin van het Heer Ivohuis dus een vorkje worden geprikt en misschien wel een ‘bögelflesje' bier worden gedronken.

De oostzijde van het Heer Ivostraatje in het midden van de jaren '50 van de vorige eeuw.
De oostzijde van het Heer Ivostraatje in het midden van de jaren '50 van de vorige eeuw

De vlucht

Naar de reden van de greep in de provinciekas door Philip Hendrik en zijn vlucht daarna kan slechts worden gegist. Het lijkt aannemelijk dat beide echtelieden, die zeer waarschijnlijk in gemeenschap van goederen waren getrouwd, in zware financiële problemen verkeerden. Recentelijk is aan het licht gekomen dat het hele gezin Nering Bögel eind mei 1793 naar Duitsland is gevlucht en zich in Hamburg heeft ingescheept aan boord van het schip 'Brothers' met als eindbestemming Pennsylvania, Noord-Amerika, alwaar zij op 25 september 1793 in de haven van Philadelphia arriveerden. Destijds bedroeg de gemiddelde reistijd per zeilschip gedurende de zomermaanden 6-10 weken.

18de-eeuwse weergave van de haven van Philadelphia aan de rivier de Delaware.
18de-eeuwse weergave van de haven van Philadelphia aan de rivier de Delaware.

Lijst van opvarenden van het schip 'Brothers' onder gezagvoerderschap van Caleb Earl, die op 25 september 1793 arriveerden in Philadelphia (V.S.)

Bijzonder is dat de hele familie Nering Bögel zich ten tijde van het scheep gaan in Hamburg van de 'gefingeerde' naam Bastrop bediende. Een poging wellicht om geen slapende honden in de Elbestad wakker te maken? Het zal er in die tijd ongetwijfeld hebben gewemeld van Friese koop- en zeelieden die mogelijk kennis droegen van het overhaaste vertrek van hun beruchte provinciegenoot. Hen zal ongetwijfeld de door de Friese autoriteiten in het vooruitzicht gestelde beloning van 1000 ducaten moeten hebben toegelachen.

Het verblijf van Georgina en de kinderen in Amerika is niet van lange duur geweest. Ze zijn in ieder geval voor 15 november 1803 weer teruggekeerd naar Nederland, alwaar zij zich – na enige jaren in Amsterdam te hebben gewoond – uiteindelijk vestigden in Muiden, althans alle vier dochters van Philip Hendrik en Georgina traden daar tussen 1810 en 1817 in het huwelijk. Waarschijnlijk zal toen ook het contact met hun in Amerika verblijvende echtgenoot en vader verloren zijn gegaan. Uit het testament dat Philip Hendrik bij zijn overlijden op 23 februari 1827 zou hebben nagelaten, blijkt namelijk dat hij niet op de hoogte was van het overlijden van zijn echtgenote ruim 10 jaar eerder.

Uit een tweetal, kort na Philip Hendrik's vlucht voor het Leeuwarder Nedergerecht door crediteuren ter registratie aangeboden obligaties, blijkt overduidelijk een aanzienlijke schuld. Zo bekende Philip Hendrik op 3 augustus 1792 dat Mr. J. Munniks aan hem had afgestaan de door eerstgenoemde voor 10.550 caroligulden gekochte en betaalde zathen land van de Heren Heloma te Fochteloo, Appelscha en Langedijk. Philip Hendrik had hiervan bij de overdracht ‘slechts' 550 caroligulden voldaan. De resterende som van 10.000 caroligulden zouden in twee termijnen van 5000 caroligulden elk en tegen een jaarrente van 4 procent op 1 mei 1793 en 1 mei 1794 worden voldaan. Beide termijnen werden door de zwager van Philip Hendrik en Georgina voorgeschoten en voldaan, waarvoor zij de onderliggende schuldbrief gecedeerd kregen. Als borg voor de twee voorgeschoten termijnen gaven Philip Hendrik en Georgina de betreffende zathen en landen in onderpand. Zoals hier onder zal blijken moesten de geldgevers tussen begin 1803 en eind 1806 - dus bijna vier jaar - procederen alleer zij het onderpand mochten opeisen ter voldoening van de door hen voorgeschoten termijnen. Uiteindelijk werden de drie percelen op 9 maart 1809 ten huize van Matthijs Schurer, kastelein in 't Regthuis te Makkinga bij executie verkocht. Overigens heeft Philip Hendrik voorafgaand aan de koop ook nog korte tijd in Ooststellingwerf gewoond getuige de inschrijving op 19 september 1790 in het lidmatenregister van de Nederduits Gereformeerde Gemeente Makkinga: De Hoog Edele Gestrenge Heer Philip Hendrik Nering Bögel, Ontvanger Generaal, ingekomen met attestatie van Utrecht. Op 12 augustus 1792 voegde zijn echtgenote - op 6 juni 1788 op belijdenis des geloofs als lidmaat in Leeuwarden aangenomen - zich bij hem. Georgina  wordt dan Hoog Edel geboren Vrouwe genoemd, hetgeen een adellijke afkomst suggereert. Zij wordt overigens op 9 juli van dat jaar in Leeuwarden al uitgeschreven. In Leeuwarden vinden we Philip Hendrik niet als lidmaat terug. Dit zou er op duiden dat hij in Utrecht is toegetreden als lidmaat. Ook opmerkelijk is dat zij volgens de kerkelijke administratie niet weer zijn teruggekeerd in Leeuwarden. Mogelijk bewoonden Philip Hendrik en Georgina de buitenplaats van hun resp. schoonmoeder en moeder Mevrouwe Susanna Baronesse thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, douairière Lyklama à Nyeholt. Het was een bekend verschijnsel dat leden van de Friese adel, dan wel zij die zich hiermee associeerden, gedurende de zomermaanden op hun buitenhuizen in de provincie verbleven en 's winters, wanneer de wegen onbegaanbaar waren en vaarten soms wekenlang waren dichtgevroren, zich terugtrokken op hun winterverblijf in de steden, alwaar ze zich konden laven aan het culturele leven. De familie Lycklama à Nijeholt bezat in het Fries-Drentse grensgebied eveneens uitgestrekte veenderijen. Het zou niet ondenkbaar zijn dat Philip Hendrik en Georgina in het voorjaar van 1793 ongemerkt vanuit Makkinga de wijk naar het buitenland hebben genomen.

De andere (ongedateerde) obligatie ten name van Philip Hendrik en Georgina behelsde een in 1782 kort na hun huwelijk aangegane lening van hun resp. schoonvader en vader van maar liefst 28.000 caroligulden. De som was voorgeschoten op voorwaarde dat deze 10 jaar na dato in één keer zou worden afgelost. In de tussenliggende jaren zou slechts over 8.000 caroligulden ieder jaar tweeëneenhalf procent rente hoeven te worden betaald. Deze bedragen zijn dan ook jaarlijks van 1783 tot en met 1792 keurig door Philip Hendrik en Georgina voldaan. Over het totale bedrag van 28.000 caroligulden behoefde pas na verloop van de hiervoor genoemde tien jaar een rente van eveneens tweeënhalf procent te worden betaald voor ieder jaar dat de crediteuren in gebreke bleven. Last but not least worden we in een hypotheekboek van 1791 geconfronteerd met een extract uit de "Commissie- en Instructieboeken" van het gewest Friesland (registers waarin o.a. de afgegeven akten van borgstelling voor ambtenaren werden geregisreerd), waarbij de schoonmoeder van Philip Hendrik zich op 13 mei 1791 'in cas van zwaarigheid' voor een bedrag van 60.000 caroligulden borg stelt voor haar schoonzoon. We mogen dan ook gevoeglijk aannemen dat schoonmoeder, nadat haar schoonzoon en dochter naar het buitenland waren gevlucht, heeft moeten bloeden voor het bedrag van haar borgstelling met daarenboven beslaglegging op een deel van haar eigen bezittingen, welke immers blijkens de eerder genoemde bepalingen, zoals vervat in de 'Instructie voor het ambt van Ontvanger Generaal van de Floreenrente', eveneens in onderpand waren gegeven. Of zij hier daadwerkelijk door in financiele problemen is gekomen valt niet met zekerheid te zeggen, doch wel opmerkelijk is dat op 28 maart 1794 bij boelgoed allerhande 'Huisgeraaden' op de Buitenplaatse van Mevrouwe de Baronesse thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, douairière Lyklama à Nyeholt te Makkinga werden verkocht. Of het hier haar persoonlijke bezittingen, dan wel restanten van de inboedel van haar dochter en schoonzoon betreft wordt niet echt duidelijk. Al met al zal er per 1 mei 1793 - afgezien van het kastekort van 250.000 caroligulden - dus een schuldenlast, inclusief te betalen interest hebben bestaan van om en nabij de 39.000 caroligulden, een voor die tijd astronomisch bedrag. Redenen te over dus voor Philip Hendrik om - waar creatief boekhouden geen soelaas meer bood - alle schepen achter zich te verbranden en met zijn gezin de wijk naar het buitenland te nemen, daarbij de ingrijpende financiële gevolgen voor zijn bejaarde schoonmoeder voor lief nemende.

De Grote Kerkstraat in Leeuwarden ten tijde van de vlucht van Philip Hendrik Nering Bögel. 
De Grote Kerkstraat in Leeuwarden ten tijde van de vlucht van Philip Hendrik Nering Bögel

Nadat duidelijk was geworden dat de corrupte Ontvanger-Generaal geenszins van plan was terug te keren naar Leeuwarden en zich te laten arresteren, lieten de schuldeisers beslag leggen op de boedel. Hierbij traden de notarissen Petrus Wierdsma en Franciscus Bavius op als curatoren bonorum. Het op 30 oktober 1793 in het tegenwoordige Oranje Bierhuis finaal onder de hamer gebrachte onroerend goed aan de Grote Kerkstraat, het Heer Ivostraatje en het Sint Jobsleen leverde uiteindelijk 7.278 goudgulden op. Hierbij waren ook twee zitplaatsen in de Jacobijner- en Westerkerk en een graf. Daarnaast werden, getuige bekendmakingen in de Leeuwarder Courant, de nodige roerende goederen en levende have ten behoeve van de crediteuren publiekelijk geveild. Zo werden op zaterdag 27 juli 1793 in Herberg 'Het (Gouden) Wagenje' bij de Lange Pijp o.a. een driejarige springhengst, 'blauw van couleur', een voskleurig Engels rijpaard en een blauwe stekelharige merrie, met daarnaast het paardentuig, zadel en twee wagens bij opbod verkocht. Op dinsdag 20 augustus 1793 werd in 'de Heeren Huizinge te Mackinga en op de Boere Plaats daar bij gelegen'  bij boelgoed verkocht: Meubilen en Huisgeraaden, zoo Cabinetten, Tafels, Stoelen, Spiegels, Koper, Tin, Yzerblik etcetera, mitsgaders leevendige Haave bestaande in elf Melk Koeijen, 1 Rier, 4 Hoklingen, 1 Twenter Bul, 3 Kalvers, 1 Friesch Ram, 98 Drentsche Schapen, 2 Paarden, waar van de één een Merry met een Veulen, 1 Oud Varken, 2 Spallingen, Hoenders, Kalkoenen, en verscheidene Jagthonden, voorts 3 Boere Wagens, 1 Chais, Ploeg, Eide, Karnmoolen, Tonnen, Vaten en verdere Boere Gereedschappen. Op maandag 10 feburari 1794 was de inboedel van het huis op de hoek van de Grote Kerkstraat en het Heer Ivostraatje aan de beurt. De 'kostelyke inboel' bestond in moderne Meubilen, Kabinetten, Tafels, Stoelen, Spiegels, fraaye Porceleinen, zo Tafel  en Thee-Serviesen als byzondere Stukken, kostelyke Bedden, Spreeden, Deekens, en een groote party allerfraayst Bed en Tafel Linnen, Mans en Vrouwen Kleederen, gewerkt Zilver en Plaetwerk, voorts Koper en Tin, Keuken Gereedschappen, mitsgaders een gansche party opgemaakte Zyden Stoffen, Lakens etcetera, en een groote quantiteit beste Wynen van verscheiden zoorten. De goederen konden op donderdag en vrijdag voorafgaande aan de verkoping ter plekke worden bezichtigd. Voor het aan de man brengen van de Roode Rhynsche en andere Wynen werd op dinsdag 4 maart 1794 nog een extra dag uitgetrokken. Op dinsdag 11 maart 1794 werd ten huize van de boekverkoper Abelus Siccama op de Eewal de rijke bibliotheek publiekelijk geveild: 'Eene zeer fraaye Collectie welgeconditioneerde Boeken, als meede een party Musyk, eenige Atlassen, Kaarten, Plans, Prenten, een fraay Mycroscoop, Staartstuk, allerfraayste Piano Forte enz., alles door gemelde Heer Bögel by een verzameld, en waar van de Catalogus in de Boekwinkel van gemelde Boekverkoper op de Eewal te Leeuwarden, en in de andere Steeden, meede by de Boekverkopers te bekomen is'. Overigens had boekverkoper Siccama op 13 november 1793 nog de volgende oproep in de Leeuwarder Courant gedaan: 'Vermits er uit de Bibliotheek, door P.H. Neering Bögel, te Leeuwarden agtergelaten, diverse Boeken manqueeren, waar door zelf ook zommige schoone Werken dus incompleet en de kwijt zyn geworden; worden alle de geene welke uit voorschreven Bibliotheek Boeken ter leen of anderzints onder zig berustende mogten hebben, by dezen vriendelyk verzogt, dezelve ten spoedigsten terug te zenden of te bezorgen aan A. Siccama, Boekverkooper op de Ewal in gemelde Stad'. Of de opbrengst is teruggevloeid in de kas van de preferente crediteur, in casu de Provincie Friesland, of dat de erfgenamen van Augustinus Lycklama à Nijeholt en andere crediteuren eveneens een bescheiden deel van hun voorgeschoten gelden hebben teruggezien wordt niet duidelijk. In de Leeuwarder Courant van 24 november 1794 worden de nog onbekende crediteuren van de boedel opgeroepen om zich op 19 december om 17.00 u. te melden voor de Edel Mogende heer Mr. Johan van Idsinga, Eerste en Presiderende Raad Ordinaris voor het Hof van Friesland als Commisaris, alwaar de door haar benoemde curatoren bonorii over de geconfisqueerde boedel van de gewezen Ontvanger-Generaal der Floreenrente, Philip Hendrik Nering Bögel en diens huisvrouw, rekening en verantwoording van het door hen gevoerde bewind zullen afleggen, waarna de bij hen in kas berustende gelden aan genoemde Commissaris in beheer zullen worden overgedragen om daarvan diegenen die vorderingen op de boedel pretenderen, al dan niet (deels) schadeloos te stellen. Wel vinden tussen 1803 en 1806 nog een aantal civiele procedures plaats, waarbij Philip Hendrik Nering Bögel bij verstek door zijn schoonzuster Tinconia Martha Andringa Lycklama à Nijeholt en zwager Henricus Franciscus Josephus Schenk van Nijdeghen vijf maal voor het Hof van Friesland wordt gedaagd waarbij aanvankelijk alleen Philip Hendrik 'zich thans ophoudende in Noord America' wegens een schuld van 10.000 caroligulden met daarenboven de verschuldigde rente ad 4% sedert 1 mei 1792 in rechte wordt aangesproken. De obligatie was door de oorspronkelijke debiteuren Tjaard en Marcus van Heloma op 7 augustus 1792 bij acte van cessie gecedeerd aan Philip Hendrik's zwager en schoonzus. Deze hadden de koopsom welke Philip Hendrik en Georgina verschuldigd waren voor de aankoop van een drietal zathen en landen onder Fogteloo, Appelscha en Langedijk, voorgeschoten, waarbij de schuldenaren de betreffende goederen als onderpand hadden verhypotheceerd. Zuster en zwager zullen waarschijnlijk het zwerk hebben zien drijven (dat de supliante(n) geen kans ziet de voldaade van gedagte competentiën in der minne te erlangen) en dienden derhalve een verzoek bij het Hof van Friesland in om de verhypotheceerde goederen te mogen verkopen. Toen dit bij de eerste rechtsgang niet lukte werd Georgina, wegens in gebreke blijven van haar echtgenoot, aangesproken op de volledige schuld. Zij was op dat moment - 15 november 1803 - woonachtig te Amsterdam. Ook dit mislukte, waarna nog twee pogingen werden ondernomen om nog hogere bedragen - van 20.000 tot tot 31.545 caroligulden - te eisen welke Philip Hendrik en Georgina schuldig waren aan de nagelaten boedel van wijlen hun moeder, de weduwe van Augustinus Lycklama à Nijeholt. Uiteindelijk werden zwager en schoonzus bij een vijfde rechtsgang op 13 november 1806 ontvankelijk verklaard in hun eis om de oorspronkelijke 10.545 caroligulden (10.000 caroligulden inclusief 4% rente over 13 jaar) te mogen opeisen. Zij kregen te dien einde toestemming om de verhypotheceerde goederen bij executie te verkopen. 

Kennisgeving in de Vriesche Courant van 21 februari en 7  maart 1807 van de executoriale verkoop van de eigendommen van Philip Hendrik Nering Bögel in Ooststellingwerf.Kennisgeving in de Vriesche Courant van 21 februari en 7  maart 1807 van de executoriale verkoop van de eigendommen van Philip Hendrik Nering Bögel in Ooststellingwerf

Hoe het Georgina Wolfelina na terugkomst in Nederland verging wordt niet echt duidelijk. Mogelijk is zij door haar eigen bloed in bescherming genomen en heeft zij nog enige tijd bij haar broer Tinco Martinus op Andringastate in Oldeboorn verbleven. Mogelijk heeft zij haar deel van de staande echte opgebouwde schuld ingelost met haar deel van de nalatenschap van haar vader, waaronder een deel van Andringastate. In ieder geval treedt ze op 26 mei 1808 nog op als getuige bij de doop in de kerk van Oldeboorn van haar neefje Georg Wolfgang Franciscus Lycklama à Nijeholt, zoon van haar broer en schoonzus Francina Johanna Blomkolk. Blijkens de database op de notariële archieven op de website van het Fries Historisch en Letterkundig Documentatiecentrum Tresoar stelt Dominicus Suringar te Beetsterzwaag zich op 1 mei 1811 borg voor Georgine Wolfelina Françoise Lycklama à Nijeholt te Amsterdam, gehuwd met  Nering Bogel, schuldenaar. Op 12 augustus 1812 koopt Georgina samen met haar broer Tinco Martinus en meer anderen veengronden te Haule aan. Zij wordt dan weduwe Nering Bögel genoemd. Op 26 februari 1813 verkopen Georgina Wolfelina Françoise Nering Bogel te Muiden en Tinco Martinus Lycklama à Nijeholt te Oldeboorn samen met twee andere medeëigenaren voor Fr. 7.107,-- 38 stukken bos in de Grietenij Opsterland. Ook doet Georgina samen met haar broer Tinco Martinus ook nog aankopen in Haulerwijk. Op 27 juni 1816 kopen zij er met een viertal andere geïnteresseerden voor ƒ 650,-- vastigheden. Uit dit gezamenlijke optreden met haar broer mag worden geconcludeerd dat er, ondanks de door haar man gepleegde financiële malversaties die ook haar naaste bloedverwanten ernstige schade moet hebben berokkend, een goede verstandhouding moet hebben bestaan, dit in tegenstelling tot die met haar zuster Tinconia Martha Andringa Lycklama à Nijeholt en haar man, die haar bloed mogelijk wel hebben kunnen drinken. Niet uitgesloten mag worden dat Georgina en Tinco Martinus onder één hoedje hebben gespeeld, waar het de nalatenschap van hun beider ouders betrof. Als zus Tinconia Martha op 12 april 1819 kinderloos overlijd, blijkt ze haar echtgenoot bij testament tot universeel erfgenaam te hebben benoemd. Ze liet blijkens de opgemaakte memorie van successie echter 'slechts' ƒ 644,15 aan eigen vermogen na.

625-overlijdensadvertentie georgine-1816
Overlijdensadvertentie in de Opregte Haarlemsche Courant, d.d. 17 augustus 1816

Op 13 augustus 1816 overleed Georgine. Zij verbleef toen bij haar dochter Augustina in de Cingelstraat in Breda en werd alweer - geheel ten onrechte naar zal blijken - in haar overlijdensacte aangeduid als ‘douairière' van wijlen de heer Philip Hendrik Nering Bögel. Saillant detail lijkt hier de kwalificatie ‘douairière', welke een adellijke afkomst van Philip Hendrik lijkt te veronderstellen. De erven van Georgina Wolfelina Françoise Lycklama à Nijeholt kopen samen met hun oom Tinco Martinus op 6 november 1817 nog hooiland aan in Fochteloo. Tussen 1822 en 1827 wordt - zo blijkt uit de notariële archieven - door de erfgenamen van Georgina in Breda, Gent en Antwerpen regelmatig onroererd goed in het Fries-Drentse veengebied afgestoten. Zeker drie van haar vier dochters zouden ondanks het door hun vader veroorzaakte schandaal nog goede huwelijkspartners - veelal hoge militairen - weten te strikken. Zo wist de echtgenoot van hun jongste dochter Augustina, de gevierde militair en generaal Frederik Carel List het tot Minister van Oorlog (1843-1848) te schoppen en huwde de enige dochter van Krijn Hoogeveen en Martha Kinnema van Scheltinga Nering Bögel - Augustina Frederica Carolina Hoogeveen - met de beroemde Nederlandse meteoroloog Prof. Doctor Christophorus Henricus Diedericus Buys Ballot. De hiervoor genoemde Martha Kinnema van Scheltinga Nering Bögel, overleed op 3 februari 1875 als laatste nog in leven zijnde dochter van Philip Hendrik en Georgina op 86-jarige leeftijd te Utrecht. De laatste kleindochter - Augusta Georgine List - overleed op 3 juni 1916 te Noordwijk (ZH). 


De aankomst in de Verenigde Staten

In antwoord op vragen van de Amerikaanse documentairemaker Stan Ginsel, maakte het Historisch Centrum Leeuwarden hem deelgenoot van het feit dat Philip Hendrik Nering Bögel volgens de gepubliceerde genealogie van de familie Nering Bögel in Nederlands Patriciaat (1948) na zijn vlucht uit Nederland eigenaar zou zijn geweest van de Plantage ‘Fredericstown' bij Baltimore in de Amerikaanse staat Maryland. In 1799 zou hij aldaar als ‘vermist' zijn opgegeven. Stan Ginsel deelde daarop mee dat in Texas uit onbevestigde bron het verhaal circuleert dat Philip Hendrik zich in Vlaanderen (Antwerpen?) zou hebben ingescheept, tezamen met de kinderen van één van de ondertekenaars van de Amerikaanse grondwet, Charles Caroll. Vanuit Vlaanderen zou het schip een tussenstop in London hebben gemaakt en van daar uit de oversteek naar Baltimore, Maryland hebben gemaakt. Philip Hendrik zou er hebben verbleven in het landhuis van Caroll, even buiten Baltimore. De vermelding in Nederlands Patriciaat dat Philip Hendrik er een plantage bezat, zou dit onbevestigde verhaal er alleen maar geloofwaardiger op maken. De ontdekking van de passagierslijst van het in de zomer van 1793 uit Hamburg vertrokken schip 'Brothers' met aan boord het complete gezin Bastrop alias Nering Bögel zou dit verhaal dus compleet onderuit halen. Slechts 16 passagiers voeren mee op het schip 'Brothers' waarvan kapitein Caleb Earl gezagvoerder was. Onder deze passagiers komt de naam Caroll hoe dan ook niet voor.

Aquarel "Prospekt der Kaiserlich Französischen Stadt Hamburg" van Johann Marcus David, 1811
Aquarel "Prospekt der Kaiserlich Französischen Stadt Hamburg" van Johann Marcus David, 1811

Echter in een andere, recentelijk door Stan Ginsel aangedragen onverwachte doch authentieke bron - namelijk de op internet gepubliceerde volkstellingslijsten (d.d. 4 augustus 1800) van Frederick County (Maryland) - komen we op pagina 157 het complete gezin van Philip Bastrop tegen. De samenstelling van het gezin laat geen ruimte voor twijfel: één man van boven de 45 jaar (!) , een vrouw (oud tussen 26 en 45 jaar), 2 dochters jonger dan 10 jaar en 2 dochters in de leeftijd van 10 tot 16 jaar én 'last but not least': een slaaf! De overeenkomst tussen de namen van de Philip in eigendom toebehorende plantage en de naam van deze Amerikaanse gemeente lijkt ieder toeval uit te sluiten: de achtergebleven familie in Nederland moet - althans tot 1799 - op de hoogte zijn geweest van de verblijfplaats van hun opgejaagde bloedverwant. Zou het misschien mogelijk kunnen zijn geweest dat de 'vermissing' van Philip Hendrik voor Georgina reden is geweest om met haar kinderen terug te keren naar Nederland? Mogelijk heeft Georgina ten tijde van de op 4 augustus 1800 gehouden volkstelling in Frederick County verklaard dat haar man voor zaken in Mexico verbleef, doch dat zij in het ongewisse verkeerde omtrent zijn gezondheidstoestand. Aan de andere kant weten we niet op welke harde feiten zijn aankomst in april 1795 in Spaans Louisiana zijn gebaseerd. In ieder geval wordt duidelijk dat Philip Hendrik Nering Bögel alias (Baron de) Bastrop en zijn gezin zowel enige tijd in Philadelphia als in het ruim 220 km. zuidwestelijker gelegen Frederick woonachtig zijn geweest. 

Ook circuleert het hardnekkige gerucht dat Felipe Enrique Neri, Baron De Bastrop, door banden met de Malthezer Orde zijn adellijke titel zou hebben gekregen, omdat hij als agent van deze orde belast zou zijn geweest met de geheime opdracht om het neefje van de Spaanse koning van de guillotine te redden door hem veilig naar Noord-Amerika te smokkelen. Op het internet zijn letterlijk duizenden verwijzingen naar ‘de Baron' te vinden die veel tegenstrijdigheden bevatten. Men kan zich terecht afvragen of deze fantastische verhalen en heldendaden die aan hem worden toegeschreven vóór hij naar Amerika kwam, werkelijk waar zijn. Of zouden het slechts echo's van praatjes zijn die hij zelf heeft rondgestrooid? Voor zover valt na te gaan heeft er nimmer een adellijke familie De Bastrop in Nederland bestaan. Waar de naam dan wel vandaan komt? Een mogelijke variant komen we tegen op het Deense eiland Seeland, zo'n 30 kilometer ten noordwesten van Kopenhagen, waar we Bastrup Sø - het Bastrup Meer - aantreffen. Het meer dankt zijn naam aan de overblijfselen van de stenen Bastrup Toren - een soort ‘donjon' of middeleeuwse verdedigbare woontoren - welke dateert uit de late Vikingtijd. De toren lijkt toebehoord te hebben aan de invloedrijke Hvide familie. Een brief, geschreven omstreeks 1130 aan koning Niels, noemt een zekere Ebbe van Bastrup, welke mogelijk één van de zonen van Skjalm Hvide was. Daarnaast komen we op dezelfde breedte, zo'n 100 kilometer ten westen van Kopenhagen, nabij de westkust van het eiland nóg een gehucht Bastrup tegen. Het lijkt evenwel niet waarschijnlijk dat de topografische kennis van Philip Hendrik van dien aard is geweest dat hij zijn gefingeerde naam en afkomst zo maar even klakkeloos aan één van deze Deense toponiemen zou kunnen hebben verbinden. Zeker lijkt dat hij de naam, voor hij in Hamburg aan boord ging, moet hebben bedacht, zij het zonder toevoeging van een adellijke titel. 

We zullen op zoek gaan naar de feiten die daadwerkelijk als algemeen bewezen worden geacht, hoewel ook hier met het nodige aantal slagen om de arm te werk zal moeten worden gegaan, aangezien er vaak niet wordt gerefereerd aan authentiek bronnenmateriaal, doch dat bepaalde beweringen veelal binnen het domein van de apocriefe geschiedschrijving moeten worden geplaatst.

De feiten

Nadat Philip Hendrik en zijn gezin heimelijk uit Nederland was vertrokken vluchtte hij naar Noord-Amerika en kwam hij na enig oponthoud in Philadelphia (Pennsylvania) en mogelijk Baltimore (Maryland) in april 1795 terecht in het toen nog Spaanse Louisiana. In Louisiana gaf Philip Hendrik zich uit als de Nederlandse edelman Baron de Bastrop. De mensen hadden geen enkele reden om te twijfelen aan zijn voorgegeven identiteit, en Felipe Enrique Neri, zoals hij zichzelf ging noemen, werd gaandeweg meer betrokken bij talrijke zakelijke ondernemingen in Louisiana en Kentucky alsmede landtransacties waarmee hij aanvankelijk behoorlijk fortuin maakte, maar later toch failliet ging. Hij kreeg toestemming van de Spaanse autoriteiten om een kolonie in de Ouachita vallei te stichten. Zijn contract met de Spaanse koloniale gouverneur Francisco Luis Hector de Carondelet stond vestiging van Europeanen in een gebied van nagenoeg 344.000 hectare aan de Ouachita rivier toe. Aldus vestigden zich zo'n 99 kolonisten in het gebied, totdat het bestuur van Louisiana tot de ontdekking kwam dat haar schatkist over te weinig fondsen beschikte om algehele kolonisatie van het gebied te realiseren en het project stopzette. 

Toen de verkoop van Louisiana door Frankrijk aan de Verenigde Staten in 1803 min of meer zijn beslag kreeg, verhuisde Felipe Enrique Neri in 1805 naar Texas, alwaar hij toestemming kreeg om een kolonie te stichten tussen de Bexar en Trinity rivier.

Dat de 'Baron' niet overal vrienden maakte, mag blijken uit hetgeen men hem in Louisiana - na zijn vertrek naar Texas - nadroeg. Tijdens zijn afwezigheid dienden sommige kolonisten - mede namens hun minderjarige kinderen - een aanklacht tegen hem in. Hij zou gedane beloften - onder meer de schenking van 400 acres, dan wel 400 x 40,4687 are grond aan iedere kolonist en aan hun zonen wanneer deze  meerderjarig zouden zijn, niet zijn nagekomen. Er werd echter door door de rechtbank van Oachita niet tot vervolging overgegaan.

Een tijdgenoot die de 'Baron' in Louisiana had gekend, beschrijft hem alsvolgt: “A few men were inspired to confidence by his exterior appearance: a beautiful figure, a face sweet and calm; his manners were simple and easy, and his conversation was agreeable without being brilliant. He was very affable without apparent pretension; never refusing to oblige a friend, and in his own house the best of hosts. Therefore all of his faults were rather the vices of his spirit. He deceived people everywhere, regardless of their station in life or education. In the United States … he ruined all who became interested in his projects, which were all marked by disaster … He went away from Ouachita taking nothing with him and having done more harm than the meanest of men …”

In 1806 verhuisde hij naar San Antonio, waar hij zich een trouw onderdaan betoonde die heftig ageerde tegen de verkoop van Louisiana aan de Verenigde Staten. Langzaam maar zeker groeide zijn invloed binnen de burgerij en de lokale autoriteiten. In 1810 werd hij benoemd tot tweede 'alcalde' of burgemeester van de ‘ayuntamiento' in Bexar, de gemeente waarvan San Antonio de hoofdplaats was.

Rond deze tijd stuiten we ook in Nederland op een levensteken van 'de Baron'. In de Nederlandsche Staatscourant van 9 maart 1822 wordt in de rubriek Buitenlandsche Berigten melding gemaakt van een 'afschrift van een brief van den baron de Bastrop' wonende in San Antonio, aan een zekere heer Natchitoches, gedateerd  27 november 1821, waarin hij de verwachting uitspreekt dat het volk, naar het zich laat aanzien, waarschijnlijk spoedig de onafhankelijkheid zal uitroepen.

Bericht in de Nederlandsche Staatscourant van 9 maart 1822.
Bericht in de Nederlandsche Staatscourant van 9 maart 1822

In 1820 had Felipe Enrique een ontmoeting met Moses Austin, wiens verzoek om Anglo-Amerikaanse kolonisten naar Texas te brengen kort daarvoor was afgeketst. Felipe Enrique had kennis gemaakt met Moses Austin toen zij jaren eerder tezamen gastvrijheid genoten in een zogenaamde ‘roadhouse' in wat toen nog Spaans Missouri was, 20 jaar voordat deze naar Texas kwam. Neri wendde zijn invloed bij gouverneur Antonio María Martinez aan om ten gunste van Moses Austin diens verzoek om toestemming voor vestiging van kolonisten te heroverwegen, hetgeen in positieve zin werd gehonoreerd. Later - na Moses' overlijden, trad Felipe Enrique op als intermediair bij de Mexicaanse regering voor diens zoon Stephen F. Austin, om subsidies in de wacht te slepen om Anglo-Amerikaanse kolonisten Texas binnen te loodsen. Deze eerste kolonisten zouden later de geschiedenis ingaan als ‘the Old Three Hundred'.

In 1823 werd Neri door Luciano García benoemd tot Commissaris voor Kolonisatie in de door Stephen F. Austin nieuw gestichte kolonie. Datzelfde jaar, op 24 september, werd hij door de kolonisten gekozen in de provinciale afvaardiging te Bexar, die hem op hun beurt - in 1824 - tot  representant van de wetgevende macht (wethouder) verkozen van Coahuila y Tejas. Tot aan zijn dood op 23 februari 1827 vervulde hij het wethouderschap. Tijdens zijn ambtstermijn als vertegenwoordiger van Texas in de hoofdstad Santiago del Saltillo, maakte Neri zich sterk voor een gunstige wetgeving om het belang van immigratie in het algemeen en de belangen van de kolonisten in het bijzonder te dienen. Hij zorgde er onder andere voor dat de Kolonisatiewet van 1825 werd aangenomen. Daarnaast droeg hij bij aan de invoering van een wet waarbij de vestiging van een haven in Galveston werd geregeld. Zijn salaris werd volgens het Mexicaanse systeem betaald door bijdragen van zijn kiezers. De bijdragen hielden niet bepaald over. Toen hij stierf, bleek hij geen genoeg geld voor zijn eigen begrafenis te hebben nagelaten, zodat zijn medewethouders vrijwillig een bijdrage betaalden om Juan Antonio Padilla schadeloos te stellen voor de kosten van de begrafenis. Hij werd begraven in Santiago del Saltillo. Zelfs in zijn testament bleef Neri onverzettelijk vasthouden aan zijn adellijke afkomst en noemde zijn ouders Conrado Lorenzo Neri, Baron de Bastrop, en Susanna Maria Bray Banguin. In zijn laatste wilsbeschikking liet Neri land na aan zijn vrouw en kinderen in Nederland. Hij was dus onkundig van het feit dat zijn vrouw hem reeds 11 jaar eerder in de dood was voorgegaan. Pas ruim een eeuw later zou ‘de Baron' dus worden ontmaskerd.

Aangifte van overlijden van ‘Felipe Baron de Bastrop in de stad Santiago del Saltillo.
Aangifte van overlijden van ‘Felipe Baron de Bastrop in de stad Santiago del Saltillo.

Ondanks zijn dubieuze voorgeschiedenis bestaat zijn nagedachtenis in het feit dat hij een zeer belangrijk en invloedrijk persoon is geweest waar het de kolonisatie van Texas betreft. Zonder hem zou Texas waarschijnlijk nooit zijn bevolkt door Anglo-Amerikaanse kolonisten. Ter ere van ‘de Baron' zijn een drietal plaatsen naar hem vernoemd: de plaats Bastrop in de staat Texas, de plaats Bastrop in buurstaat Louisiana en een baai in de Golf van Mexico.

De geschiedenis van Texas volgens Wikipedia

Het gebied dat nu Texas heet, werd oorspronkelijk bevolkt door Indianenstammen. In het tegenwoordige Texas wonen nog steeds Apache, Atakapa, Bidai, Caddo, Comanche, Karankawa, Kiowa, Tonkawa, en Wichita.

Op 6 november 1528 zette de Spaanse conquistador Álvar Núñez Cabeza de Vaca, die schipbreuk had geleden, als eerste Europeaan voet op Texaanse bodem. Boven die bodem hebben zes vlaggen gewapperd: de Fleur-de-lis van Frankrijk, en de nationale vlaggen van Spanje, Mexico, Republiek Texas, de Verenigde Staten van Amerika, en de Geconfedereerde Staten van Amerika.

Texas maakte in de eeuwen na de Spaanse verovering deel uit van de Spaanse kolonie Nieuw-Spanje. Van 1685 tot 1689 behoorde Texas tot de Franse kolonie Fort Saint Louis. Na de Mexicaanse onafhankelijkheid, in 1821, werd Texas samen met het Mexicaanse Coahuila de Zaragoza als Coahuila y Tejas een deel van Mexico. Intussen migreerden veel Anglo-Amerikanen naar Texas, die uiteindelijk getalsmatig de Spaanstalige bevolking overtroffen. De Anglo-Texanen werden Texians genoemd, de Spaans/Mexicaanse Texanen Tejano's. Toen in 1835 de Mexicaanse dictator Antonio López de Santa Anna de grondwet van 1824 verving door een meer centralistische grondwet en Coahuila y Tejas verving door departementen, riepen de Texians de onafhankelijkheid van Texas uit. Na eerst te zijn verslagen bij de legendarische slag om de Alamo wisten de rebellen in het voorjaar van 1836 Santa Anna te verslaan en gevangen te nemen bij de slag bij San Jacinto, die vervolgens de onafhankelijkheid van de Republiek Texas erkende. De Texanen beschouwden de Rio Grande als hun westgrens, terwijl dat voorheen de Nueces was. In 1840 ontstond aan de andere zijde van de Rio Grande voor een korte tijd de onafhankelijke Republiek van de Rio Grande. Toen die in hetzelfde jaar op gewelddadige wijze terug bij Mexico werd gevoegd vreesde Texas voor zijn onafhankelijkheid en zocht verdere toenadering tot de Verenigde Staten.

Op 29 december 1845 bekrachtigde de Amerikaanse president James K. Polk een wet, waarmee Texas werd geannexeerd. Texas werd daarmee de 28e staat van de Verenigde Staten. Een jaar later brak na een gevecht in het gebied dat zowel door Mexico als de Verenigde Staten werd opgeëist de Mexicaans-Amerikaanse Oorlog uit. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog koos Texas als slavenstaat de kant van de Geconfedereerde Staten van Amerika.­

Baron De Bastrop memorial in Bastrop, Texas.
Baron De Bastrop memorial in Bastrop, Texas
 

In Bastrop, Texas is in 1936 een herinneringsmonument voor Felipe Enrique Neri opgericht waarvan de tekst op de plaquette luidt: ‘Erected in recognition of the distinguished service to Texas of Felipe Henrique Neri, Baron de Bastrop, 1770-1829 (sic!). Pioneer, Red River empresario, Land commissioner of Texas. Through his aid, Moses Austin secured from the Spanish Government in 1821, the first contract for the Anglo-American colonization of Texas. In his honor, the name of this town and that of this county, a part of Austin's 1821 grant, known as the municipality of Mina in 1834 and the county of Mina after March 17, 1836, has changed on December 18, 1837 to Bastrop. Let this name bring to mind the friend and advocate of the pioneer in a foreign land. Erected by the State of Texas, 1936."

Bastrop, Texas rond 1900
Bastrop, Texas rond 1900

Wat, als ....

Wat zou er zijn gebeurd indien Philip Hendrik Nering Bögel er niet in was geslaagd om het land te ontvluchten en voortijdig in de kraag zou zijn gevat en overgedragen aan de Friese autoriteiten? In een bijdrage van Harman A. Diederiks in A tort et à travers (1988), getiteld Ambtsmisdrijven tijdens de achttiende eeuw, worden een aantal strafzaken tegen ‘ambtenaren' in de Republiek geanalyseerd. De conclusie in dit artikel luidt, dat er een concentratie was van veroordelingen van ambtenaren na 1775. Verduisterende ambtenaren vinden we vooral na 1795. Zo werd in 1796 in Zierikzee een collecteur van de gemene middelen bij verstek verbannen wegens verduistering van belastingpenningen en stond in 1798 Hendrik Wint, werkzaam op het comptoir-generaal van de belastingdienst, wegens fraude voor het Hof terecht. Hij werd veroordeeld om op het schavot de onterende straf te ondergaan van het zwaaien van het zwaard boven zijn hoofd. Bovendien werd hij uit Holland, Zeeland en Utrecht verbannen. Een ambtenaar werkzaam bij de belastingdienst in Delft had 20.000 gulden verduisterd. Hij werd in 1798 voor zes jaar verbannen en ongeschikt verklaard om een ambt uit te oefenen. Adriaan van der Jagt, lid van het provinciaal bestuur en van de nationale vergadering, werd in 1801 beschuldigd van misbruik in 1797-1798 van financiële voorkennis. Het Hof ontzegde de procureur-generaal echter zijn eis. De secretaris en pondgaarder te Waterland verduisterde de door hem vergaarde gelden. In 1802 stond hij daarvoor voor de schepenbank van Waterland terecht. Een belastingambtenaar in Rotterdam werd bij verstek verbannen, een rentmeester van de gemene middelen op het platteland van Schouwen-Duiveland werd door de rechtbank van Zierikzee wegens verduistering ‘eerloos' verklaard, terwijl het Hof van Holland in 1800, 1804 en 1809 klerken bij de afdeling financiën wegens verduistering tot diverse straffen veroordeelde. Deze varieerden van eeuwige verbanning in geval van voortvluchtigheid van sommige delinquenten tot zware geseling met de strop om de hals en brandmerking voor anderen. Een assessor bij het hoogheemraadschap Amstelland werd wegens wisselruiterij (geknoei met waardepapieren) door het Hof van Holland bij verstek voor eeuwig verbannen in 1811.

Impressie van het ondergaan van een onterende straf - het zwaaien met het zwaard over het hoofd - op het schavot voor het Blokhuis in 1788.
Impressie van het ondergaan van een onterende straf - het zwaaien met het zwaard over het hoofd - op het schavot voor het Blokhuis in 1788

In het algemeen kan worden gesteld dat fraude, gepleegd door een ambtenaar, niet werd aangemerkt als een halsmisdrijf, dit in tegenstelling tot valsemunterij. Philip Hendrik Nering Bögel zou in geval van gevangenneming hoogstwaarschijnlijk zijn overgebracht naar het gedemolieerde Blokhuis in afwachting van zijn berechting door het Hof van Friesland. Vermoedelijk zou hij daarna eerloos zijn verklaard en had hij mogelijk een onterende straf, zoals het zwaaien met het zwaard boven het hoofd, al dan niet met de strop om de hals, moeten ondergaan. Mogelijk zou hij daarna ten eeuwige dage uit Friesland zijn verbannen.

Rest nog de vraag, hoe Philip Hendrik er ooit in is geslaagd om in één keer ƒ 250.000,-- in klinkende munt het land uit te smokkelen in een tijd dat papiergeld nog niet bestond. Het eerste door de Staat der Nederlanden uitgegeven bankbiljet - het ‘Roodborstje' - werd pas in 1814 door Joh. Enschedé en Zonen gedrukt. Daarvóór waren door de Franse overheersers reeds zogenaamde ‘assignaten' geïntroduceerd, waardepapieren om het gigantische Napoleontische leger te financieren. Echter in 1793 waren deze middelen in onze contreien nog volstrekt onbekend.

Mogelijk heeft Philip Hendrik zijn toevlucht genomen tot zogenaamde wisselbrieven. De wisselbrief werd eerst ingevoerd door Noord-Italiaanse handelaars/ondernemers in de 13de eeuw. De snelle evolutie van de handel in die tijd vereiste namelijk een beter en veiliger betalingsmiddel en daarenboven de mogelijkheid tot opname van krediet. Dit maakte het mogelijk dat de handelaar niet meer met zijn handelswaar mee moest reizen maar alles van uit zijn handelskantoor kon coördineren. De wisselbrief is een streng gereglementeerd document dat weinig bekend is, maar toch enkele voordelen biedt, waaronder het discontokrediet.

Een wissel uitgegeven door de Second Bank of the United States op 15 december 1840 voor een bedrag van $1000.
Een wissel uitgegeven door de Second Bank of the United States op 15 december 1840 voor een bedrag van $1000.

In een zogenoemde wisselbank werd zowel geld getaxeerd als ingewisseld tegen edelmetaal. Later konden handelaren ook zelf rekeningen openen, en konden er girale betalingen worden verricht naar andere wisselkantoren in het buitenland. Hierbij werd in briefwissels vastgelegd aan wie, op welk moment, en welk bedrag overhandigd diende te worden. Bij de vroegere Amsterdamsche Wisselbank , sedert 1609 gevestigd in het oude raadhuis van Amsterdam op de plek van het huidige Paleis op de Dam, werden papieren wissels gedekt door de reserves, en werden transacties zonder muntgeld mogelijk gemaakt. Naar verluidt werd een honderdprocentsdekking gegarandeerd, waartoe een grote voorraad edelmetaal werd aangehouden.

Lees ook het uitgebreide verslag Life and times of the Baron de Bastrop over de tijd die Philip Hendrik Nering Bögel in Noord-Amerika doorbracht na zijn vlucht uit Friesland, geschreven door Wes Helbling in Bastrop Daily Enterprise (Louisiana) van 9 november 2009 naar aanleiding van de 250ste geboortedag van 'de Baron'.

Bekijk hieronder de 'Mark of the Baron Webisode' - How Texas Began

Terug