Gebouwen en instellingen


Inleiding


Wanneer wij ons in gedachten verplaatsen naar het jaar 1846, waarmee dit werk aanvangt, dan bevinden wij ons nog ten volle in het tijdvak van diligences en trekschuiten, van gemoedelijke rust en late nieuwstijdingen. Men verheugde zich toen sinds een twintigtal jaren in het bezit der straatwegen, die het isolement van de stad in den winter een weinig ophieven. Hoe ver ligt die tijd reeds achter ons en hoe betrekkelijk kort is hij nog geleden ! Door de toepassing van allerlei uitvindingen der laatste eeuw heeft het maatschappelijk leven eene vlucht genomen, waarvan men zich vroeger geen denkbeeld heeft kunnen vormen. Stoombootverkeer en spoorweg-verbindingen waren hier in 1846 nog onbekend: de eerste schroefstoomboot toch werd in 1855 op de Dockumer Ee in de vaart gebracht, en de eerste spoorweg, die naar Harlingen, in 1863 in gebruik gesteld; en wie dacht hier toen aan telegraaf en telephoon, aan waterleiding en electrische beweegkracht, aan tramlijnen, rijwielen en auto’s en zooveele zaken, zonder welke de moderne mensch uit het begin der twintigste eeuw zich het leven niet meer kan voorstellen ? De vroeger ongekende behoeften hebben tal van nieuwe gebouwen te voorschijn geroepen, terwijl de bestaande vergroot en naar de eischen des tijds werden ingericht; de verbetering van het onderwijs maakte den aanbouw van meerdere scholen noodzakelijk; door het ontstaan van verschillende secten nam het aantal bedehuizen toe: de lieftallige gestichten breidden zich uit, ziekenhuizen verrezen, militaire- en handelsgebouwen werden opgericht, uitspanningsplaatsen geopend, kortom, overal doet zich de beweging gevoelen der aangroeiende bevolking, wier zielental in dit tijdvak van 23286 tot 34789 is gestegen.
Niet alleen openbare gebouwen, ook vele particuliere woningen zijn veranderd of hebben voor nieuwe plaats gemaakt. Aan de hoofdstraten werden tal van heerenhuizen tot winkels ingericht, welke achter breede spiegelruiten allerlei koopwaar ten toon stellen: vele gevels zijn hernieuwd, vele huizen verbouwd. Ofschoon ook deze gedaanteverwisselingen in niet geringe mate hebben medegewerkt, om het voorkomen der oude stad te wijzigen, toch zou het te ver voeren, a deze veranderingen na te gaan en moet ik mij in de volgende bladzijden bepalen tot de beschrijving der gebouwen en instellingen welke eene maatschappelijke of eene historische beteekenis hebben.


Het Koninklijk Paleis, het Gouvernementsgebouw, de Canselarij en het Post- en Telegraafkantoor



Het Koninklijk Paleis

Het oude Stadhouderlijk Hof, de zetel zijner voorvaderen, was na vele lotswisselingen, gelijk Eekhoff mededeelt, in 1815 in het bezit gekomen van den telg der Friesche Nassau’s, Koning Willem I. Nog steeds is het particulier eigendom van Hare Majesteit de Koningin, doch wijlen Koning Willem III heeft het in 1880 in beheer en onderhoud aan het Rijk afgestaan om tot woning van den Commissaris des Konings in de Provincie Friesland te dienen. Het heeft zoowel voor als na dien tijd herhaaldelijk tot verblijfplaats verstrekt aan de leden van het Koninklijk Huis bij hunne bezoeken aan Friesland.

Voor 1880 stond het gebouw meestentijds onbewoond daar, doch nu en dan stelde de Koning tijdelijk enkele gedeelten voor verschillende doeleinden beschikbaar. Zoo werden in 1860 na den hevigen brand, die de kazerne in de asch legde, o.m. de regiments-bureaux, de keuken en de eetzaal der onderofficieren en de officiers-bibliotheek daarin gevestigd en gebruikte men van September 1875 tot Februari 1876 meerdere localen ten behoeve van de nieuw opgerichte Hogere Burgerschool voor Meisjes, terwijl de bekende tentoonstelling van Friesche Oudheden in 1877 mede in het Paleis werd gehouden. Het daaropvolgende jaar bracht men enkele verbeteringen in het gebouw aan, waarbij o.m. van moderne ramen werd voorzien, doch toen het Paleis tot blijvende woning van den Commissaris zou worden ingericht, moest het gedeeltelijk worden verbouwd en gedeeltelijk gerestaureerd. Dit werk, waarvoor het Rijk bij de begrooting voor 1880 een bedrag van fl. 50.000 bestemde, nadat de in 1879 daarvoor uitgetrokken som van fl. 100.000 door de Tweede Kamer was geweigerd, werd den 21sten October 1880 door J. Ruding voor fl. 35.553 aangenomen. Daarbij bebouwde men het voorplein ter volle breedte en ter diepte van 7.70 M. en bezigde de gewonnen ruimte tot het maken van een voorhuis met entree, vestibule, antichambre en gang, terwijl daarboven een overdekt balcon werd aangebracht. Voorts werd de keuken, achter de hoofdtrap gelegen, van den linkervleugel naar den rechtervleugel overgebracht en dit vertrek met de belendende gang tot eene kamer samengetrokken, welke thans als ontvangstsalon gebruikt, met twee deuren in de balzaal uitkomt. Deze zaal is gevormd uit de antichambre en de audientiezaal van den Stadhouder en de gang, welke daarachter langs liep. Beide genoemde vertrekken ontvingen vroeger hun licht van het voorplein; thans ziet de zaal uit op den achtertuin, d.i. de voormalige binnenplaats van het Stadhouderlijk Hof. Voor de betimmering van deze zaal werd eene som van fl. 3000 bestemd.

De groote eetzaal in den linkervleugel is vrij wel gelijk gebleven, alleen moest zij door de gedeeltelijke bebouwing van het voorplein een harer namen missen, dat door een doorgang naar de vestibule werd vervangen. Aan de betimmering van het plafond en de verhooging der bestaande lambrizeeringen legde men fl. 2000 ten koste. Bij de keuken, welke thans achter de tuinkamer in den rechter-vleugel ligt, werd een bijkeuken aangebouwd, terwijl een gedeelte van de gang, welke daar langs liep, in eene bediendenkamer is veranderd. In de gasthuispoort brak men een vroeger daarin uitstekend vertrek af.

Op de eerste verdieping werden verschillende kleine vertrekken samengevoegd: zoo de hofsapotheek, de badkamer en de porseleinkeuken boven het tegenwoordige ontvangstsalon, en een paar cabinetjes, in den trant van der XVIIIe eeuw, boven de keuken, terwijl de gang achter de vroegere antichambre en audientiezaal der Prinses bij de daaraanliggende kamers werd getrokken.

In 1881 was het werk gereed en betrok de tegenwoordige Commissaris der Koningin, Mr. B. Ph. baron van Harinxma thoe Slooten, zijne nieuwe woning. Hij verliet daarvoor het huis, dat, op den hoek van het Gouverneursplein en de Groote Hoogstraat gelegen, in vroegere jaren door de Provincie aan het Rijk werd verhuurd om te dienen tot woning voor den Gouverneur van Friesland. Dit pand was in 1829 voor fl. 40.000 door de Provincie aangekocht. In 1881 stond zij het voor fl. 29.500 aan den Staat af, die het, na het aanbrengen van eenige kleine veranderingen, inrichtte tot hypotheekkantoor en bureaux voor het kadaster.

Sedert eenige maanden staat voor het Koninklijk Paleis het standbeeld van graaf Willem Lodewijk van Nassau, die dit gebouw in 1587 tot Stadhouderlijk Hof verhief. Dit monument, met medewerking van het Bestuur van het Friesch Genootschap en eenige andere ingezetenen, door de Vereeniging tot Bevordering van Vreemdelingenverkeer opgericht, ter eere van den grooten Frieschen Stadhouder, die Prins Maurits in den strijd tegen Spanje zoo roemvol ter zijde stond en wiens bestuurder zoo gewaardeerd werd door de bevolking, dat deze hemden naam van vader: “Us Heit” gaf, werd den 15en September 1906 door haar aan de Gemeente overgedragen. De aanvaarding geschiedde met groote plechtigheid, daar Hare Majesteit Koningin Wilhelmina er in toegestemd had, persoonlijk het standbeeld van Haren edelen voorzaat te onthullen en daartoe vergezeld werd door H.M. de Konining-Moeder en Z.K.H. Prins Hendrik der Nederlanden.

Het standbeeld, met het front naar het stadhuis gekeerd is, naar het ontwerp van professor Bart ten Hove, uit brons gegoten en rust op een voetstuk van graniet, waarvan het plan door den heer W. G. B. Molkenboer is vervaardigd.

Het beeld stelt den stadhouder voor in staande houding en in wapenuitrusting. De eene hand omklemt den bevelhebbersstaf; de andere rust op het gevest van den degen, terwijl de helm aan den voet staat. De beeltenis is geinspireerd door het portret van illem Lodewijk van M. J. Mierevelt.

Op de voorzijde van het voetstuk is het inschrift ingebeiteld:


Willem Lodewijk
Graaf van Nassau
1560-1620.

 

terwijl onderaan het stadhouderlijk wapen uit brons in het graniet is aangebracht. Zoo is dan in 1906 de voorspelling van Groen van Prinsterer bewaarheid, die onder den indruk der brieven van dezen vorst uitriep: “Leeuwarden is de aangewezen stad, waar eenmaal aan de verdienstelijksten uit een roemrijk geslacht dankbaar, het Nederlandse Volk een standbeeld zal oprichten voor Willem Lodewijk”.

 

2. Het Gouvernementsgebouw

Het Gouvernementshuis, dat den ouden naam van “Het College” draagt, is in den loop dezer laatste zestig jaren aanmerkelijk vergroot. Vroeger alleen voor de werkzaamheden van Gedeputeerde Staten bestemd, bevat het thans ook de vergaderlocalen der Provinciale Staten. Nadat deze eerst gebruik hadden gemaakt van de groote Raadszaal in het stadhuis, hielden zij sedert den 3en Juli 1849 hunne zittingen in het Paleis van Justitie, dat door de Provincie was gesticht met het tweeledig doel om er zoowel den zetel van het Gerechtshof en de Arrondissements-Rechtbank, als dien van de Provinciale Staten in te vestigen. Toen, tengevolge van de wet van 10 November 1875, de Rechterlijke Macht in Leeuwarden eene aanzienlijke uitbreiding verkreeg, bleek het reeds spoedig, dat het Paleis geene ruimte genoeg meer aanbood voor beide lichamen. De hoofdingenieur van den Waterstaat, de heer Hayward, ontwierp daarop een plan voor de stichting van een gebouw, naast het College, dat tevens de vergaderzalen voor de Provinciale Staten en de Provinciale bibliotheek zal bevatten. Daar echter ook de bergplaats der archieven, die op den zolder van het College bewaard werden, noodzakelijk verbetering behoefde, gaf men aan dit plan geen gevolg. De onderhandelingen met het Rijk over de vergrooting van het gouvernementshuis werden intusschen steedsd voortgezet, doch leidden eerst tot een resultaat, toen in 1889 werd besloten, het Huis van Burgelijke en Militaire Verzekering van de canselarij naar het terrein van de strafgevangenis over te brengen, waardoor in eerstgenoemd gebouw gelegenheid zou ontstaan tot plaatsing der archieven. Bij eene vertimmering van het dak van het College in 1887 waren deze het vorige jaar voorloopig reeds in een daaraangrenzend huis geborgen. In 1890 ging daarop de Provincie eene overeenkomst met het Rijk aan, waarbij zij het Paleis van Justitie kosteloos, en drie eertijds aangekochte huizen naast het College voor fl. 12.365, aan den Staat overdroeg en deze zich verplichtte een Statenzaal bij het gouvernementshuis te stichten en de Provinciale- en Bumabibliotheken in de tot Rijks-archief ingerichte canselarij te plaatsen.

De nieuwe aanbouw werd den 1en December 1891 voor fl. 90.586 aanbesteed en in 1895 voltooid. Hiervoor moesten, behalve het huis ten zuiden van het Collegeg en een huis in de Korfmakersstraat, verschillende onbruikbare vertrekken achter de vestibule in het oude gebouw verdwijnen. Deze werd vergroot en geeft thans door drie dubbele deuren toegang tot het ruime trappenhuis. Een gang, welke daarlangs loopt, voert naar de vijf sectiekamers der Staten, waarvan twee zijn aangebracht op de plek, waar vroeger het huis in de Korfmakersstraat stond en drie onder de Statenzaal liggen. Boven de twee eerstgenoemde localen vindt men de koffiekamer, die in renaissance-stijl opgetrokken, wanden ter halver hoogte met eikenhout beschoten, eene zoldering, door moer- en kinderbalken in vakken verdeeld, en een hoogen schoorsteen van zandsteen heeft. In de drie kruisramen, uitziend op de Korfmakersstraat zijn de namen en blasoenen van Friesche helden uit de XVIe en XVIIe eeuw geplaatst, terwijl het raam aan de binnenplaats bestemd is om de herinnering te bewaren aan de Gouverneurs en Commissarissen, die Friesland achtereenvolgens bestuurd hebben. Boven de deur der koffiekamer leest men de toepasselijke waarschuwing: “De tiid haldt nin skoft”.

Door eene korte gang bereikt men vandaar de Statenzaal. Wie hier binnentreedt, komt onwillekeurig onder den indruk van de plechtige stilte en de voorname rust van deze groote zaal, die bij eene lengte van 15 M., een breedte van 10 M. en eene hoogte van 8 ¼ M. heeft. Gedempt licht dringt van weerskanten door zes hooggeplaatste boogvensters naar binnen, welke, uit gebrand glas vervaardigd, met de wapens der gooen, der steden en der grietenijen prijken: zware gobelins en tapijten verzachten het geluid: de hoge zoldering is verdeeld in 72 vakken, beschilderd met de namen en de blasoenen der geslachten, waarvan de leden in vroegeren tijd het ambt van grietman of burgemeester hebben bekleed. Op den noordelijken zijmuur zijn fresco’s aangebracht, voorstellende taferelen uit de Friesche geschiedenis. Hierin bevindt zich een hooge, monumentale schoorsteen, welke de beelden der gerechtigheid, der voorzichtigheid en der kracht, benevens der gerechtigheid, der voorzichtigheid en der kracht, benevens het oude en het nieuwe wapen daartegenover heeft men het balcon der tribune gemaakt, waartoe drie in den muur uitgespaarde boogopeningen toegang verleenden. Tusschen deze openingen vindt men de beelden der spaarzaamheid en der vrijgevigheid, terwijl men daarboven op door engelen vastgehouden banderollen de spreuken leest: “Wierheit boppe al”; “It is mei sizzen net to Dwaen”, en “Dy folle praet, moat folle wier meitsje”. De balken van het tribunebalcon worden gesteund door karbeelen, waarop de namen vermeld staan van eenige Friezen, die zich op het gebied van wetenschap en kunst hebben onderscheiden. De geheele versiering der zaal is geinspireerd door de herinnering aan Frieslands roemrijk verleden en den wensch, dit hoog te houden en ten voorbeeld te stellen aan het nageslacht.

De 3en Maart 1906 hielden de Provinciale Staten in deze zaal hunne eerste vergadering. Thans wordt er eene nieuwe uitbreiding van het gouvernementshuis voorbereid. Het in 1903 door de Provincie van den heer Dr. J. Baart de la Faille aangekochte huis in de Korfmakersstraat zal worden ingericht tot bureaux voor den Provincialen Waterstaat, terwijl er ook eene brandvrije bergplaats voor het nieuw-archief in aangebracht zal worden. Daartoe heeft de Provincie dit perceel in 1907 aan het Rijk overgedragen. Het oud-archief dat, naar boven is meegedeeld, in 1886 tijdelijk onder dak was gebracht in een gehuurd huis aan de Tweebaksmarkt, is in 1897 naar de canselarij overgebracht. Deze onderging voor dit doel eene verbouwing, welke wij thans nader in oogenschouw zullen nemen.

 

3. De Canselarij

De Zetel van het eens zoo beroemde Hof van Friesland, de oude canselarij, dit sieraad der renaissance, heeft in de vorige eeuw tot verschillende doeleienden gediend. Nadat het Hof in 1811 door het Hof van Assises en de Rechtbank van den eersten Aanleg was vervangen, welke hare zittingen in het daaraangrenzende landschapshuis hield, werd de canselarij voorloopig tot militair hospitaal gebruikt. In 1814 richtte men het gebouw tot kazerne en in 1824 tot huis van burgerlijke en militaire verzekering in. Gedurende meer dan zestig jaren bleef het deze bestemming behouden, totdat er eindelijk gevolg werd gegeven aan het plan der strafgevangenis. Nu kon men der canselarij een waardiger bestemming geven: het oude gebouw, getuige van een glorierijk verleden, werd aangewezen tot bewaarplaats der historische bescheiden van Friesland. In de benedenverdieping berusten thans ’s Rijks archieven, terwijl de Provinciale- en Buma-bibliotheken boven eene plaats gevonden hebben. Doch, eer het gebouw tot opname dezer verzamelingen geschikt was, moest het noodzakelijk eene restauratie ondergaan. Kort na de ontruiming werd dit werk in November van het jaar 1892 aanbesteed en onder leiding van den heer J. van Lokhorst uitgevoerd. De binnenmuren, welke vroeger ten behoeve van de gevangenis werden aangebracht, werden afgebroken, zoodat er aan de geheele frontzijde van het gebouw, ter lengte van ruim 34 M., zoowel beneden als boven, slechts twee vertrekken liggen, n.l.: op de grondverdieping de groote en de kleine archiefzaal en daarboven de bibliotheek en de leeskamer. Deze zalen worden verlicht door ramen met in lood gezette ruitjes, welke, in medaillons van gebrand glas beneden de wapens der kwartieren en der grietenijen van Friesland, en boven die der 11 Friesche steden en het kwartier der steden, benevens de namen van eenige beroemde Friezen dragen.

Aan de achterzijde van het gebouw, dat een veel smalleren gevel vertoont, bevinden zich gelijkvloers de binderij en de kamer van den archivaris, welke door een houten beschot van de gang is afgescheiden, daarboven liggen eene kleinere werkkamer en de handschriftenzaal.

De eikenhouten hoofdtrap, met haar mooi kruisgewelf, is blijven bestaan; doch daarenboven werd er naast de woning van den concierge een nieuw trappenhuis aangebracht, dat ter halver hoogte toegang verleent tot de Buma-bibliotheek, welke op de bovenverdieping van deze woning is geborgen. Dit huis, dat inwendig bij het hoofdgebouw is getrokken en door een voorplein van de straat is gescheiden, werd in 1646 door de Staten aangekocht. Ten tijde, dat de canselarij tot Huis van Bewaring werd gebruikt, diende deze bijbouw o.m. tot gevangenis der vrouwelijke gedetineerden. Bij de restauratie werd het geheel nieuw opgetrokken, verscheidene bergplaatsen op het pleintje verdwenen en de steenen muur, die dit van de straat afscheidde, werd vervangen door een ijzeren hek. Sedert 1905 is de benedenverdieping van dit huis mede tot archief bestemd en heeft de concierge eene gehuurde woning tegenover de canselarij betrokken.

Ook de voorgevel, opgetrokken uit rood-gebakken steen, met hardsteen versierd, werd aan eene restauratie onderworpen. Twee dichtgemetselde ramen in dien gevel werden heropend: het bordes met zijn vier heraldieke leeuwen, welke de wapens der vier kwartieren van Friesland houden, werd hersteld en de hoofddeur hernieuwd: men verwijderde drie vensters, welke in lateren tijd in het dak waren gemaakt en restaureerde symbolische beelden op den topgevel, terwijl er ook verder nog verschillende verbeteringen werden aangebracht. De canselarij mag onder de fraaiste monumenten gerangschikt worden, welke de bouwkunst der 16e eeuw ons heeft nagelaten. Moge zij nog lang getuigen van dit schitterend tijdperk der architectuur.


4. Het Post- en Telegraafkantoor

Voordat het Rijk hier in 1871 een eigen post- en telegraafkantoor had gesticht, werd de postdienst, die toen op verre na niet zoo omvangrijk was als nu, door de directeuren in een vertrek van hunne woonhuizen uitgeoefend. Zoo zetelde de post in het tijdvak van 1846-1871 achtereenvolgens in het huis op den hoek der Beyer- en Groote Kerkstraten (het oude Camminghahorn), bij de Put en in de Groote Kerkstraat, op den hoek van der Bontepapesteeg. Over het algemeen kon deze verplaatsing van postkantoren bij de verwisseling van directeuren, waardoor zij dikwijls naar ondoelmatige en minder gunstig gelegen localen werden overgebracht, niet anders dan ongeriefelijk en ongewenscht zijn. Over den slechten toestand der postkantoren, bij het steeds toenemend verkeer, werd dan ook onophoudelijk geklaagd, zoodat de Regeering in 1869 besloot aan deze grieven tegemoet te komen en maatregelen nam om door het geheele land vaste postkantoren, met bijbehoorende directeurswoningen, te vestigen en de daartoe te bestemmen gebouwen hetzij van gemeentebesturen of particulieren te huren, hetzij ze van rijkswege te stichten.

Dit laatste heeft in Leeuwarden plaats gehad. De Regeering liet hiertoe, om hare bijzonder gunstige ligging in het hart der stad, het oog vallen op de verlaten hulpbeurs op de Wortelhaven. In 1869 kocht zij dit pand, met den daarnaast op den hoek van de Wortelhaven en den Eewal staanden winkel “De Gouden Leeuw” en het belendende woonhuis op den Eewal voor fl. 16.147 van de Gemeente aan en liet deze afbreken.

Het nieuwe gebouw dat en post- en telegraafkantoor onder zijn dak zou vereenigen, werd op 11 Maart 1870 aanbesteed. Het telegraafkantoor, in 1856 geopend, was tot nog toe gehouden in het huis, naast het College, op den hoek van de Tweebaksmarkt en de Korfmakersstraat gelegen, dat in 1830 door de Provincie was aangekocht tot vergrooting van het gouvernementsgebouw. Het nieuwe post- en telegraafkantoor kwam op 1 Augustus 1871 gereed. In den aanvang bracht dit gebouw, dat uit drie verdiepingen en een sous-terrain bestond, eene groote verbetering in het postwezen hier ten stede. Het sous-terrain was voor den besteldienst ingericht en de grondverdieping uitsluitend voor postdienst bestemd, terwijl de eerste verdieping grootendeels door de woning van den postdirecteur werd ingenomen en op de tweede het telegraafbureau was aangebracht.

Doch, bij het met ongeloofelijke snelheid toenemend postverkeer en de verschillende functien, welke in lateren tijd aan de posterijen zijn toegevoegd, werd dit gebouw op den duur te klein. Ook liet zich steeds drukkender het bezwaar van een zoo hoog gelegen telegraafbureau gevoelen. Dit en andere redenen - het gebouw werd gedurende eene reeks van jaren door eene mierenplaag bezocht, - deed het Rijk besluiten een nieuw post- en telegraafkantoor te stichten. Het was moeilijk een ruimer terrein in het midden der stad te vinden, doch eindelijk slaagde men hierin. Aan de Tweebaksmarkt, naast de Galileerkerk, op de plek, welke vroeger deel uitmaakte van het Minderbroedersklooster, zou het nieuwe gebouw verrijzen, omsloten door de Galileerkerk, de Tweebaksmarkt, de Driekramerssteeg en de Galileerkerkstraat daarvoor aan, zoodat het postkantoor thans aan drie zijden aan de openbare straat grenst. Den 25sten Juni 1902 werd de bouw van het nieuwe post- en telegraafkantoor, dat naar het ontwerp van den rijksbouwmeester C.H. Peters en onder leiding van den hoofdopzichter S.A. Koldijk is uitgevoerd, voor fl. 143.784 aanbesteed. De oude huizen werden afgebroken en op 1 Augustus 1904 kwam het fraaie, nieuwe gebouw gereed. Het maakt een zeer gunstigen indruk, met zijn 30 M. langen voorgevel, die uit rooden steen opgetrokken met grijzen bergsteen is afgewerkt. Het inwendige van het gebouw beantwoordt aan het uiterlijk voorkomen. Een gang, door tochtdeuren afgesloten, leidt naar de wachtzaal, welke 20 M. lang en 8.50 breed is. Om dit locaal zijn de dienstvertrekken der posterijen, het aanneemkantoor van de telegrammen en een bureau voor de Rijks-postspaarbank gegroepeerd. De bovenverdieping wordt in het midden ingenomen door de keurig bewerkte kap der wachtzaal; daarachter, aan de oostzijde, ligt de groote seinzaal, terwijl de woning van den directeur der posterijen zich aan de westzijde daarvan bevindt. Het gebouw bevat tevens het rijkstelefoonkantoor.

Het nieuwe post- en telegraafkantoor werd op 1 December 1904 voor den dienst opengesteld. In het ontruimde gebouw op de Wortelhaven zijn thans de inspectie van de post- en telegrafie en de inspectie van het kadaster gevestigd.


Terug