1. Militaire gebouwen

Bij den aanvang van het behandelde tijdvak behoorden al de in Leeuwarden aanwezige militaire gebouwen, met uitzondering van de manege in de Groote Kerkstraat, in vollen en vrijen eigendom aan de stad en berustte het beheer en onderhoud daarvan bij het Stedelijk Bestuur. Zij bestonden destijds uit de kazerne, die in 1827, en de infirmerie, welke in 1837 op stads-kosten waren gebouwd; de oude ruiterwacht in de Kleine Kerkstraat, die sedert 1824 tot militair ziekenhuis diende, de bovengenoemde rijschool en de hoofdwacht, welke in 1844 door het Rijk aan de stad was overgedragen en daarop geheel hernieuwd was.

Van deze gebouwen is de kazerne in vlammen opgegaan en van rijkswege door eene nieuwe vervangen: de oude manege is geheel en de hoofdwacht voor het grootste gedeelte aan militaire doeleinden onttrokken en de oude ruiterwacht bestaat niet meer. Daarentegen heeft de stad, vertrouwend op de haar gegeven belofte van ruiterij in garnizoen te zullen ontvangen, cavalleriestallen en eene nieuwe manege opgericht. In 1861 zijn de toen tot militair gebruik dienende gemeente-eigendommen: de infirmerie, de cavalleriestallen, de nieuwe manege, (de oude was in 1855 aan de Gemeente afgestaan) het kruithuis bij den zoetwatervijver aan den Oostersingel en de benedenverdieping der hoofdwacht in beheer en onderhoud aan het Rijk overgedragen, onder voorbehoud, dat, zoo deze gebouwen zijn niet meer voor militaire belangen noodig zullen geoordeeld, zij aan de Gemeente teruggegeven zullen worden.

 

De Kazerne

In den nacht van 14-15 Juni 1860 weerklonk plotseling de kreet: “de kazerne staat in brand !” Aan alle zijden tegelijk stegen de vlammen op: het vuur was niet te blusschen en binnen weinige uren was er van het geheele gebouw, waarvan de stichting der stad zooveel opoffering had gekost, niets meer overgebleven dan een groote puinhoop; slechts de geblakerde muren waren gedeeltelijk blijven staan. Deze gebeurtenis, waarbij een brandmeester het leven inschoot en twee spuitgasten werden verminkt, heeft zulk een diepen indruk op de bevolking gemaakt, dat ouden van dagen nog dikwijls hunne herinneringen dateeren van voor en na den kazernebrand. De daklooze soldaten werden voorloopig in de ledige cavalleriestallen, de oude en de nieuwe manege, de infirmerie, het stadswerkhuis en bij de burgers ingekwartierd. Het financieel verlies der Gemeente was groot, daar dit nog niet werd gedekt door eene brand-assurantie ! In dezen nood kwam het Rijk ter hulp. De Regeering bood aan eene nieuwe kazerne te stichten op het terrein, waarop de oude had gestaan, indien de stad dezen grond aan het Rijk wilde afstaan. Dit is geschied: in 1861 droeg de Gemeente dit gedeelte van den Amelandsdwinger, met de fundamenten en den puinhoop der oude kazerne en de regenwaterbak voor fl. 30.000 aan het Rijk over; alleen de put met waterleiding naar den zoetwatervijver aan den Oostersingel, welke in 1858 was gemaakt, bleef het eigendom der Gemeente. Het wegruimen der overblijfselen van de kazerne werd nu op 1 Maart 1861 van rijkswege aanbesteed en in Augustus daarop ondernam E. J. Visser voor fl. 166.000 den bouw eener nieuwe kazerne. Deze, welke, zoo noodig, 1560 man kan huisvesten, is in denzelfden trant opgetrokken, als de oude. Zij kwam in 1863 gereed, terwijl er in 1864 eenige bijgebouwen en in 1903 een gymnastiek- en schermlokaal aan toegevoegd zijn.

 

De Infirmerie

De oude ruiterwacht in de Kleine Kerkstraat, die in 1675 op ’s Lands kosten was gebouwd, werd in 1824 door het Rijk aan de Stad afgestaan om tot militair ziekenhuis te kunnen dienen. Het werd daartoe voor ruim fl. 2.000 ingericht, doch dit lage, bedompte locaal, dat zoowel gebrek aan ruimte, als aan frissche lucht had, was geenszins tot ziekenverblijf geschikt. Daar de stad, na den bouw der kazerne, een grooter garnizoen hoopte te ontvangen, moest de infirmerie daarin geevenredigd zijn. Vandaar, dat men in 1837 een nieuw hospitaal oprichtte. De zieke militairen hebben zich echter nog tot 1850 met de gebrekkige oude ruiterwacht moeten behelpen. Toen n.l. de infirmerie in 1833 gereed kwam, is zij eerst betrokken door het Gerechtshof en de Arrondissements-Rechtbank daar, door de reorganisatie der Rechterlijke Macht, het oude Landschapshuis geene ruimte genoeg meer aanbood voor beide lichamen. Eerst twaalf jaar daarna werd hunne zetel naar het nieuw gebouw Paleis van Justitie overgebracht. Nu kon de infirmerie eindelijk aan hare bestemming voldoen. Doch voorlopig werd zij slechts gedeeltelijk tot hospitaal gebruikt, daar de oostelijke vleugel van dit ruime gebouw tot armen bewaarschool werd aangewezen. Eerst nadat er in 1856 eene nieuwe bewaarschool Achter de Witte Hand was gesticht, is de geheele infirmerie tot militair hospitaal ingericht. De oude ruiterwacht heeft daarop eerst als magazijn der cavalerie dienst gedaan en werd later aan particulieren verhuurd, totdat de Gemeente het gebouw in 1870 voor slechts fl. 4.800 verkocht, waarop er woningen van zijn gemaakt.

De nieuwe infirmerie werd in 1883 belangrijk verbeterd door het aanbrengen van gaanderijen in den tuin, welke toegang geven tot de verschillende ziekenzalen. In 1886 heeft men het bijgebouw aan de noordzijde van het militair hospitaal afgebroken en vervangen door eene barak voor lijders aan besmettelijke ziekten en een gebouwtje dienende tot lijkenhuis en desinfecteervertrek.

 

De Hoofdwacht

De reorganisatie der Rechterlijke Macht heeft niet alleen den tijdelijken afstand der infirmerie ten gevolge gehad, maar zij gaf ook aanleiding tot de hernieuwing der oude hoofdwacht. Het vredegerecht had tot 1837 zijn zetel gehad in een der bovenvertrekken van het stadshuis. Na de reorganisatie werd dit locaal niet meer voldoende geacht en het kantongerecht overgebracht naar de Vrijmetselaarsloge. Daar men het echter een eigen gebouw wenschte te verschaffen, en eene poging, aangewend bij het Provinciaal Bestuur om het kantongerecht te verbinden met het te stichten Paleis van Justitie, faalde, liet de Raad daartoe het oog vallen op de hoofdwacht. Dit gebouw, in 1688 op ’s Lands kosten opgericht, behoorde wel is waar aan het Rijk, doch de Regeering bleek gaarne genegen te zijn, daarvan ten behoeve der stad afstand te doen, op voorwaarde, dat het steeds tot hoofdwacht zou worden gebruikt.

Nadat de Stad de oude hoofdwacht in het jaar 1844 had aanvaard, ging zij dadelijk tot de algeheele vernieuwing van het gebouw over. Gelijkvloers bracht men, in het front, eene galerij en daarachter eene wachtkamer voor de soldaten aan; de oostelijke vleugel bevatte drie localen voor de politie, de westelijke eene officierskamer, een cachot en een vertrek, dat later is ingericht voor de behandeling van militiezaken en patenten. Boven lag, in het front, de zittingszaal van het kantongerecht, in den oostelijke vleugel, de kamer van de kantonrechter en de vertrekken aangewezen voor de griffie, terwijl de bovenverdieping van den rechtervleugel later tot militiezaal is bestemd. Voor het gebouw waren oorspronkelijk vier oude kanonnen opgesteld, doch deze zijn in 1852 verkocht.

In hoofdzaak is de hoofdwacht zoo blijven bestaan, doch zij is thans grootendeels van bestemming veranderd.

In 1879 werd n.l. de hoofdwacht der militairen opgeheven en ontruimd. Onmiddellijk verzocht de Gemeente, overeenkomstig het in 1861 gesloten contract, waarbij ook het tot militair gebruik bestemde gedeelte van de hoofdwacht in onderhoud en beheer aan het Rijk was overgedragen, om teruggave van de daarin genoemde localen. Hieraan werd ten deele voldaan, doch onder voorbehoud, dat de Gemeente slechts tot wederopzeggens toe over deze ruimte mocht beschikken. De wachtzaal is thans, nadat zij eerst de brandwacht heeft gehuisvest, tot politiezaal ingericht; het arrestantenlokaal bleef zijne bestemming voorloopig behouden; de officierskamer wordt nog steeds voor den garnizoensdiens gebruikt.

Het volgende jaar bracht wederom eene belangrijke wijziging in het gebruik der hoofdwacht mede. In den loop van 1879 had het Rijk een nieuwen zetel voor het kantongerecht aan de Oosterkade gesticht. Zoodra dit gebouw gereed was, ontruimde het kantongerecht op 1 Juli 1880 de bovenverdieping der hoofdwacht. De bestemming van deze zoo gunstig gelegen localen gaf aanleiding tot langdurige besprekingen, totdat zij op 22 December 1881 werden aangewezen tot bureaux voor gemeentewerken. Deze waren in 1869 van de Hoeksterpoort naar den Arentstuin overgebracht. Toen de Gemeente, tengevolge van de wet op het Lager Onderwijs van 1878, het aantal scholen moest uitbreiden, achtte men het door dezen tak van gemeentedienst ingenomen terrein voor den bouw eener school bijzonder geschikt. Men wenschte daarom de genoemde bureaux te verplaatsen en hiertoe boden de door het kantongerecht verlaten bovenvertrekken der hoofdwacht eene gunstige gelegenheid. Doch, om een voldoenden toegang van het stadshuis tot deze localiteit te verkrijgen, had men de plaatsruimte noodig, welke door de arrestantencellen werden ingenomen. Nogmaals wendde het Gemeentebestuur zich tot de Regeering met het verzoek om in het vrije bezit der geheele hoofdwacht te worden hersteld. Te vergeefs echter, doch het benoodigde cachot werd aan de Gemeente afgestaan, onder voorwaarde, dat zij nieuwe arrestantencellen zouden aanbrengen in het achterste gedeelte der soldatenwachtzaal. Zoo kon dan de verbouwing, waarbij ook de vroegere zittingszaal van het kantongerecht in twee vertrekken werd verdeeld, plaats hebben en in 1882 werden de bureaux der gemeentewerken naar de hoofdwacht verlegd.

Inmiddels had ook de militiezaal op de bovenverdieping van den rechtervleugel van dit gebouw eene andere bestemming gekregen. Bij de vernieuwing van het armhuis in 1880 hadden de armvoogden verlof ontvangen om daar hunne zittingen te houden. Na de voltooiing van dit gesticht besloot de Raad de militiezaal te gebruiken voor eene hoogst noodzakelijke uitbreiding der secretarie. De loting voor de nationale militie en de zittingen van den militieraad konden toch gevoegelijk gehouden worden in het bovenlokaal der oude waag. De oorspronkelijke militiezaal werd daarop in twee vertrekken gesplitst, die door de bureaux van den burgelijken stand en de bevolking zijn ingenomen.

In 1895 vond er in den oostelijken vleugel der hoofdwacht eene kleine verandering plaats. In de St. Jacobsstraat grenst de hoofdwacht n.l. aan een woonhuis, dat in 1872 door de Gemeente was aangekocht en sedert werd verhuurd. Op voorstel van den Commissaris van Politie werd het achtergedeelte van genoemd huis, dat sedert eenigen tijd door dezen ambtenaar werd bewoond, met een gang aan het politiebureau verbonden om tot kamer voor den Commissaris te dienen.
Kort daarna is ook het benedenvertrek in den rechtervleugel der hoofdwacht, dat sedert 1844 voor de behandeling der patenten had gediend, bij het politiebureau getrokken, zoodat thans de geheele benedenverdieping van het gebouw, met uitzondering van de officierskamer, voor de politie is ingericht.

Tot zelfs de zolder der hoofdwacht heeft zijne historie. Bij den aanleg van de telephoon alhier stond de Raad deze ruimte in huur aan de firma Ribbing en Bork van Amsterdam af, om tot telefoonbureau te dienen. In October 1895 werd dit bureau geopend. Lang is het hier niet gevestigd gebleven, want voor korten tijd kocht deze firma een huis op den Eewal aan, dat geheel verbouwd, thans tot telephoonkantoor is ingericht.

Het is te voorzien, dat de geschiedenis der hoofdwacht weer eene nieuwe phase in zal treden. Bij eene verbouwing van het stadshuis, thans in voorbereiding, wordt haar voortbestaan bedreigd, of, zoo de bouwplannen op minder groote schaal worden uitgevoerd, zal zijn waarschijnlijk toch aan eene geheele hernieuwing worden onderworpen.

 

De Cavaleriestal en de Manège

De historie van den cavaleriestal is eene lijdensgeschiedenis. Hij dankt zijn ontstaan aan eene onvervulde belofte en een overijld besluit en ofschoon de Gemeente groote sommen aan zijne voltooiing ten koste heeft gelegd, heeft bij slechts gedurende korten tijd volledig aan zijne bestemming kunnen voldoen.

Leeuwarden bezat, bij zijne groote kazerne en zijn ruime infirmerie, geen cavaleriestal. De behoefte hieraan werd het eerst gevoeld in den woeligen zomer van 1847. Den 25sten Juni van dat jaar brak hier n.l. Tengevolge van de duurte der levensmiddelen een oproer uit, dat door het krachtige optreden der Overheid echter spoedig werd beteugeld. Tot volkomen herste der rust, rukten hier op 30 Juni vijftig dragonders binnen, die in de kazerne werden ingekwartierd. Daar men voor de paarden geene plaats had, werden drie benedenzalen van dit gebouw tot stallen ingericht. Dit gebruik der kazerne zou waarschijnlijk zijn bestendigd, zoolang de dragonders hier verblijf hielden, had niet een regeeringsbesluit daarin verandering gebracht. In Januari 1848 deelde de Minister van Oorlog mede, dat Leeuwarden was aangewezen als garnizoensplaats voor den staf en twee escadrons lanciers van het 2e regiment, die met Mei hier hunnen intocht zouden doen. Deze aankondiging, hoewel met vreugde ontvangen, bracht het Stedelijk Bestuur in moeilijkheid. Wel was de kazerne voldoende voor het aantal manschappen, doch er moest ijlings eene stalling voor ongeveer 240 paarden worden gebouwd, opdat deze tegen den bepaalden tijd gereed zou zijn. Bij de goedkeuring der hiervoor vereischte belangrijke uitgave, die op fl. 37.000 werd geraamd, gaven de Gedeputeerde Staten den Raad in ernstige overweging, om vooral eerst uitdrukkelijke zekerheid te verkrijgen, dat deze maatregel van blijvenden aard zou zijn, doch met het oog op de korte tijdsruimte, gunden Burgemeester en Wethouders de aanbesteding van dit werk, waartoe vroeger voor den Raad was besloten, reeds voordat zij het antwoord der Gedeputeerde Staten aan den Raad hadden voorgelegd. Deze vereenigde zich ten slotte, doch onder protest, met de daad van het Dagelijksch Bestuur, en de bouw van den cavaleriestal ging door. Den 1sten Juli van dat jaar werden de paarden uit de kazerne naar den nieuwen stal in den Arentstuin overgebracht, doch ... de beloofde lanciers bleven weg. Dit lag zeer zeker aan de tijdsomstandigheden: eerst moet deze ruiterij, tengevolge van de verwikkelingen in Europa in 1848, elders worden gedetacheerd, en later veroorzaakte eene bezuiniging op het budget van oorlog eene reductie der cavalerie. Zelfs werd het hier liggende escadron dragonders in 1849 naar Deventer verplaatst en door een half escadron vervangen.

De teleurstelling was groot. Doch in 1853 kwam de blijde tijding, dat Z. M. de koning Leeuwarden had bestemd tot garnizoen van den staf en het eerste escadron jagers te paard. De dragonders vertrokken en met 1 November 1853 kwamen de jagers hier binnen. Het volgende jaar werd dit garnizoen nog versterkt, zoodat de Gemeente zorg moest dragen voor de stalling van 350 paarden. Terwijl eerst de stads-turfschuur tot hulp-stal was ingericht, werd in Juni 1854 de cavaleriestal vergroot, door op het achterplein aan de Dockumer Ee nog twee gebouwen te plaatsen, waarvan het eene tot apotheek, zadelmakerij en ziekenstallen en het andere o.m. tot smederij en geweermakerij diende. Ook de rijbaan en het exercitieveld eischten verbetering. Doch, voordat de Raad, door de ondervinding voorzichtig geworden, hiertoe overging, wenschte hij eerst zekerheid te verlangen, dat Leeuwarden voortaan tot de vaste cavalerie-garnizoensplaatsen zou behooren, en stelde daarenboven voor den bouw eener nieuwe manege tot voorwaarde, dat de oude rijschool in de Groote Kerkstraat, met de daarbij behoorende stallen, door het Rijk in vollen eigendom aan de Gemeente zou worden afgestaan. De verzekering werd gegeven en de overdracht, die bij de wet moest worden geregeld, kwam op 13 December 1854 tot stand. Doch, voor dien tijd had er reeds eene vermindering der bezetting plaats gehad: in October 1854 werd de staf, het depot en een escadron der jagers naar Tilburg verlegd en bleven hier slechts twee escadrons achter. De onkosten, welke de Gemeente in dit jaar voor het vermeerderde garnizoen had gemaakt, bedroegen meer dan fl. 20.000.

Voor de blijvende twee escadrons bouwde de Gemeente, overeenkomstig de met het Rijk aangegane verbintenis, in 1856 eene nieuwe rijbaan naast den cavaleriestal, waaraan ruim fl. 24500 ten koste werd gelegd. Den 23sten December is deze ingewijd. Doch drie jaar daarna, in November 1859, werden de beide escadrons jagers wegens de hier toen heerschende koortsen, naar ’s Hertogenbosch overgebracht en zijn hier nooit teruggekeerd. Zoo heeft de Gemeente in elf jaar tijds ruim fl. 80.000 uitgegeven voor eene bedrogen verwachting!

In 1861 werden de cavaleriestal en de manege, met de overige militaire gebouwen in onderhoud en beheer aan het Rijk overgedragen. Toen de Gemeente, met het oog op de uitbreiding der gasfabriek, de oostelijke helft van den ledigen cavaleriestal in 1865 terug wenschte te ontvangen, hebben de onderhandelingen daarover twee jaar geduurd. In 1867 werd dit deel van den stal aan de Gemeente teruggegeven en vervangen door de bureaux der gemeentewerken, de werk- en berg plaatsen voor de fabricage, de turfschuur en de woning van de architect. Nadat in 1882 de genoemde bureaux naar de hoofdwacht waren over-gebracht, bouwde men op deze plaats de tegenwoordige Gemeenteschool no. 7.

Zooals boven is meegedeeld, werd de oude manege met de beide daarnaast gelegen Prinsestallen in 1854 in vollen eigendom aan de Gemeente afgestaan. Sedert 1863 wordt in de voormalige rijschool gymnastiekonderwijs gegeven. De voorste der beide stallen, op den hoek van de Groote Kerkstraat en de Doelestraat gelegen, was in 1854 reeds tot woonhuis ingericht en dient nu tot vrouwenhuis. De achterste in de Doelestraat werd in 1824 vertimmerd tot magazijn van militaire fournitures: in 1839 bracht men het kantoor van den waarborg van gouden en zilveren werken. Van een perceel in de Pijlsteeg, daarheen over, en nadat dit bureau in 1876 naar de Heer Ivo-straat, achter de woning van den toenmaligen controleur, was verplaatst, bestemde men de benedenlocatie van den ouden Prinsestal tot bureau voor vaccinatie. Nadat in 1849 de gelegenheid tot gratis enting in het stadsziekenhuis was geopend, werd dit bureau in 1859 op particulier initiatief opgericht, doch de Raad stelde daarvoor, buiten eene subsidie van fl. 100, een locaal in het stadhuis beschikbaar. Op den duur bleek dit vertrek echter minder geschikt te zijn, zoodat men in 1876 gaarnde de gelegenheid aangreep om het vaccinatiebureau in de Doelestraat te vestigen. De oude stal werd daarop in 1877 verbouwd: de grondverdieping richtte men voor de vaccinatie in, terwijl boven vergaderlocalen voor de plaatselijke schoolcommissien werden aangebracht.

In 1879 kwam hier de oprichting van een parc vaccinogene ter sprake en de voordeelen der dierlijke inenting sprongen zoo duidelijk in het oog, dat de Raad in 1882 besloot aan de Vereeniging “Het Bureau tot animale Vaccinatie” eene subsidie van fl. 700 toe te staan, en haar zoodra zij een eigen gebouw bezat, fl. 1500 voor de op-
rrichtingskosten cv n te verstrekken. Eerst in 1886 slaagde deze Vereeniging er in een geschikt locaal voor hare werkzaamheden in het Zaailand aan te koopen. De benedenverdieping van het gebouw in de Doelestraat werd weder ontruimd en dient sedert tot magazijn voor de schutterij.

 

2. Het IJkkantoor en het Kantongerecht

In 1858 had de Gemeente zeven woningen aan de Oosterkade, welk zij voor de oprichting eener handelsbeurs hier ter plaatse had aangekocht, doen afbreken. De beurs kwam echter elders tot stand en langen tijd bleef deze plek grond onbebouwd, totdat het Rijk twintig jaar later 396 c.A. van dit terrein verkreeg voor de stichting van een gebouw, dat zoowel het ijklocaal als het kantongerecht zou bevatten.

In het begin van het hier beschreven tijdvak was het ijkkantoor nog gevestigd in de woning van den arrondissementsijker, destijds den heer Stoffels, die een perceel bij de Put bewoonde en het kantoor in zijn achterhuis aan de Doorgaande Steeg hield. In 1870 werd het ijkkantoor, tengevolge van de invoering der wet betreffende de maten, gewichten en weegwerktuigen van 7 April 1869, overgebracht naar het voormalige locaal voor soepuitdeeling, achter het oude raadhuis in de Groote Hoogstraat, dat het Rijk daartoe van de Gemeente huurde. Doch dit liet in alle opzichten te wenschen over, zoodat de Regeering in 1878 besloot een ander ijkkantoor op te richten.

De voorgenomen bouw van het ijkkantoor gaf aanleiding tot de stichting van een nieuwe zetel voor het kantongerecht. Deze was in 1845 gevestigd op de bovenverdieping van de hoofdwacht, welke sedert 1863 daartoe door het Rijk van de Gemeente werd gehuurd. Toen nu de Regeering, bij het zoeken naar een geschikt terrein voor het ijklocaal, hare keus liet vallen op de open plek gronds aan de Oosterkade, was het Gemeentebestuur gaarne bereid dezen grond tegen eene billijke vergoeding af te staan, doch wenschte, voor den welstand der kade, dat dit gebouw twee verdiepingen boven den beganen grond zou worden opgetrokken. Daar het ijkkantoor, vooral ten behoeve van het ijken der gasmeters, slechts gelijkvloers kon worden aangebracht, stelde het Gemeentebestuur aan de Regeering voor om het kantongerecht naar de bovenverdieping van het te stichten gebouw te verplaatsen: hierdoor zou de Gemeente de vrije beschikking verkrijgen over de vertrekken boven de hoofdwacht, welke zij, bij de zich steeds uitbreidende gemeente-administratie, toch binnen korter of langer tijd behoefde. Dit plan vond bijval en nadat het Rijk het terrein voor fl. 3.960 had aangekocht, had de aanbesteding van het ijklocaal en het kantongerecht den 30sten September 1878 plaats. Het werk werd voor fl. 33.565 aan den aannemer Van der Veer gegund en kwam aan het eind van 1879 gereed. In den zomer van 1880 werd het gebouw in gebruik genomen.

Gelijkvloers vindt men het ijkkantoor voor den ijk en herijk der maten en gewichten. Hierin treft men ook afdeelingen voor het ijken van weegwerktuigen en gasmeters aan. Sedert eenige jaren worden deze toestellen hier niet meer geijkt en heeft men een gedeelte van het locaal voor het ijken der weegwerktuigen tot wederopzeggens toe daarvan afgenomen, om tot een bureau voor den ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het kantongerecht te worden ingericht.

Het kantongerecht, dat geheel van het ijkkantoor is afgescheiden en zijn ingang in den noordelijken muur heeft, terwijl de deur van het ijklocaal in het front staat, is op de eerste verdieping van het gebouw gelegen. Het bevat buiten de kantonrechterskamer, de vertrekken voor de griffie en het bureau van den ambtenaar van het Openbaar Ministerie, eene ruime zittingszaal, eene wachtkamer en de woning van de concierge.

Het gebouw ligt aan drie zijden aan de openbare straat, n.l. aan de Oo(s)terkade, Droevendal en de Gedempte Keizersgracht en is, met zijn keurigen gevel, een sieraad voor deze kade.

 

3. De Bijzondere Strafgevangenis

Sedert het tuchthuis in 1821 tot een van ’s Rijks grootste gevangenissen werd bestemd, is deze inrichting een voorwerp van bestendige zorg voor de Regeering geweest. Het heeft in de laatste helft der 19e eeuw herhaaldelijk verbouwingen ondergaan, zoodat er thans van het voormalige blokhuis niets meer is overgebleven. In 1859 werd het oude cellulaire gedeelte der gevangenis langs de Keizersgracht afgebroken en stichtte men op nagenoeg dezelfde plaats een nieuwen cellenvleugel, waarbij tevens een ander militair wachthuis werd gebouwd op het voorplein voor de fraaie hoofdpoort. Doch de zekerheid, welke het overige gedeelte van het tuchthuis aanbood, liet blijkbaar te wenschen over, daar het in Juni en in October van 1868 aan eenige gevangenen gelukte uit het gebouw te ontsnappen, tot groote ontsteltenis der bevolking van Leeuwarden en omstreken. Dit noopte de Regeering het oude blokhuis geheel af te breken en eene nieuwe gevangenis te stichten, waarvan de gebouwen, in een vierkant geplaatst, eene groote binnenruimte omsluiten, welke door een middenvleugel, evenwijdig aan het front van het noorden naar het zuiden loopend, in twee pleinen wordt verdeeld. Deze verbouwing, die van 1870-1876 heeft geduurd en waaraan ruim 390.000 gld. ten koste werd gelegd, is in drie gedeelten uitgevoerd. Bij het eerste verdwenen o.m. het eigenlijke blokhuis met zijn somberen gevel, dat den vooruitspringenden linkervleugel van het gebouw vormde en sedert 1824 als woning van den commandant dienst deed, de toren, de monumenteele hoofdpoort en het militaire wachthuis. Dit werk omvatte den bouw der alcovenzalen, die in den zuidelijken vleugel langs de stadsgracht zijn aangebracht, en het kommandantshuis, de poort en de militaire wacht, met de daarboven gelegen bestuurskamers, welke het middengedeelte van het front der gevangenis uitmaken. Bij het tweede ontstonden: de nieuwe middenvleugel, die thans beneden tot ziekencellen, vertrekken voor den huisdienst uitmaken en bergplaatsen, en boven tot verblijfzalen en administratiebureaux is ingericht: de strafcellen, welke dezen vleugel met het alcovengebouw verbinden: de zuidelijke vleugel, in het verlengde van den alcovenbouw, welke tot bad- en waschlokalen en tot smidswerkplaats dient; de noordelijke vleugel, achter het cellengebouw, waarin de kerk is gelegen en eindelijk de brug over de gracht, voor de hoofdpoort. Het laatste gedeelte betrof ten slotte den bouw van den oostelijken vleugel, waarin o.m. de keukens, het verblijf voor de gevangenen die levenslang zijn opgesloten en bureaux gevestigd zijn. Hierbij werd tevens de zuidelijke vleugel met eenige vertrekken voor de uitoefening van bedrijven verlengd.

Zoo was in 1876 de geheele gevangenis vernieuwd, met uitzondering van het cellulaire gedeelte in den noordelijken vleugel, dat eerst in 1859 was opgebouwd. Doch ook dit werd eerlang afgebroken en op nieuw opgetrokken, ten gevolge van het Koninklijk Besluit van 11 Juni 1886, waarbij Leeuwarden werd aangewezen tot strafgevangenis voor militairen. De hierdoor noodzakelijk geworden uitbreiding der cellulaire gevangenis had plaats van 1892-1894 en kostte ruim fl. 80.000.

Treedt men thans door de hoofdpoort de gevangenis binnen, dan ziet men op het voorste plein links de muren der cellulaire wandelplaats en rechts die van den tuin van den commandant, waarachter het alcovengebouw ligt. Gaan men daarop de poort van den middenvleugel door, dan komt men op het tweede binnenplein langs de met hekken afgeschoten wandelplaatsen der niet cellulaire gevangenen. Zoo bereikt men eene deur in het achtergebouw: opent men deze, dan bevindt men zich tegenover mden muur, die het huis van bewaring van het terrein der straf-
gevangenis afscheidt. Beide inrichtingen staan geheel op zich zelf, slechts hebben zij eene gemeenschappelijke keuken. Een poortje aan de zuidzijde van den muur omsluit voor het College van Regenten, dat over beide gevangenissen is gesteld, den toegang van de strafgevangenis naar het huis van bewaring.

 

4. Het Huis van Bewaring

Het huis van burgerlijke en militaire verzekering, zooals het vroeger genoemd werd, was sinds 1824 in de canselarij gevestigd. Toen men echter dit gebouw wenschte te bestemmen tot bergplaats van de archieven en van de bibliotheek der Provincie, moest deze gevangenis naar eene andere plaats worden overgebracht. Men besloot daartoe een nieuw gebouw te stichten op het oostelijk deel van het terrein der strafgevangenis. Hier stonden eenige weeflocalen, die afgebroken werden en in 1889 begon men met den aanbouw van deze inrichting, welke ongeveer een ton heeft gekost.

Vóór het huis van bewaring, waartoe eene brug over de Keizersgracht toegang verleent, liggen de cipierswoning en het administratiegebouw, dat door eene gang met deze gevangenis is verbonden. Rechts van deze gang vindt men het cellulaire gedeelte met de cellulaire wandelplaats, links, de vertrekken voor de in gemeenschap zittende gevangenen, met bijbehoorende wandelplaats. Hierachter staat de kerk. Op de eerste verdieping van het gebouw liggen o.m. de kamers voor gegijzelden, de pistole, de bibliotheek en de kamer van den onderwijzer; op de tweede verdieping de vrouwenafdeelingen en de ziekenzalen en -cellen. Het gebouw kwam en in April 1891 gereed en werd spoedig daarna in gebruik genomen.

Het complex van gebouwen, gevormd door de strafgevangenis en het huis van bewaring, is aan de vier zijden door grachten omgeven en ligt als een sterk kasteel in de kom van onze rustige stad.


Terug