Het bestuur der stad Leeuwarden heeft sedert de instelling van het koninklijk steeds zeer veel voor het openbaar onderwijs gedaan. Bij den aanvang van het hier behandelde tijdperk bestonden er van stadswege niet minder dan eene Latijnsche school, twee Fransche kost- en dagscholen, twee burgerscholen, vier tusschenscholen, drie armenscholen, eene Israelitische armenschool en eene bewaarschool, benevens eene teekenschool voor burgelijke bouwkunde en handteekenen en eene muziekschool. Het lager onderwijs stond hier dan ook op zoo hoogen trap, dat Leeuwarden in dit opzicht boven vele andere steden in ons land uitblonk.

En toch, welk een afstand scheidt het tegenwoordig onderwijs niet van het toenmalige ! Overtuigd, dat de opvoeding der jeugd een harer eerste plichten is, heeft de Gemeente in de laatste halve eeuw schatten ten koste gelegd aan de stichting en uitbreiding der schoolgebouwen en aan de verbetering van het onderwijs. Thans bestaan hier naast het stedelijk gymnasium, de Rijks hoogere burgerschool, de middelbare school voor meisjes en de burger-avondschool, twaalf openbare scholen voor lager- en meer uitgebreid lager onderwijs, zes gymnastiekscholen en zes bewaarscholen, benevens acht bijzondere scholen. De inrichtingen van onderwijs zijn in lateren tijd nog vermeerderd met eene ambachtsschool en eene industrieschool voor meisjes. Daarentegen is de bovengenoemde muziek-school in het jaar 1847 gesloten en moest de druk bezochte teekenschool in zelfs eens het jaar 1867 plaats maken voor de burger dag- en avondschool, terwijl de stedelijke Israelitische armenschool in 1860 werd opgeheven.

Een overzicht te geven van de ontwikkeling van het onderwijs over de laatste zestig jaar valt buiten het bestek van dit werk, daar dit uitsluitend bepaalt tot de historische plaatsbeschrijving van Leeuwarden en daardoor tot de geschiedenis der schoolgebouwen beperkt moet blijven. Wij vangen deze aan met:

 

1. Het Hooger Onderwijs


Het Gymnasium

De Latijnsche school, de oudste inrichting van onderwijs hier ter stede, was in 1846 gevestigd in het gebouw der tegenwoordige burger-avondschool op den hoek van de Bagijnestraat en de Bollemanssteeg. Toen in genoemd jaar, het onderwijs op deze school ook werd uitgestrekt over de nieuwe talen, verkreeg zij den naam van stedelijk gymnasium. Deze uitbreiding van het onderwijs maakte eene ver-meerdering van schoollocalen gewenscht, doch de poging der curatoren om de beide op de eerste verdieping van het gymnasium liggende teekenzalen voor dit doel te verkrijgen, leden schipbreuk. In 1867 werd de teekenschool opgeheven. De daardoor vrijvallende ruimte kwam echter niet aan het gymnasium ten goede, doch werd integendeel oorzaak, dat deze inrichting voor hooger onderwijs uit haren alouden zetel, dien zij sinds 1625 had ingenomen, verdreven en in het verlaten gebouw der burgerschool voor jongens ondergebracht werd. De laatste was n.l. met 1 Januari 1868 opgeheven en het gemeentebestuur vatte het plan op om dit schoolgebouw in De Zak, dat in 1834 op de plaats der vroegere kazerne was opgericht, thans de bestemmingen voor de pas in het leven geroepen burger dag- en avondschool. Doch, daar de leerlingen dezer school ook gebruik zouden moeten maken van de teekenlocalen in het gymnasium, besloot de Raad de burger dag- en avondschool in het gebouw aan de Bollemanssteeg, en het gymnasium in dat in De Zak te vestigen. De curatoren moesten zich wel bij deze verwisseling van localiteit neerleggen, daar het gymnasium, ten gevolge van de afwachting, waarin men ten opzichte van het hooger onderwijs verkeerde, zeer weinig bezocht werd. Zoo telde het in 1875 slechts 15 leerlingen, waarvan 5 toehoorders, terwijl dit aantal in de beide vorige jaren niet meer dan 12 bedroeg.

De wet op het hooger onderwijs van 28 April 1876 heeft in dezen kwijnenden toestand eene gunstige verandering gebracht. Met 1 Januari 1879 werd het oude gymnasium opgeheven en een nieuw gesticht, overeenkomstig de bepalingen der zooeven genoemde wet en de daaruit voortvloeiende nadere wetten en besluiten. Frisch, jong leven trok door den ouden stam: het gymnasium van Leeuwarden, dat thans de mededinging der Latijnsche school van Dokkum niet meer te duchten had, geraakte tot nieuwen bloei. De uitbreiding der leervakken en de snelle toename van het aantal leerlingen, dat in 1879 reeds 55 en in 1880, 83 bedroeg, maakte eene vermeerdering van schoollokalen noodzakelijk, zodat het gymnasium voorloopig met 1 Januari 1879 gehuisvest werd in het schoolgebouw op het Tournooiveld, dat kort te voren door de gemeenteschool no. 2 was ontruimd. Deze localiteit was echter geenszins voldoende en reeds dadelijk nam de Raad dan ook de stichting van een nieuwe school in overweging. Den 25sten Maart 1880 werd tot den bouw besloten: het gymnasium zou worden opgericht op de open plek gronds tusschen de infirmerie en de Reijndersbuurt, ten westen van de Arentstuin.
Snel sloeg men de handen nu aan den arbeid: den 12en Mei werden de fundeeringen voor fl. 5.225, en den 31sten Juli het gebouw zelf voor fl. 32.685 aanbesteed. Zoo kwam het gymnasium voor den cursus 1881/82 gereed en werd den 1sten September 1881 plechtig geopend. Het gebouw, dat nagenoeg vierkant is, bevat buiten de schoollocalen en de zaal voor natuur- en scheikunde, afzonderlijke vertrekken voor den rector, de docenten, den concierge en de curatoren, terwijl de Gemeente in 1881 voor fl. 1.800 eene woning voor den concierge op Reijndersbuurt aankocht. Het gymnasium is door een kleine tuin omgeven en ligt rustig in den parkaanleg van den Arentstuin.

Door de reorganisatie van het onderwijs nam het aantal leerlingen daarmate toe, dat de ruimte, welke het nieuwe gebouw aanbood, binnen enkele jaren te klein werd. Toen dit getal in 1889 tot 133 was gestegen, besloot de Raad het gymnasium met vier nieuwe localen te vergrooten, welk werk voor fl. 12.890 werd aangenomen. De nieuwe aanbouw, die een afzonderlijken hoofdingang heeft, is door eene korte gang met het oorspronkelijke gebouw verbonden.

Doch de bloei van het gymnasium was niet bestending. Bijna overal in Nederland openbaart zich in de laatste jaren het verschijnsel, dat de gymnasia minder bezocht worden, hetgeen men grotendeels aan de verandering van den tijdgeest toeschrijft. Ook het Leeuwarden gymnasium deelt in dezen achteruitgang en toen het Rijk in 1897 eene landbouw-winterschool in deze Gemeente wenschte op te richten, stelde de Raad de aan het gymnasium bijgebouwde localen, met de schoolmeubelen, voor dit onderwijs beschikbaar. Sedert 1899 wordt hier ook tuinbouwkunde onderwezen. Thans, in 1906, telt het gymnasium 66 leerlingen.


2. Het Middelbaar Onderwijs

De Rijks Hoogere Burgerschool

Na de uitvaardiging van de wet op het middelbaar onderwijs van 2 Mei 1863, waarbij o.m. bepaald werd, dat er minstens vijftien Rijks hoogere burgerscholen in ons land zouden worden opgericht, wendde de Regeering zich tot het Gemeente-
bestuur van Leeuwarden met de vraag, of, indien deze Gemeente de vestiging van een dezer scholen in hare kom gewenscht achtte, zij daarvoor een doelmatig gebouw aan het Rijk ter beschikking wilde stellen. Gaarne ging de Raad op dit voorstel in en besloot den 3en December 1863 de Fransche dag- en kostschool voor jonge heeren tot dit doel aan te bieden. Deze inrichting toch zou bij de vestiging eener Rijks hoogere burgerschool als gemeenteschool vervallen.

Bedoelde localiteit voldeed echter geenszins aan de eischen, die het middelbaar onderwijs stelde en daar eene verbouwing, bij groote onkosten, toch niet tot een gunstig resultaat kon leiden, is er aan dit plan geen gevolg gegeven. Doch de tijd drong: de Regeering had n.l. verklaard de Rijks hoogere burgerscholen op te zullen richten in die gemeenten, welke daartoe de meest aannemelijke voorstellen deden, en toen ook een verzoek aan Z.M. den Koning om het Koninklijk Paleis tijdelijk
ten behoeve van het middelbaar onderwijs te mogen gebruiken, was afgewezen, tastte de Gemeenteraad door en besloot den 25sten Augustus 1864 tot de stichting van een geheel nieuw gebouw. Na eenige aarzeling bestemde men daartoe een terrein, gelegen tusschen het Zaailand en het bolwerk. Eene reeks van elf kleine huisjes werd tot dit doel voor fl. 12.000 van de Wed. Soeting aangekocht en in November van genoemd jaar had de aanbesteding van de afbraak dezer woningen en den bouw der school voor fl. 62.547 plaats. Het Rijk verstrekte hiertoe eene Subsidie van fl. 10.000. In 1866 werd de school, die nog in eigendom aan de Gemeente behoort, in onderhoud en beheer aan het Rijk overgedragen.

Oorspronkelijk bevatte het gebouw, buiten de localen voor bepaalde leervakken, zeven schoolvertrekken, benevens de kamers voor den directeur en de docenten en de woning van den concierge. Aan de zuidzijde bevindt zich een botanische tuin, die vroeger aan het in plantsoen herschapen bolwerk grensde. Toen, bij den aanleg der Willemskade, de stadswal werd afgegraven, en de Raad het daardoor opengevallen terrein achter den tuin der school in drie bouwperceelen wilde verkoopen, ging het Rijk in 1870 eene ruiling van grond met de Gemeente aan, waarbij deze het aan den Staat toebehoorende stuk land verkreeg, waarop thans de Sophialaan ligt en het Rijk in het bezit werd gesteld van de strook gronds, welke den tuin der hoogere burgerschool van de kade scheidde. Dit terrein is bij den tuin getrokken, welke daardoor zoo ruim werd, dat de later noodzakelijk geworden uitbreidingen van het schoolgebouw daarin gemakkelijk uitgevoerd konden worden, zonder den fraaien hof aanmerkelijk te schaden.

In den aanvang van September 1867 werd de Rijks hoogere burgerschool, onder directie van professor dr. C.P. Burger, met 58 leerlingen geopend. Het schoolbezoek nam zoo snel toe, dat eene vermeerdering van schoollocalen weldra noodig werd. Nadat in 1874 het gymnastieklocaal, dat in het zuidoostelijk gedeelte van den tuin is geplaatst en een uitgang heeft op de Willemskade, aan het gebouw was toegevoegd, werd in 1875 eerst een der beide groote teekenzalen in twee schoolvertrekken hervormd; tien jaar later ging men er toe over den oostelijken vleugel uit te breiden, waardoor er twee nieuwe localen ontstonden, en eindelijk, in 1902, paste men denzelfden maatregel op den westelijken vleugel toe. Het aantal leerlingen was dan ook in dat jaar tot 235 gestegen. Den eersten November 1892 trad de heer Burger als directeur der school af en werd opgevolgd door dr. Ariens Kappers, die thans nog aan het hoofd dezer inrichting staat.

De Middelbare School voor Meisjes

Het gebouw, waarin thans de middelbare school voor meisjes gevestigd is, heeft vroeger jaren lang dienst gedaan als Fransche dag- en kostschool voor jonge juf-vrouwen. In 1828, na het vertrek van den kostschoolhouder, den heer
L.M.A. Waubert de Puiseau, werd de stad voor fl. 7.000 eigenares van dit huis. Het werd in 1846 geheel vernieuwd. Ten behoeve van deze verbouwing kocht het Stedelijk Bestuur drie kleine perceelen in de Rochebrunesteeg aan, waarvan het eene bij de school getrokken en de beide andere geslecht werden om den tuin te vergrooten. Voor dit laatste doel verkreeg de Gemeente in 1848 en in 1874 ook de overige woningen in deze nauwe steeg, zoodat de mooie tuin achter de school thans slechts door een ringmuur daarvan is gescheiden.

De Fransche school nam onder Mejuffrouw R. Plaat, die in 1859 Mejuffrouw Cox als hoofd dezer inrichting was opgevolgd, snel in bloei toe en het aantal leerlingen groeide zoo aan, dat in 1870 eene uitbreiding van deze localiteit dringend noodig werd. De vraag was destijds echter reeds gerezen, of men het onderwijs, aan deze school verstrekt, niet in den geest van het middelbaar onderwijs zou kunnen reorganiseren, waarmede eene geheele verandering der inrichting en wellicht de opheffing der kostschool gepaard zou gaan. Daar men op dit punt nog niet tot klaarheid was gekomen, besloot de Raad de oogenblikkelijk benoodigde ruimte te vinden door het aanbrengen eener geringe verbouwing en door eene wijziging in de bewoning van het huis. Bij de vergrooting der localiteit in 1846 was er n.l. aan de westzijde van het hoofdgebouw eene woning van eene verdieping bij de school getrokken om tot eetzaal te dienen. Deze werd thans op de gevelhoogte van het gebouw gebracht en de daardoor gewonnen ruimte tot eene slaapzaal ingericht. Twee bestaande slaapvertrekken werden daarop tot schoollocalen aangewezen, waardoor men opnieuw plaats voor 50 leerlingen verkreeg. Dit werk, waartoe nog eenige andere kleine veranderingen behoorden, werd in den zomer van 1870 voor fl. 2.870 uitgevoerd.

Korten tijd daarna nam het Gemeentebestuur het voorstel tot oprichting eener middelbare school voor meisjes te Leeuwarden in ernstige overweging. De wet van 1863 toch kende slechts Rijks hoogere burgerscholen voor meisjes hetzij aan Provincie of Gemeente, of aan particulier initiatief over. Het is hier de plaats niet de vele discussien, welke zoowel over het tot stand komen, als over de organisatie van dit onderwijs zijn gevoerd, na te gaan. Zij hebben daartoe geleid, dat de Raad den 14e Januari 1875 besloot tot de stichting eener middelbare school voor meisjes met vijfjarigen cursus en tot de oprichting eener school voor meer uitgebreid lager onderwijs voor meisjes, in aansluiting aan het middelbaar onderwijs. Hierbij werden tevens de gemeentescholen nos. 1 en 3, n.l. de voormalige Fransche dag- en kostschool voor jonge jufvrouwen en de burgerschool voor meisjes opgeheven.

Spoedig daarop had de verbouwing der oude kostschool in de Groote Kerkstraat plaats. Men legde hieraan ruim fl. 4.800 ten koste. De vertrekken, die vroeger tot woning der kostschoolhouderes gediend hadden, werden nu bij de schoolruimte in eene zaal voor het onderwijs in de natuur- en scheikunde hervormd, terwijl op de eerste verdieping de localen voor hand en natuurteekenen werden aangebracht. De concierge kreeg zijne woning binnen het gebouw. Tijdens deze restauratie heeft men den September 1875 geopenden cursus in het Koninkrijk Paleis gegeven, dat daartoe welwillend door Z. M. Koning Willem III was afgestaan. Den 13en Februari 1876 kon het gebouw in de Groote Kerkstraat worden betrokken.

De middelbare meisjesschool, die bij den aanvang meer dan 100 leerlingen telde en zich lang op deze hoogte heeft gehandhaafd, genoot eerst eene subsidie van het Rijk, ten bedrage van fl. 5.000, daar het onderwijs aan deze inrichting geheel in overleg met de Regeering was geregeld. Op 1 October 1885 werd deze bijdrage echter ingetrokken. Sedert eenige jaren is het aantal leerlingen dezer school aanmerkelijk gedaald, (in 1906 bedroeg het 72) zoodat thans eene reorganisatie van het onderwijs wordt voorbereid.


De Burger Dag- en Avondschool

De wet op het middelbaar onderwijs droeg in hare artikelen omtrent de instelling van burger-, dag-, en avondscholen zorg voor de opleiding van aanstaande ambachtslieden en landbouwers. Zij bepaalde, dat deze scholen in elke Gemeente van meer dan 10.000 zielen voor den 1sten Mei 1869 opgericht moesten worden, onder bijvoeging, dat, indien de avondschool alleen reeds in de behoefte eener Gemeente voorzag, deze tijdelijk ontheffing kon verkrijgen van de stichting der burger-dagschool.

De Raad der Gemeente Leeuwarden besloot daarop in 1867 tot de oprichting van beide scholen. Onder de vakken, welke volgens de wet op deze scholen moesten worden onderwezen, behoorde ook het hand- en rechtlijnig te teekenen. Dit was oorzaak, dat de Gemeente met 1 October 1867 de hier bestaande en druk bezochte teekenschool ophief en had tevens ten gevolge, dat de keuze van het locaal, waarin burger-dag en avondschool gevestigd zou worden, op het oude gymnasium viel. Bij de hernieuwing der Latijnsche school in 1830 waren n.l. op de eerste verdieping van dit gebouw de beide stads-teekenzalen aangebracht en daar het gymnasium slechts weinig leerlingen telde en men van de burger-dag en avondschool de beste verwachtingen koesterde, moest thans het hooger onderwijs voor het middelbaar onderwijs wijken. Het locaal op den hoek van de Bollemanssteeg en de Bagijnestraat bevatte buiten de twee genoemde teekenzalen, drie leervertrekken, waarvan er een tot laboratorium werd ingericht, en eene curatorenkamer, welke tot directeurskamer werd bestemd. Daar men nog ruimte wilde uitwinnen voor eene instrument-, eene boetseer- en eene modelkamer, zijn bij de verbouwing dezer school, welke den 25sten Juli 1868 voor fl. 8.500 werd aangenomen, de beide teekenzalen naar de zolderverdieping overgebracht, terwijl er een vertrek voor den concierge in de ruime bergplaats voor turf werd gemaakt.

De burger-dagschool werd op 1 September 1868, de avond-school op 4 Januari 1869 geopend. Daar er van de voormalige teekenschool ook door zoovele ouderen gebruik was gemaakt, die niet in de termen vielen om den geheelen cursus der avondschool te volgen, bood men in eene voortgezette klasse dezer school ook aan niet-leerlingen de gelegenheid aan om ’s avonds teeken-onderwijs te ontvangen.

De dagschool, die als eene voorbereiding voor de avondschool werd beschouwd, is nimmer tot grooten bloei geraakt: zij heeft nooit meer dan een vijftigtal leerlingen geteld. Reeds spoedig bleek n.l. dat de jongens, die zich op een ambacht wilden toeleggen, ander onderwijs nodig hadden, dan hun op de dagschool werd verstrekt: de praktijk ontbrak. Dit gaf, zoowel in Leeuwarden als in andere steden van ons land, aanleiding tot de stichting van ambachts-scholen, waar de leerlingen zich practisch konden bekwamen. Daardoor werd de burger-dagschool langzamerhand door eene andere categorie van jongelieden bezocht, dan door de wet was bedoeld en reeds in 1882 gingen er stemmen op om deze school te reorganiseren in eene hoogere burgerschool met driejarigen cursus. Zij heeft te Leeuwarden echter nog lang haar bestaan gerekt: eerst bij het Koninklijk besluit van 28 October 1903 werd aan deze Gemeente ontheffing verleend van de verplichting tot het in stand houden dezer school. In de leemte, daardoor in het onderwijs ontstaan is, voorzien door de oprichting eener nieuwe gemeenteschool voor herhalings- en voortgezet lager onderwijs.

Ook de burger-avondschool had in den loop der jaren niet aan het doel, dat men zich daarvan had voorgesteld, beantwoord. Dt lag vnl. aan de misvatting, dat de avondschool een voortzetting van de dagschool zou zijn, terwijl zij tevens werd opengesteld voor jongens, die een getuigschrift konden overleggen, dat zij de lagere school met vrucht hadden doorloopen. Deze laatsten, die gewoonlijk in twee jaar geen onderwijs hadden genoten, kwamen daardoor in eene klasse met de welvoorbereide oud-leerlingen der dagschool, wat niet weinig belemmerend op het onderwijs werkte. Toen de burger-dagschool was opgeheven, onderging de avondschool eene geheele reorganisatie. Het nieuwe reglement dan den 26sten Juli 1904 door den Raad werd vastgesteld, beperkte het onderwijs aan deze school met tweejarigen cursus tot de beginselen der Nederlandsche taal, de wiskunde en het hand- en rechtlijnig teekenen. Voorloopig is deze inrichting nog in het oude gebouw gehuisvest, doch in het najaar van 1907 zal zij worden overgebracht naar de nieuwe ambachtsschool.

 

 

De Ambachtsschool

Zooals in het vorige hoofdstuk reeds werd medegedeeld, liet de opleiding der ambachtslieden aan de burger-dagschool, welke vnl. ten behoeve van deze leerlingen was ingesteld, veel te wenschen over, daar zij hun geene gelegenheid tot practische oefening gaf. Om in deze leemte te voorzien, wendde een vijftal corporatien, n.l. het Departement Leeuwarden der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, de Spaarbank, het St. Anthony-Gasthuis, Nijverheid en de Provinciale Friesche Werklieden Vereeniging, zich den 8sten November 1875 tot den Raad met het verzoek om hetzij van gemeentewege eene theoretische en practische ambachtschool in eene zoodanige inrichting te willen hervormen. Om elkaar volledig aan te vullen behoorden theorie en practijk toch op een en dezelfde school te worden onderwezen, onder leiding van een directeur, die, bij theoretische vorming, tevens bekend was met de eischen der praktijk. Zij boden den Raad, als tegemoetkoming in de kosten, dadelijk eene som van fl. 35.000, en voor de eerstvolgende tien jaren daarenboven eene jaarlijksche bijdrage van fl. 650 aan.

Dit voorstel werd in ernstige overweging genomen. Talrijke adviezen werden uitgebracht, doch, ofschoon men het over het nut deze instelling eens was, kon men niet tot overeenstemming geraken over de wijze van oprichting van eene ambachtschool in verband met de bestaande burger-dagschool. Den 12en April 1877 stelden Burgemeester en Wethouders den Raad voor het gedane aanbod aan te nemen, indien de Regeering de Gemeente wilde ontbellen van de instandhouding der dagschool. Na lange discussien besloot de Raad, overtuigd dat eene poging tot verkrijging van vrijstelling toenmaals geheel vruchteloos zou zijn, den 24sten October 1878 eindelijk het gedane aanbod van de hand te wijzen en van gemeentewege geen ambachtsschool op te richten. De overwegingen hadden drie jaar tijds gekost!

De voorstanders der ambachtsschool lieten de zaak daarbij echter niet rusten. Zij besloten thans een practische ambachtsschool met driejarigen cursus op eigen initiatief te stichten, doch vroegen daartoe de medewerking van het Gemeentebestuur. Deze werd ruimschoots verleend. Den 22sten April 1880 stond de Raad aan de vereeniging “de Ambachtsschool” eene jaarlijksche subsidie van fl. 2.000 toe en gaf haar de vrije beschikking over de verlaten gemeenteschool no. 8 in de Speelmanstraat, met de daaraan verbonden onderwijzerswoning en tuin. Daar dit pand geheel bouwvallig was geworden, deelde de Gemeente tevens nog voor fl. 6.472 in de kosten der restauratie, die in September 1880 voor fl. 10.425 werd aangenomen. Het nieuwe locaal bevatte o.m. een timmerwinkel, eene smederij, eene meubelmakerij en twee tekenzalen. Het theoretisch onderwijs zou aan eene door de Gemeente opgerichte herhalingsschool met driejarigen cursus worden verstrekt.

Den 2en April 1881 werd de ambachtsschool door den voorzitter der vereeniging, Mr. E. Attema, geopend. Aan den eersten cursus namen 42 leerlingen deel. Het bleek wel, dat deze inrichting aan eene bestaande behoefte voldeed, want dit getal was het volgende jaar reeds tot 69 geklommen. Daar de beschikbare ruimte daardoor geheel was ingenomen en het voor de hand lag, dat het schoolbezoek nog zou toenemen, wanneer ook de derde klasse in werking trad, moest men tot de uitbreiding van het gebouw overgaan. Opnieuw wendde de vereeniging zich tot den Raad, die daarop bereidwillig een aan de school grenzend perceel in het Krommejat, dat tot bergplaats van onbruikbaar materiaal diende, in beheer en onderhoud aan de ambachtsschool afstond en terwijl hij zijne jaarlijksche subsidie tot fl. 4.000 verhoogde, tevens fl. 6.000 beschikbaar stelde voor de verbetering van dit gebouw. De vereeniging zelve had reeds drie kleine huisjes, welke het licht in het nieuwe speelplaats met daardoor vrijvallend terrein vergroot. De verkregen ruimte werd gebruikt voor de uitbreiding der smederij en het aanbrengen van een tweeden timmerwinkel en eene nieuwe teekenzaal.

De bloei der ambachtsschool bleef bestendig. In 1892 had er eene reorganisatie van het onderwijs plaats. Bij de opheffing der herhalingsschool in dat jaar werd n.l. eindelijk de wensch der vereeniging vervuld, dat het practisch en het theoretisch onderwijs aan deze inrichting zouden samengaan, terwijl tevens ook het schilderen zouden samengaan, terwijl tevens ook het schilderen onder de leervakken werd opgenomen. Eene uitbreiding der school was daarvan het noodzakelijk gevolg. Den 7en Mei 1892 stond de Gemeente daartoe een belendend perceel, - een voormalig schoolgebouw in de Speelmanstraat, met uitgang op het Krommejat, - aan de vereeniging af, onder voorbehoud van het recht van naasting, indien de ambachtsschool eens mocht worden verplaatst. De verbouwing van dit locaal werd voor fl. 16.500 aangenomen.

Twee jaar daarna moest de school opnieuw worden vergroot: voor het aanbrengen van eene tweede smederij kocht het bestuur een aangrenzend pand aan, dat voor fl. 4.467 in gereedheid werd gebracht. Doch hierbij bleef het niet. De toevloed van leerlingen aan deze inrichting werd steeds grooter; terwijl de cursus van 1901/1902 151 leerlingen had geteld, moesten er in 1902 73 jongens wegens gebrek aan plaatsruimte worden afgewezen. Opnieuw verkreeg de vereeniging een naastgelegen terrein voor de uitbreiding van het gebouw, doch bij het maken der plannen bleek het, dat voor eene doeltreffende verbetering van het bestaande en de oprichting van het nieuwe lokaal, fl. 100.000 werd vereischt, eene som, welke de finantieele draagkracht der vereeniging verre te boven ging.

In dezen nood kwam het bestuur van het St. Anthony-Gasthuis ter hulp. Getrouw aan zijn devies “ter voorkoming van armoede”, waartoe het onderwijs aan de ambachtsschool zoo krachtig meewerkt, stelden de voogden op 13 November 1902 fl. 125.000 beschikbaar voor de stichting van een geheel nieuw gebouw, dat ruimte voor minstens 300 leerlingen zou aanbieden. Door deze vorstelijke gift, die zoozeer getuigt van den zin der schenkers voor de bevordering der volkswelvaart, zag het bestuur der ambachtsschool zijn stoutste verwachtingen overtroffen. Nu kon men de nieuwe ambachtsschool op onbekrompen wijze inrichten ! Den 31sten Januari 1903 kocht de vereeniging voor fl. 12.500 eene plek gronds ter grootte van ruim 41 are aan, welke deel uitmaakte van de door de Gemeente in exploitatie gebrachten bouwterreinen ten noorden van het Nieuwe Kanaal en den 26sten April 1904 werd de bouw der school voor ca. fl. 122.000 aangenomen en, naar de tekening van den directeur der gemeentewerken, den heer W. C. A. Hofkamp, onder toezicht van den heer S. Koldijk uitgevoerd. Het fraaie gebouw, dat zoowel van binnen als van buiten keurig is afgewerkt, prijkt met een torentje, waarin zich een uurwerk bevindt. De werkplaatsen zijn beneden aangebracht, terwijl de eerste verdieping voor het theoretisch onderwijs en het teekenen is ingericht. Het locaal bevat beneden: drie timmerwinkels met bergplaatsen, houtstek etc., eene schilderswerkplaats met lakkamer, eene meubelmakerij, drie smederijen, eene
machinekamer en eene metselaarswerkplaats, die in verbinding staat met het open terrein, zoodat de leerlingen ook buiten kunnen werken; - boven vindt men vijf lokalen voor lijn- en vakteekenen, twee handteekenzalen met modellenkamers, eene zaal voor natuur- en werktuigkunde en drie lokalen voor voortgezet onderwijs, terwijl op den zolder nog eene werkplaats voor het boetseeren, draaien en houtsnijden is gemaakt. Voorzeker, de stichters der ambachtsschool hadden niet kunnen vermoeden, dat hunne instelling tot zulk een bloei zou geraken.

Het nieuwe gebouw werd den 29sten April 1905 plechtig geopend. Bij deze gelegenheid werd er een gedenksteen in de vestibule onthuld, waarop de volgende inscriptie is gegrift:


“Tot een blijvend aandenken aan de grootsche gedachte en de rijke gift van het bestuur van het St. Anthony-Gasthuis alhier, waaraan de stichting van dit gebouw is te danken. Anno. 1905”.


De cursus tijdens de jaren 1906/1907 is begonnen met 231 leerlingen.


De Industrie- en Huishoudschool

Het bestuur van het St. Anthony-Gasthuis had bij de aanbieding zijner bovenvermelde schenking aan de vereeniging “de Ambachtsschool” in November 1902 de voorwaarde gesteld, dat deze de aan haar toebehoorende gebouwen in
de Speelmanstraat aan het Gasthuis zou overdragen. De voogden wenschten
n.l. deze localiteit in de eerste plaats dienstbaar te maken aan de vereeniging
“De Leeuwarder Industrie- en Huishoudschool”, terwijl een klein gedeelte daarvan zou worden ingenomen door de kinderbewaarplaats.

De eerste was den 26sten April 1902, op initiatief der vereeniging “Nijverheid” opgericht. Gaarne stond de Gemeente hare rechten op de gebouwen der ambachtsschool aan het St. Anthony-Gasthuis, en toen deze localiteit in 1905 was ontruimd, begon men onmiddellijk met de restauratie. De uitslag daarvan was verrassend: de oude sombere ambachtsschool is herschapen in een keurig gebouw, waarvan de helderheid en netheid u in alles tegenblinkt. De breede gevel aan de Speelmansstraat werd geheel vernieuwd, terwijl men aan de Bontepapesteeg nog eenige huisjes afbrak, tot ver-
krijging van meer licht. De nieuwe school bevat dertien localen, waaronder twee frissche, ruime keukens, een strijk- en waschlocaal, eene huishoudkamer, vertrekken voor het handwerkonderwijs en het costuumnaaien, eene teekenzaal en een schoollocaal voor het voortgezet onderwijs. Op 10 September 1906 had de plechtige opening van de industrie- en huishoudschool plaats en kort daarna begon de eerste cursus met 137 leerlingen.

Het bestuur van het St. Anthony-Gasthuis heeft een klein gedeelte van de gebouwen der voormalige ambachtsschool en der daarbij behoorende speelplaats in bruikleen aan de kinderbewaarplaats afgestaan. Deze, in 1903 ingesteld, was eerst gevestigd in het huis bij de Put no. 12. De overbrenging naar het nieuwe locaal mag eene groote verbetering genoemd worden. De Leeuwarder industrie- en huishoudschool en de kinderbewaarplaats zijn geheel van elkaar gescheiden; de laatste heeft haren ingang aan het Krommejat.

 

3. Het Openbaar Lager en Meer Uitgebreid Lager Onderwijs


Enkele Gemeentescholen

Vergelijkt men het lager onderwijs van heden met dat, wat voor zestig jaren op de lagere scholen werd verstrekt, dan is men getroffen door den grooten vooruitgang, welke daarin heeft plaats gegrepen. Toch stond Leeuwarden in 1846 bekend om haar uitstekend openbaar lager onderwijs en stelden deskundigen het schoolwezen alhier aan andere steden ten voorbeeld. Destijds telde deze stad, buiten de beide bovengenoemde stedelijke kostscholen, reeds drie armenscholen, vier tusschenscholen, twee burgerscholen en eene bewaarschool, die alle sedert 1818 waren opgericht, n.l., in:

1818, de tweede stadsarmenschool in de voormalige Jansenistenkerk.
1822, de eerste stadsarmenschool, in den tuin der pastorie van deze kerk.
1827, de derde stadsarmenschool, in een der localen van het Nieuwe Stadsweeshuis.
1830, de eerste stadstusschenschool der 1e klasse, bij de Put.
1841, de tweede stadstusschenschool der 2e klasse, in den Boterhoek.
1841, de derde stadstusschenschool der 2e klasse, op het Vliet.
1841, de vierde stadstusschenschool der 2e klasse, op Olde-Galileen.

terwijl de burgerschool voor jongens in 1834 in De Zak en de burgerschool voor meisjes in hetzelfde jaar in het Nieuwstraatje werd gesticht. De eerste stedelijke bewaarschool dateert van 1841: zij werd tegelijk met de tweede stadstusschenschool, en in hetzelfde gebouw, opgericht.

Enkele dezer gebouwen doen thans nog als schoollocalen dienst, doch de meeste zijn afgebroken of hebben eene andere bestemming gekregen, terwijl er daarnevens nieuwe scholen zijn verrezen. Reeds hebben wij gezien, hoe de kostschool voor jonge dames in de middelbare meisjesschool is hervormd. De Fransche dag- en kostschool voor jonge heeren
was sedert 1824 gevestigd in de voormalige Schutters-Doelen op den hoek van het St. Jobsleen en het Tournooiveld. Zij werd in 1830 en in 1835 uitgebreid door den aanbouw van een paar localen in den uitgestrekten tuin, welke bij dit gebouw behoorde. Doch de inrichting dezer school bleef gebrekkig, en toen de Raad, tegengevolge van de stichting der Rijkshoogere burgerschool, den 9en Mei 1867 besloot de Fransche dag- en kostschool voor jonge heeren en de burgerschool voor jongens te vereenigen tot eene jongensschool voor lager en meer uitgebreid later onderwijs, werd het oude gebouw in 1868 ten deele afgebroken. Op het daardoor vrijvallende terrein en in den tuin der voormalige kostschool zette men eene nieuwe school voor de pas in het leven geroepen inrichting van onderwijs. Toen deze in 1877 naar het nieuwe gebouw in de St. Anthony-straat werd overgebracht, is de school aan het Tournooiveld eerst van Januari 1879 tot Juli 1881 tot gymnasium ingericht en daarop den 28sten December 1882 door den Raad tot bewaarschool aangewezen. Een gedeelte van het eigenlijke woonhuis der oude kostschool, dat in 1868 was blijven bestaan, wordt thans gebruikt als
zittingslocaal voor den stads-geneeskundigen dienst.

De eerste en de tweede stadsarmenschool bestaan sinds lang niet meer. Zooals bij de beschrijving der ambachtsschool werd vermeld, zijn deze gebouwen, destijds reeds verlaten, ten behoeve dezer inrichting door de Gemeente afgestaan en afgebroken. De derde stadstusschenschool, gevestigd in het Nieuwe Stadsweeshuis is in 1864 opgeheven, maar het daarvoor gebruikte schoollocaal heeft zijne bestemming als bijzondere school van dit weeshuis behouden. De eerste stadstusschenschool bij de Put werd, nadat zij in 1866 was vergroot, in 1874 ingericht tot gymnastieklocaal. De tweede tusschenschool, thans bekend onder den naam van gemeente school no. 9, bestaat nog steeds, doch werd in 1883 uitgebreid, waarbij de in dit gebouw gevestigde bewaarschool naar het ontruimde schoolgebouw in het Tournooiveld werd overgebracht.

De scholen, die sedert 1841 als derde en vierde stadstusschenscholen gebruikt werden, waren oorspronkelijk inrichtingen van bjizonder onderwijs geweest. In genoemd jaar nam het Stedelijk Bestuur deze over van hunne eigenaren, die tot stedelijke onderwijzers werden aangesteld, terwijl hunne schoollocalen vervolgens door de stad werden gehuurd. De eerste werd opgeheven, zoodra de Gemeente in 1865 eene nieuwe school op het Vliet stichtte; de laatste, op Olde-Galileën gevestigd, werd in 1846 door de stad aangekocht en in 1847 vergroot. Zoo heeft zij langen tijd dienst gedaan, totdat de Gemeente in 1873 een stuk land achter het oude gebouw aankocht en daarop eene nieuwe school stichtte. Toen deze in 1874 was betrokken, werd het verlaten gebouw tot een bewaarschool ingericht. Daar de localiteit echter veel te wenschen overliet, besloot de Raad in 1883 tot den bouw eener nieuwe bewaarschool, ten westen van gemeenteschool no. 8. Het oude gebouw bleef zijn bestaan nog rekken en is nog eenige jaren voor de werkverschaffing gebruikt, totdat het in 1902 werd afgebroken ten behoeve van eene uitbreiding van genoemde gemeenteschool en de verbreeding van de straat op dit punt.

Wat eindelijk de beide burgerscholen aangaat, welke in 1834 in het leven waren geroepen, die voor jongens heeft, zooals boven is meegedeeld, tot 1867 bestaan. In dit jaar werd de Fransche kost- en dagschool voor jonge heeren met deze inrichting vereenigd tot eene school voor lager en meer uit gebreid lager onderwijs, welke in het gebouw aan het Tournooiveld werd gehuisvest. De voormalige burgerschool voor jongens in De Zak deed daarop van 1868-1878 als gymnasium dienst en wordt sinds 1885 als gymnastiekschool gebruikt.

De burgerschool voor meisjes is van 1834-1876 in het Nieuwstraatje gevestigd geweest. Zij werd in 1875, ten gevolge van de oprichting der middelbare meisjesschool, gereorganiseerd in aansluiting aan het middelbaar onderwijs.
In 1876 is zij naar het nieuwe gebouw op het Hofplein overgebracht. De Gemeente bestemde daarop het ontruimde locaal tot gymnastiekschool, terwijl het in de laatste jaren dienst doet als hulplocaal voor de druk bezochte gemeenteschool no.
1 aan de Tweebaksmarkt.

Dit is, in het kort, de geschiedenis der schoolgebouwen, welke hier zestig jaar geleden bestonden. Hoe is het schoolwezen sedert eens veranderd ! De bedompte, benauwde localen van vroeger, waarin een te groot aantal leerlingen werd bijeengebracht zijn verdwenen en hebben grootendeels plaats gemaakt voor frissche, ruime, vriendelijke vertrekken, waarop de voorschriften der hygiene zoveel mogelijk zijn toegepast. Bij de invoering der wet op het lager onderwijs van 1857 bestonden hier dertien lagere scholen, waarvan acht, volgens het verslag der schoolcommissie, in zeer goeden en vijf in matigen toestand verkeerden. Doch reeds spoedig bleek het, dat hetgeen onder de vorige schoolwet als goed, ja uitstekend was erkend, verbetering en reorganisatie eischte. Krachtig heeft het Gemeentebestuur deze taak aangegrepen en steeds heeft het aan het onderwijs zijne meest nauwlettende zorgen gewijd. In de vijftig jaren welke sedert de invoering van de genoemde wet zijn verloopen, legde de Gemeente ruim een half millioen aan hare schoolgebouwen voor openbaar lager onderwijs ten koste. Elf nieuwe gemeentescholen zijn in dit tijdvak gebouwd. Een daarvan, n.l. die welke, in 1865 op de Hellingbuurt aan het Zuidvliet werd gesticht, doe nu als bewaarschool dienst, terwijl de school aan de Gedempte Zuidergracht reeds in 1855 als vierde stadsarmenschool, werd geopend. Voor de talrijke aanvragen om plaatsing boden de drie destijds bestaande armenscholen geene ruimte aan, zoodat het Gemeentebestuur in 1854 besloot tot de oprichting eener nieuwe armenschool voor 500 kinderen in het oostelijk gedeelte der stad. Daartoe kocht zij in dat jaar een huis aan, op den hoek van de Gedempte Keizersgracht en het Nieuwstraatje gelegen en liet dit, met de daaraan grenzende perceelen aan de Keizersgracht, welke door de Stads-Armenkamer gebruikt
werden afbreken. Op dit terrein ontstond de nieuwe school, die voor fl. 9.100 werd aanbesteed. Het gebouw is later herhaaldelijk uitgebreid: eerst in 1883, toen de daarnaast gelegen koemelkerij afgebroken en het vrijgevallen terrein bij de school werd getrokken, daarna in 1885, toen men net twee vertrekken aan de zuidzijde vergrootte, en eindelijk in 1895, toen zij met eene verdieping werd verhoogd, waardoor er vijf nieuwe schoollocalen aan konden worden toegevoegd. Deze voormalige armenschool is thans bekend onder den naam van gemeenteschool no. 10.

Om het schoolwezen te dezer stede in overeenstemming te brengen met de eischen, welke de wet op het lager onderwijs van 1857 stelde, besloot de Raad in 1860 tot de oprichting van twee nieuwe scholen, n.l. van eene armenschool aan het westeinde der stad en van eene tusschenschool der 2e klasse op het Vliet, ter vervanging van het gehuurde gebouw, dat als derde stads-tusschenschool dienst deed.

In het westen der stad bezat de Gemeente een sinds jaren ongebruikt terrein: het Oldehoofster kerkhof, en toen andere voor den bouw eener school aangewezen perceelen voor dit doel ongeschikt bleken te zijn, besloot de Raad de nieuwe school op deze voormalige begraafplaats op te richten. Zoodra de Koninklijke goedkeuring daartoe was verleend, ging men tot dit werk over, dat den 15en Maart 1862 voor fl. 17.000 werd aanbesteed. Deze school, thans een gemeenteschool no. 5, is sedert 1878 gedurig verbeterd; locaal voor locaal werd opgebroken, uitgegraven en opnieuw bevloerd, daar men er den reuk van het oude kerkhof in meende te bespeuren. Den 25sten Februari 1902 besloot de Raad deze school mettertijd te doen verbouwen en uit te breiden. Dit is nog niet geschied.

In 1861 kocht de Gemeente, met het oog op de voorgenomen stichting eener school op het Vliet, eene scheepstimmerwerf op het Zuidvliet aan. Eerst vier jaar later werd deze afgebroken en zette men hier eene school voor lager onderwijs, waarvan een gedeelte tot bewaarschool werd gebruikt. Lang heeft dit gebouw niet aan zijne oorspronkelijke bestemming voldaan, want sedert 1881 eene nieuwe inrichting voor lager onderwijs op het Vliet werd gesticht, dient het uitsluitend tot bewaarschool.

Ook de tusschenschool op Olde-Galileën, welke in 1846 van den heer S. K. Vlietstra was aangekocht, eischte dringend verbetering. Doch, daar dit gebouw niet op afdoende wijze in gereedheid kon worden gebracht, besloot de Raad eene nieuwe school te stichten op een aangrenzend stuk land, dat met het oog op de verbetering van den toestand van Olde-Galileen in Januari 1873 voor fl. 13.000 was aangekocht. Het nieuwe gebouw, dat voor fl. 19.400 was aanbesteed, werd in 1874 betrokken. In het jaar 1902 heeft het eene aanzienlijke uitbreiding ondergaan door den aanbouw van zes localen, welke ten deele verrezen zijn op het terrein van der oorspronkelijke school.

In den loop der jaren waren er reeds vele klachten in-gekomen over de tusschenschool der eerste klasse, bij de Put, die veel te weinig ruimte aanbood voor het groote aantal leerlingen. Om aan deze behoefte tegemoet te komen, huurde de Gemeente in Juli 1872 eene particuliere school in de Heerestraat, als hulplocaal. Daar deze toestand in het midden der stad verkrijgbaar was, besloot de Raad in Augustus 1872 tot de oprichting eener school op den aan de Gemeente toebehoorenden grond aan de juist aangelegde Schoolstraat. De bouw dezer gemeenteschool no. 4 werd in 1873 voor fl. 30.500 ondernomen. Ook deze localiteit werd op den duur te klein, want, nadat er in 1885 een Gymnastieklokaal aan toegevoegd was, is de school in 1890 met een nieuwen vleugel van twee verdiepingen vergroot. In 1902 is deze lagere school veranderd in eene inrichting voor lager en meer uitgebreid lager onderwijs met zevenjarigen cursus.

In 1875 deed zich de gelegenheid voor om een ruim terrein, waarop twee scholen zouden kunnen staan, in het hart der stad aan te koopen, en wel door de verplaatsing van het Old Burger-Weeshuis naar het Zaailand. De Gemeente aarzelde dan ook niet om hiertoe over te gaan en werd voor fl. 30.000 eigenares van het oude weeshuis met den daarachter liggende tuin, welke zich tot de St. Anthonystraat uitstrekte. Op dezen grond, die eene oppervlakte van 990 c.A. besloeg, plaatste zij het volgende jaar, na afbraak van het huis, twee ruime school-Gebouwen, van twee verdiepingen, waarvan het eene aan het Raadhuisplein en het andere aan de St. Anthonystraat ligt. De oprichting dezer school kostte fl. 48.000.
De vroegere burgerschool voor meisjes, thans gemeenteschool no. 3, werd nu van het Nieuwstraatje naar het Raadhuisplein, en de gemeenteschool no. 2 van het Tournooiveld naar de St. Anthonystraat overgebracht.

Nauwelijks was tot de oprichting dezer beide scholen besloten, of de Gemeente zag zich wederom genoodzaakt een nieuw schoolgebouw te stichten. De drie bestaande tusschenscholen der tweede klasse, sinds 1874 gemeenteschool no. 5, 6 en 7 genoemd, bleken niet groot genoeg om het aantal leerlingen, dat zich daarvoor aanmeldde, te bevatten: de bouw eener nieuwe school kon niet worden uitgesteld. Daar genoemde gemeentescholen alle aan de uithoeken van de stad lagen, n.l. op het Oldehoofster kerkhof, het Vliet en Olde-Galileen, besloot de Raad de nieuwe school in het centrum te plaatsen. Daartoe kocht de Gemeente in 1876 een heerenhuis met tuin, op den zuidoosthoek van de Oosterstraat nabij de Hillemapijp gelegen, aan en liet dit afbreken. Hier verrees het nieuwe gebouw, dat met September 1878 in gebruik kon worden genomen. Ook deze gemeenteschool no. 1 is thans te klein geworden, zoodat de voormalige burgerschool voor meisjes in het Nieuwstraatje als hulplocaal daartoe is aangewezen.

De in 1865 opgerichte tusschenschool met bewaarschool op de Hellingbuurt aan het Zuid-Vliet bleek na verloop van tijd niet te voldoen aan de eischen, welke de wet op het lager onderwijs van 1878 stelde. Daar zij niet op afdoende wijze kon worden verbeterd, besloot de Raad in dezelfde buurt eene geheel nieuwe school te stichten en de bestaande enkel tot bewaar School te bestemmen. De Gemeente kocht daartoe in 1881 een stuk land, benevens eene leerlooierij met woning aan. Na afbraak van de gebouwen stichte men op deze plek eene school met eene onderwijzerswoning. In 1882 kon zij worden geopend. Toen, bij de uitbreiding der stad naar het oosten, in 1898 de straat (later genoemd de Bothe van Bolswertstraat) werd doorgetrokken, verviel daardoor een deel van de bij deze school behoorende speelplaats. Om hieraan tegemoet te komen heeft men deze speelplaats naar het zuiden vergroot.

Tegelijk met deze gemeenteschool no. 6 werd ook in den Arentstuin eene nieuwe school gesticht, en wel op het terrein, opengevallen door de amotie van de bergplaats van brandbluschmiddelen en de bureaux der gemeentewerken, welke laatste naar de Hoofdwacht op het Hofplein waren overgebracht. Met de oprichting van dit gebouw stelde de Raad zich ten doel meerdere ruimte te verkrijgen voor de leerlingen der kostelooze gemeenteschool no. 8. Later is deze inrichting naar Olde-Galileën verplaatst, terwijl de toen aldaar gevestigde gemeenteschool der 2e klasse, no. 7, naar den Arentstuin is overgebracht. Het nieuwe gebouw, dat in Maart 1882 voor fl. 27.350 werd aanbesteed, is van eene klok voorzien.

Reeds sinds geruimen tijd waren er klachten gerezen over het gebrek aan een plaats op de hier bestaande kostelooze scholen. In 1872 had de Raad daarom het locaal op de Wissedwinger, dat thans als gemeenteschool voor schipperskinderen dienst doet, tot hulplocaal voor de armenscholen aangewezen, doch het kon niet lang in de toenemende behoefte aan plaatsing voorzien. Derhalve besloot het Gemeentebestuur in 1879 om de scholen voor kosteloos onderwijs met een te vermeerderen en bestemde daartoe voorloopig het door het gymnasium verlaten gebouw in het Hofstraatje. Na lange overwegingen werd bepaald, dat de nieuwe school zou staan in de dicht bevolkte buurt van Vliet en Weerklank. Verschillende pogingen om hier een geschikt terrein te verkrijgen leden schipbreuk op de overdreven eischen der eigenaren, zodat de Raad er eindelijk, hoewel noode, toe overging om het fraai aangelegde plantsoen aan den oostelijken zoetwatervijver tot dit doel te gebruiken. In October 1882 werd de bouw van eene lagere school, met bewaarschool voor fl. 44.500 ,-aangenomen. Twintig jaar later is zij nog met vier localen vergroot.

Zoo waren er van 1862-1882 niet minder dan tien ruim en flink gebouwde scholen voor het openbaar lager onderwijs gesticht. Groote sommen had de Gemeente daaraan ten koste gelegd, doch nu was dan ook het schoolwezen te Leeuwarden op zulk een voet gebracht, dat gedurende de eerstvolgende twintig jaren de behoefte aan eene nieuwe school niet meer werd gevoeld. Eerst in 1902 werd opnieuw tot den bouw eener school besloten, ditmaar voor eene inrichting van herhalings- en meer uitgebreid lager onderwijs. Tezelfdertijd wendde het Gemeentebestuur zich tot de Regeering met het verzoek om ontheffing van de verplichting tot het in stand houden eener burgerdagschool, hetgeen bij Koninklijk besluit van 28 October 1903 werd toegestaan. De nieuwe school toch voorzag in de behoefte, werlke door de opheffing der burgerdagschool zou kunnen ontstaan. Zij werd ingericht tot eene burgerdagschool voor herhalings- en voortgezet onderwijs met driejarigen cursus, aansluitende aan het zesde leerjaar der openbare lagere scholen en tot eene avondschool voor het onderwijs in handel en administratie, in aansluiting aan genoemde dagschool. Voor de oprichting van deze gemeenteschool no. 12 werd Achter de Hoven, tegenover de Fabriekssteeg een terrein aangewezen, dat de Gemeente reeds in 1887 tot dit doel van den heer Nauta Andreae had gekocht. Den 3en December 1904 werd dit werk, waarin ook de bouw van eene concierge-woning was begrepen, aangenomen voor fl. 74.000. Dit ruime gebouw bevat buiten twaalf schoolvertrekken, eene zaal voor natuurkunde, een gymnastieklocaal en eene teekenzaal.

Met gemeenteschool no. 12 is de rij der openbare lagere scholen gesloten. Met tevredenheid mag het Gemeentebestuur terugzien op de verkregen uitkomst van zijn onvermoeide zorgen om het schoolwezen hier in goeden staat te brengen en zelfs te houden.


4. Gymnastiekscholen

Bij den aanvang van het hier genoemde tijdvak was het gymnastiekonderwijs als verplicht leervak nog geheel onbekend. Wel werd er toen reeds herhaaldelijk op het nut der gymnastiek gewezen, zooals in 1847, toen de heer W. Compter het Stedelijk Bestuur te vergeefs verzocht om van stadswege eene gymnastiekschool te mogen oprichten, en in 1851, toen de Maatschappij Tot Nut van ’t Algemeen eene poging in het werk stelde, om een stedelijk gebouw tot gymnastiekzaal te verkrijgen, doch voorloopig bleef dit streven zonder gevolg. In 1858 werd daarop eene particuliere gymnastiek- en schermschool in het leven geroepen door de heeren dr. J. A. Rijkens en L. Nauta, aan wie het Gemeentebestuur in 1863 tijdelijk het gebouw der oude manege in de Groote Kerkstraat daartoe afstond. Zoo werd er langzamerhand de weg voor het gymnastiekonderwijs, dat de wet op het lager onderwijs van 1857 wel had genoemd, doch niet verplicht had gesteld, gebaand. In het volgende jaar behandelde de Raad een voorstel om de gymnastiek als leervak in te voeren, doch voorloopig slechts op beide kostscholen, de beide burgerscholen en de tusschenschool der 1ste klasse, terwijl ook de leerlingen van het gymnasium in de gelegenheid zouden worden gesteld om dit onderwijs te ontvangen.

Eerst in 1867 kreeg deze zaak haar beslag. Ofschoon men reeds dadelijk de wenschelijkheid er van inzag, om, waar de gymnastiek als leervak aan het onderwijs werd verbonden, aan iedere school een vertrek voor dit onderwijs beschikbaar te stellen, liet de localiteit dit nergens toe, zoodat de Raad de oude manege in de Groote Kerkstraat tot dit doel aanwees. Dit gebouw toch lag in de nabijheid van het meerendeel der genoemde scholen. In 1868 werd het voor fl. 3.350 in gereedheid gebracht. Ook de leerlingen der Rijks hoogere burgerschool volgden hier eerst dit onderricht, totdat in 1874 een gymnastieklocaal aan deze inrichting zelve werd toegevoegd.

Reeds spoedig bleek het, dat een gymnastiek-school ontoereikend was en zoodra, door de overplaatsing van gemeenteschool no. 3 van het Nieuwstraatje naar het Hofplein, in 1877 het locaal der oude burgerschool voor meisjes ontruimd werd, besloot de Raad het verlaten gebouw, dat gemakkelijk daartoe kon worden ingericht, tot tweede gymnastiekschool kon bestemmen.

Tengevolge van de wet op het lager onderwijs van 1878, stelde de Raad in 1881 eene nieuwe verordening op dit onderwijs vast, waarbij het gymnastiekonderricht op alle scholen, ook op die der 2e en 3e klasse, werd ingevoerd. Deze bepaling zou met ingang van 1885 in werking treden. Nu moest het aantal gymnastiekscholen noodzakelijk worden uitgebreid. In 1882 werd daartoe de school bij de Put, die, in 1829 gebouwd, eerst als tusschenschool der 1e klasse en sedert 1874 als gemeenteschool no. 8 had dienst gedaan, aangewezen en in 1884 bestemde het Gemeentebestuur het gebouw in het Hofstraatje, dat het vorige jaar door gemeenteschool no. 11 was ontruimd, eveneens tot dit doel. Tevens werd er een gymnastieklocaal aangebouwd bij gemeenteschool no. 4 in de Schoolstraat, waarvan de oprichting in 1885 voor fl. 6.250 werd aangenomen.

In 1905 is het getal der gemeentelijke gymnastieklocalen nog met een vermeerderd, daar in de toen opgerichte gemeenteschool no. 12 een gymnastiekzaal is aangebracht.


5. Bewaarscholen

De eerste stedelijke bewaarschool, ingericht voor een tweehonderdtal behoeftige kinderen, was in 1841 in het schoolgebouw in den Boterhoek geopend. Ofschoon er destijds verschillende particuliere bewaarscholen bestonden, lieten deze inrichtingen meestal zeer veel te wenschen over: van onderwijs was geen sprake, van spel evenmin en de bedompte, vunzige localen werkten nadeelig op de gezondheid der kinderen. De behoefte aan betere bewaarscholen deed zich levendig voelen. De Maatschappij Tot Nut van ’t Algemeen kwam daaraan ten deele tegemoet, toen zij in 1847 eene bewaarschool voor kinderen uit den gegoeden stand oprichtte, en de Raad nam zich voor, om, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbood, eene tweede stedelijke bewaarschool voor arme kinderen te openen. Toen in 1850 het Gerechtshof en de Arrondissements Rechtbank dan ook de infirmerie op den Wissedwinger ontruimden, wees de Raad het volgende jaar den westelijken vleugel van dit gebouw voorloopig tot bewaarschool aan, in afwachting van de stichting eener nieuwe school. Het was moeilijk daarvoor een geschikt terrein in deze buurt te vinden. Ten slotte besloot de Raad het gedeelte van den Prinsentuin, dat in 1855 ten behoeve van het doortrekken der openbare straat van het Schoenmakersperk tot den aanleg langs de Noordergracht van den tuin was afgesneden, daartoe te bestemmen. De nieuwe bewaarschool, welke voor fl. 10.138,- werd aanbesteed, kon in September 1856 worden opengesteld. Bij eene verandering der school, waarbij ook de speelplaats overdekt werd, verlegde men in 1883 den toegang van den Wissedwinger naar Achter de Witte Hand. In 1892 onderging deze school nogmaals eene verbouwing, waarbij zij met drie localen vergroot en de speelkamer vernieuwd werd.

Ook in de dichtbevolkte buurt van het Vliet was de stichting eener gemeentelijke bewaarschool zeer gewenscht.
Zooals boven reeds is meegedeeld, werd een gedeelte van de nieuwe tusschenschool, welke in 1865 op de plaats der oude scheepshelling was gebouwd, daartoe aangewezen. Toen, ten gevolge van de wet op het lager onderwijs van 1878, de schoolgebouwen aan strengere eischen werden onderworpen en men daardoor ook voor gemeenteschool no. 6 een nieuw gebouw stichtte, werd de oude school in 1883 voor het bewaarschool-onderwijs in gereedheid gebracht.

Het jaar 1883 is voor het bestaan der bewaarscholen hier ten stede zeer belangrijk geweest. Niet alleen zag het de verandering in beide bovengenoemde bewaarscholen, maar ook bracht het de verplaatsing van gemeente-bewaarschool no. 1 van den Boterhoek naar het Tournooiveld en den bouw van twee nieuwe bewaarscholen, waarvan de eene op Olde-Galileën en de andere op den Oostersingel werd opgericht, mede.

Het schoolgebouw in den Boterhoek, in 1841 tegelijk voor het lager onderwijs en het bewaarschoolonderwijs gesticht, bood op den duur geene ruimte genoeg meer aan voor het steeds toenemend aantal leerlingen. Reeds had men het gebouw op het Tournooiveld, dat in 1868 voor de jongensschool was gesticht en van 1879 - 1881 als gymnasium dienst had gedaan, als hulplocaal voor gemeenteschool no. 9 in gebruik genomen, toen de Raad in 1882 besloot de school in den Boterhoek geheel voor het lager onderwijs te bestemmen en het gebouw op het Tournooiveld uitsluitend tot bewaarschool te doen strekken. Dit laatste werd thans voor fl. 2500 in orde gebracht en in 1883 door gemeentebewaarschool no. 1 betrokken.

Op Olde-Galileen bestond sedert 1875 eene bewaarschool. Toen de lagere school aldaar naar een nieuw gebouw op het daarachter gelegen terrein werd verplaatst, richtte de Gemeente n.l. het verlaten locaal, dat in 1846 van den onderwijzer
S. K. Vlietstra was aangekocht, tot bewaarschool in. Lang diende het niet tot dit doel, want in 1883 stichtte de Gemeente eene nieuwe bewaarschool ten westen van gemeenteschool no. 8 aan de Eestraat, waaraan ruim fl. 16.000 ten koste werd gelegd.

De bewaarschool op den Oostersingel is, ten einde aan de behoefte aan plaatsruimte te voldoen, in 1883 opgericht, tegelijk met en onder hetzelfde dak als gemeenteschool no. 11.

De bewaarschool van het Departement Leeuwarden der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, die in 1847 achter de Tuinen was opgericht, werd in 1875 voor een bedrag van fl. 7.000 verbouwd. In 1881 wendde het bestuur van het Departement zich tot de Gemeente met het verzoek om eene jaarlijksche subsidie van fl. 1.200 te mogen erlangen. Dit werd geweigerd en zoo zag het Departement zich vier jaar later genoodzaakt, wegens geldgebrek, de bewaarschool te sluiten. Voordat het bestuur hiertoe overging, richtte het zich nogmaals tot den Raad, thans met het voorstel tot overdracht der bewaarschool aan de Gemeente. Deze, die onverplicht reeds zooveel had gedaan voor het bewaarschoolonderwijs voor kinderen van minvermogende ouders, besloot hierop in te gaan en den 10en December 1885 nam zij de school op de Tuinen voor fl. 7.150 van het Departement over. Zoo heeft de Gemeente geheel vrijwillig en zonder door de wet daartoe gedwongen te zijn, het bewaarschoolonderwijs voor hare rekening genomen, oordelende, dat eene doelmatige voorbereiding tot het lager onderwijs in haar eigen belang is.

Naast de hier genoemde zes gemeentelijke bewaarscholen bestonden hier langen tijd nog drie particuliere bewaarscholen, n.l. die van Mejuffrouw Proost, in de Weerd, welke in 1873 is opgeheven, eene Roomsch Katholieke en eene Christelijk Nationale bewaarschool. De tweede werd hier in 1852 door de zusters van het St. Lucia-gesticht te Rotterdam opgericht en wordt thans gehouden in het St. Elizabeth’s gesticht in de Groote Kerkstraat;de laatste, in 1875 geopend, is in 1903 thans eens opgeheven.


6. Bijzondere Scholen

Thans, aan het einde van 1906, telt Leeuwarden acht bijzondere scholen, n.l.:de beide scholen in de Old Burger- en Nieuwe Stads-Weeshuizen, die, binnen de muren dezer gebouwen gelegen, hier geen afzonderlijke beschrijving vereischen; drie Christelijke scholen, twee Roomsch Katholieke scholen en het instituut Poutsma, welke laatste alle in het hier beschreven tijdperk zijn opgericht. Daarentegen is de Stads-Israelitische armenschool, welke in 1842 werd geopend, ingevolge de wet op het lager onderwijs van 1857, met ingang van 1861 opgeheven.

Den 6en September 1866 opende “de Vereeniging tot Bevordering van Christelijke Belangen te Leeuwarden” de eerste Christelijke school alhier. Aanvankelijk telde zij 29 leerlingen, welke onder de leiding van den heer Van Munster stonden. Vijf jaar later was het aantal scholieren reeds tot tweehonderd geklommen, zoodat men tot de oprichting van eene nieuwe vereeniging: die voor “Christelijk school-onderwijs te Leeuwarden”. Deze ging eene geldleening van fl. 26.000 aan kocht daarvoor eenig eaan elkaar grenzende perceelen, aan de Kruisstraat en aan de Druifstreek gelegen. De eerste richtte men daarop tot school in, terwijl de beide laatste voorloopig als woonhuizen werden verhuurd, om later voor eene mogelijke uitbreiding der school te kunnen dienen. In 1873 werd de nieuwe school in de Kruisstraat met 350 leerlingen geopend, terwijl men er in 1875 eene bewaar-school aan toevoegde, daartoe in staat gesteld door eene ruime gift van baronesse Ch. Du Tour van Bellinchave. Herhaalde malen is de school in den loop der jaren vergroot, zoodat de bewaarschool eerst naar een der beide huizen aan de Druif-streek werd overgebracht en in 1903, toen ook dit locaal bij de lagere school moest worden getrokken, zelfs werd opgeheven. Thans bestaat deze school uit twaalf localen, terwijl de inrichting, bij den cursus van 1906-1907, 428 leerlingen telt. De heer Van Munster, die de school onder zijne leiding zoo in bloei zag toenemen, is na eene veertigjarige ambtsvervulling in September 1906 afgetreden.

In den loop van dit jaar kocht de bovengenoemde vereeniging een bouwterrein, gelegen op den hoek van de Wybrand de Geeststraat en de Margaretha de Heer-straat aan om hier eene tweede school, ditmaal voor lager en meer uitgebreid lager onderwijs, te stichten. Zij hoopt deze school met 1 Januari 1907 te openen.

Een derde Christelijke school werd dit jaar achter in het Zaailand nabij de Schoolstraat opgericht. Deze werd in het leven geroepen door den heer J. Kuyper, hoofd der school, die twee kleine, vervallen woningen aankocht, deze liet herstellen en ze liet inrichten tot eene school met twee lokalen. De Rooms Katholieke jongensschool werd hier in 1882 ingesteld, toen het Katholieke armhuis van het oude gebouw in de Speelmansstraat naar het nieuwe in de Kruisstraat was overgebracht. Het voormalige armhuis werd daarop tot school, met onderwijzerswoning ingericht.

De Roomsch Katholieke meisjesschool is van ouderen datum. Zij dankt haar ontstaan aan eenige zusters uit het St. Lucia-gesticht te Rotterdam, die zich hier in 1852 neerzetten en eerst in eene woning in de Zuupsteeg en daarna in een huis in de Groote Kerkstraat, destijds bekend onder den naam van I. 107., onderricht aan meisjes gaven. Langzamerhand breidde deze school zich uit; voor en na werden de aangrenzende panden daarvoor aangekocht en thans vertoont dit St. Elizabethsgesticht zijn keurigen gevel zoowel aan de Groote Kerkstraat, als aan het Jacobijner kerkhof. Ook de Gemeente stond herhaaldelijk kleine plekjes grond voor de uitbreiding van dit gesticht af: eerst in 1867, toen zij twee perceeltjes, groot als 72 en 32 c.A., verkocht, welke tusschen de destijds reeds tot deze school behoorende woning I. 108 en het Jacobijner kerkhof lagen en deel uitmaakten van het terrein, waarop eertijds de kerk van Nijehove stond: daarna in 1880, toen zij een klein stukje van het Jacobijner kerkhof voor de vergrooting der school afstond, terwijl zij eindelijk in 1902 nogmaals een plekje grond aldaar voor het aanbrengen van eene nieuwe portiek beschikbaar stelde. Het aantal zusters bedraagt thans 23, dat der leerlingen 311.

Op 3 September 1888 opende de heer J. Poutsma in de Gloppe op het Zaailand, naast de Rijks hoogere burgerschool, eene school voor uitgebreid lager onderwijs. Zij is bestemd voor o.a. tot opleiding voor verschillende examens, en, wat de lagere klassen aangaat, berekend op de aansluiting aan het middelbaar en het hooger onderwijs. Deze school, waaraan aanvankelijk een onderwijzer en eene onderwijzeres waren verbonden, begon met een dertigtal leer-lingen. Reeds het volgende jaar achtte de heer Poutsma het wenschelijk eene ruimere localiteit te betrekken: hij verplaatste in 1889 zijne inrichting naar het huis Weerd no. 18. Dit instituut, waaraan sedert ook een internaat is verbonden, is steeds zeer gezocht en telt thans, bij den cursus van 1906, 114 leerlingen.

Wat de voormalige Stads-Israelitische armenschool op den Wissedwinger aangaat, deze werd, zooals hierboven is vermeld, met het einde van 1860 opgeheven, terwijl de leerlingen met 1 Januari 1861 naar de verschillende openbare lagere scholen overgingen. In 1864 verkreeg de Nederlandsch Israelitisch Godsdienstige school-commissie het verlaten gebouw tijdelijk in huur, tot het geven van godsdienst-onderwijs. Van 1873-1878 heeft dit locaal nog gediend tot gemeenschappelijke hulp-armenschool, waarna het, tot het einde van 1886, op nieuw voor het Israelitisch godsdienstonderwijs is gebruikt. De 28sten December 1885 kocht echter de Israelitische Gemeente twee perceelen op den hoek van de Perkstraat, benevens een strookje gemeentegrond op het Jacobijner kerkhof, voor fl. 5840 aan, met het doel om hier eene nieuw locaal voor godsdienstonderwijs te stichten. Het volgende jaar besteedde zij dit werk, dat onder de leiding van den architect H.R. Stoett werd uitgevoerd, voor ruim fl. 11.000 aan, en, nadat de eerste steen op 11 Augustus was gelegd, werd het nieuwe gebouw op 26 December 1886 ingewijd. Het oude locaal op den Wissedwinger diende vervolgens gedurig tot hulpschool en wordt nu, sedert 1903, gebruikt voor het geven van onderwijs aan schipperskinderen.


Terug