1. De Gasfabriek

In 1845 werd hier, naar Eekhoff meedeelt, van particuliere zijde eene gasfabriek opgericht, waartoe de stad eene plek gronds bij de Hoeksterpoort afstand. De ondernemer, John Bryan, een Engelsch ingenieur, verbond zich om de stad gedurende twintig jaar van gaslicht te voorzien, terwijl het Stedelijk Bestuur zich het recht voorbehield om na afloop van dezen termijn de fabrieksgebouwen en toestellen tegen taxatie over te nemen. Het volgende jaar deed Bryan deze fabriek over aan de firma E. E. Goldsmid & Co. te Parijs, die haar op hare beurt in 1852 overdroeg aan den heer A. Harmens, directeur van de “Societe de Gaz de Friesland”. Deze liet de gasfabriek vergrooten, waarvoor hij een stukje gemeentegrond in erfpacht verkreeg. De onderneming wierp thans groote voordeelen af en toen de termijn van het in 1845 Juli 1863, ondanks alle tegenwerpingen, verzoek-schriften en aanbiedingen van particulieren, de gasfabriek van gemeentewege te exploiteren. Hij stelde daarop eene verordening tot heffing van gasrechten vast en nam in October 1865 de fabriek met den buizenaanleg voor fl. 110.410 van den heer Harmens over.

Reeds van te voren had het Gemeentebestuur eene vergrooting der gasfabriek in ernstige overweging, daar het zich liet aanzien, dat het gas-verbruik door de verlaging van den prijs zeer zoude toenemen. Daartoe kocht de Raad in 1865 een huis, met stalling, welke tusschen de fabriek en de woning van den stads-architect stonden, aan en knoopte tevens onderhandelingen aan met het Rijk over de teruggave van een gedeelte van den cavaleriestal, die, in 1848 op stadskosten gebouwd, toch niet werd gebruikt. Hierheen wilde men dan de bij de Hoeksterpoort gelegen werk- en bergplaatsen voor de fabricage en de brand-Bluschmiddelen, de stads-turfschuur en de woning van den architect overbrengen, zoodat men een ruim terrein voor de vergrooting der fabriek zou verkrijgen. Twee jaar lang hebben de besprekingen over deze zaak geduurd, totdat het Rijk In 1867 de oostelijke helft van den cavaleriestal in vollen eigendom aan de Gemeente afstond. Nu kon men eindelijk tot de hoogst noodzakelijke vernieuwing en uitbreiding der gasfabriek overgaan. In Juli 1867 werd het eerste gedeelte van dit werk aanbesteed. Het bestond in het verwijderen der bovengenoemde gebouwen en de stichting eener nieuwe fabriek en het daardoor gewonnen terrein. Ook werd er een derde gashouder gemaakt. Toen de nieuwe fabriek in 1868 voor de exploitatie gereed was, ging men tot het tweede gedeelte van het werk over, dat de afbraak van het oude gebouw en het maken van smids- en timmerwinkels, koper- en ijzermagazijnen en andere bergplaatsen omvatte. Aan de geheele verbouwing legde de Gemeente ruim fl. 76500 ten koste. Nog werd in 1870 de voormalige woning van den stads-architect voor den directeur der gasfabriek bestemd en richtte men in 1871 een vierde gashouder op.

Zoo was de fabriek thans op goeden voet gebracht. Doch lang kon zij zoo niet in de behoefte aan gas voorzien, daar het toenemend gasverbruik voortdurend meer productie eischte. In een tijdsverloop van 15 jaren, van 1876-1891, is zij niet minder dan zesmaal verbeterd en uit-gebreid. In 1876 werd er eerst een vijfde gashouder, benevens eene nieuwe, groote steenkolenbergplaats op het terrein aangebracht. Tevens besloot de Raad tot de stichting van eene nieuwe directeurswoning, waarvoor het oude huis en het zuidelijkste gebouw der fabriek zijn afgebroken. In 1883 werd daarop het maken van zes retortovens aanbesteed. Het volgende jaar bracht men het achter de fabriek gelegen terrein voor de houtveilingen naar een stuk land aan de Dockumer Ee en bestemde de daardoor openvallende plek gronds voor de oprichting van een zesden gashouder. Ook werd de machinekamer vergroot en schafte men nieuwe stoomketels, een condensator en andere werktuigen aan. In 1885 bouwde men wederom zes retortovens; in 1886 maakte men een magazijn voor retorten en vergrootte de cokesbergplaats, terwijl in 1891 de ovens hernieuwd werden en het retorthuis werd uitgebreid. Het geheele bedrag dezer verbeteringen beliep ruim twee ton.

Sedert heeft de fabriek geene noemenswaardige verbouwing meer ondergaan, alleen is er in 1902 een schaft-, bad- en waschlocaal aan toegevoegd. Daar de stad zich in de loop der laatste tien jaren zoo aanzienlijk heeft uitgebreid, bleek de gasfabriek op den duur niet de vereischte hoeveelheid kolengas te kunnen leveren. Zij moest dikwijls boven hare krachten produceeren en werkte daardoor onregelmatig. Om aan dit euvel tegemoet te komen, heeft de Gemeente in 1905, op een terrein aan de overzijde der gracht, behoorende bij de herberg “De Bleek”, eene watergasfabriek opgericht, bij wijze van tijdelijke hulp, opdat de vraag het gemengde gas moet verwerken en afleveren, is echter niet meer voor hare taak berekend, zoodat er thans eene geheele hernieuwing der fabriek wordt voorbereid.

 

2. De Stadsreiniging

Het aschland, dat reeds zoo dikwijls de aandacht van het Gemeentebestuur heeft vereischt, werd in 1685 van den Wirdumerpoortsdwinger naar zijn tegenwoordige plaats aan de Wijnhorsterzijlsloot en de Potmarge overgebracht. Herhaaldelijk zijn er pogingen aangewend om deze inrichting uit de nabijheid van de stad te verwijderen. Reeds in 1848 werd er een voorstel gedaan tot verplaatsing van het aschland naar de Galgefenne aan den Harlinger trekweg, hetgeen echter toen, zooals thans, afstuitte op de groote bezwaren en onkosten daaraan verbonden. En toch was er toen nog geen sprake van de tegenwoordige inrichting, en bestond het aschland slechts uit een niet omheind terrein, waarop de meststoffen werden verzameld. Daarnevens lag de woning van den opzichter, terwijl den pachter zelf een huis ten gebruike was afgestaan op de puinplaats aan de Potmarge, welke bij den aanleg van de spoorweg naar Groningen, in 1864, van het aschland werd afgescheiden.

Met de stadsreiniging en den afvoer der faecaliën was het in den aanvang van het hier beschreven tijdvak treurig gesteld. De huizen aan de grachten waren door riolen, waarlangs de faecalien werden afgevoerd, met het vaarwater verbonden, dat dan voortdurend door den pachter werd geslat en zij, wier woningen niet aan het water gelegen waren, moesten zorg dragen, dat hunne faecale stoffen des nachts in pramen werden afgeleverd, welke daartoe op bepaalde punten in de kanalen lagen. Daarbij ging men verre van zorgvuldig te werk en de grachten werden hierdoor dikwijls zoo vervuild, dat de schippers bij lagen waterstand met hunne vaartuigen niet dicht genoeg bij de wal konden komen. Wat het aanvegen en schoonhouden der straten aangaat, daar-mede was een stadsreiniger belast, totdat deze post in 1852 werd afgeschaft en de daaraan verbonden werkzaamheden aan den pachter van het aschland werden opgedragen. Deze maatregel voldeed echter zoo slecht, dat de straatreiniging hem twee jaar daarna werd onttrokken en vervolgens gesteld werd onder het toezicht van den gemeente-architect. Op den duur was de bestaande wijze van inzameling van faecalien en vuilnis onhoudbaar, te meer, daar de verordening daarop slecht werd nageleefd en de pachter niet in staat was aan alle verplichtingen, welke het pachtcontract hem oplegde, te voldoen. Daarom benoemde de Raad in 1867 eene commissie tot onderzoek naar de middelen tot verbetering van den afvoer, de opzameling en behandeling van meststoffen en straatvuilnis. Twee jaar later bracht deze haar rapport uit, waarop de Raad den 15den Juni 1869 besloot de stadsreiniging voortaan door de Gemeente zelve te doen exploiteeren en De zorg daarvoor op te dragen aan een afzonderlijken, door haar aangestelden ambtenaar.

Opnieuw werd nu de vraag behandeld, of men geen ander terrein tot verzamelplaats van asch en vuilnis zou kunnen aanwijzen buiten de kom der Gemeente, doch ook ditmaal zonder gevolg zoodat de Raad het besluit nam om het bestaande aschland door walbeschoeiing, bevloering, omheining en het aanbrengen van overdekte bergplaatsen voor de meststoffen te verbeteren. De Gemeente kon echter niet tot deze aanleg overgaan, voordat zij erkend was als eigenares van het aschland. In 1861 was er n.l. een conflict over het bezit van dezen grond ontstaan tusschen het Gemeentebestuur en de voogden van het St. Anthony-Gasthuis, die beweerden, dat reeds in 1561 het aschland, met het daaraangrenzende Klanderijland en de Schuitmakerspolle, aan dit gesticht toebehoorde. Tot eene oplossing van dit geschil kon men niet geraken, totdat er in Januari 1870 eene minnelijke schikking werd getroffen, waarbij het St. Anthony-Gasthuis afstand deed van zijn bestaande of vermeende rechten op bovengenoemde stukken land en daarvoor eenige perceelen grond nabij het tolhuis aan den Groninger straatweg en in de Deelsfenne in ruil verkreeg.

Nu kon de Gemeente een aanvang maken met de verbetering van het aschland. Dit werk van 1870-1872 voor fl. 38.500 uitgevoerd. Langs de Potmarge, de opvaart naar het Wijnhornsterzijlpijpke en de beide invaarten werden walmuren opgemetseld; op het land bracht men vijf overdekte mestplaatsen aan, terwijl de daarvoor uit-gegraven aarde tot ophooging diende van het overige terrein, dat van eene keibestrating werd voorzien. Aan de zijde van den Overijsselschen straatweg bouwde men een woonhuis voor den opzichter met een paardenstal, benevens een ringmuur tot afsluiting van het aschland. Aan den noordkant werd het terrein aan de blikken onttrokken door eene lange loods, ingericht tot bergplaats voor gereedschappen, kantoor enz. De toestand van het aschland was hierdoor zeer verbeterd. In 1880 en 1881 heeft de Gemeente, op aandrang van de Gedeputeerde Staten, de vijf compost-bergplaatsen van sterke, gemetselde vloeren voorzien, den oven en den schoorsteen veranderd en het aantal ierputten vermeerderd, terwijl er eenige jaren geleden nog een zesde mestkuil is gemaakt. De verplaatsing van het aschland blijft nog steeds een open vraag, waarvan men de oplossing bezig is te zoeken.

 

3. De Drinkwaterleiding

Niettegenstaande den aanleg van den tweeden zoetwatervijver, in 1874 deed het gebrek aan goed drinkwater zich in droge zomers zeer gevoelen. Reeds vroeg in den ochtend trokken dan de lieden er op uit, naar de plassen bij Tietjerk en elders, waar zij hunne watertonnen vulden en tot laat in den namiddag weerklonk hun zangerige deun langs de zonnige, stille straten: “haal-i-wat-, haal-i-wat-, haal-i-water!” Dat dit water niet zeer zuiver en dikwijls schadelijk was, behoeft wel niet te worden gezegd en om in dezen toestand verbetering te brengen, vatten de heeren dr. M. J. Baart de la Faille en S. E. Oudschans Dentz in 1875 het plan op om eene drinkwaterleiding naar de stad aan te leggen en deze ook dienstbaar te maken aan eene te stichten badplaats, zenuwinrichting en ziekenverpleging, welke zij op het terrein der uitbreiding van de stad, ten westen van de nieuwe veemarkt, wenschten op te richten. In 1877 vroegen zij bij het Gemeentebestuur concessie aan tot het maken van eene drinkwaterleiding, welke hare prise d’eau in het Eernewoudsterwijd zou hebben, doch hun voorstel vond niet den gewenschten bijval, zoodat dit met zorg voorbereide plan moest worden opgegeven.

Tengevolge van de droogte, welke in de zomers van 1882 en 1883 heerschte, dienden daarop een aantal inwoners van Leeuwarden adressen bij den Raad in om totstandkoming eener drinkwaterleiding te willen bevorderen. Toen dan ook de heeren Th. A.van den Broek en G. W. van Barneveld Kooy uit Amsterdam zich in 1884 tot het Gemeentebestuur wendden met het verzoek om toestemming tot den aanleg eener drinkwaterleiding, ondervond dit voorstel minder tegenstand en werd, nadat de stemmen eens daarover hadden gestaakt ten slotte met eene stem meerderheid aangenomen. De Gemeente verbond zich daarbij, om, over het tijdsverloop der eerste veertien jaar na het in werking treden der exploitatie, eene subsidie van fl. 120.000 te verleenen, doch daartegenover stond, dat zij gratis over eene groote hoeveelheid water voor onvermogenden, voor brandblussching, fonteinen en andere doeleinden zou kunnen beschikken en na verloop van tijd in de winsten der onderneming zou deelen.

De beide volgende jaren verstreken met het zoeken naar eene prise d’eau: het boezemwater van onderscheidene plassen, op niet te grooten afstand van Leeuwarden gelegen, werd onderzocht en eindelijk de Wijde Ee, nabij Grouw, als de meest geschikte plaats daarvoor aangewezen. Nu hing de verwezenlijking der plannen nog slechts af van de verkrijging van het daartoe benoodigde kapitaal. Ook hierin slaagden de concessionarissen; men richtte eene naamlooze vennootschap: “de Leeuwarder Waterleidingmaatschappij” op, met een bedrijfskapitaal van fl. 650.000. Op 27 September 1887 ging de concessie aan haar over. De volledige aanleg der werken van de waterleiding werd opgedragen aan de heeren Van den Broek en Van Barneveld Kooy, volgens de plannen en onder leiding van den ingenieur der werken, den heer H. P. N. Halbertsma, terwijl tot ingenieur der exploitatie de heer H. G. Levert werd benoemd.

In October 1887 maakte men een aanvraag met den bouw en ondanks den spoedig invallenden en langdurigen winter, waardoor de werkzaamheden tot het einde van Maart moesten worden geschorst, kon de waterleiding op 22 December 1888 voor de exploitatie geopend worden. De waterleiding is berekend op een totaal waterverbruik van 18.000 M3. per etmaal. Van de prise d’eau in de Wijde Ee wordt water naar het pompstation nabij Grouw gevoerd, dat twee stoommachines bevat, welke, ieder afzonderlijk, in staat zijn om per uur 75 M3. drinkwater tot den hoogsten water-spiegel in den watertoren te Leeuwarden op te pompen. Boven de machinekamer bevinden zich de woningen van het personeel en het directielokaal, terwijl men nabij het pompstation drie bezinkbakken en twee filters heeft gemaakt. De drukbuisleiding van het machinegebouw te Grouw tot den watertoren te Leeuwarden heeft eene lengte van 18.225 M. en eene wijdte van 25 cM.

Voor de oprichting van den watertoren had het Gemeentebestuur in 1886 een klein gedeelte van het Klanderijland afgestaan: het volgende jaar werd hij door de heeren Bekhuis en Damstra gebouwd. De watertoren heeft een reservoir van 500 M3 inhoud. Van den toren loopt een buizennet door de stad, dat berekend is op een maximaal waterverbruik van 150 M3. Per uur. De waterleiding werd ook dienstbaar gemaakt aan de brandweer, door het aanbrengen van standpijpen op het buizennet. De werken te Grouw zijn telephonisch met het bureau van de drinkwaterleiding te Leeuwarden verbonden, terwijl twee andere electrische geleidingen dienen om den waterstand van het reservoir alhier zelfwerkend aan te wijzen in de machinekamer te Grouw.

Voor het bactereologisch onderzoek van het water dezer leiding heeft de Gemeente twee arbeiderswoningen, bij de herberg ”De Bleek” aan den Groninger straatweg gelegen, kosteloos ten gebruike aan de maatschappij afgestaan. De Concessievoorwaarden der Leeuwarder Waterleidingmaatschappij zijn, sedert zij in werking trad, herhaaldelijk gewijzigd. In 1901 werd bepaald, dat, waar zij Leeuwarden vroeger uitsluitend van water voorzag, thans ook plaatsen in zelfs eens Leeuwarderadeel, Rauwerderham en Idaarderadeel op de persbuis mogen worden aangesloten.


4. De Brandweer

De demping van het meerendeel der binnengrachten, welke Leeuwarden eene halve eeuw geleden doorsneden, had tengevolge, dat men op andere wijze voorzien moest in den toevoer van water, benoodigd voor de brandblussching. Maakte men vroeger, indien de brandende perceelen te ver van de gracht verwijderd waren, gebruik van twee brandspuiten, waarvan de eene, aan het kanaal geplaatst, het water optrok en voortstuwde naar de andere, die als spuit werkte, thans legde men langs de gedempte grachten en andere hoofdstraten brandriolen met waterputten aan, waarop pompen voor de straatreiniging en standpijpen waren aan-gebracht. Ook plaatste men standpijpen aan enkele openbare gebouwen.

Zoo bleef de toestand tot 1888, toen de brandweer door den aanleg der drinkwaterleiding eene groote vereenvoudiging onderging. Op het buizennet der waterleiding werden tal van standpijpen bevestigd, welke men in geval van nood slechts behoeft te openen om voortdurend over een sterken stroom zuiver water te kunnen beschikken. Hiervoor schafte de Gemeente in 1889 zes slangenwagens met toebehooren aan, die bij brand de spoedigste en meest belangrijke hulp kunnen verstrekken. Later is dit aantal nog met twee vermeerderd. Doch daarnevens bleven de brandspuiten gehandhaafd, zoowel om bij een defect in de waterleiding dienst te doen, als om hooge gebouwen te bespuiten of gebruikt te worden in die buitengedeelten der stad, welke de waterleiding niet bereikt.

Ofschoon eene vernieuwing der brandspuiten op den duur wenschelijk werd geacht, ging het Gemeentebestuur voorloopig niet tot deze verbetering over, welke, dank zij het bestaan der slangenwagens, nog niet dringend werd vereischt. In dezen tijd van afwachting bood de Onderlinge Brandwaarborgmaatschappij voor de Gemeente Leeuwarden, bij de herdenking van haar vijftigjarig jubileum op 1 Mei 1900,- aan den Raad, hetzij fl. 25.000 voor den aankoop van eene stoombrandspuit, hetzij fl. 15.000 voor de aanschaffing van nieuwe handbrandspuiten aan. In overleg met het college van brandmeesters aanvaardde de Gemeente de laatstgenoemde schenking. Voor deze som werden dertien brandspuiten van groote stuwkracht, benevens eene mechanische ladder aangekocht en de slangenwagens van nieuwe slangen en koppelstukken voorzien. De brandspuiten zijn op verschillende punten der stad geplaatst, om zoo spoedig mogelijk hulp te kunnen verleenen. Zoo telt Leeuwarden nu acht brandspuithuisjes, waarvan er vijf: die bij de Verversbrug op het Vliet, onder de Oude Waag, achter de Torenstraat en in de Klanderijstraat twee spuiten en de overige drie: die op Schilkampen, Olde Galileën en bij het Rengerspark ieder eene spuit kunnen bevatten.

De brandweer is thans, zoowel wat de blusch- als de reddingsmiddelen aangaat, in een flinken staat aangebracht. Doch, moge dit ter beteugeling van het vuur een eerste vereischte zijn, het is van niet minder gewicht, dat er snel alarm geslagen worde. En al zijn de tijden voorbij, waarop de wachter van den Nieuwtoren het brandsignaal blies, eene roode lantaren uithing aan de zijde van den toren, waar de gloed gezien werd en de klok klepte, toch is eene snellere wijze van alarmeering dan de tegenwoordige gewenscht. Het is te voorzien dat binnenkort eene telephonische brandalarmeering zal worden ingevoerd.


Terug