Het Friesch Museum

Deze instelling heeft haar ontstaan te danken aan het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, dat in 1827 op inititatief der heeren H. Amersfoordt en F. Binkes te Sneek en F.D. Fontein te Harlingen werd opgericht. Reeds spoedig traden verschillende bekwame mannen tot het genootschap toe, die met grooten ijver en toewijding hunne taak opvatten: handschriften werden op-gespoord, werken van Friesche schrijvers verzameld, gedenkpenningen en munten, oudheden en curiosa, teekeningen en gravures bijeengebracht. Van den beginne af hield het genootschap zich bezig met het bewerken en uitgeven van geschiedbronnen en geschriften over Friesland; sedert 1837 doet het een eigen tijdschrift verschijnen: “De Vrije Fries”, waarvan thans, in zeventig jaar, 20 deelen zijn uitgekomen en in 1841 besloot het des winters vijf avondvergaderingen te houden. Langzamerhand breidden zich de verschillende verzamelingen, zoowel door aankoop als door giften, uit en ontstonden er eene bibliotheek, eene prentencollectie een muntkabinet en eene verzameling van antiquiteiten, die snel aan groeide, toen men in 1846 eene commissie van toezicht op de afgraving der terpen benoemde.

Het genootschap vatte daarna het plan op, zijne collectien op enkele dagen der week ter bezichtiging te stellen en opende daartoe in 1848 de gelegenheid in een der vertrekken van de concertzaal “Van der Wielen”. Niet lang heeft men van deze localiteit gebruik gemaakt, want toen de Provincie tengevolge der milde schenking van dr. J.H. Halbertsma, in 1853 het Friesch kabinet van oudheden oprichtte, stond het genootschap zijne oudheidkundige voorwerpen in bruikleen aan de Provincie af en werden de bijeengevoegde verzamelingen sedert ten toon gesteld in een der bovenlocalen van het Paleis der Justitie. Door de steeds toenemende uitbreiding van dit museum zag men zich genood-zaakt, de bibliotheek in 1862 naar een der zalen van “Van der Wielen” over te brengen, terwijl tien jaar later aan het kabinet van oudheden eene betere localiteit werd verzekerd in eenige vertrekken van het gouvernementsgebouw, welke, door de verplaatsing van het telegraafbureau naar het nieuwe postkantoor op de Wortelhaven, in 1871 waren ontruimd.

De 26sten September 1877 vierde het genootschap zijn vijftigjarig bestaan. Om dat gouden jubileum waardig te herdenken, had het bestuur eene historische tentoonstelling van Friesland georganiseerd. Deze merkwaardige tentoonstelling, die van 22 Juni-17 October in het Koninklijk Paleis werd gehouden, wekte in hooge mate de belangstelling. Zij werd door meer dan 40.000 personen bezocht en, in alle opzichten goed geslaagd, leverde zij een batig saldo van fl. 17.100 op. Deze som stelde het genootschap in staat om aan een lang gekoesterden wensch te voldoen, nl. om een eigen gebouw aan te koopen tot stichting van een Friesch museum. Op 23 December 1879 verkreeg het Bestuur voor fl. 20.000 het heerenhuis, dat op den hoek van de Koningsstraat en de Turfmarkt gelegen, in het laatst der achttiende eeuw door Jhr. F.J. van Eysinga werd gebouwd. De Provincie stond daarop de aan haar in eigendom toebehoorende voorwerpen uit het kabinet van oudheden aan het genootschap in bruikleen af en verleende het eene vaste jaarlijksche subsidie, die later van fl. 500 tot fl. 1.000 verhoogd werd.

Het jaar 1880 verstreek met de inwendige verbetering van het gebouw en de inrichting van het museum. Op 12 April 1881 werd het geopend. De benedenverdieping van dit huis bevat, buiten de bestuurskamer en de woning van den concierge, eene kleine antichambre en drie expositie-lokalen, waarvan het laatste de Oranjezaal wordt genoemd, naar de portretten der leden van het geslacht Oranje-Nassau, welke vroeger, het Koninklijk Paleis versierend, in 1880 door Koning Willem III aan het museum zijn afgestaan. Op de bovenverdieping vindt men zes vertrekken, waarvan twee tot Hindelooper kamers zijn ingericht. Buitendien worden ook de zolders, kelders, gangen en portalen voor de tentoonstelling van voorwerpen en schilderijen gebruikt.

Daar het museum snel aangroeide, zoowel door aankoop, als door schenkingen en legaten, bleek de beschikbare ruimte reeds spoedig ontoereikend te zijn, en, nadat het bestuur in 1883 had besloten het kabinet van Friesche schilderijen tot een algemeen schilderijenkabinet uit te breiden, vatte men het voornemen op, het gebouw met eene verdieping te verhoogen. Hieraan is geen gevolg gegeven, doch in plaats daarvan besloot men in 1888 een nieuwen vleugel bij het museum te trekken en dien in te richten tot bibliotheek, prentenkabinet en schilderijenzaal. Daartoe werden twee belendende huizen aan de Turfmarkt aangekocht en afgebroken. Op het opengevallen terrein verrees een nieuw gebouw met eene renaissance-gevel, dat inwendig met het oorspronkelijke museum verbonden is. Dit werk werd den 15en November 1890 voor 1990 gld. aanbesteed en in het begin van 1892 werd de nieuwe vleugel in gebruik genomen. Op den beganen grond vindt men de bibliotheek en de kamer van den bibliothecaris, op de eerste verdieping het prentenkabinet en de verzameling Friesche schilderstukken, terwijl de tweede de beide schilderijzalen bevat.

Nauwelijks was deze verbouwing tot stand gekomen, of de opname van eene groote verzameling oud-porselein, munten en antiquiteiten, welke door den heer Mr. A. Looxma-Ypey aan de Provincie was na-gelaten, onder voorwaarde, dat zij in het Friesch kabinet bewaard zou worden, maakte eene nieuwe uitbreiding van het museum noodzakelijk. Het bestuur van het genootschap kocht daartoe in 1893 eene woning in de Koningstraat aan, waarvan het achterhuis aan het binnenplein van het museum grensde. De koopsom van dit huis, groot 9.000 gld., en de kosten van den aanbouw en de inrichting van het porcelein-museum werden bestreden uit een legaat van fl. 50.000, dat Mr. A. Looxma-Ypey tot dit doel aan de Provincie had toegekend.

In 1894 werd het genoemde huis afgebroken en vervangen door het tegenwoordige porselein-museum, dat, naar het plan van den architect H. Kramer gebouwd, in hetzelfde jaar werd voltooid en ingericht. Tot voor korten tijd bereikte men dit locaal over de binnenplaats van het museum, doch bij de laatste verbouwing, in 1907, is de toegang tot de porseleinverzameling verlegd. Op 12 November 1894 werd het nieuwe gebouw opengesteld. De kostbare porseleinverzameling, in kasten en vitrines geborgen, neemt de benedenverdieping van het gebouw, welke uit een groote zaal bestaat, geheel in, terwijl het rijke en zeer belangrijke muntkabinet, dat in den laatsten tijd nog aanzienlijk was toegenomen door de erflatingen der heeren Dirks en Ypey, naar de bovenzaal is overgebracht.

In de laatste twaalf jaren heeft het museum geene ingrijpende veranderingen meer ondergaan, doch thans het jaar (1907) bereidt men eene nieuwe verbouwing voor. Deze wordt vereischt voor de opname van de schenking van Mevrouw Bisschop - Swift, die de kunst-werken en antiquiteiten, door haar en haren echtgenoot, den kunstschilder Christoffel Bisschop in hunne villa Frisia te Scheveningen bijeengebracht, aan de Provincie heeft aangeboden. Het bestuur van het Friesch Genootschap heeft daartoe in 1906 de beide huizen in de Koningsstraat, welke tusschen het eigenlijke museum en den nieuwen vleugel der porseleinverzameling liggen, voor fl. 15.000 aangekocht en den heer H. Kramer opgedragen een plan voor het te stichten gebouw te ontwerpen. Als tegemoetkoming in de kosten van den aanbouw en de inrichting der vertrekken voor de Bisschop-collectie, welke op fl. 18.500 worden geraamd, stond de Provincie eene som van fl. 7.000 toe, terwijl zij tevens hare jaarlijksche subsidie van fl. 1.000 tot fl. 2.500 verhoogde. Ook van andere zijde ontving het genootschap belangrijke bijdragen voor dit werk.

Volgens het goedgekeurde ontwerp zal het nieuwe gebouw beneden bestaan uit twee kamers en een portaal, dat toegang geeft tot de porseleinverzameling. De bovenverdieping wordt eveneens in twee localen verdeeld, welke, met drie ineenlopende vertrekken van het oude museum, mettertijd de verzameling Bisschop zullen bevatten. De nieuwe aanbouw krijgt een plat dak, om meer licht tot de binnenplaats toe te laten, welke aan alle zijden door de gebouwen van het museum zal worden ingesloten.

Zoo heeft het oorspronkelijke museum zich binnen een tijdvak van dertig jaar dermate uitgebreid, dat het thans minstens tweemaal zooveel oppervlakte beslaat, als bij zijne stichting en bij de warme belangstelling, waarin deze instelling zich mag verheugen, is het laatste woord omtrent den groei van het Friesch Museum nog niet gesproken.


Het Nutsgebouw en de Openbare Leeszaal en Bibliotheek

Het Departement Leeuwarden der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen kocht, naar Eekhoff meedeelt, in 1825 het oude Waltahuis op het Heerenwaltje aan. In dit gebouw, dat van 1595-1618 tot stadhuis is gebruikt, heeft het zijn zetel behouden tot 1903, toen dit huis, dat bouwvallig was geworden, aan de firma Joosten werd verkocht. Deze liet het, ten behoeve van eene vergrooting van haren manufacturenwinkel, afbreken. Sinds dien tijd heeft het Nut geen gebouw meer in eigendom bezeten: zijne bibliotheek werd naar eene bovenwoning bij de Put overgebracht en voor zijne bestuursvergaderingen en de zittingen der Hulpbank huurde het Departement het huis, dat, op den hoek van de Waeze en den Nieuwenweg gelegen, in 1881 op de plaats van de vroegere schuur van Muntenburg is opgericht.

De benedenverdieping van dit perceel heeft het Nut kosteloos in gebruik afgestaan aan de vereeniging “De Openbare Leeszaal en Bibliotheek”, welke in het jaar 1904 op initiatief van eenige zijner bestuursleden in het leven is geroepen. In April 1905 stelde deze hare leeszaal gratis open voor ieder, die den leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, van welke ontwikkeling hij ook zij, en sedert Maart 1906 leent zij hare boeken ook aan de leden uit. De localiteit, waarin een vijftigtal personen plaats kunnen vinden, bestaat uit twee leeskamers, een bureau voor den beheerder en een kleedkamertje. Waar de leeszaal jaarlijks door duizenden wordt bezocht ligt het voor de hand, dat de beschikbare ruimte veel te wenschen overlaat.

 

De Schouwburg

De schouwburg, in 1802 door den heer J. Posthumus opgericht, ging in 1847 over aan het genootschap Archimedes, dat op initiatief en onder voorzitterschap van den toenmaligen president der Vrijmetselaarsloge “De Friesche Trouw” gevormd was met het doel, om door aankoop van dit gebouw eene geschikte localiteit te verkrijgen voor de bijeenkomsten der Loge. Het genootschap stelde zich tevens voor den schouwburg, die in 1844 vernieuwd en verbeterd was, als zoodanig te ex-ploiteeren. Thans brak er een tijdperk van grooten bloei voor den schouwburg aan, daar dit gebouw destijds zoo niet de eenige, dan toch de beste gelegenheid hier ter stede aanbood voor de opvoering van toneelvoorstellingen. Peters, Bouwmeester, Kleine-Gartmann, Ristori, Agar en Marie Seebach, om van zooveel andere kunstenaars niet te spreken, traden hier op.

Doch, toen in 1881 de Harmonie met hare groote concert- en tooneelzaal werd geopend, begon de bloei van den schouwburg te tanen. Het genootschap Archimedes verkocht dit gebouw eenige jaren later in openbare veiling, terwijl de vergaderingen der Loge voortaan in de Harmonie werden gehouden. De nieuwe eigenaar achtte het pand voor de exploitatie te groot, zoodat hij een gedeelte van den schouwburg, nl., de beneden- en bovenzaal aan de Haniasteeg, welke in 1802 door Posthumus voor zijne tooneelvoorstellingen waren ingericht en later als koffiekamers werden gebruikt, van de hand deed. Nadat de schouwburg nog aan eene combinatie van acht personen had toebehoord, ging hij in 1895 over aan den heer F. van der Meer, die veel heeft gedaan om de zaal te verfraaien en te verbeteren. Zoo werden de bestaande zitplaatsen door klapstoelen vervangen en het geheele gebouw van gas voorzien. Ook kocht de tegenwoordige eigenaar in 1897 twee woningen: een in het Ruiterskwartier en een in de Haniasteeg aan, om nieuwe uitgangen aan de beide bestaande toe te kunnen voegen.


De Concertzaal

Wanneer een vreemdeling thans naar de “concertzaal” vraagt, dan zal men hem wellicht naar de Harmonie verwijzen, want de oude concertzaal in de Breedstraat, die in 1808 door den heer G. van der Wielen in den tuin van zijn huis werd gesticht, wordt, ofschoon er nog wel enkele muziekuitvoeringen in plaats vinden, thans meer tot andere doeleinden gebezigd. Ook de nog vaak gebruikte benaming “bij Van der Wielen” komt dit gebouw niet meer toe, daar het in 1897, juist eene eeuw, nadat de heer Van der Wielen de voormalige Katholieke kerk in de Sacramentsstraat had aangekocht, in handen van den heer Visser overging. Dit pand, dat thans met den bijbehoorenden tuin eene oppervlakte van 2.240 c.a. beslaat en zoowel een uitgang aan de Sacramentsstraat, als aan de Breed-straat heeft, is in de eerste helft van het hier beschreven tijdvak aanzienlijk vergroot. Toen n.l. de graanhandelaren in November 1866 de veel te kleine hulpbeurs op de Wortelhaven verlieten en hunne toevlucht in de concertzaal zochten, besloot de heer Van der Wielen, die vroeger deze zaal reeds met een vertrek van dezelfde afmeting aan den westkant vergroot had, den tuin aan de oostzijde der zaal op te offeren en daar eene nieuwe zaal te maken, die met de beide andere tot een locaal zou kunnen worden verbonden. Van dit nieuwe vertrel werd den 8sten Mei 1868 de eerste steen gelegd en in den herfst van dit jaar kon des Vrijdags de geheele ruimte der drie zalen voor de beurs worden opengesteld.

In 1876 kocht de eigenaar een huis met tuin, gelegen aan de noordzijde van zijn pand, aan en verbond den tuin met zijne zalen. Deze tuin is in 1881 nog vergroot, toen de heer Van der Wielen, door ruiliing van grond, in het bezit werd gesteld van eene bergplaats, welke hij liet afbreken. Zoo biedt dit uitgestrekte perceel, dat ook in het oorspronkelijke gebouw in de Sacramentsstraat verschillende vergaderzalen heeft, eene uitmuntende gelegenheid aan tot het behouden van bijeenkomsten van allerlei aard: vergaderingen en lezingen, zanguitvoeringen en tentoonstellingen, examens en danspartijen wisselen elkaar hier af; het Friesch Genootschap heeft er in 1848 zijne oudheden, munten en bibliotheek tijdelijk in overgebracht, terwijl in latere jaren hier de boekerij der Evangelische Vereeniging berustte, welke in 1907 naar het door haar aangekochte locaal in de Groote Hoogstraat is verplaatst.

De schouwburg en de concertzaal voorzagen echter op den duur niet allen deele in de behoefte aan eene ruime zaal, geschikt tot het geven van muziek- en tooneel uitvoeringen. Dit heeft geleid tot de oprichting van de Harmonie.


De Harmonie

Den 21sten October 1874 namen eenige personen het initiatief tot de stichting van eene vereeniging, die zich, in navolging van de Groninger Harmonie, ten doel zou stellen om, zoowel door het oprichten van eene societeit, als door het geven van concerten en tooneeluitvoeringen, aan ingezetenen en vreemdelingen eenige uren van ontspanning en kunstgenot te verschaffen.

Dit denkbeeld vond dadelijk in-gang, doch voor de verwezenlijking daarvan had men een kapitaal van ongeveer fl. 150.000 noodig, dat niet zoo spoedig werd gevonden. Toen in Februari 1875 echter voor eene som fl. 112.000 was ingeschreven, kon de stichting van een vereenigingsgebouw worden voorbereid en sloeg het voorloopig bestuur daartoe het oog op het noordelijk gedeelte van den Prinsentuin, nabij het vroegere wijnhuis. Langen tijd zijn hierover onderhandelingen met het Gemeentebestuur gevoerd: het scheen een oogenblik, alsof dit plan zou slagen, totdat de Raad den 13den Juni 1878 besloot het voorstel van de hand te wijzen. Intusschen was de Vereeniging “De Harmonie” den 13den Februari 1878 opgericht en nu zette het bestuur met kracht de stichting van een gebouw door. Thans werd het terrein achter het Paleis van Justitie, dat in 1850 door de demping van het westelijk gedeelte van de oude Heerengracht was ontstaan, voor den bouw der Harmonie bestemd. De Gemeente verbond zich hier eene plek gronds, groot 50 Are, voor bebouwing geschikt te maken. Deze oppervlakte wordt thans ingenomen door de Harmonie, haar voorplein en haren tuin. De Harmonie bestaat uit een hoofdgebouw, dat eene groote zaal met tooneel, kleedkamers, vestibules, directiekamer en foyer bevat en een zijvleugel, waarin zich beneden de woning van den chef en eene ruime zaal, welke ook als koffiekamer dienst doet, bevinden, terwijl boven twee localen voor de sociëteit zijn aangebracht. Aan de westzijde van het gebouw ligt de tuin, waarin in 1891 eene kegelbaan is gemaakt.

In Mei 1881 werd de sociëteit geopend, terwijl de groote zaal in den zomer van dit jaar reeds dienst deed voor eene tentoonstelling van “Nijverheid”. Den 8sten November 1881 had de feestelijke inwijding der groote Harmonie-zaal plaats onder leiding van den voorzitter der vereeniging, den heer R. Bloembergen Ezn. Het aantal leden bedroeg destijds 700; in de eerstvolgende jaren nam dit sterk toe, doch daarop volgde eene crisis, welke de vereeniging gelukkig heeft doorworsteld. Door de offervaardigheid van verschillende leden is het voortbestaan der Harmonie, die zoozeer aan het beoogde doel beantwoordt, thans verzekerd.

 

De Groote Sociëteit

In 1825 verkreeg de Groote Sociëteit, een eigen pand tegenover de Lange Pijp Zij is nog steeds in hetzelfde gebouw gevestigd, doch dit heeft in den loop der laatste zestig jaren drie verbouwingen ondergaan. De eerste, die in 1867 plaats vond, betrof alleen de benedenverdieping. Ter verkrijging van eene breede stoep, waardoor den bezoekers de gelegenheid zou worden geopend om zomers buiten te zitten, werd de voormuur achteruit gezet, terwijl de nu vooruitstekendebovenverdieping door pilaren werd gesteund. Tevens groef men de beneden-verdieping, welke men vroeger, van de straat af, door eene stoep met drie treden bereikte, uit, waardoor zij meerdere hoogte verkreeg. Door het aanbrengen vande stoep was er een gedeelte van de bestuurskamer weggenomen. Deze werd nuvergroot met de daarachter gelegen keuken, welke naar het woonvertrek van denkastelein, rechts dan den gang, werd overgebracht, terwijl de kastelein de benedenverdieping van het belendende huis in de Weerd, dat aan de Groote Sociëteit toebehoort, tot woning verkreeg. Tijdens de uitvoering van dit werk, vereenigden de leden der societeit zich in het cafe “Bellevue”, dat zij van de Gemeente huurde.

De tweede verbouwing, in 1878 ondernomen, had eene uitbreiding van de eigenlijke sociëteitslocalen op de eerste verdieping ten doel. Deze bestonden uit eene groote conversatiezaal en eene kleinere biljartzaal, terwijl de leestafel in de eerste zaal stond. Om meerdere ruimte te verkrijgen, besloot men het achterhuis van het pand in de Weerd, dat aan de Bagijnesteeg uitkwam, bij de Sociëteit te trekken. De benedenverdieping van dit perceel werd thans tot kasteleinswoning ingericht, terwijl de bovenverdieping verbouwd werd tot een ruim vertrek in aansluiting aan de beide reeds bestaande zalen.Naar deze nieuwe zaal, die haar licht van de binnenplaats ontvangt, werden nu de biljarten overgebracht, en de vroegere biljartkamer tot eene lees- en speelzaal ingericht, terwijl de groote zaal, op de plaats, waar thans het buffet staat, een ronden hoek verkreeg. Door deze verandering was de localiteit zeer verbeterd. De derde verbouwing, in 1891 uitgevoerd, gold alleen de vergrooting van de stoep, welke eerst slechts de helft van de tegenwoordige breedte besloeg en geene ruimte genoeg aanbood. Zoo heeft de Groote Sociëteit, die nu bijkans anderhalve eeuw bestaat, moeite noch kosten gespaard, om haar clubgebouw te verfraaien en zeer aangenaam in te richten.

 

De Sociëteit Amicitia

De geheele geschiedenis van de Sociëteit Amicitia: hare stichting, opkomst, bloei, verval en ondergang, valt bijna met het hier beschreven tijdvak samen. In 1840 met veel illusie gesticht, diende het ruime en zeer gunstig gelegen gebouw niet alleen voor de samenkomst der sociëteitsleden, maar het werd ook gebruikt voor congressen en vergaderingen, bals en concerten en andere vermakelijkheden en feestelijke bijeenkomsten. In 1852, ter gelegenheid van het zevende land-huishoudkundig congres, verkreeg Amicitia vergunning om een stuk stadsgrond bij haar erf te voegen en een uitgang aan de zuidzijde van het gebouw te maken, terwijl haar in 1879 werd toegestaan om in den tuin eene op pilaren rustende waranda met bovenuitbouw te maken. Bij deze verbouwing werd aan de sociëteitszaal eene afzonderlijke leeskamer en eene biljartkamer toegevoegd.

Amicitia had het toppunt harer bloei bereikt, toen de Harmonie werd opgericht, die de oorzaak van haren val zou zijn. Want, naarmate het ledental der Harmonie toenam, slonk dat van Amicitia, totdat deze sociëteit in 1902 moest worden opgeheven. Het gebouw werd in openbare veiling verkocht aan de gebroeders Feldhaus, die het lieten veranderen en inrichten tot het tegenwoordige hotel-cafe-restaurant. Bij de verbouwing werd het huis met eene verdieping verhoogd.De tegenwoordige eigenaars ontvingen vergunning om op den grond aan de zuidzijde van het gebouw een portaal met gang aan te brengen.

 

De Ontwikkeling

In 1890 werd op de Nieuweburen het clubgebouw der afdeeling Leeuwarden van de Provinciale Friesche Werkliedenvereeniging, thans bekend onder den naam van de Werkliedenvereeniging te Leeuwarden, geopend. Deze vereeniging opgerichtin het jaar 1872 en goedgekeurd bij K. B. van 15 December 1873, stelt zich ten ... doel de ontwikkeling van de werkman te bevorderen en zijne belangen te behartigen en doet dit o.m. door de oprichting van productie- en verbruiksondernemingen. Zoo is in 1877 door haar toedoen de bakkerij “De Zelfstandigheid” op Olde-Galileën tot stand gekomen. Het bezit van een eigen vergaderlocaal was lang de wensch dezer vereeniging, die hierin een krachtig middel tot organisatie der werklieden zag. Eindelijk kocht zij daartoe, mede op aandrang van alle politieke- en vakvereenigingen, die met haar hetzelfde doel streefden, een lompenpakhuis op de Nieuweburen aan en liet dit tot clublocaal vertimmeren Dit gebouw, “De Ontwikkeling” genaamd, stelde zijne deuren niet alleen open voor de bijeenkomsten van alle vereenigingen, die daarvan gebruik wenschten te maken. Spoedig werd het te klein, zoodat de Werkliedenvereeniging, met steun van den heer P.W. Janssen te Amsterdam, het pand in 1897 liet afbreken en daar een nieuw vereenigingsgebouw stichtte, dat beneden een koffiehuis met leeszaal, op de eerste verdieping vergaderlocalen en op de tweede gelegenheid tot logies bevatte. Doch de politieke strijd, welke in dit jaar, waarin de nieuwe kieswetvan Van Houten in werking trad, ontbrandde, bracht verdeeldheid tusschen de verschillende vooruitstrevende partijen te weeg en was, met andere redenen tot oneenigheid, oorzaak van den achteruitgang en de eindelijke opheffing van “De Ontwikkeling”. Er werd hoe langer hoe minder gebruik van deze localiteit gemaakt, zoodat de Werkliedenvereeniging de onkosten der exploitatie niet meerkon dragen. In 1908 werd het gebouw voor fl. 7.500 verkocht.

 

Excelsior

De Leeuwarder coöperatieve productie- en verbruiksvereeniging “Excelsior” verkreeg in 1900 haar vereenigingslocaal. De leden dezer vereeniging behooren tot de Sociaal Democratische Arbeiderspartij, die, in 1894 ontstaan, door den verkiezingsstrijd van 1897, in botsing kwam met de bovengenoemde Werkliedenvereeniging. Zij richtten het volgende jaar eene coöperatieve bakkerij op het Vliet, welke in 1900 werd overgebracht naar het tegenwoordige gebouw van Excelsior, op den hoek van het Schoenmakersperk en de Pijlsteeg. Dit perceel,vroeger eene stalling met woonhuis, werd vertimmerd en beneden tot bakkerij en winkel ingericht, terwijl er boven eene ruime zaal tot het houden van bijeenkomsten werd aangebracht. In 1902 voegde Excelsior eene kruidenierszaak aan de bestaande bakkerij toe.


De Spaarbank

Tot de gebouwen, welke het Zaailand aan de zuidzijde begrenzen, behoort dat der Spaarbank, die in 1870 hier een eigen zetel heeft verkregen. In 1818 op initiatief van de afdeeling Leeuwarden der Maatschappij “ Tot Nut van het Algemeen” gesticht, was de Spaarbank in het aan de Gemeente toebehoorende perceel in de Groote Hoogstraat gehuisvest, totdat zij in 1825 een locaal huurde in het juist door het Departement aangekochte pand op het Heerenwaltje. In de beneden-voorkamer van dit gebouw bleef de Spaarbank tot 1870 gevestigd,doch hare steeds toenemende uitbreiding, (het aantal deelnemers was van 1825-1869, van 680 tot 3.556 gestegen), noopte het bestuur zich van eene andere localiteit te verzekeren. De directeuren besloten nu een eigen gebouw te stichten, waartoe de middelen gevonden werden uit het bestuursfonds, dat sedert 1855 uit de jaarlijksche overschotten was ontstaan. In 1869 kochten zij daartoe een terrein van de door de Gemeente in exploitatie gebrachte gronden tusschen het Zaailand en de stadsgracht aan en den 28sten Augustus van dat jaar werd het gebouw voor fl. 23.240 aanbesteed. Het is een zeer ruim gebouw, dat behalve het zittingslocaal, een commissiekamer en eenige groote vergaderzalen, ook de woning van den boekhouder bevat. Op 12 November 1870 werd het betrokken. De Spaarbank stelde hare deuren open voor de Hulpkas der Israelieten, de Spaarkas, de Hulpkas en de Spaarkas voor kinderen, terwijl het Natuurkundig Genootschap jarenlang de oostelijke bovenzaal van het gebouw en een gedeelte van den tuin in gebruik heeft gehad en het Leesmuseum gedurende zijn kort-stondig bestaan ook daarin gevestigd is geweest.

Thans wordt dit gebouw enkel ten dienste der Spaarbank gebruikt. Bij eene wijziging van het reglement op deze instelling, welke ten doel had om de Spaarbank iederen werkdag voor de inleggers te openen, is in 1907 aan de besturen der genoemde inrichtingen te kennen gegeven, dat zij voortaan geen gebruik meer van het gebouw konden maken. De Hulpbank is daarop naar het door het “Nut” gehuurde huis aan den Nieuwen Weg, en de Hulpkas der Israelieten naar de Perkstraat overgebracht,terwijl de Spaarkas en de Spaarkas voor kinderen sedert gehouden worden in het gebouw der Evangelische Vereeniging in de Groote Hoogstraat.


De Nederlandsche Bank

Ofschoon de beschrijving van particuliere banken en effectenkantoren buiten de grens van dit werk valt, toch moet er eene uitzondering worden gemaakt voor de Nederlandsche Bank, die eene afzonderlijke plaats in den geldhandel inneemt.

In 1864 richtte de Nederlandsche Bank hare agentschappen in de provinciën op.Te Leeuwarden werd deze instelling in Januari 1865 geopend in het perceel Eewal no. 69, dat destijds door den agent der Bank, den heer Mr. E. Attema, werd bewoond. Sinds is zij tweemaal per jaar verplaatst; nl. eerst in 1871, toen de heer Attema het pand Eewal no. 75 aankocht en het kantoor overbracht naar het Achterhuis van dit perceel, dat aan de Slotmakersstraat lag; en daarna in 1880, toen de Nederlandsche Bank een eigen gebouw op den hoek van den Eewal en de Slotmakersstraat stichtte, dat beneden tot kantoor, en boven tot woning van den agent werd ingericht. Eenige jaren daarna is het gebouw vergroot met het voor-malig locaal der Bank aan de Slotmakersstraat, terwijl het bestuur twee woningenin deze straat aankocht en deze liet slechten, om van het opengevallen terrein een tuin te maken.

In 1907, na het overlijden van Mevrouw de Wed. Mr. E. Attema, is het huis Eewal 75 afgebroken en door een ander vervangen, dat, bij het bankgebouw getrokken, mede bestemd is tot woning van den agent. Het kantoor onderging hierbij tevens eene verbouwing, waarbij o.m. de spreekkamer vergroot en er een vertrek voor de bewaring der archieven aan toegevoegd werd.


Terug