Bij de bevrijding van Leeuwarden op 15 april 1945 was de bevolking geheel verstoken van gas en elektriciteit. Wegens gebrek aan grondstoffen moest de gasfabricage op 9 maart 1945 worden gestaakt. De elektriciteitslevering aan de overgrote meerderheid van particuliere verbruikers was reeds in het najaar van 1944 stopgezet. Slechts aan enkele vitale bedrijven werd nog elektriciteit geleverd tot 14 april 1945, toen de levering totaal werd onderbroken, omdat bij de bevrijding van Groningen de centrale aldaar was beschadigd (de centrale van het P.E.B. in Friesland was niet in bedrijf).

Het eerst kon de elektriciteitslevering weer worden hervat. Op 16 april werd door de energiebedrijven een verbinding tot stand gebracht tussen de Coöperatieve Condensfabriek en de centrale van het P.E.B. Op deze wijze kon de P.E.B.-centrale op 17 april weer in bedrijf komen en kon aan enkele vitale bedrijven weer elektriciteit worden geleverd. Bij bijna alle particuliere verbruikers waren in verband met de afsluiting in de laatste oorlogsmaanden de hoofdzekeringen verwijderd. De aansluiting van deze verbruikers werd dan ook zeer bemoeilijkt door gebrek aan zekeringen. Men was toen zelfs genoodzaakt het personeel noodzekeringen te doen vervaardigen.

Na de bevrijding werd al spoedig met behulp van militaire vrachtauto’s cokes aangevoerd. Ook werd gasolie ontvangen, zodat op 11 juli de watergasfabriek weer in gebruik kon worden genomen en de gaslevering weer kon worden hervat. Het duurde echter nog tot 18 september eer de koolgasfabriek weer in gebruik kon worden genomen. In verband met de schaarste aan grondstoffen bleef het gas- en elektriciteitsverbruik nog enige jaren na de bevrijding gerantsoeneerd.

In 1945 bevonden de installaties van de energiebedrijven zich in een zeer slechte staat. Ten gevolge van materiaalgebrek was het onderhoud in de oorlogsjaren absoluut onvoldoende geweest. Tevens dient nog vermeld te worden, dat op last van de bezetter het koperdraad van het bovengrondse net was vervangen door ijzerdraad. In de eerste naoorlogse jaren bleven de materiaalmoeilijkheden en moest op velerlei wijze worden geïmproviseerd om de moeilijkheden het hoofd te bieden. Langzamerhand werd de materiaalsituatie echter beter en konden de installaties weer in een redelijke staat worden gebracht.



































De eerste naoorlogse periode, gekenmerkt door het herstel van de geleden schade, kon als afgesloten worden beschouwd met de ingebruikneming van het nieuwe kantoorgebouw op 9 mei 1949. In 1939 was met de bouw reeds een aanvang gemaakt, maar ten gevolge van de bezetting was het werk al spoedig gestaakt. Omdat reeds materiaal aanwezig was, kon betrekkelijk kort na de beëindiging van de oorlog met het werk worden voortgegaan. Het nieuwe kantoorgebouw betekende een grote verbetering voor de huisvestiging van het personeel.

In de daaropvolgende periode werd grote aandacht besteed aan de verbetering van de efficiency van het bedrijf en aan de verbruiksontwikkeling. Zo werd in 1950 begonnen met het verhuren van gasgeisers. De huurgeisers werden reeds spoedig zeer populair en thans zijn er al ongeveer 11.500 geplaatst.

Op gasgebied trokken na 1950 reeds spoedig de aardgasvondsten in het oosten van het land de aandacht. Dit had tot gevolg, dat geen verdere plannen werden gemaakt voor een grondige modernisering van de gasfabriek. In 1955 ging Leeuwarden aardgas betrekken, dat werd omgezet in de watergasfabriek. De koolgasfabriek werd toen gesloten en ten dele afgebroken. Een deel van het personeel moest op wachtgeld worden gesteld. Gedurende enige jaren werd omgezet aardgas gedistribueerd, maar tenslotte werd besloten over te gaan op de distributie van puur aardgas. Vanaf midden 1959 tot eind 1960 werden alle gasverbruiktoestellen van de Leeuwarder gasverbruikers geschikt gemaakt voor puur aardgas. In totaal werden 21.865 gasverbruiktoestellen bij particulieren omgebouwd. Voorts werden 18.257 nieuwe toestellen aangesloten. Op 30 december 1960 werd de watergascentrale gesloten en kwam na 115 jaar een eind aan de gasfabricage in Leeuwarden. De watergasfabriek werd spoedig daarna gesloopt. Sinds het hiervoor genoemde tijdstip wordt in Leeuwarden slechts puur aardgas gedistribueerd. In de daarop volgende jaren moest bijzonder veel aandacht worden besteed aan de bestijding van het lekverlies. Enige jaren later werden zeer grote aardgasvoorraden bij Slochteren ontdekt. Deze ontdekking had tot gevolg, dat het aardgas op grote schaal werd toegepast voor ruimteverwarming. Om de veel grotere gashoeveelheden te kunnen transporteren, werd in 1964 begonnen met een uitbreidingsprogramma ter vergroting van de transportcapaciteit van het gasnet.

De snelle toename van het elektriciteitsgebruik maakte het noodzakelijk grote bedragen te investeren ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening. In de naoorlogse periode werd de hoogspanningsschakelinrichting van de P.E.B.-centrale uitgebreid en kwamen de schakelstations Sumatrastraat, Voltastraat, Binnenstad en Julianastraat in bedrijf. Van vele transformatorstations werd de inrichting gemoderniseerd en vele kabels met geringe koperdoorsnede werden vervangen door zwaardere.

In de jaren 1961 t/m 1964 werd de netspanning gewijzigd van 127/220 V in 220/380 V. In totaal werden 13.595 percelen omgeschakeld. Aan de verbruikers, die een nieuwe spanning kregen, werden 135.663 nieuwe gloeilampen verstrekt en 28.061 elektrische toestellen werden omgebouwd.

Aan de openbare verlichting werd veel aandacht besteed. In 1945 werden nog uitsluitend gloeilampen voor de straatverlichting toegepast. Al spoedig deed de gasontladingslamp haar intrede. Voor de openbare verlichting werd uiteindelijk het navolgende patroon gekozen:

 

 

Rondwegen en industrieterreinen

natrium (geel)

Wegen en straten met intensief verkeer

kwik (blauw)

Woonstraten

TL

 


Van de belangrijkste straten en wegen werd de verlichting in de beschouwde periode verbeterd. Voor de verbetering van de verlichting in de woonstraten werd een 10-jarenplan opgesteld.









 

































Terug