Gerard Jacob Voorda (1735-1805), de eerste stadsarchivarius van Leeuwarden 1803-1805


Wim van Driel


De volgende rouwadvertentie is in de editie van de Leeuwarder Courant van zaterdag 9 februari 18051 terug te vinden:

Op heeden overleed Alhier de Heer Gerard
Jacob Voorda, Oud Burgemeester en Oud
Rhentemeester der Stad Leeuwarden, in den
Ouderdom van ruim 69 Jaren, na zederd
Den 4 dezer door een hevige Kolijk te
Zijn aangetast. Waar van de Ondergetekende,
Als Testementaire Exëcuteuren....

Leeuwarden, 6 februari

Wat in zijn doodsbericht niet staat aangegeven, is dat Gerard J. Voorda, naast burgemeester en rentmeester, ook de eerste benoemde archivaris is geweest van de gemeente Leeuwarden.
Dit artikel wil, naast een beknopte levensschets, aan de hand van de bronnen enige voor de archivaris van vandaag wellicht opmerkelijke informatie geven over wat er vooraf ging aan Voorda’s benoeming en over zijn inventarisatiearbeid aan de Leeuwarder stadsarchieven. Eveneens zal aandacht worden besteed aan de kritiek die Wopke Eekhoff, de tweede archivaris van de Friese hoofdstad, op de werkzaamheden van zijn voorganger heeft uitgeoefend. Een lot dat een ieder die zich met het inventarisatievak bezighoudt van zijn opvolgers mag verwachten. De wetenschap dat zij ook zelf aan de beurt zullen komen, mag voor de inventarisator echter geruststelling betekenen!


Een levensschets van Gerard Jacob Voorda, over zijn benoeming tot stadsarchivarius

Na Voorda’s overlijden in 1805 bleek dat hij het Nieuwe Stads Weeshuis in Leeuwarden tot universeel erfgenaam had benoemd. De erfenis vertegenwoordigde een dusdanig bedrag aan geld, dat de regenten van het Weeshuis besloten het hier afgebeelde schilderij van hun weldoener te laten vervaardigen. De schilder Allert J. van der Poort werd met de opdracht belast, en blijkt -volgens de notulen van de regenten vergadering (Archief N.S.W. inv. no. 5 en 40) -daarvoor nog schetsen te hebben gemaakt van Voorda’s lijk. Het schilderij werd opgehangen in de 
Regentenkamer, behalve bij de viering van het jaarlijkse Voordafeest. Elke 3e maandag in februari werd het dan geplaatst in de eetzaal. De weeskinderen kregen die dag een halve dag vrij, en ’s avonds een maaltijd voorgeschoteld bestaande uit rijstebrij, pof (brood) en kaas. 
Na de sluiting van het Nieuwe Stads Weeshuis in 1966, kwam het schilderij uiteindelijk in het ’Hof’ te hangen, nu onderdeel van de behuizing van de gemeentesecretarie van Leeuwarden. Niet geheel ten onrechte staat het schilderij daar bekend onder de bijnaam ’de Neus’.Gerard J. Voorda werd in Utrecht uit Friese familie op 29 juni 1735, als derde en laatste zoon van prof. Jacob Voorda en Petronella van Beucker geboren. In 1760 legde zijn vader het hoogleraarschap in het Romeinse Recht te Utrecht neer, waarvoor hij in 1730 met zijn gezin Franeker had verlaten. De attestatie-overschrijving van de Hervormde kerk getuigt van een nog bestaande aantrekkingskracht die het “Friese land” op de Voorda’s uitoefende, daar zij nog in datzelfde jaar 1760 van de ’Domstad’ naar de ’Oldehovestad’ Leeuwarden verhuisden. Het feit dat zij bezittingen in en om Harlingen hadden liggen en dat de twee oudste zonen van het gezin Voorda al eerder naar het noorden waren getrokken, zal zeker bij het nemen van de beslissing om terug te gaan een ’rol hebben gespeeld. Bij de verhuizing gaf Gerard Jacob, naar later zou blijken voorgoed, zijn theologiestudie op.
Vader Voorda († 1768) werd benoemd tot lid van de Provinciale Staten van Friesland, terwijl zijn jongste zoon op 15 oktober 17622 door de Magistraat van Leeuwarden werd aangesteld als rentmeester van de geestelijke goederen en administrateur van de ’logisgelden ’.3
Op 21 september 17924 droeg laatstgenoemde dit ambt weer over, waarna per 6 september 17935 een benoeming in de Vroedschap van Leeuwarden volgde. Zoals zijn overlijdensbericht al aangeeft is Voorda ook nog burgemeester geweest. De benoeming voor dit ambt was ingegaan op 1 januari 1795, doch vanwege de Franse inval en de daaropvolgende omwenteling duurde de vervulling ervan slechts een maand.
Na zijn gedwongen ontslag besteedde Voorda zijn laatste tien levensjaren voor een groot gedeelte aan zijn interessen. Deze lagen bij uitstek op het gebied van de theologie, de munt- en penningkunde en -hoewel het begrip toen eigenlijk nog niet bestond -op het gebied van de ’archivistiek’!

De theologie-interesse zorgde voor de uitgave van een aantal bijbelstudies,6 en de numismatiek voor een respectabele muntverzameling en de bewerking van een Naamlijst van Antieke penningen van de Leidsche Hoogeschool. Dit laatste geeft al aan waar Voorda’s belangstelling voor de archieven vandaan zal zijn gekomen. Het ging hem daarbij om het toegankelijk maken van een verzameling. Of deze nu bestond uit munten of archiefbescheiden zal hèm vooralsnog weinig hebben uitgemaakt. Een eerste aanwijzing dat hij zich voor de Leeuwarder stadsarchieven ging interesseren is misschien te vinden in de resolutie van 4 april 17837 waarbij Magistraat en Vroedschap het verzoek inwilligen van de dan nog rentmeester zijnde Voorda om te kunnen beschikken over het oude Stads Pulpitum8 om de papieren en geld(en) van de stad onder zijn Ed. berustende op zodanige wijze te bergen als hem geschiktst en meest dienstig zal voorkomen. De bescheiden die Voorda dan al ruim twintig jaar als rentmeester en administrateur had ontvangen en opgemaakt, wilde hij op een verantwoorde manier wegsluyten. Waarschijnlijk constateerde hij toen al dat de ’verzameling’ oude archiefstukken van de stad eens nader bekeken diende te worden. Zijn benoeming in de Vroedschap zal hem in de gelegenheid hebben gesteld de noodzaak daarvoor onder de aandacht te brengen van de andere leden van het stadsbestuur.

Op 5 mei 17949 brengt Voorda namelijk rapport uit -een opdracht daarvoor is niet gevonden10 -over de verbetering der ordre in Stads Archivekas overeenkomstig ’t plan, ’t welk van mij verlangd wierd. Wat Voorda in zijn rapportage naar voren brengt is toch wel opmerkelijk te noemen. In aanmerking genomen dat in het jaar 1794 het archiefvak -zoals zich dat in de 19e en 20e eeuw in Nederland heeft ontwikkeld - nog geen duidelijke inhoud kende, moet hetgeen hij rapporteerde voor een aanzienlijk gedeelte gebaseerd zijn geweest op eigen interpretatie en conclusie. Het verslag begint met een opsomming van zijn gedane werkzaamheden:
Eerst heb ik de Laaden verplaatst, vervolgens de verstrooyde stukken met veel moeite opgezogt, en elk derhalve in dat Laad, en (zoo veel doenlijk) op dien zelfden Nummer gebracht, waar in- en waar op ’t van ouds geweest was. Al gaande weg heb ik een aantal nieuwe stukken, die (zoo ’t schijnt) tot hier toe onbekend gebleven waren ontdekt, en op deficieerende Nummers van mijn register geplaatst. ...doch (een) groot aantal is in vier maatige pakjes bij elkander geplaatst, welk en niet op ’t Register staan. (Uit)Eindelijk heb ik uit ’t Oud Register11 dit nieuw Register geformeerd, ’t welk ik de eer heb aan U Ed. Achtb. te presenteren. Dit is Ed. Achtb. Heeren, ’t werk, dat door mij verricht is, en met dat al ben ik er verre van af te denken, dat onze Archivekas nu compleet in orde is -gantschelijk niet-: ’t werk, dat geschied is, is niet meer dan een voorlopig en preparatoir werk, ’t welk noodzakelijk vooraf geschieden moest, eer men ’t werk tot volkomenheid zou kunnen brengen.

Teneinde dat stadium te bereiken dient er naar Voorda’s mening nog een viertal dingen te gebeuren:
In de eerste plaats moet een aantal stukken van iemand die dezelve leezen kan, geexamineerd worden. Vervolgens zou door een gevolmagtigde Commissie een groot aantal nietigheden, die de plaats in een Archive-kas onwaardig zijn, moeten verscheurd, of elders geplaatst worden. Ten derde zou diezelfde Commissie de overblijfende goede stukken in drie Classen dienen te schikken,12 waarvan de eerste Classe stukken behelsde, die de oude Rechten dezer Stad vast stellen, en tot haaren luister dienen, als Privilegiën, Octroyen, Concessien etc. De tweede Classe zou moeten bestaan uit stukken, die wegens bijzonderheden der historie, den staat der publieke zaaken in voorledel1e eeuwen, en de zeden en gewoonten van dien tijd, ten hoogsten curieus en belangrijk zijn. De derde Classe zou dienen te behelzen alles, ’t welk aan de stad tot bewijs verstrekt van haar bezittingen als koopbrieven, Acten, Transacten etc.
Ten laatste (ten vierde) alle deeze stukken, elk in zijne Classe, zouden naar den tijdorder dienen gerangschikt te worden.

Voorda vervolgt zijn rapportage met op te merken dat al dit werk omslagtig is en veel tijd en moeite zal gaan kosten. Zo zou men ’t misschien bij deeze eerste poging bij provisie konnen laten blijven, mede omdat men naar zijn oordeel de kas, zoo als die nu gesteld is, met plaisir kan zien; en met gemak gebruiken. Na te hebben verzekerd dat alles aanwezig is, verzoekt Voorda tenslotte om een commissie in te stellen teneinde de Archive-kas, nu zo langen tijd mij aan betrouwd, naar hun believen met mij (te) examineren. De leden van de bedoelde commissie brengen op 4 augustus13 d.a.v. een gunstig verslag uit, waarna op diezelfde dag décharge volgt en de Hr. Voorda bedankt wordt voor de moeite voor het in orde stellen der Archive-kas.
Na het uitbrengen van dit rapport verlopen er negen, door de Franse revolutie bepaald geen lethargische, jaren waarin men echter geen daadwerkelijk gevolg heeft gegeven aan Voorda’s geadviseerde selectie, vernietiging en definitieve ordening en beschrijving van het oude stadsarchief. Tenslotte kon men de Archivekas zoo als die nu gesteld was met plaisir zien; en met gemak gebruiken, zo had Voorda zelf beweerd! Daarmede raakt hij overigens wel in tegenspraak met de rest van zijn aanbevelingen. In tegenspraak, omdat hij met zijn rapportage aan de ene kant bewijst serieuze aandacht te hebben voor het in orde brengen van de archiefkast -waarbij hij zelfs toegeeft wat het oude schrift betreft geen deskundige te zijn -; doch aan de andere kant vindt dat een verdere verbetering van de toegankelijkheid niet te veel tijd en inspanning mag kosten. Blijkbaar realiseerde hij zich niet dat daarmee de problemen vooruit werden geschoven. Uniek was deze gedachte geenszins. Menig archiefinspekteur zal voorbeelden van vandaag kunnen noemen die overeenkomen! -
Misschien is het de op handen zijnde benoeming van Hendrik van Wijn in 180214 tot archivaris van de Bataafse Republiek geweest, die de dan al zeven jaar op non-aktief staande Voorda deed herinneren aan zijn in 1794 aan het stadsbestuur gedane aanbevelingen. Op 4 juni 1802 besluit de Raad namelijk om op zijn verzoek aan de old Rentmr. Voorda de vrijheid (te gunnen) om toegang te hebben in de Boek en Acquit kamers op den Raadhuize (teneinde) dienstig gebruik te maken van de aldaar berustende Boeken, Papieren en Acquiten dezer Stad. Dat dienstig gebruik maken zal ongetwijfeld een verbetering van de ordre der Archiven hebben ingehouden, gezien zijn advies aan het gemeentebestuur in 1803 dat zijn register uit 1794 thans wil(len) laten drukken. Op 25 mei 180315 doet Voorda de vriendelijke voordracht om aleer met het drukken van gedagt Register wierde begonnen; andermaal tot verbetering over te gaan. Deze verbetering zou nodig zijn omdat bij de werkzaamheden van 1794 van een oudere beschrijving16 was uitgegaan, waar omtrent egter was aan te merken dat die (een) oude orde (kende die) inderdaad geen orde was, vermits na dezelve met nietigheden vermengd en ontluisterd wierden; ja dat ook zelf geen Chartre, hetwelk men verlangde te zien, te vinden was of men moest het Register zoo lang doorbladeren totdat men het aantrof. Als oplossing voor deze compleete verwarring zouden de al in 1794 aangeraden schiftingen nodig zijn, namentlijk: de eerste in Classen naar de onderscheidenden materiën,. en de tweede in yder Classe naar de tijd-orde. Aan het eind van dit advies biedt de oud Rentmr. voorseidaan, om dit werk ter eere van de Stad en tot plaisir der Regeering gratis te verrigten mits hem de titel van archivaris wordt verleend, opdat hij in die qualiteit ......in publicque zaaken van die aangelegentheid publico nomine (zou kunnen) arbeiden. Het stadsbestuur besluit diezelfde dag de gemelde voorslag van den oud Rentmr. Voorda met genoegen te accepteren en denzelven tot Archivarius deezer Stad aan te stellen.
Leeuwarden zal door deze aanstelling waarschijnlijk wel één van de eerste Nederlandse gemeenten zijn geworden met een eigen benoemde, zij het nog onbezoldigde, archivaris.17 Daarbij dient men zich wel te realiseren dat, zoals dat bij latere benoemingen meer het geval was, aan het archivarisambt van Voorda niet veel taken waren verbonden. Voorda kreeg zijn commissie om de Stads Archiven in de voorslagen orde te brengen en het Register te verschrijven en zoo mogelijk te vermeerderen.18 Daarnaast verwachtte men dat hij de oude stukken eens nader ging bestuderen op de juistheid van de rechten die de stad Leeuwarden liet gelden op het Sint Anthony Gasthuis en het Old Burger Weeshuis. Eén en ander had tot een dusdanig conflict met de besturen van de betreffende instellingen geleid, dat men daarin opheldering wilde verschaffen via het raadplegen van de oude archiefstukken. Deze opheldering zou men van Voorda als benoemd stadsarchivaris mogen verwachten. Zijn commissie zal dan ook mede aan deze kwestie te danken zijn geweest. In die jaren schatte men tenslotte de waarde van het archief meer naar de belangen van de eigen administratie dan naar de historische waarde op langere termijn.19 Met zijn takenpakket was Voorda binnen een jaar klaar, getuige de datering 9 juni 1803 onder het voorwoord van zijn in druk verschenen inventaris en de douseur van 6 gouden ducaten voor bewezen diensten aan de stad die men hem op 2 mei 180420 toekende. Daarna waren er geen werkzaamheden meer aan Voorda’s ambt verbonden, zodat het correct is om zijn archivaristitel verder als een eretitel te beschouwen.

Inventarisatiearbeid en latere kritiek

In de ’Catalogus der Stedelijke Bibliotheek21 van Leeuwarden’ uit 1870, staat een exemplaar van Voorda’s gedrukte inventaris als volgt beschreven:22
Register van de Archiven, Stukken en Documenten liggende in de Stads Archivekas te Leeuwarden. ..., doorschoten en met veelvuldige aantekeningen, ten bewijze dat de bijna 70-jarige grijsaard het oude schrift van sommige stukken niet heeft kunnen lezen en daardoor velen niet begrepen of verkeerd beschreven heeft.

N.B. Reeds in 1794 vervaardigde Voorda een register der archieven; doch toen hij later werd verzocht, dat te laten drukken, gaf hij daaraan een geheel andere orde, of liever wanorde, in acht zonderlinge rubrieken, na welken arbeid hij met den titel van Archivarius werd vereerd.

Het bedoelde exemplaar is nog altijd aanwezig.23 titel bezit;24 doch dit schijnt bij Eekhoff vaker het geval te zijn geweest.25
Zoals in zijn rapportage van 1794 en gedetailleerder in zijn advies van 1803 naar voren komt, vond Voorda dat de oplossing voor de complete verwarring en de oude orde die geen orde en was maar wanorde, gezocht moest worden in een ordening van het stadsarchief in Classen. Als een ’bedreven’ inventarisator geeft hij daar aan het einde van zijn ’Voorrede op het Register. ...’ na globaal op de geschiedenis en een aantal rechten van de stad Leeuwarden -o.a. m.b.t. het St. Anthonygasthuis en het Old Burger Weeshuis -te zijn ingegaan een nadere verantwoording van:

De orde der Archiven heb ik, na voorafgegaan overleg met de Regeering, en derzelver goedkeuring geheel veranderd. Ik heb ze alle geschift, en vervolgens gesorteerd naar de materiën, waaruit geboren zijn de acht volgende Capittelen:
1. Archiven, die de opkomst, aloude Rechten, Privilegien, Costumen, en geschiedkundige bijzonderheden onzer Stad betreffen.
2. Provinciaale en Buitenlandsche zaaken.
3. Bewijzen van eigendom en rechten dezer Stad, hetzij bij koop, of niaar26, ’t zij bij Conventie of bij Testament verkregen.
4. Particuliere zaaken, Testamenten, Missiven etc.
5. Afgedaane zaaken.
6. Mengelwerk, zo als ’t zelve van ouds was bijeengebracht.
7. Raadsbestellingen.
8. Nakomende Nieuwe stukken.
Alles in deze acht Classen geschift zijnde, zo heb ik de bijzondere stukken...... ieder in zijn rang naar de tijdorde plaats gegeven: echter heb ik mij veroorlooft, om in enkele gevallen stukken, die wegens derzelver inhoud dienden niet van elkander gescheiden te worden, bij elkander te plaatzen, en ben in zo verre eenigszins van de tijdorde afgeweken. De orde moest mij geen tij- ran zijn. Ik bekenne, dat ingevolge deze nieuwe orde de Aanhaalingen, die betrekkelijk onze Stad in ’t Charterboek gedaan zijn, in opzicht van de plaatselijke ligging in onze ArchiveKas, nu eene miswijzing krijgen: maar de zwaarigheid, wel ingezien zijnde, is van geen gewigt, dewijl elk der Archiven, die in ’t Charterboek worden aangehaald, gewoonlijk op zijn jaar in één der drie eerste Capittelen van dit Register zal gevonden worden en bijaldien iemand enigszins op de inhoud let, zal zelfs ’t Capittel aan weinige twijfeling onderhevig zijn: zo dat ik, alles in overweging genomen, het niet der moeite waardig heb geacht om de vorige orde met deze nieuwe nevens elkander te plaatsen, en in paralelle te brengen.

Voorda geeft dus bij het aanbrengen van een nieuwe orde de voorkeur aan een indeling in een achttal rubrieken waarvan de eerste drie de belangrijkste heten te zijn. Binnen de rubrieken worden de stukken in principe chronologisch gerangschikt. Een concordans met de oude ordening is daarbij z.i. overbodig. Eekhoffs kritiek op deze indeling staat in de marge bijgeschreven. Hij vraagt zich daarin af:

Behoort er in een Archief van eene Stad eene andere dan Chronologische orde te heerschen? Mij dunkt, geen andere; maar wel behoort er achter een Chronologische Register een zakelijk beredeneerd Register van de materiën, waaronder de stukken kunnen gebracht worden. Immers gelijk hier, loopen de aloude Regten, Bewijzen van eigendom, Particulaiere zaken en Afgedane zaken (?) zodanig in elkander, dat zij niet te onderscheiden zijn.

Titelpagina van het gedrukte ’Register der Archiven ...’ van G.J. Voorda uit 1803.Hoe zouden we eigenlijk dit stadsarchief anno 1981 inventariseren? De oude orde handhaven is in dit geval gemakkelijker gezegd dan gedaan, want welke orde is dat! Voorda doorbrak in ieder geval met zijn rubriekenindeling de chronologische ordening
die terug te vinden is in de inventaris van omstreeks 1750 van de vroedman Tholen en in een eerdere inventaris die de toenmalige secretaris van de stad Gellius Hillama in 1597 was begonnen aan te leggen en die door zijn opvolgers, zij het onvolledig, tot ± 1730 is bijgehouden. Het is echter onzeker of deze secretarissen bij het verwerken van de bescheiden in de archiefkast een al aanwezige systematiek hebben gehandhaafd. Dan maar de oudste te achterhalen orde? Deze komt dan toevalligerwijs overeen met de oplossing die Eekhoff voorstond -hoewel deze zijn voorkeur zeker niet zal hebben gebaseerd op het oude-orde principe -; n.l. de chronologische ordening aangevuld met indices om de toegankelijkheid te vergroten. Of we vandaag ook voor deze oplossing zouden kiezen lijkt mij onwaarschijnlijk. Buiten het feit dat een chronologische orde- ning zelden volledig is aan te brengen,27 doen de inventaris van Eekhoff en later de herziene uitgave waaraan zijn opvolgers Telting en Singels hebben gewerkt, vermoeden dat veel daarin beschreven stukken uit andere archieven zijn geplunderd. Omdat niet alle betreffende plaatsen zijn terug te vinden en door Eekhoff verscheidene zelf-vervaardigde afschriften zijn opgenomen, is er uiteindelijk meer sprake van een verzameling dan van een stadsarchief! Een rubriekenindeling wordt dan ook weer verdedigbaar. In ieder geval is het daarbij niet raadzaam Voorda’s rubrieken te gebruiken. Gelijk Eekhoff al opmerkte, ligt het voornaamste bezwaar tegen Voorda’s indeling in het feit dat de Capittelen -zoals men dat nu in de klassificatieleer noemt -niet ’wederkerig exclusief’ zijn. Alsof bijvoorbeeld de Provinciale en Buitenlandsche zaaken geen Afgedaane zaaken kunnen zijn. En wat aan te moeten met de rubriek Mengelwerk. ...of Nakomende Nieuwe stukken?


Er zijn in het bedoelde doorschoten exemplaar maar weinig beschrijvingen van Voorda te vinden die Eekhoff niet middels aanvullingen, wijzigingen of kanttekeningen van commentaar heeft voorzien. Opmerkingen als: Zo is het duidelijk dat hij de zaken niet in het ware licht heeft voorgesteld. ...De ware aart van dit stuk heeft de Hr. Voorda niet gekend, en zoo er een bewijs is dat de Hr. Voorda de Archiven, zelfs niet van deeze tijd, niet kon lezen, dan is het dit stuk, zijn daaronder terug te vinden. In zijn eindoordeel merkt Eekhoff over Voorda’s inventaris nog op:

Het doet mij zeer leed dat ik bij het nauwkeurig nagaan, lezen en vergelijken der Stedelijke Archiven heb bevonden, dat de Heer Voorda, behoudens alle achting voor ’s-mans geleerdheid, dit Register met zeer groote onnauwkeurigheid en onvolledigheid heeft samengesteld, ja zelfs dat de man het oude schrift niet naar behoren konde leezen. ...Te verwonderen is dit alles wanneer men overweegt dat er, voor de Heer Voorda in 1794 eerst een lijst naar de oude orde heeft opgemaakt, verschillende28 Registers der Archiven beston den en nog bestaan, welke hij heeft gevolgd of geraadpleegd. Voegt men hierbij de ellendige vorm waarin hij de oudste stukken in kleine papiertjes drie à vier dubbel gevouwen en opgeplakt heeft, zonder op dezelve eenig no. of jaartal te plaatsen (al hetwelk ik gedeeltelijk heb gepoogd te herstellen) dan zal men ’s mans arbeid niet die hooge waarde toekennen, welke hij zich in dit voorberigt zelve toekent. Bovendien is de door hem geschapen orde in rubrieken nutteloos en ongemakkelijk, daar ik de stukken dikwijls in de oude tijdsorde heb teruggewenscht, gelijk ik nog doe. ...

Kritiek op zijn werk, als die van Eekhoff, blijkt Voorda te hebben voorzien. Wederom als een ’ervaren’ inventarisator realiseerde hij zich dat de praktische uitwerking van een, theoretisch goed geachte opzet, de nodige problemen met zich meebrengt. Hij beëindigde zijn ’Voorrede’ dan ook als volgt:

Dit heb ik dienstig geoordeeld hier te zeggen om eenige verslag van mijnen arbeid te geven, waar ik niet twijfele, of er zullen hier en daar wel gebrekkelijkheden worden gevonden; doch hier komt mij ook te pas, ’t geen ik voor drie jaren aan de Heeren Curatoren der Leidsche Universiteit, na dat ik hunne voortreffelijke Collectie van Antique Penningen hervormd had, in de voorrede voor mijn Register schreef namelijk, dat het vormen van een wel geordineerd lichaam uit eene zo groote verwarde menigte, eene soort van Schepping is, en dat geene Schepping, nog in de Macrocosmus, noch in de Microcosmus met eenen daad is volbragt en afgedaan. Men vergenoege zich dan met deezen arbeid, ofschoon er plaats zij voor uitvoeriger bewerking.

Vermeldenswaardig is nog het feit dat Voorda, middels zijn nagelaten persoonlijke archief, heeft bijgedragen aan het opvullen van een hiaat in het Leeuwarder stadsarchief. In het Leeuwarder archivarisloze ’tijdperk’, tussen Voorda en Eekhoff in (1805-1838), had de gemeentesecretaris in 1824, laten we hem maar een ’leek’ noemen, series stadsrekeningen en vele andere stukken als oud papier verkocht.29 Eekhoff wist echter beslag te leggen op de rekeningen van de geestelijke goederen uit Voorda’s nagelaten boedel, voor de jaren dat deze zelf rentmeester was geweest. De lekenfout kon daardoor weer enigszins hersteld worden.
Ten slotte -ten behoeve van de moraal van dit artikel -nog enkele vraagtekens geplaatst bij Eekhoffs inventarisatie van het Oud Archief van Leeuwarden, door diens opvolgers A. Telting en later J. C. Singels.30 Naast het feit dat zij bezwaren hadden te- gen het geschrijf door Eekhoff op stukken die niet beschreven mogen worden, vonden zij de redacties in de inventaris te uitgebreid: zij had veel meer van een historisch compendium dan van een Inventaris. Zij bevatte allerlei concluciën, die misschien ook door den geschiedvorscher zullen gemaakt worden, maar die zeer zeker aan dezen en aan dezen alleen moeten worden overgelaten.
Het blijft een geruststelling, die kritiek op je inventaris!31

 

Geraadpleegde literatuur:

- Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, dl. IV
- Leiden 1918. -’Jacob Voorda’, artikel in de Leeuwarder Courant van 4 juni 1890.
- ’Toespraken bij de viering van het Voordafeest, 1841-1851 ’. Archief Nieuwe Stadsweeshuis van Leeuwarden. Inv. nr. 640.
- Hoekema, C. P .-, Peter Karstkarel en Ph. H. Breuker. Eekhoff en zijn werk. Leeuwarden 1980.
- Muller Fzn., S,-,.J. A. Feith en R. Fruin Th. Az. Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven. Groningen 1920.
- Singels, J. C.-. Inventaris van het oud-archief der stad Leeuwarden. Leeuwarden 1893.
- Woelderink, B.-. Hoofdlijnen van de geschiedenis en organisatie van het archiefwezen. Utrecht 1972. Syllabus Rijksarchiefschool.


SUMMARY

Concerning the first Keeper of the Records of the Municipality of Leeuwarden

This article is dealing with Gerard Jacobus Voorda (1735-1805), who was the first appointed Keeper of the Records of the Municipality of Leeuwarden in the province of Friseland.
The author writes about his life, his appointment in 1803 and about his inventory -wolk
at the city -archives of Leeuwarden.
Attention is also payed to the criticism on Voorda’s inventory-work by Wopke Eekhoff(1809-1880), who became his successor in 1838.


Noten:

1 Pagina (3).
2 Oud Archief der Stad Leeuwarden, (O.A.S.L.) inv. no. M SI, f.62.
3 Logiesgeld is de vergoeding die de Staten Generaal voor huisvesting uitkeerde aan degene die militairen had ingekwartierd.
4 O.A.S.L., inv. no. M 63, f. 253.
5 O.A.S.L., inv. no. M 76, f. 264-265.
6 Zie: Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, dl. IV, blz. 1409-1410.
7 O.A.S.L., inv. no. M 58, dd. 4 april 1783.
8 Een pulpitum is een schuinoplopende lessenaar met opbergruimte.
9 O.A.S.L., inv. no. M 76, f. 282-286.
10 Hetgeen een indicatie kan zijn voor de aandacht die men binnen Leeuwarden voor de oude stadsarchieven in eerste instantie aan de dag legde.
11 Met dit oude register wordt bedoeld een beschrijving die ca. 1750 was gemaakt door de vroedman Otto N. Tholen. Voorda’s opdracht bestond waarschijnlijk hieruit dat hij, bij het in orde brengen van de archiefkast, van deze beschrijving uit moest gaan.
12 Het is frappant hierbij een vergelijking te trekken tussen Voorda’s klassenindeling en de mo- tieven op basis waarvan men nu zegt dat archiefbescheiden bewaard moeten blijven!
13 O.A.S.L. inv. no. M 76, f. 288.
14 Van Wijn werd benoemd op 5 juli 1802, tegen een jaarwedde van FI. 3500,-. 15 O.A.S.L. inv; nr. M 141, f.68-70.
16 De beschrijving van Otto N. Tholen. Zie note 11.
17 Zijn er eerdere benoemingen bekend?
18 O.A.S.L. inv. nr. M 141, f. 70.
19 Zie: Woelderink, blz. 3.
20 O.A.S.L. inv. nr. M 142, f. 40.
21 Nu instituutsbibliotheek van het Gemeentearchief van Leeuwarden.
22 Blz. 237, catalogusnr. C. 54.
23 Nieuw catalogusnr. B. 434.
24 Er zouden vakgenoten kunnen zijn die dit als een mogelijk voorbeeld willen zien van wat men sinds enige tijd wel eens de ’nieuwe Friese zakelijkheid’ willen noemen! (zie N.A.B. 1979, blz. 182 e.v., 317 e.v. en N.A.B. 1980, blz. 146 e.v.) M.i. gaat dat echter weer te ver. Men dient tenslotte te blijven relativeren!
25 Eekhoffs biograaf C. P. Hoekema wijt dit in zijn aandeel in de bundel ’Eekhoff en zijn eigen werk’ (blz. 10,78, 89-82) aan een ’te grote zelfachting en zelfvoldoening’ die mogelijk een gevolg was van het feit dat hij in zijn jeugd niet heeft kunnen doorstuderen. Hij was een selfmade man die als kritiek werd geleverd door anderen met ’een betere vooropleiding’, zich al gauw ’in zijn eigen gewaande meerderheid’ voelde aangetast. ...’Hij had daarbij een sterke wil zich waar te maken, iemand te zijn, en ook dan loerde daar het gevaar, dat hij grenzen, die de maatschappij hem stelde, overschreed’. ’Wat men ook op Eekhoffs werkwijze, op zijn opvattingen aan te merken heeft, men kan echter niet om hem heen’. Enkele eindoordelen uit de Eekhoffbiografie die men bij het doorlezen van de kritiek op het werk van Voorda in gedachten moet houden. Volgens velen is in het verleden de mening over Eekhoff nogal eens te eenzijdig vanuit zijn negatieve karaktertrekken beredeneerd. Zijn onschatbare verzamelwerk voor het archief, de bibliotheek en de kunstverzameling van Leeuwarden werd daarbij maar al te vaak vergeten. (vgl. N.A.B. 1967, blz. 229-230).
26 Volgens oud Germaans recht was men geen eigenaar van een bepaald onroerend goed, maar eigenlijk administrateur. Het eigendom behoorde toe aan de maagschap, in ruimer zin de gemeenschap. Bij vervreemding aan derden, had de gemeenschap het recht om het goed als eerste te kopen. Dit noemde men het ’recht van niaar’.
27 Men zou delen uit elkaar moeten halen, en series verbreken.
28 Het register van Tholen en dat van de secretarissen.
29 Secretariearchief Leeuwarden 1811-1850, inv. nr. 167, f. 423.
30 Zie Singels: de inleiding.
31 Vgl. voor kritiek op het inventariswerk van Telting en Singels, b.v. de Handleiding blz. 28-29.

Terug