Behoefte aan een lijkkleed


Ooit moet er op het pleintje Bij de Put een huis gestaan hebben met een gevelsteen waarop een trekschuit stond afgebeeld, waarbij een menselijke gedaante vanuit het water omhoog klom. Aan deze gevelsteen is een sage verbonden, die door Waling Dykstra is opgetekend in ‘Uit Friesland’s Volksleven’ uit 1895-1896.

Bij de Put rond 1840. Aquarel Sjoerd Bonga.
Bij de Put rond 1840. Aquarel Sjoerd Bonga.

Te Leeuwarden merkte men in vroeger jaren bij de Put een huis op met een steen in den gevel, waarop eene trekschuit was uitgehouwen; men zag eene menschelijke gedaante van uit het water achter bij dat schip opklimmen, waarnaar de bij ’t roer staande schipper verwonderd omkeek. Dat huis werd langen tijd geleden bewoond door een trekschipper van Leeuwarden op Sneek. ’t Is eens gebeurd, dat die man, op eene reis met zijne trekschuit naar Sneek bij ’t roer staande, iemand achter hem hoorde roepen. Hij zag om, en uit het water kwam de geest van een jong kind bij het roer opklauteren. De schipper verschrikte hevig, doch herstelde zich spoedig wat, en waagde ’t toen den geest te vragen wat zijne begeerte was. Deze antwoordde met eene wedervraag, of de schipper wilde volbrengen wat van hem verlangd zoude worden. -’Met Gods hulp, als ’t mogelijk is, ja!’ zei de man. ‘Welnu,’ zei de geest, ‘dan moet ge te Leeuwarden in die straat gaan, in dat huis,’ - de naam der straat en het nummer van ’t huis zijn niet meer bekend, - ‘en vraag daar een lijkkleed voor mij, want zonder dat kan ik niet tot rust komen.’ De schipper beloofde dit, en toen hij weer in Leeuwarden kwam was ’t zijn eerste werk, het aangewezen huis op te zoeken, dat door zeer aanzienlijke lui bewoond werd. Hij gaf daar zijne boodschap te kennen en het verlangde lijkkleed werd hem ter hand gesteld. Naar Sneek terug varende, werd op dezelfde plaats als den vorigen keer de schipper aangeroepen. De geest van het kind verscheen weer op het roer en ontving van den schipper het lijkkleed, bedankte hem zeer voor zijne boodschap en voorspelde hem dat hij rijkelijk door God gezegend zoude worden. Daarop verdween het kind in de diepte. Sedert dien tijd ging het den schipper best in de wereld. Om het geval voor de vergetelheid te bewaren, liet hij het beitelen op een steen, die in den voorgevel van zijn huis werd geplaatst. Deze kleine geest was van een in onecht geboren kind, dat, ter bedekking van schande, heimelijk in de sneeker trekvaart was geworpen.

Terug