Open monumenten in Leeuwarden 1988


Woord vooraf
Deze gids "Open monumentale woonhuizen in Leeuwarden" is verschenen ter gelegenheid van de tweede Open Monumentendag op 17 september 1988. Het comité Leeuwarden heeft een groot aantal eigenaren van monumentale woonhuizen, particulieren, bedrijven en instellingen bereid gevonden om hun panden open te stellen voor het belangstellend publiek. Die monumenten worden in deze gids beknopt behandeld. Beknopt, want over elk van de panden is wel een aparte gids te schrijven en beknopt, omdat deze gids als handleiding is bedoeld, niet als handboek. In twee van de opengestelde monumenten zijn al meer dan een eeuw en langer dan een halve eeuw musea gevestigd: het Fries Museum in het Eysingahuis op de hoek van Turfmarkt en Koningsstraat en het Museum het Princessehof in het paleisje van Prinses Maria Louise van Hessen Kassel aan de Grote Kerkstraat 11 en 13. De stijlkamers van die museale woningen zijn niet alleen opengesteld, maar er zijn bovendien tentoonstellingen ingericht die speciale aandacht vestigen op aspecten van het monumentale wonen. In het Fries Museum worden schoorsteenstukken uit eigen collectie getoond en in Het Princessehof zijn (tot 20 oktober) behangsels en behangselfragmenten uit vooral de achttiende eeuw tentoongesteld waaronder belangrijke stukken uit de monumenten Eebuurt 10 en Nieuwestad 135 te Leeuwarden.

Vóór de behandeling van de vijftien opengestelde woningen volgt hier eerst een monumentenwandeling, waarin vooral aandacht gevestigd wordt op de monumentmentale woonhuizen die op de wandeling gepasseerd worden, woningen die soms al een volslagen andere functie hebben gekregen en verbouwd zijn, maar die hun allure nog wel aan de buitenkant vertonen.


Monumentenwandeling
Aan de reeks pleinen van Hofplein, Raadhuisplein en Gouverneursplein wordt nauwelijks meer gewoond maar hier heeft tussen eind zestiende eeuw en midden achttiende eeuw de eerste onder de Leeuwarder woningen gestaan; het Stadhouderlijk Hof. Deze stadhouderlijke woning van de familie Nassau-Dietz en later Oranje Nassau wordt als woning 1 verderop in deze gids beschreven.

Op het Raadhuisplein staan tegenover het Stadhuis een tweetal grote herenhuizen uit de negentiende eeuw en een vm. school van stadsarchitect Thomas Romein, thans in gebruik van secretarieafdelingen en de parkeerpolitie. De zuidelijke gevelwand bestaat ook uit kantoren van de gemeente, maar het zijn oorspronkelijke woonhuizen. Het pand op de hoek van het Herenwaltje is het oudst. In de helderrode pilastergevel staat "Anno 1666" en een fraaie gevelsteen siert deze gevel: "In de Fortuyn".

Het Herenwaltje was tot 1884 een gracht, waarvan het water tot tegen de westelijke gevels stroomde. Het is altijd een gracht geweest waar de nodige bedrijvigheid te vinden was, zelfs een ijsopslagplaats. Op nummer 20 staat een vrij jong woonhuis met een veel oudere zonnewijzer en even verder staat een bijzonder woonhuis op nummer 18. Het is een huis met een fraaie geblokte kroonlijst die van omstreeks 1800 zal dateren. Naast de bedrijfspui zit nog een monumentale ingangspartij met gesmede ramskoppen. Hiernaast op nummer 16 staat een merkwaardig pand met bedrijfsruimte beneden en een woning boven. Het is op een Art Déco-wijze gebouwd met siermetselwerk en in decoratieve vormen gegoten beton met een grindbekleding. Op de hoek van het Maria Annastraatje vinden we een pakhuis met op de verdiepingen fraaie sierankers en ontlastingsbogen: restanten van een monumentaal woonhuis uit het begin van de zeventiende eeuw. Schuin hiertegenover staat het lage brede pand nummer 5, een van de weinige lage dwarspanden in de stad.

Om de hoek op de Nieuwestad tussen Herenwaltje en Weerd rijzen in het midden twee monumenten op: "De Witte Beer" met een klokgevel uit 1770 en daarnaast op nummer 119 een fraaie lijstgevel uit 1805 waar de Singer-winkel in ondergebracht is, woning 2. Even voorbij de Bagijnestraat staat aan de stille kant van de Nieuwestad het winkelhuis van Vossenberg op nummer 105, een winkelhuis uit het begin van onze eeuw met allerlei versieringen in de gevel van negblokken, sluitstenen en geprofileerde kanten bij de vensters. De bekroning met kantelen mag daar aan de bovenzijde ook wel omdat het hoge pand geen kap bezit.

Het pand nummer 103 mag gelden als het (winkel)huis met een van de fraaiste rolwerkgevels van omstreeks 1600 van heel Nederland. Dit met overvloedig krulwerk, met maskerons, rolwerk in de boogtrommels boven de ramen en een hele aardige nis-bekroning met een wijnvat en druivenranken versierde pand is gebouwd naar model van de architectuur-voorbeeldboeken van de in Leeuwarden geboren kunstenaar Hans Vredeman de Vries. Hiernaast staat de elektronicawinkel nummer 101 met boven op de kroonlijst ornamenten in neo-klassieke stijl uit de jaren 1840. Op nummer 89 is het kleinste Nieuwestad-pandje te vinden, een pand met een halsgeveltje uit de achttiende eeuw. Bijzonder is zeker ook de kledingwinkel op nummer 77, een rijk geornamenteerd pand van ongeveer een eeuw oud. De bloemenwinkel op de hoek van de Nieuwesteeg is iets ouder dan een eeuw: Anno 1885. Het pand is in rijke neo-renaissancevormen gebouwd en verkeert vrijwel in oorspronkelijke staat. Vooral de hoekportiek is fraai en voorzien van siersmeedwerk.

De Nieuwestad tussen Nieuwesteeg en Kleine Kerkstraat is bebouwd met panden die allemaal lijstgevels hebben maar door verschillen in breedte en hoogte een zeer gevarieerd beeld opleveren. Een hoogtepunt is het brede pand nr. 61, in 1747 gebouwd in opdracht van Jan Klemrik, die ook het buitenhuis Zuidergrachtswal 14 liet bouwen. Het herenhuis is door stadstimmerbaas Claes Bockes Balck ontworpen. Beneden zijn twee winkels ingebouwd, maar boven stralen het versierde middenvenster, de omlijste vensters, de guirlandes op de borstweringen, de kroonlijst met sierlijke consoles en de fraaie dakkapellen nog de oude allure uit. Op nummer 53 is woning 3 te bezoeken.

Hiernaast is bij pand nummer 51 in een fraai gemetselde vroeg-negentiende-eeuwse gevel een bijzondere achttiende-eeuwse ingangspartij te bewonderen met een groot en rijk gesneden bovenlicht boven de deur. Nieuwestad 49 is ongetwijfeld het grootste woonhuis dat ooit in Leeuwarden is gebouwd, een pand dat in de jaren 1806-1810 onder leiding van de Amsterdamse architect Jan Maaskamp voor de puissant rijke Pieter Cats is gebouwd. Dat gebeurde in een kenmerkende empirestijl, met kantig en buitengewoon fraai verzorgd metselwerk, een eenvoudige geblokte lijst en alle allure geconcentreerd rond de ingangspartij van de bel-etage op een met hardsteen bekleed souterrain met fraaie trap.

In de Kleine Kerkstraat is meteen links op nummer 5 een gevel van een woonhuis uit 1570 tot 1579 te zien; het laatste cijfer van de jaarankers boven in de gevel ontbreekt. Het puitje is aanzienlijk jonger, maar rechts hebben de vensters nog ontlastingsbogen met natuurstenen negblokken die kenmerkend voor de zestiende en zeventiende eeuw zijn. De buitengewoon rijk versierde neo-renaissancegevel uit 1892 van pand nummer 15 heeft een winkelpui voor "Eigen Hulp", een kruidenierscoöperatie, maar staat voor een zeventiende-eeuws woonhuis met complete balklagen met gesneden sleutelstukken. Op nummer 25 vinden we het als woning 4 te bezoeken pand. In de aantrekkelijke afwisseling van winkel- en woonpanden waarvan zich enkele in niet te beste toestand bevinden valt nummer 32 op, een pand dat in eerste aanleg vroeg-zeventiende-eeuws moet zijn, maar in de periode rond 1900 een stuclaag met enig Jugendstil-ornament kreeg. Het hoekpand van het Oldehoofsterkerkhof, nummer 45, heeft een zeventiende-eeuwse tuitgevel die bij restauratie twaalf jaar geleden een bekroning met gebogen tympanon ontving. In 1899 kreeg het een winkelfunctie en de charmant gedetailleerde pui.

In de Grote Kerkstraat zijn op de nummers 6 en 8 woonhuizen te vinden waarmee in 1974 de NV Stadsherstel zijn restauratieactiviteiten aanving. Ernaast, op nummer 10, staat een vroeg-zeventiende-eeuwse woning die oorspronkelijk een topgevel gehad moet hebben, maar die waarschijnlijk omstreeks 1800 tot een lijstgevel verlaagd is. Tegenover deze woningen staat het complexe Princessehof dat als woning 5 bezocht kan worden en waar zelfs een speciale behangseltentoonstelling ingericht is. De Grote Kerkstraat is de monumentaalste woonstraat van Leeuwarden; van bijna elk pand zijn wel bijzonderheden te geven die zelfs in een opsomming hier te veel ruimte zouden kosten. Daarom worden hier alleen enkele zeer bijzondere panden en details genoemd. Een van de monumentaalste woonpanden is nummer 20, een pand dat vermoedelijk kort na 1775 de huidige rococo-lijstgevel ontving met ramen met gesneden bovendorpels. Ongeveer een eeuw later verkocht de toenmalige eigenaar het meest oostelijke raamvak, waardoor het pand zijn symmetrische opbouw verloor.

Tegenover dit pand komt de Doelestraat op de Grote Kerkstraat uit. Daar staat op nummer 6 het Coulonhûs, woning 6, dat bezocht kan worden en het fraaiste gebouw is van de reeks panden die nu als Fryske Akademy in gebruik is. Teruggekeerd in de Grote Kerkstraat komen we op de hoek van de Bollemanssteeg het grote gestucte pand tegen dat mogelijk in de zeventiende eeuw al gebouwd is maar dakkapellen van een eeuw en een stuclaag van twee eeuwen later bezit. Daarnaast staat het dichtgespijkerde Hofwijck, een wooncomplex in Amsterdamse-schoolstijl uit 1932. Ertegenover staat pand nummer 31, een achttiende-eeuws pand met een opvallend elegante ingangspartij. Het bestuurshuis van Sint Antoon op nummer 39 waar ook nog gewoond wordt, is opmerkelijk omdat het samengesteld is uit twee panden; de bouwnaad zit rechts van de deur. De meeste gevels van de panden tegenover het thans in verbouw zijnde Sint Anthony-gasthuis dateren uit de negentiende eeuw, alleen pand 49 heeft nog een zeventiende-eeuwse gevel. Links gaan we de Pijlsteeg in om het wooncomplex van de voormalige Handelsdrukkerij even te bekijken en het binnenterrein te betreden via het aardige poortje rechts.

De Coöperatieve Handelsdrukkerij, een van de vroegste coöperatieve ondernemingen in Friesland, was in 1874 opgericht en vestigde zich spoedig in een aantal panden op de hoek van de Grote Kerkstraat en de Pijlsteeg. Op het hoogste punt van de Nijehove-terp moest het groeiende bedrijf steeds meer woonhuizen aankopen om de persen te laten rollen. De verworven panden werden op de begane grond nogal drastisch verbouwd tot één grote werkvloer en ook het achterliggende terrein werd helemaal vol gebouwd. Naast het in neo-renaissance stijl opgetrokken poortje aan de Pijlsteeg was het statige aan het begin van deze eeuw ontworpen kantoor te vinden en daarnaast bevond zich het pakhuis waarin de papierrollen waren opgeslagen. Na bijna honderd jaar werd het voor de drukkerij moeilijk om in de binnenstad te blijven. Er was geen ruimte meer voor uitbreiding en ook aan- en afvoer leverden grote problemen op. In 1977 vertrok de Handelsdrukkerij naar een nieuw onderkomen op het industrieterrein Schenkenschans. De enige drukker die in het verlaten fabriekscomplex achterbleef, was Laurens Janszoon Coster boven de poort aan de Pijlsteeg. Nadat de gemeente Leeuwarden in een rapport had aangedrongen op het herstellen van de woonfunctie in het leegstaande gebouw en op het vormen van een openbaar toegankelijk binnenterrein, kon in 1980 een begin worden gemaakt met de restauratie in opdracht van de N.V. Stadsherstel Leeuwarden. Een omvangrijke restauratie/rehabilitatie die ruim een jaar later voltooid werd. Historisch gezien zijn de huizen aan de Grote Kerkstraat (63 en 65) de oudste van het complex. De kappen en de zijmuren dateren uit de late middeleeuwen en in de oostmuur van het pand op nummer 65 (nu Pijlsteeg 8) zijn nog de resten zichtbaar van een kruiskozijn gemetseld van kloostermoppen. De gevels van deze woningen aan de Grote Kerkstraat zijn in de achttiende eeuw aan de toen heersende smaak aangepast. Ze werden voorzien van een brede gootlijst met een schuine kap. Bij de restauratie heeft het hoekpand op nummer 61 een opvallende aankleding gekregen. De winkelbetimmering was afkomstig uit een slijterij in Lemmer. Aan de Pijlsteeg is het kantoorgebouw van de drukkerij gehandhaafd en van een kap voorzien. Op een in de poort aangebracht steentje staat als tekst:

"Dit complex van de voormalige Handelsdrukkerij is in opdracht van de N.V. Stadsherstel in de jaren 1980-1981 gerestaureerd en verbouwd tot 7 woningen en 1 winkel".

In de tuin valt vooral de prachtige, zeventiende-eeuwse tuitgevel van het pand Pijlsteeg 8 op. Het hoogteverschil van de terp - ruim drie meter - is zichtbaar gemaakt in de witte, ronde segmenten, die de keramist Auke Zandstra op de rand van de grasperken heeft neergezet. Het groene binnengebied vormt in de bedrijvigheid en het verkeerslawaai van de stad een oase van rust. Voor bezoekers staat de poort overdag altijd open.

Teruggekeerd in de Grote Kerkstraat zien we op de hoek het gebouw van het Frysk Letterkundich Museum, een adellijk huis uit het midden van de zestiende eeuw met allerlei aanbouwen uit later tijd. Van de reeks huizen die er tegenover staan, de nummers 61 tot 75, zijn er twee met ingangspartijen in de belendende panden. Naast de Waalse kerk staat een rij huizen (nummers 36 tot 42) die belangrijke elementen bevat uit de late Middeleeuwen toen hier het klooster van de Witte Nonnen stond. De zaalstins van nummer 46 is waarschijnlijk in het begin van de veertiende eeuw gebouwd en heeft vermoedelijk de functie van pastoorshuis voor de tegenoverliggende parochiekerk van Sint Marie (afgebroken 1765) gehad. Het is het oudste nog bestaande woonhuis van Leeuwarden.

Over het Jacobijnerkerkhof langs het koor van de Jacobijnerkerk bereiken we de Monnikemuurstraat waar aan de westelijke (oneven) zijde panden staan die inwendig restanten van het kloostercomplex van de Dominicanen bevatten. Nummer 107 bezit een aardige gevelsteen met een kersenboom en 109 heeft nog een gevel uit de periode rond 1600. Het deftige pand 123 kan als woning 7 bezocht worden.

Hierna kan de Vijzelstraat doorgewandeld worden en de Noorderweg recht overgestoken, door de Arendstuin langs het Stedelijk Gymnasium en langs de zijgevel van de oude Manege om de Eebuurt te bereiken. Daar staan twee brede panden met rococo-kenmerken, waarvan nummer 10 als woning 8 bezocht kan worden. Hierna voert de wandeling naar de Vijzelstraat terug en daarna links de Nieuweburen op. Daar staat op nummer 111 de woning 9 die bezocht kan worden. De Nieuweburen in de richting van de Voorstreek verder inlopend, wordt het pakhuis van La Venezia gepasseerd, een van de merkwaardigste gebouwen van Leeuwarden. In deze betonnen kolos die binnenkort opgeknapt gaat worden, is ooit ook gewoond. Rechts de Voorstreek op staat op de hoek van de Tuinen de Centraal Apotheek met bovenwoning, een juweeltje uit de periode van de Jugendstil, gebouwd in 1905. Over de brede zijde van de Tuinen kan rechts de Turfmarkt bereikt worden, waar op nummer 14 een klein pand staat met een fraaie pui met gesneden bovenlicht bij de deur, een pand met een indeling uit de zestiende eeuw. Op nummer 24 is de ingang van het Fries Museum te vinden, een museumcomplex waar het hoekpand, het Eysingahuis als woning 10 bezocht kan worden.

Door de nauwe Koningsstraat kan de Voorstreek bereikt worden. Op de hoek staat de Noord Nederlandse Boekhandel met bovenwoning, een van de opvallendste exemplaren van de in Leeuwarden veel voorkomende panden met afgeronde hoeken. Aan de overkant staat op nummer 11 het winkelpand met bovenwoning dat als woning 11 bezocht kan worden. Op de hoek van de Kelders en de Minnemastraat is opnieuw een groot pand, een winkel met bovenwoning, met afgeronde hoek, zo kenmerkend voor Leeuwarden, te vinden. Tegenover de bierkelders staat op Over de Kelders nummer 6 een buitengewoon rijk versierd pand dat als woning gebouwd is en nu beneden de winkel van Hofstede bevat. Het kan bezocht worden als woning 12. Even verderop staat een eveneens honderd jaar oud pand op Groentemarkt 7, een rijk versierd winkelhuis. Weer verder lopend komen we links in de Oude Oosterstraat. Op de hoek van de Ossekop blinkt de "gladde gevel" ons tegemoet. Een uniek pand voor heel Nederland, omdat de zestiende-eeuwse gevel gemetseld is van verglaasde baksteen, van afwisselende lagen geel en groen geglazuurde baksteen. De Oosterstraat doorlopend komen we rechts op de Druifstreek. Op nummer 63 is een bijzonder jong woonhuis te vinden, in de trant van de Amsterdamse School in 1932 voor zichzelf gebouwd door architect Piet de Vries.

Hierna is er even een uitstapje buiten de stadsgracht naar het buiten dat Jan Klemrink in de achttiende eeuw liet bouwen. Via het Blokhuisplein (met het pand nummer 18 waarvan de zeventiende-eeuwse gevel met Leihamer onlangs opgeknapt werd) en over de voet-/fietsbrug bereiken we links dat buiten aan de Zuidergrachtswal nummer 14. Dit huis is als woning 13 te bezoeken. Teruggekeerd over het Blokhuisplein gaan we nu de Ossekop in om het grote pand 9, gebouwd in de patriottentijd te bezoeken. Dit is woning 14. Over de Uniabuurt gaan we tenslotte naar de Berlikumermarkt waar het pand nummer 17 de laatste te bezoeken woning is, woning 15, waarin een van de salons zeker een hoogtepunt is van Leeuwarder wooncultuur.


1.  Het voormalige stadhouderlijk hof, Hofplein 29

Bouwen en verbouwen: de architectonische geschiedenis van het voormalige stadhouderlijk hof is al net zo veelbewogen als de geschiedenis van zijn bewoners, de graven, later vorsten van Nassau-Dietz. Toen in 1587 de Friese Staten het Rolkemahuis, een rijke patriciërswoning, voor 12.000 guldens hadden aangekocht, begon de eerste verbouw van het toch al "met vorstelijke weelde" gebouwde woonhuis. Zij bestemden het als residentie voor hun hoogste dienaar: Willem Lodewijk, graaf van Nassau-Dietz, in 1584 benoemd tot absoluut gouverneur en kapitein-generaal. Friesland had zijn eigen stadhouder.

In 1603 werd het hof uitgebreid met een westelijke vleugel, het eveneens evenwijdig aan de straat gelegen Dekemahuis. Zo ontstond het nu in essentie nog aanwezige voorplein, met de ingangspartij in de noordoostelijke hoek.

De bouwstijl van het hof was laat-gotisch dan wel vroeg-renaissance. De residentie van de stadhouder moet er in die tijd schilderachtig rijk hebben uitgezien met zijn trapgevels, muren van rode baksteen afgewisseld misschien met banden van gele stenen, sierbogen boven de ramen, fraai gebeeldhouwde leeuwen op de trapgevels met wapens van de Nassaus en Friese edelen, grote sierankers, een erker boven het poortje in de oostvleugel. en dan nog het rijke interieur: in 1633 telde dit hof 37 vertrekken, waarin meer dan 300 schilderijen de wanden sierden, vermelden boedelinventarissen uit het Koninklijk Huisarchief.

In 1661 - de tijd van stadhouder Willem Frederik en zijn echtgenote Albertine Agnes - wordt het hof op last van de Staten "met excessieve kosten" opnieuw verfraaid en verbeterd.

Voor een nieuwe verbouwing rond 1709 tekende architect Daniël Marot. Het aanstaande huwelijk van Johan Willem Friso met Maria Louise van Hessen Kassel (Marijke-meu) vormde de aanleiding. Ondanks ingrijpender plannen, werd van het uitwendige alleen de middenvleugel naar de toenmalige mode in barokke Lodewijk XIV-stijl herschapen. De 7½ meter hoge trappenhal, met - sedert 1881 overigens - het provinciewapen als grisaille op het plafond geschilderd, en deels ook de audiëntiezaal, nu Nassauzaal genoemd, zijn restanten van de veel omvangrijker inwendige verbouwing.

Willem Carel Hendriks Friso, geboren 1711, zes weken na de verdrinkingsdood van zijn vader Johan Willem Friso, viel in 1734 de grote eer te beurt van een huwelijk met de Engelse koningsdochter, prinses Anna. In de grote tuin (ruimtelijk nog aanwezig) verrees een langwerpig gebouw met balzaal, Engelse hofkapel, hofapotheek en - luxe! - badkamer.

In 1747 werd de Friese stadhouder als Willem IV tot stadhouder over alle Nederlanden verheven. De Friese tak zorgde nu voor de voortzetting van de Oranje-Nassau-dynastie. Willem IV verhuisde met hofhouding naar Den Haag; zijn  moeder Marijke-meu had het stadhouderlijk hof al in 1731 verlaten en zich teruggetrokken in het Princessehof. Het hof stond leeg en bleef leeg. In 1791 kwam Willem V nog even naar Leeuwarden, nadat kort daarvoor de oostvleugel met het hof was aangepast in de classicistische stijl die Marot zich al eerder had gedacht. In 1794 volgde aanpassing van de westvleugel.

En toen kwam de Franse revolutie ook naar Friesland en Leeuwarden. Het trotse stadhouderlijke hof werd "logement voor de commandant of generaals van de troupes", stadswezen werden er gehuisvest, een Latijnse school vond men er, een kleding- en levensmiddelenmagazijn benevens een hospitaal. In de wijnkelders van de stadhouders werden 150 gevangenen ondergebracht. De inventaris kwam in de openbare verkoop, met uitzondering echter van de Nassau-portretten die net op tijd door schilder W.B. van der Kooi in veiligheid waren gebracht in zijn ouderlijke woning in Augustinusga.

Na de aftocht van de Fransen geraakte het gebouw in eigendom van particulieren. In 1814 echter kocht koopman-koning Willem I tijdens een bezoek aan Leeuwarden de panden voor f 52.000,- terug. Het hof promoveerde tot koninklijk paleis.

In 1881, onder koning Willem III, kwam de laatste grote verbouwing. De hoge daken werden afgeknot, de muren van baksteen kregen een pleisterlaag van cement. Het middengedeelte werd naar voren uitgebreid met een balkon, waaronder een nieuwe ingangspartij met hal. De aloude ingang in de noordoostelijke hoek verdween.

Het paleis kreeg er een nieuwe bestemming bij: die van ambtswoning van de Commissaris des Konings in Friesland. In de westelijke vleugel kwamen de woonvertrekken van de commissaris. De naar de kleur van hun damasten wandbekleding genoemde Gele Zaal en Blauwe Zaal dateren van die tijd.

In 1971 verkoos de toenmalige commissaris Rijpstra een woning elders in Leeuwarden en kon oud-burgemeester Brandsma het gebouw voor de gemeente Leeuwarden in rechtstreekse onderhandelingen met koningin Juliana verwerven. Onder voorwaarde evenwel dat het gebouw een waardige bestemming hield en de oorspronkelijke staat (van 1881) geen geweld werd gedaan.

In de voormalige woonvertrekken vinden we nu de werkkamers van de wethouders, op de bovenverdieping houden ambtenaren kantoor, de Gele Zaal werd trouwzaal, de Blauwe Zaal vergaderkamer en kleedkamer voor de ambtenaren van de burgerlijke stand. In de Nassauzaal, vooral dankzij de daar aanwezige portretten van de Friese stadhouders, proeft men nog het meest de sfeer van het hof, het nu voormalige stadhouderlijk hof en koninklijk paleis te Leeuwarden.


2.  Nieuwestad 119

Naar ontwerp van de latere stadsbouwmeester Gerrit van der Wielen liet koffiehandelaar Johannes van der Veen in 1805 een dubbel huis aan de Nieuwestad bouwen ten westen van het pand "De Witte Beer" (1770), dat zijn vader bezat. Er was onvoldoende ruimte om het dubbele herenhuis in de breedte te bouwen (zoals Nieuwestad 61, 49 en 108) en daarom zijn de twee woonhuizen achter elkaar gebouwd.

Het voorhuis bezat oorspronkelijk een gedrukte begane grond, een hardsteen basement, en een daarboven gelegen hoge bel-etage. De twee bouwlagen zijn in 1907 tot een zeer hoge winkelruimte verbouwd. De twee oorspronkelijke verdiepingen rijzen hier bovenuit. Het muurwerk is zorgvuldig gemetseld van mangaankleurige baksteen met een zeer dunne kalkmortelvoegen. De bekroning bestaat uit een  kroonlijst met fraai gedetailleerde profiellijstjes en een ver uitstekende goot op gesneden consoles.

Inwendig zijn in het voorhuis nog een stucplafond en een marmeren schouw in de empirestijl aanwezig. De gangpartij tussen voor- en achterhuis is smal, maar bezit een driezijdige, erkerachtige uitbouw van zwaar stijl- en regelwerk en glas als trappenhuis. De trap met kwarten is lui en heeft gebogen bomen met leuningen van afgeplatte balusters. Over de volle hoogte is in dit trappenhuis een half ovaalvormig schalmgat ontstaan. De binnenplaats is op de begane grond. Helaas volgebouwd.

In het achterhuis is de begane grond tot werkruimten ingericht, maar in de rest van dit gedeelte is, hoewel verwaarloosd, nog de allure van bijna twee eeuwen geleden te proeven. Op de eerste verdieping zijn er restanten van sierpleister die de oude indeling zichtbaar maken. Boven de toegang van deze ruimte is een sopraporte in pleister aangebracht met attributen van muziek, wetenschap, jacht en landbouw. Op de tweede verdieping zijn boven de deuren in de trappenhal sopraportes van pleister aangebracht in de vorm van bloemenmandjes. Daar wordt het achterhuis geheel ingenomen door de "witte zaal". Midden in de grote wanden staan een schouw en ingebouwde kabinetkast tegenover elkaar. De korte zijden hebben ieder drie grote vensters. Het plafond is evenals schouw en kast in empirevormen versierd. De grote wandvlakken hebben oorspronkelijk grote behangselschilderijen bevat. Grote Friese landschappen door de kunstenaar Allert Jacob van de Poort, die omstreeks 1900 geveild zijn en via 's-Gravenhage, Parijs en Marokko terecht zijn gekomen in Chateau Chitry-les-Mines in het noorden van Bourgondië in Frankrijk.


3.  Nieuwestad 53

Het monumentale grachtpand Nieuwestad 53 is in enkele opzichten een merkwaardig huis. Het heeft een voorgevel die geheel van natuursteen is, zelfs de kroonlijst en de goot zijn van dit materiaal. Daardoor is het een voor Leeuwarden uniek pand. Merkwaardig is bovendien dat het diepe pand aan de achterzijde een uitgebouwde zaal aan de oostzijde bezit, die gelegen is achter het pand nummer 55. Tenslotte is er in 1940 een winkelpui ter vervanging van een uit de eeuwwisselingperiode aangebracht die een eigen architectonische kwaliteit bezit, maar eigenlijk niet  bij het pand past.

Het pand is in 1766/'67 ingrijpend verbouw in opdracht van de dan dertigjarige zeepzieder Jan Zeper. Hij behoorde tot een geslacht van handelaren en industriëlen van wie ook enkele leden belangrijke bestuursfuncties vervulden, onder andere de post van burgemeester van Leeuwarden. Een aantal van die Zepers bewoonde panden aan de Nieuwestad tussen de Kleine Kerkstraat en de Nieuwesteeg. Jan Zeper bezat een zeepziederij met een uitgang naar de Bagijnestraat op het binnenterrein achter het pand nummer 53. Hij bezat het pand nummer 55 al en kocht in 1766  nummer 53. Daarom kon hij niet alleen nummer 53 verbouwen, maar ook nog een grote zaal achter het pand nummer 55 realiseren met een tuin tussen deze vleugel en zijn zeegfabriek. Het totale woonhuis kreeg zo de merkwaardige vorm van een  winkelhaak, waarvan de lange zijde onderbroken werd door een, inmiddels volgebouwde binnenplaats.

De interieurs moeten toen bijzondere zorg  gekregen hebben, getuige de fraaie sporen die er van resten: de marmeren schouw in weelderige rococovormen, de trap met fraai gesneden balusters, betimmeringen en decoratief pleisterwerk in de gang tussen voor- en achterhuis.

Jan Zeper behoorde tot een nieuwe elite van welgestelde kooplieden en industriëlen, die aan het einde van de achttiende eeuw deel wilden nemen aan het gezag. Hij was dan ook actief patriot om de vastgeroeste oligarchische structuur mee te helpen openbreken, nam deel aan de burgerrevolutie van 1785 en was lid van het Leeuwarder vrijkorps. Na het mislukken van de revolutie moest hij uitwijken, ging naar Duitsland, keerde niet met de Franse troepen terug en bleef in ballingschap.

De natuurstenen gevel dateert wellicht uit de tijd van de opvolger van Jan Zeper. De strakke vormen van de gevelplaten en de kroonlijst met trigliefen tussen friesplaten doen vermoeden dat de gevelbekleding uit de periode van de Lodewijk XVI-stijl en Empire aangebracht is; dat is ongeveer de periode 1790-1810. Bij de jongste restauratie zijn achttiende eeuwse raamindelingen, dakkapel en forse hoekschoorstenen teruggebracht.


4.  Kleine Kerkstraat 25

Het perceel Kleine Kerkstraat 25 was in 1600 al bebouwd, maar het huidige pand is van recente datum. In 1891 liet de timmerman en jaloezieënfabrikant Albert Ooiman dit pand voor zichzelf bouwen. Op de begane grond bevonden zich toen drie deurpartijen, die strookten met de vensters van de eerste en tweede verdieping. De middelste en de rechter deur gaven toegang tot de werkplaats, terwijl de linker via de trap leidde naar en woonhuis op de eerste en volgende verdiepingen.

In 1912 kocht Arjen Timmenga het pand dat sindsdien in handen is van de orgelmakerij Bakker & Timmenga. Rond die tijd zal waarschijnlijk ook de voorgevel gewijzigd zijn.  De twee deuren voor het bedrijf maakten plaats voor een grote etalageruit en de woningtoegangsdeur werd vervangen door een portiek. Beide openingen kwamen tevens hoger te zitten.

De orgelmakerij bevindt zich op de begane grond van het pand en in de achterhuisjes op de kleine binnenplaats. De jaren voordat de orgelmakerij erin trok, gaven de huisjes onderdak aan weduwen en waren ze bereikbaar via de Regenboogsteeg die naast het pand loopt.

Het hoge (drie bouwlagen met kapverdieping) en rijk geornamenteerde pand, zorgt voor een fraaie afsluiting van de Bagijnestraat. De voorgevel werd opgetrokken in de neo-renaissance stijl. Zij is drie traveeën breed en wordt bekroond door een  trapgevel. Het metselwerk wordt horizontaal geleed door kunststenen banden met diamantkopvormen, een kroonlijst boven de pui en een waterslag onder de vensters van de tweede verdieping. De treden van de trapgevel worden afgedekt met geprofileerde kunststenen platen. De boogtrommels boven de vensters van de eerste en tweede verdieping zijn voorzien van siermetselwerk. De kunststenen segmenten zijn ongeveer 8 cm dik en voorzien van een laag gekleurde sierpleister van 5 mm, verdeeld in vakjes die baksteentjes voorstellen. De voegen tussen de vakjes werden apart gevoegd.

In tegenstelling tot de begane grond, die flink gewijzigd werd in de loop der jaren, zijn de volgende verdiepingen nog vrijwel onaangetast. De meeste kamers zijn sober uitgevoerd, met eenvoudige lijstjes langs het plafond, maat bij de voorkamer op de eerste verdieping is duidelijk uitgepakt door de bouwer. Alle wanden zijn voorzien van een lambrisering met lijstwerk. Hierboven bevinden zich velden van behang op linnen die omlijst zijn met gehoute delen. Een zwarte natuurstenen schouw met tegels en een schoorsteen voorzien van gecanneleerde pilasters, geven deze woonkamer nog meer allure. Het motief van de diamantkop op de kunststenen band in de voorgevel, ziet men hier herhaald.


5.  Het Princessehof, Grote Kerkstraat 11-13

Museum het Princessehof, Grote Kerkstraat 9-15, bestaat uit een complex van uiteenlopende bouwwerken, gebouwd in verschillende bouwstijlen. Het herbergt thans een voor Nederland unieke collectie keramische voorwerpen. Het oudste gebouw, nr. 13, is een L-vormige stins met een achtzijdige toren tussen de vleugels.

De toren is door een uivormige spits bekroond. De laatmiddeleeuwse stins moet rond 1550 zijn verbouwd, getuige de fraaie spiltrap met de doorsnede van een vierpas in laatgotische stijl dn de plafondconstructie van de zaal met moerbalken en kinderbinten. Het pand werd tot voor kort als Papingastins aangeduid, toch zou volgens het recente onderzoek de naam Liauckamastins naar de vroegste bewoners, beter passen. Na de Liauckama's kocht Willem van Haren, Grietman van Het Bildt, het gebouw, samen met de westelijke naastligger. Hij was vermoedelijk degene, die de fraaie pilastergevel van het huidige, brede hoofdgebouw (nr. 11) liet (ver)bouwen. Dit gebouw ontving een voorgevel van 7 traveeën, die beneden door Corinthische pilasters en op de verdieping door pilasters in de composietorde wordt geleed. Zowel de kapitelen als de festoenen boven de ramen zijn fraai gedecoreerd met zandstenen versieringen. De festoenen zijn om de beurt samengesteld uit bloemen en vruchten, tympanons met schelpenmotief en gevleugelde engelenkoppen. Van hem verwierf Maria Louise van Hessen Kassel, douairière van Johan Willem Friso zowel de stins als het pand ten westen ervan, dat ver achter de rooilijn staat. De halve verdieping of mezzanine werd door hofarchitect Anthony Coulon in 1731 aan de gevel toegevoegd. De ingangspartij dateert uit de 19de eeuw maar past goed in het geheel. In 1742 kocht de prinses het pand nr. 9 aan en liet de pilastergevel verbreden. Bij het complex hoorde ook het in 1874 afgebroken zogenaamde klein huis, nr. 15, later het pakhuis van wijnhandelaar Menalda, waar nu de tegelverzameling van Het Princessehof is ondergebracht. Het tot museum verbouwde interieur bevat vele oude bouwelementen, waaronder de gerestaureerde eetzaal van de prinses met goudleerbehang, schouw en lambrisering uit de tijd van Coulon het noemen zeker waard is.


6. 
Het Coulonhuis, Doelestraat 8

Het voorname pand Doelestraat 8 is omstreeks 1713 gebouwd door Anthonius Coulon. Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van enkele delen van de woning, die hij eerder had gekocht van een kleinzoon van de bekende schilder en oud-burgemeester van Franeker, Jacobus Mancadan (1602-1680).

Anthonius Coulon was "Bouwmeester van Syn Hoogheid de Heere Prins van Orangien en Nassauw" en stond in verbinding met de bekende bouwmeester Daniël Marot, "schepper van de Hollandse Lodewijk de Veertiende-stijl".

Het Coulonhuis is in die stijl gebouwd, Het is een deftig, begin achttiende-eeuws pand met een omlijste middeningang, met daarvoor een dubbele stoep met hek. Boven het souterrain bevinden zich twee verdiepingen. De voorgevel wordt afgesloten door een forse geblokte kroonlijst. Daarboven bevinden zich twee langszijdige kappen met daartussen een dakgoot. De vensters - beneden achtruiters en op de verdieping zesruiters - zijn, evenals de deurpartij met fraai gesneden bovenlicht, in het begin van de negentiende eeuw veranderd in empirestijl.

Het rijke interieur stamt voor een deel nog uit de bouwtijd, dus uitgevoerd in de Lodewijk XI V-stijl. In de gang bevindt zich stucwerk, voorstellende Aurora: het ontwaken van de nieuwe dag. De vermoedelijke vervaardiger is de Zwitser Simon. De salon linksachter is een stijlkamer. Hierin bevinden zich een rijk gesneden schouw, een beschilderd plafond, een sopraporte en op de wanden in Lodewijk XV-stijl beschilderd behangsel, afkomstig uit een patriciërshuis te Groningen. De midden zeventiende-eeuwse "Spaanse stoelen" zijn afkomstig uit de gedeputeerdenzaal van het Provinciehuis. Aan de muren hangen schilderijen voorstellende Coulon, zijn vrouw en twee dochters.

In het Coulonhuis bevinden zich in totaal vijf mooie, bewerkte openhaarden met daarboven schilderstukken, waarvan een aantal toegeschreven kan worden aan Albertus Otto Swalue (1683-1768), Souterrain en verdiepingen worden verbonden door een trap met rijk gesneden balusters. In de gang bevindt zich een poortje afkomstig uit een huis naast de Waalse kerk. Meerdere interieuronderdelen zijn door notaris Nanne Ottema, die het Coulonhuis in 1938 liet restaureren, aangebracht. Hij stelde ook het Coulonhuis ter beschikking aan de Fryske Akademy, die in 1938 werd opgericht.

In de loop der jaren onderging het Akademygebouw een aantal uitbreidingen. Op de plaats van het eveneens door Coulon gebouwde "Hemeltje", verrees in 1958/1959 onder architectuur van ir. J.E. Wiersma, het gebouw met de wapenstenen en de zwaan. Nog later werden Doelestraat 6 (met hierin een prachtig gesneden schoorsteenmantel), Groeneweg 6 en Doelestraat 4 (met hierachter de voormalige levertraanfabriek van Draisma van Valkenburg) bij het Coulonhuis getrokken. Achter het gehele gebouwencomplex bevindt zich een fraaie binnenstadstuin. Voor het Coulonhuis aan de Doelestraat (genoemd naar de Schuttersdoelen) bevindt zich een tijdelijk parkeerterrein dat nog vraagt om een verantwoorde architectonische invulling om op die manier de straatwand weer gaaf te maken.


7.  Monnikemuurstraat 123

Het woonhuis met winkel, Monnikemuurstraat 123, is een belangrijk en opvallend element in het straatbeeld van de Nieuweburen door de hoogte, de breedte en de verspringing van de zuidelijke rooilijn van de Nieuweburen. Toen deze rooilijn zuidelijker lag, was dit nog sterker het geval.

Het hoofdpand is vermoedelijk in het eerste kwart van de negentiende eeuw gebouwd in opdracht van Thomas Roukes, koopman, distillateur en tevens wijkmeester van wijk K. Tegen de achterzijde is later een uitbouw geplaatst. Hierin bevond zich (nu nog zichtbaar) een ondergrondse doorgang naar de Nieuwburengracht.

Het pand heeft een rechthoekig grondplan. Het is vier traveeën breed. De twee bouwlagen worden gedekt door een hoog zadeldak met voorschild. De gevel wordt afgesloten door forse kroon- en gootlijsten. In de voorgevel bevinden zicht empire vensters (boven zesruiters, beneden achtruiters en een etalageraam). Boven de ramen bevinden zich hanekammen van 1½  steen hoog. De voorgevel is gemetseld van lichtbruine mangaansteen. In de bepleisterde topgevel achter bevindt zich een hijsbalk.

In het huis is de oorspronkelijke indeling en betimmering nog in hoofdzaak intact. In de winkel zitten uit de bouwtijd een rondbooglicht en een dubbele rondboog, die rust op gecanneleerde pilasters met lijstkapitelen. In de vertrekken bevinden zich nog de bedsteden en de schoorsteenmantels met hierin schilderstukken, waarop zijn afgebeeld: een gezicht op de Prinsentuin en Oldehove, een zeegezicht, een Fries dorpsgezicht en een allegorie voorstellende geloof, hoop en liefde (bijbel, anker en bloeiende roos).

De rijkgesneden empire kastwand in de woonkamer boven is afkomstig uit het pand Nieuwestad 69 (restaurant Hong Kong). Het grote, omtimmerde stookgat in de benedenkamer voor doet vermoeden, dat zich hier vroeger de drankstokerij bevond. Het huis wordt gedekt door een grote en hoge sparrenkap met enkele jukverbindingen. In het pand bevinden zich een geheime bergkast en een geheime lade. Omstreeks 1840 woonde de Leeuwarder "muzykmeester" Petrus Wedemeyer in het huis. In 1985/1986 heeft een uitgebreide restauratie plaatsgevonden.


7.  Eebuurt 10

De Eebuurt ligt aan de westzijde van de Ee, later Dokkumertrekvaart genoemd, net buiten de stadswallen tussen de voormalige Hoekster- en Wissesdwinger. De buurt kreeg de naam Camstraburen omdat het geslacht Camstra in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw, tegen een zekere grondpacht, enige erven ter bebouwing afstond. In de loop van de achttiende eeuw werden verschillende huizen en fabrieken verbouwd, maar ook geheel nieuw gebouwd.

In 1859 vond de doorgraving van de Ee naar de stadsgracht (bij de Noorderbrug) plaats, waardoor enkele panden moesten verdwijnen. Na deze doorgraving werd vanaf 1877 niet meer de naam Camstraburen maar Eebuurt voor dit gebied gebruikt.

De panden nr. 10 en 14 hebben een grote gelijkenis en zijn wellicht in dezelfde periode gebouwd. De opbouw van de gevel, de raamafmetingen, de hoogte en breedte van de gevel en de vorm van de kap zijn identiek.

De oudste koopakte van het pand Eebuurt 10 is gedateerd 1794. Het pand behoorde toen aan een koopman, fabrikant en commissionair. In 1868 wordt het huis bewoond door een "Direkteur van den arbeid van huis en orde en tucht". In 1887 wordt een "lieutenant" de bewoner van het huis. W.C.A. Hofkamp, Direkteur Gemeentewerken in Leeuwarden, woonde hier van 1895 tot 1924.

Het pand is twee verdiepingen hoog en bezit onder het evenwijdig aan de straat geplaatste zadeldak een zolderverdieping. De kap sluit aan beide zijden tegen de topgevels aan en deze worden beëindigd door schoorstenen met borden.

De brede voorgevel is vijf raamtraveeën breed. De bovendorpels van de vensters zijn licht gebogen en de schuiframen kennen de Empire-indeling met zes ruiten. De toegang, in het midden van de gevel, wordt geflankeerd door gecanneleerde pilasters op basement, waarop ionische kapitelen die een vlak fries met geprofileerde kroonlijst dragen. Het geheel dateert uit het laatste kwart van de achttiende eeuw. De huidige toegangsdeur is afkomstig uit het museum Het Princessehof. De voorgevel van het huis is ongetwijfeld, evenals zovele huizen in de stad Leeuwarden, in de tweede helft van de negentiende eeuw bepleisterd en gewit. In het pleisterwerk zijn horizontale voegen getrokken.

De gevel van nr. 10 wordt beëindigd door een op consoles gedragen goot met geprofileerde lijst. De consoles zijn rijk gesneden en geven met de vormgeving van de ingangspartij de aanleiding tot de datering uit het laatste kwart van de achttiende eeuw. De in het pand aanwezige betimmeringen en behangselschilderingen zijn uit dezelfde periode.

Het pand is evenwel ouder en uit het materiaal van de huizen bleek dat het een L-vormige plattegrond bezat. Op de begane grond zijn er twee vertrekken naast de gang gesitueerd. De gang ligt in het midden van het pand en leidt naar de keuken aan de achterzijde. De kamers bezaten bedstee-wanden en schouwen. Ook de geheel betegelde keuken bezat een schouw en ook vaste keukenkasten en een pomp. De salon op de verdieping is voorzien geweest van behangselschilderingen (die zijn opgeslagen) en bezit nog een fraaie laat-achttiende-eeuwse schouw, gesneden met rococo-motieven en een tegeltableau met twee pauwen, vaas met bloemen en een stadsgezicht. Ook de bedstedewand is voorzien van rococo-motieven.

Het naastliggende huis nr. 8 heeft bij het pand (nr. 10) behoord. Dit verklaart ook de ligging van het toilet in de zijgevel van nr. 8. In dit pand was de paardestal en stond de koets. De verdieping was waarschijnlijk ingericht als dienstwoning.


8.  Nieuweburen 111

Aan de rand van één van de drie Leeuwarder terpen, Nijehove, is in 1398 door een nieuw gegraven gracht het noordelijk stadsdeel begrensd. Vanaf de Dubbele Pijp (nu Voorstreek) liep deze over de huidige Nieuweburen naar het Schoenmakersperk in de richting van de Boterhoek. Met het graven van een nieuwe gracht in het midden van de zestiende eeuw kon in het gebied tussen de beide grachten een nieuwe stadsuitleg plaatsvinden (1546 Nyeuwbuyeren). In het midden van de zeventiende eeuw kregen de bewoners aan de zuidzijde aangezegd de wallen te ontdoen van "gemacken en de bargehocken" (1644), mogelijk wegens stankoverlast in de stad. Uit de door Johannes Sems en Pieter Bast in 1603 gemaakte vogelvluchtkaart van Leeuwarden blijkt de ontwikkeling van het nieuwe stadsdeel: zowel aan de zuidzijde als aan de noordzijde van de Nieuweburen een regelmatige bebouwing van stenen huizen met 2 à 3 woonlagen, een zolderverdieping onder zadeldaken en topgevel. De door Schotanus gepubliceerde kaart uit 1664 geeft een identiek bebouwingspatroon. Een belangrijke wijziging onderging de Nieuweburen in 1863-1865 door de demping van de stadsgracht, het op gelijke hoogte brengen van de kaden aan de zuidzijde met die van de noordzijde en het naar voren brengen van de rooilijn in het gedeelte tussen de Monnikemuurstraat en de Breedstraat.

Het gebied ten noorden van de Grote- of Jacobijnerkerk bood door de eeuwen heen vooral huisvesting aan de minder goed gesitueerden. Het oostelijk deel van de Nieuweburen huisvestte timmerlieden, schilders, stukadoors meubelmakers, kleermakers en kleine middenstanders. Uit de volkstelling van 1829 blijkt dat de Nieuweburen 111 huisvesting biedt aan de timmerman Jan Jans Waringa, zijn vrouw Fokje Folkertsma en haar broer, de advocaat Ulbe Folkertsma. Bij de volkstelling van 1839 laat Jan Jans zich inschrijven als schipper. Zijn vrouw Fokje zou het huis tot haar overlijden in 1877 bewonen. Zij is dan al acht jaar weduwe.

Jan Jans heeft betekenis voor het pand gehad, omdat hij het initiatief nam tot een drastische verbouwing van het pand. Het pand Nieuweburen 111 bestaat uit twee bouwlagen met een zolderverdieping. De voorgevel is drie raamtraveeën breed. Het is gemetseld in een klein formaat helder bruine steen en met dunne kalkspecie gevoegd. De vensters bezitten de voor de eerste helft van de negentiende eeuw kenmerkende indeling: zesruitsschuiframen. De toegang wordt omlijst en bekroond door een vlak fries met kroonlijst. Oorspronkelijk bezat de toegang dubbele deuren. De gevel wordt beëindigd door een vrij vlak fries en een geprofileerde goot op klossen. De schildkap is belegd met blauwe, geglazuurde Hollandse golfpannen en bezit aan de voorzijde een dakkapel. Op de nog staat nog één van de oorspronkelijk twee hoekschoorstenen met bord. In de loop der jaren is de indeling van het interieur ingrijpend gewijzigd. Alleen een vijftal schilderingen op panelen herinneren nog aan de ingrijpende verbouwing die na 1829 heeft plaatsgevonden. De schilderingen stellen voor een gezicht op de Prinsentuin vanaf de stadsgracht, een ijstafereel in een onbekende stad, zeilschepen nabij een eveneens onbekende stad, een afbeelding van het in 1829 in Groningen gestichte monument voor Henry Daniel Guyot (1753-1828) en een gezicht van Camstraburen van voor de doorbraak van de Ee naar de stadsgracht in 1859. Op vier van de schilderingen neemt water een belangrijke plaats in, hetgeen wijst op de interesse van Jan Jans Waringa voor de scheepvaart.


9.  Het Eysingahuis, thans onderdeel van het Fries Museum, Koningsstraat 1

Op de hoek van de Koningsstraat en de Turfmarkt staat sinds 1783 het Eysingahuis, waarin een eeuw later, in 1881, het Fries Museum zijn huisvesting kreeg. Het is gebouwd in de strakke, symmetrische Lodewijk XVI-stijl. De grootste aandacht valt op de plint van natuursteen voor de kelderverdieping en op het fraai gesmede hek met decoratieve stijlen in Lodewijk XVI-vormen. Boven de kelderverdieping zijn twee verdiepingen in baksteen opgetrokken. De toegang tot de woning aan de Koningsstraat - tot 1970 ook de toegang tot het museum; in dat jaar opende het zijn deuren aan de Turfmarkt - heeft een fraai accent gekregen in de ingangspartij: een bordes met dubbel trapje voert naar een omlijste deur met een halfrond bovenlicht. Boven het venster is een lijstwerk met mooi gesneden decoraties van obelisken en guirlandes.

Bouwheer van de patriciërswoning was jonker Frans J.J. van Eysinga. Hij had in 1773 van zijn grootvader Johan Vegelin van Claerbergen diens huis op de hoek Koningsstraat/Turfmarkt geërfd. Helemaal content moet jonker Frans niet zijn geweest met het dusgeheten Vegelinhuis. Hij besloot het af te breken en te vervangen door het huidige huis, dat tussen 1781 en 1783 tot stand kwam. Er zijn duidelijke aanwijzingen, dat een groot deel van het huis reeds in 1781 gereed was, maar de salon is blijkens een opschrift eerst in 1783 van behang voorzien. In de jaren-tachtig was het huis in elk geval volop bewoond. Maar toch nog niet in de huidige vorm. Het Eysingahuis sloot eerst nog een pandje in, dat precies op de hoek van de Koningsstraat en de Turfmarkt stond en in het bezit was van de boekhandelaar Johannes Seybel. In 1806 kon deze sta-in-de weg worden gekocht en afgebroken - op de kelders na, maar ook de kelders van het eerdere Eysingahuis bleven intact: ze dateren zeker uit de zeventiende eeuw en misschien nog van eerder - waarna het Eysingahuis één gesloten blok kon worden. Aan de buitenkant is op geen enkele manier te zien, dat er in 1781 èn een kwarteeuw later in 1806 aan is gebouwd.

Het huis is omstreeks 1864 door vererving het bezit geworden van Jkvr. C.A. de Beaufort. Ze verhuurde het echter aan ir. Ph.J.H. Hayward, hoofdingenieur van de (Rijks)Waterstaat in Friesland. Hij was tussen 1867 en 1879 de laatste bewoner. Nog in 1879 werd het verkocht aan het Fries Genootschap, dat in het monumentale pand het Fries Museum stichtte. Daarbij werden de vertrekken op de begane grond, het trappenhuis en de keuken uit 1781 zoveel mogelijk intact gelaten. Geheel in stijl zijn de salon (nu een der zilverkamers), de eetkamer (lange tijd een bestuurskamer, maar nu opnieuw eetkamer) en de hoekkamer met het geschilderde behang uit 1806. Ook in eetkamer en salon zijn de oorspronkelijke decoraties - schoorsteenstukken, betimmeringen, stucplafond - grotendeels behouden, al moeten deze ruimten hun originele behang missen.


11.  Voorstreek 11

Op de stadsplattegrond uit 1600/1603 is te zien dat het perceel Voorstreek 11 toen al bebouwd was. Sindsdien is er veel aan het pand veranderd, maar de hoofdindeling van voorhuis, binnenplaats en achterhuis was toen al aanwezig.

Het voorhuis bestaat uit twee delen: het voorste deel, dat vanouds het bedrijfsgedeelte vormde en achterhuis. In 1765 werd dit voorste deel grondig verbouwd. Er kwam een nieuwe gevel voor en vermoedelijk is toen ook de ruimte achterin de winkel verbouwd. De indrukwekkende achterwandbetimmering en de schouw, geflankeerd door de twee schuiframen, stammen uit die tijd.

Het achterste deel, dat een souterrain bevat, moet in de loop der eeuwen ook ingrijpend zijn verbouwd. Ook hier werd een nieuwe gevel voorgezet en werd de kap verhoogd blijkens de bouwsporen in de zijmuur. Waarschijnlijk vond deze verbouwing plaats rond 1800 toen ook het interieur van het voorname vertrek direct boven het souterrain betimmerd werd in de toen heersende Empire-stijl.

Het achterhuis werd in de tweede helft van de negentiende eeuw volledig vervangen. Achter huizen deden dienst als keuken, pakhuis of als woonhuis. De kap werd meestal dwars geplaatst om de lichttoetreding naar het voorhuis zo groot mogelijk te houden.

De uit 1765 stammende bakstenen klokgevel heeft een fraaie zandstenen omlijsting. Zowel de baksteen als de zandsteen zijn geschilderd in kleuren die niet al te veel afwijken van het materiaal dat zij moeten beschermen. De huidige pui werd er in de jaren-twintig van deze eeuw onder gezet. Aan het metselwerk (de hanekammen) boven deze pui, kan men zien waar vroeger de openingen zaten. In het bovenste venster zat vroeger vermoedelijk een luik.

In het voorste deel, achterin de groentewinkel, bevindt zich het kantoor dat vroeger was afgesloten van de winkelruimte, met een rijke Rococo betimmering. De begrenzing van dit "comptoir", zoals men het vroeger noemde, is herkenbaar gemaakt in het plafond. Tijdens de restauratie kon ook meteen vastgesteld worden dat de oorspronkelijke verflaag nooit werd overgeschilderd! Op deze verflaag is thans een nieuwe aangebracht in vrijwel exact dezelfde kleur. Boven dit voorste deel bevinden zich nog een woonkamer en een vliering.

Door het souterrain verschillen de vloerniveaus van het voorste en het achterste deel aanzienlijk. Zij worden echter moeiteloos met elkaar verbonden door de nog aanwezige eiken spiltrap.

Het vertrek boven het souterrain heeft een fraaie betimmering met kenmerken van de Empire-stijl. Dit was duidelijk het belangrijkste woonvertrek. Achter de fraaie wand, waar thans de keuken staat, bevond zich vroeger de bedstee. Boven deze woonkamer bevinden zich nog twee slaapkamers en een zolderverdieping.


12.  Over de Kelders 6

Het gebouw Over de Kelders 6 trekt met zijn rijk vormgegeven gevel onmiddellijk de aandacht. Het is in 1884 als woonhuis gebouwd voor de koopman Franciscus Hajonides van der Meulen. Architect Hendrik Kramer, die zich in 1878 in Leeuwarden vestigde, ontwierp het pand in de zogenaamde eclectische stijl. Oorspronkelijk bevatte het gebouw een souterrain, twee bouwlagen en een schildkap. In 1929 werd het souterrain en de onderste bouwlaag door een winkelpui vervangen. De oude rijk gesneden deur werd hergebruikt voor de entree links in de portiek.

Boven de latei van de winkelpui ziet men de nog originele gevel van Kramer. Deze is drie traveeën breed. Het middelste travee met openslaande deuren wordt extra geaccentueerd door een op zware consoles rustend balkon met vaasvormige balusters. Deze deur is met in pleisterwerk uitgevoerd ornament geheel omlijst. De bekroning met guirlandes en een door een siervaas doorbroken segmentvormig fronton is een zeer geslaagd motief. De ramen aan weerszijden kregen borstweringen van sierpleister en eveneens omlijstingen waarin rozetten en flinke sluitstenen zijn verwerkt. De gevel wordt door een hoge kroonlijst op versierde consoles afgesloten. Boven deze lijst rijst het voorschild van het dak op met in het midden een kajuit met wangen en fronton en aan weerszijden kleine kajuiten voorzien van ronde venstertjes. In het pand is de gang met stucwerk en een nagebootste hertekop met een echt gewei zeker het bekijken waard. De achterkamer bevat ook een stucplafond. In het trappenhuis zijn nog glas-in-loodramen aanwezig. Boven stralen achterkamer met stucplafond en schoorsteenmantel en voorkamer met veel stucwerk en geschilderde ornamenten in de eclectische stijl, een bijzondere sfeer uit.

In de tuin bevindt zich onder andere een met zink beklede fontein. Deze werd in 1885 bij de firma F. Kahle en Zn. te Potsdam besteld. De fontein bestaande uit waterbakken, vier engeltjes en een vrouwenfiguur (Fortuna of een nimf), werd onlangs gerestaureerd.


13.  Zuidergrachtswal 14

Het buitenhuis Zuidergrachtswal 14 valt op door de verschillende aanzichten. Dat onderscheid is niet verwonderlijk. Het front en de direct erachter gelegen vertrekken zijn in de jaren 1750 tot stand gekomen; de huidige vensters zijn overigens niet origineel. Aan de tuinzijde heeft het pand vermoedelijk omstreeks 1860 over de volle breedte een uitbreiding ontvangen, waardoor het ongeveer in omvang verdubbelde. Het is een wonderwel geslaagde combinatie geworden.

Door de vrede van Munster (1648) verviel de noodzaak van een onbelemmerd schootsveld vanaf de stadsomwallingen. Nadien verrezen buitenverblijven buiten de verdedigingswerken. Een van deze woningen werd in 1751 gekocht door de koopman Jan Klemrink en zijn vrouw Agate Wesselius. Klemrink had aanzien in Leeuwarden. Hij bracht het ondermeer tot lid van de stedelijke vroedschap en tot burgemeester, een post die hij de laatste twee jaar voor zijn dood in 1756 bekleedde Het echtpaar moet puissant rijk zijn geweest, getuige het voorname grachtenhuis Nieuwestad 61, dat het in 1747 liet bouwen. Het nieuw verworven eigendom aan de Zuidergrachtswal voldeed klaarblijkelijk niet aan de wensen van de Klemriks; ze lieten het grondig moderniseren of zelfs volledig opnieuw optrekken.

Dit woonhuis bestaat uit twee ondiepe maar uitgestrekte lage vleugels van drie raamvakken, die een entree flankeren. Het geheel wordt afgedekt door een hoge schildkap met leibedekking. De ingangspartij trekt de meeste aandacht. Een eenvoudige deur met bovenlicht heeft een omlijsting van gecanneleerde pilasters gekregen, die niet zoals gebruikelijk volgens het klassieke ordensysteem door kapitelen worden afgesloten, maar door grote consoles. Ze dragen een forse dakkajuit met zijramen en een 9-ruits schuifvenster. Op de kajuit staat een zwaar kuifstuk met zwierige rococo-ornamentiek en de alliantiewapens van het echtpaar in het midden. Die ornamentiek werd vooral toegepast in interieurs en wordt gekenmerkt door speelse vormen en asymmetrische patronen. Het buitenverblijf is een vroeg voorbeeld van deze stijl in Leeuwarden.

Het interieur verkeert goeddeels in originele staat en bezit nog de stucplafonds met lofwerk van ranken, bladeren, bloemen en druiventrossen, de lambriseringen en decoratief houtsnijwerk met typerende motieven zoals de rocaille, de golvende serpentinelijn en het gordijnkwastje. Achter de voordeur ligt een royale ontvangsthal. Twee portes brisés met getoogde bovendorpel, bekroond door kuiven, geven toegang tot de woonvertrekken. De grote salon rechts wordt gedomineerd door een enorme schouw van een type dat veel voorkwam in de periode 1710-1750. De boezem draagt een in weelderig snijwerk gevatte spiegel èn een schilderstuk. Hierop zijn een ruiter en een liggend paard afgebeeld. De zogenaamde grisaille-techniek moet een driedimensionaal karakter suggereren. Fraai is ook de betimmering rond de vensteropeningen. In de diepe dagkanten zijn de blinden gebouwen, waarmee de ramen afgedekt kunnen worden. De vensterbanken kunnen tevens als zitje dienst doen. Achter de andere dubbele deur leidt rechts een trap naar de zolder en links een tussenhalletje naar een kleinere woonkamer.

Hier staat een tweede monumentale schouw. De boezem, met een geprofileerde kroonlijst en een versierde gewenkte onderlijst, wordt gedragen door voluutvormige consoles op wandpilasters. De Leeuwarder decoratieschilder Rienk Keyert heeft het schoorsteenstuk vervaardigd. De voorstelling is ontleend aan de Griekse mythologie en toont waarschijnlijk Procris die haar geliefde Cephalis van de jacht probeert te weerhouden, omdat ze bang is hem aan de verleidelijke Aurora te verliezen. Naast de schouw bereikt men via een in de lambrisering weggewerkte deur de smalle bodekamer. Onder de hele oostelijke vleugel bevindt zich een manshoge voorraadkelder met plavuizenvloer, die wellicht van vóór 1751 dateert. Betegelingsrestanten duiden erop dat hier vroeger ook kookgelegenheid was. Of die ook na 1751als zodanig gebruikt werd, is onzeker. In ieder geval kreeg het huis op een gegeven moment een keukenaanbouw, nu grotendeels opgenomen in de negentiende-eeuwse vleugel. Voor die uitbreiding moest wel een uit 1751 daterende veranda achter en bereikbaar vanuit de salon wijken. Hier konden de bewoners van een riant uitzicht over de tuin genieten. Er zijn nog venster- en deuromtrekken zichtbaar in de voormalige buitenmuur van de salon. Wat gelukkig bleef is de opmerkelijk diepe landschappelijke privé-tuin, een bijzonderheid in Leeuwarden.


14.  Ossekop 9

Het deftige herenhuis Ossekop 9 geeft een goede indruk van de stijlvolle wooncultuur der welgestelden in de late achttiende eeuw. Met de bouw is blijkens archiefstukken kort na 1776 gestart. Opdrachtgever was Petrus Adrianus Schik, telg uit een juristengeslacht en zelf advocaat en hoogste ambtenaar bij de Provinciale Staten van Friesland. Raakte Schik gedurende de bouw in financiële problemen? In 1780 verkocht hij namelijk het nog onvoltooide huis. De nieuwe eigenaar bedong dat "al het onafgemaakte werk (-) door den verkoper ten zijnen koste zal worden afgedaan". Schik mocht als tegenprestatie enige tijd de begane grond bewonen.

Het herenhuis bezit de monumentale allure van het Lodewijk XVI-classicisme. De architectuur liet zich na de speelse rococo inspireren tot het toepassen van correctere klassieke schema's. Symmetrie, evenwicht en strakkere decoraties deden hun herintrede. Ossekop 9 is waarschijnlijk het eerste voorbeeld in Leeuwarden van een pand in deze stijl.

Het woonhuis heeft de regelmatige opstand uit de bouwtijd behouden. Het is vijf raamvakken breed en telt twee lagen onder een (omstreeks 1910 vernieuwd) tentdak met hoekschoorstenen. De voorgevel rust op een plint met panelen en wordt afgesloten door een brede lijst die met trigliefen en guirlandes versierd is. De representatieve entree in het midden heeft een dubbele deur met gesneden bovenlicht, omlijst door geblokte pilasters die een entablement met leeuwekoppen ondersteunen. De plaats van de ingang wordt benadrukt door vazen, een portretmedaillon en bladbundels rond het verdiepingsraam. Een driehoekig timpaan over drie traveeën bekroont daarboven de gevellijst. Het veld draagt een medaillon met een mannenkop. Direct achter de voordeur bevinden zich de best geconserveerde ruimten: de hal en een lange gang naar de voormalige tuin, met tegelvloeren van wit geaderd marmer, hoge lambriseringen in een bijpassende geschilderde marmerimitatie, en gepleisterde wanden en plafonds die door strakke profiellijsten in rechthoekige vakken worden verdeeld en versierd zijn met festoenen en rozetten. Naast de voorkamerdeuren in de hal hangen bovendien medaillons aan linten, twee met een vrouwen- en twee met een mannenportret, vormgegeven naar de Romeinse mode. Een medaillon op het plafond wordt omkranst door een laurierbundel; de putto heeft een boek en een fakkel als attributen. Vanuit de hal geeft een glazen deur met boven- en zijlichten toegang tot de gang. Daar, in de kern van het pand, staat het trappenhuis met een kuiptrap met ovaalvormig schalmgat. Het bovenlicht bestaat nog wel maar is helaas dichtgezet bij de dakvernieuwing.

Aan weerszijden van de as door het huis liggen twee vertrekken die vermoedelijk een verbinding en-suite hadden. Over de functionele indeling blijven we in het ongewisse. In de achterkamers stonden vroeger schouwen - waar, is nog zichtbaar door inspringingen in de perklijsten op de plafonds. Het plafond links heeft de fraaiste stucversiering met velerlei ooftmotieven; mogelijk was hier de eetkamer. Naar verluidt is met name in de jarn-'50 veel schade toegebracht aan het interieur; de meeste lambriseringen zijn toen verdwenen. Tegenwoordig biedt het pand onderdak aan een drukkerij, die respect voor de waardevolle onderdelen toont.


15.  Berlikumermarkt 17

Hoe nuttig het is om in de Leeuwarder binnenstad verder te kijken dan een etalage breed is en hoger te kijken dan alleen naar een winkeldeur bewijst ook dit pand weer. Van oorsprong is het een van de rijke herenhuizen van Leeuwarden: een brede gevel met zes raamtraveeën, twee bouwlagen met hoge, rechtgesloten vensters en ter afsluiting een kroonlijst met boven de muurdammen zeven consoles, die een vormgeving hebben, waarin twee elkaar opvolgende stijlen - het sierlijke rococo en het strakke Lodewijk XVI - origineel zijn vermengd. De woning zelf ademt de Lodewijk XVI-stijl en toont verwantschap met het Eysingahuis, Koningsstraat 1, waarin het Fries Museum intrek heeft genomen.

Tussen de beide patriciërswoningen is nog een relatie. Bouwde jonker Frans van Eysinga in 1781 zijn nieuwe huis aan de Koningsstraat, de woning aan de Berlikumermarkt werd kort voor 1789 gebouwd door Schelto Hessel Roorda van Eysinga, grietman van Haskerland. Hij was vader van jonker Frans. Hij bewoonde het huis tot zijn overlijden in 1791, slechts kort dus. In zijn testament staat het vermeld als "mijn nieuwgebouwde en thans bij mij bewoonde huizinge met de stallinge en verdere annexe, staande binnen Leeuwarden". Na zijn dood werd het verhuurd aan P. Cats en in het vervolg is er op deze plaats geen sprake meer van adel en van grietmannen. Maar het huis bleef er even monumentaal om.

Dat is het ook nu nog wel, maar het heeft toch wel een veer moeten laten. Dat is gebeurd in 1893. De manufacturier Ype Bolman liet het huis toen verbouwen, waarschijnlijk door architect W.C. de Groot, die in dat jaar de bovenwoning betrok. Bij de verbouwing werden de drie linker traveeën met de omlijste ingangspartij vervangen door een winkelpui, die op zichzelf wel aardig is en karakteristiek voor het einde van de negentiende eeuw, maar toch afbreuk doet aan het geheel. Bij die gelegenheid werden ook de dakkapellen verlaagd en van hun frontons ontdaan, terwijl de hoge dwarskap werd afgeknot.

Al vele jaren is het pand in gebruik als winkel en magazijn van de heer Reitsma, die het tot voor kort huurde, maar nog onlangs het hele huis verwierf. Daarbij behoren niet alleen de winkel, maar ook de daarachter gelegen magazijnen aan de Ossekop. Een verbouwing is reeds per advertentie aangekondigd. Het is daarbij de bedoeling van de heer Reitsma om, als het hem mag lukken, de bovenwoning te restaureren. In het bijzonder de salon, de rechtervoorkamer, is een van de fraaiste interieurs van Leeuwarden. De wanden zijn in traveeën verdeeld door pilasters met ionische kapitelen, die een mooie lijst dragen, die voorzien is van consoles met daartussen rozetten. Tussen de pilasters bloemslingers, die door goudkleurige linten bijeen worden gehouden. Geheel in stijl is het stucplafond. De ruimte mag dan intensief zijn gebruikt, het interieur is niettemin goed bewaard gebleven en verdient nu en in de toekomst alle aandacht.


Colofon

Uitgave:                       Comité Open Monumentendag Leeuwarden

Tekstbijdragen:                                                                                                                                                                              Jochum Admiraal, Rolf de Booij, Hendrik ten Hoeve, Peter Karstkarel, Hugo Kingmans, Leo  van der Laan, Andries Monna, Rita Mulder-Radetzky en Rienk Terpstra

Fotografie:                  Siep van Lingen, Jaap Spieker, Constant van Scherpenseel, Paul Jansen en Monumentenzorg gemeente Leeuwarden

Druk:                            Wielsma BV Leeuwarden

Vormgeving:               Impact Vormgeving


Sponsorvermelding

De Open Monumentendag op 17 september 1988 kan in Leeuwarden georganiseerd worden dankzij financiële medewerking van:

Gemeente Leeuwarden
Stichting Juckema-Siderius Fonds, Leeuwarden
Maatschappij tot 't Nut van het Algemeen, Leeuwarden
Friese Aannemers Organisatie
Waterleiding Friesland
Makelaardij K. van der Valk, Leeuwarden
Makelaardij Dijkstra & Zn. bv, Leeuwarden
Makelaardij Hellema bv, Leeuwarden
Makelaardij Weimac, Leeuwarden
Makelaardij F. Popma & zn., Leeuwarden
Makelaardij Friesland, Leeuwarden

De Open Monumentendag zou niet plaats kunnen vinden zonder medewerking van de eigenaars/beheerders van de 15 opengestelde panden. Speciale medewerking werd verkregen van museum Het Princessehof.

Terug