Seeckere voortreflijcke huijsinghen


Voornaam wonen in Leeuwarden

Open Monumenten in Leeuwarden 1997


Woord vooraf
De letterkundige en architectuurcriticus Rein Bleistra schreef eens: "Leeuwarden is een van de fraaiste, maar ook in verhouding tot haar schoonheid een van onze minder bekende steden". Als voorzitter van de Stichting Aed Levwerd ben ik verheugd dat de elfde landelijke opening van de Open Monumentendag plaatsheeft in de eerste van de Friese elf steden. Graag willen wij aan inwoners en gasten laten zien dat Leeuwarden een van de fraaiste en qua stedenbouwkundige structuur een van de gaafste Nederlandse steden is.

In de toelichting op de aanwijzing van Leeuwarden tot beschermd stadsgezicht in 1983 staat onder meer: "Ruimtelijk structureel wordt de Leeuwarder binnenstad bepaald door een volledig stelsel van singels, met daarbinnen een aantal grachten en terpen (-). Ondanks een aantal dempingen en enkele bouwkundige verstoringen kan gesproken worden van een in cultuur-historisch opzicht zeer belangwekkend stadsgebied". Leeuwarden telt op het ogenblik 440 rijksmonumenten en is daarmee de vijftiende monumentengemeente van Nederland. Over die monumenten verschijnt nu al weer het elfde Open Monumentendagboekje. Het bestuur van Aed Levwerd is trots op de serie. In de verschenen deeltjes staat een schat aan informatie over het monumentale erfgoed van de stad.

Voor de elfde Open Monumentendag in Leeuwarden met daaraan voorafgaand de landelijke opening, is gekozen voor het thema voornaam wonen onder de titel 'Seeckere voortreflijcke huijsinghen'. Leeuwarden is nog altijd een beetje voorname, deftige stad. Dit vooral door de invloed van de stadhouderlijke familie die hier van 1588 tot 1765 woonde en door de Friese adel die in de stad haar voorname woningen had. Zeventien voorname panden worden dit jaar opengesteld. Dat de Open Monumentendag in Leeuwarden steeds weer zo'n groot succes is, is vooral te danken aan de eigenaren, beheerders en bewoners van de monumentale panden. Steeds worden zij bereid gevonden hun deuren voor de duizenden bezoekers open te stellen. Ook zonder onze tientallen vrijwilligers zou het niet lukken er iedere keer zo'n geslaagd evenement van te maken.

De uitgave van het elfde Open Monumentendagboekje is door een aantal subsidiënten mogelijk gemaakt. De N.V. Stadsherstel te Leeuwarden steunt ons elk jaar en ook nu weer in belangrijke mate. Veel onderzoeks- en ondersteunend werk werd verricht op het Leeuwarder Gemeentearchief. Allen hiervoor onze dank.

Tot slot spreek ik de wens uit dat de elfde Open Monumentendag in Leeuwarden opnieuw een succes wordt.

Hendrik ten Hoeve,
voorzitter Stichting Aed Levwerd.


Voornaam wonen in Leeuwarden.

Tocht door tijd en stad
Deze inleiding bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt geschetst welke elites door de eeuwen heen in Leeuwarden op politiek, sociaal en economisch gebied de toon hebben aangegeven, waarop hun macht was gebaseerd en welke architectonische sporen zij in de stad hebben achtergelaten. Daarbij is niet alleen gekeken naar de voorname huizen die zij ooit bewoonden maar wordt ook aandacht geschonken aan openbare gebouwen, die evenzeer bedoeld waren om de grootsheid van de bevoorrechte stand tot uitdrukking te brengen. Het tweede deel bevat een beschrijving van de wandelroute langs de woningen die op deze elfde Open Monumentendag van de gemeente Leeuwarden voor het publiek zijn opengesteld. Tevens zal dan stilgestaan worden bij tal van andere bezienswaardigheden.


Tocht door de tijd

Terpentijd
In het reliëf van de Grote Kerkstraat, waar we onze wandeling beginnen, ligt de oudste geschiedenis van Leeuwarden geplaveid. Ooit had hier de zee vrij spel, zeker in het laagst gelegen gedeelte van wat toen nog geen straat was maar hooguit een onverhard pad dat twee terpen met elkaar verbond, voerend over de kam van een tussenliggende kwelderrug. We spreken dan over de vroege middeleeuwen, toen men van dijken nog niet wist en de "villa Lintarwde" (achtste eeuw) niet meer was dan een van de vele nederzettingen langs de kust van de Middelzee. Door deze smalle zeearm, die eens het Friese kwelderlandschap tot aan Bolsward toe doorkliefde, vocht het zilte nat zich tweemaal daags een weg naar binnen en wanneer het stormde of springtij was, boden alleen de terpen een veilig heenkomen. Deze oplossing volstond niet langer omstreeks het jaar 1000 toen de zeespiegel eeuwenlang gestaag steeg. Overal langs de kust werden daarom dijken opgeworpen, waarvan enkele dijkvakken nog steeds door de Leeuwarder binnenstad lopen.

Middeleeuwen
Tezelfdertijd ook nam het belang van Leeuwarden voortdurend toe: in de elfde eeuw werden te "Liunvert" al munten geslagen, in 1149 wordt de kerk van "Lienward" (de Sint Vitus van Oldehove) vermeld en in 1286 wordt "Lewart" onder de Hanzesteden genoemd. Inmiddels was de Middelzee zover opgeslibd, verland en bedijkt, dat rond 1300 Leeuwarden niet langer aan zee lag maar een landstadje was geworden, dat zich overigens beperkte tot de dubbelterp Nijehove, een centrum van nering en nijverheid. Eerst in de periode 1426-1435 werd het verenigd met het westelijk gelegen, meer agrarische Oldehove en het aan de noordoostkant ontstane Hoek. Het gebied dat door de nieuwe, in 1494 gereedgekomen stadsgracht werd ingesloten, viel ruwweg samen met het tegenwoordige centrum. Dan staan we op de drempel van de moderne tijd, die in Friesland bij 1498 ligt, toen de Saksische hertogen hier de landsheerlijkheid vestigden en een centraal gezag inrichtten. Volgend jaar is dat vijfhonderd jaar geleden en zal de tenondergang van de laat-middeleeuwse Friese Vrijheid met gemengde gevoelens worden herdacht. Hoewel de gevolgen voor Friesland destijds minder ingrijpend waren dan vroegere geschiedschrijvers ons willen doen geloven, kunnen de consequenties voor Leeuwarden niet genoeg benadrukt worden: weldra werd het hoofdstad (1504). De Saksische hertogen verkochten hun aanspraken in 1515 aan de latere keizer Karel V en sindsdien vormde Friesland een verre uithoek van het Spaans-Bourgondische wereldrijk.

Register van de Aanbreng (1511)
Van het laat-middeleeuwse Leeuwarden kunnen we ons een betrouwbaar beeld vormen dankzij het Register van de Aanbreng, dat in 1511 op last van de Saksische hertogen ten behoeve van een grondbelasting werd opgemaakt. In dit kadaster avant la lettre is de laat-middeleeuwse situatie als het ware gefossiliseerd, zodat bijvoorbeeld eigendomsverhoudingen gereconstrueerd kunnen worden. Zo blijkt dat van de woonerven in Leeuwarden toen ruim een derde in bezit van de kerk en geestelijkheid was en een even zo groot deel toebehoorde aan adellijke geslachten als de Burmania's, de Cammingha's en de Minnema's, stuk voor stuk lokale potentaten, gewoonlijk hoofdelingen of heerschappen genoemd. Hoewel het huis zelf, zeg maar de opstal, veelal wel eigendom van de bewoners was, stonden ze door de erfpacht niettemin in een afhankelijke relatie tot de grondheer, die bijvoorbeeld die pacht willekeurig kon verhogen. Slechts vijf procent van alle burgers woonde op eigen grond. De rijksten onder hen, zoals het patriciërsgeslacht Auckama, konden eveneens veel woonsteden in handen hebben, zij het minder dan de adel. Het laat zich raden dat in het maatschappelijke krachtenveld de adel en geestelijkheid en in mindere mate het patriciaat de lakens uitdeelden.

Kerken, kloosters en stinsen
Het silhouet van het laat-middeleeuwse Leeuwarden, dat zo'n vierduizend inwoners telde, werd dan ook beheerst door kerken, kloosters en stinsen, bomen en rieten daken daargelaten. Geen van de drie middeleeuwse parochiekerken heeft de tand des tijds doorstaan. Een zware storm werd de Sint Vitus van Oldehove in 1576 noodlottig en twintig jaar later werd besloten de ruïne te slechten, hoewel een deel van de muren tot 1706 bleef staan. De Oldehove zelf, de scheve, onvoltooide kerktoren, die momenteel wordt gerestaureerd, dateert van 1529. De Lieve Vrouwekerk van Nijehove werd in 1785 afgebroken en van de Sint Catharinakerk van Hoek resteren sinds 1834 weinig meer dan enkele forse muurdelen, opgenomen in een huidig pand aan de Voorstreek. Van de vier kloosters die Leeuwarden ooit telde, zijn evenwel nog drie kerkgebouwen overgebleven: de Grote of Jacobijnerkerk, de Westerkerk (het tegenwoordige theater Romein) en de Waalse kerk. De stinsen, een samentrekking van steenhuizen, waren aanvankelijk niet meer dan versterkte woontorens van de hoofdelingen. In de eerste helft van de zestiende eeuw, toen ze hun defensieve functie hadden verloren, werden ze tot comfortabeler woonhuizen verbouwd. In menig monumentaal pand, niet alleen onder het maaiveld, zijn nog restanten van de laat-middeleeuwse stinsen aan te treffen.

Regenten
Zoals gezegd werd Leeuwarden begin zestiende eeuw hoofdstad van een soeverein gewest en dus ook de residentie van het gewestelijk bestuur en de hoge rechtspraak. Sindsdien pronkten niet alleen de plaatselijke hoofdelingen en het patriciaat met hun kapitale panden, maar hadden ook de gewestelijke politici en ambtsdragers hun domicilie of een pied-à-terre in de stad, waar tegelijkertijd imposante overheidsgebouwen verrezen zoals in 1571 de Kanselarij (het tegenwoordige Fries Museum).

In de zestiende eeuw nam de rol van de staat in het maatschappelijke leven exponentieel toe, zeker ten tijde van de Opstand (begin Tachtigjarige Oorlog), toen de Noordelijke Nederlanden zich losmaakten van het Spaans-Bourgondische wereldrijk en op basis van de Unie van Utrecht (1579) een onafhankelijke statenbond gingen vormen: de Republiek. Binnen het 'overheidsbedrijf' konden grote winsten gemaakt worden en de vele, vaak puissant rijke regenten hebben legio sporen in de stad nagelaten. Zo woonden er in 1749 blijkens de Quotisatiekohieren van de 70 rijkste inwoners van Friesland maar liefst 24 permanent in Leeuwarden, terwijl niet minder dan 28 hier een tweede woning bezaten, die voornamelijk 's winters werd betrokken. Onder de laatstgenoemden treffen we veel grietmannen aan, die op het platteland de politieke macht hadden gemonopoliseerd, steevast naar de Staten van Friesland werden afgevaardigd en zitting in diverse overheidscolleges hadden. De Grote Kerkstraat, de Weerd en de Tweebaksmarkt waren toentertijd geliefkoosde woonlocaties. Ter vergelijking de situatie van 1511, toen van de 68 rijksten er vier hoofdelingen (die overigens tot de top dertien behoorden) en vier burgers in Leeuwarden woonden. Wat de status van hoofdstad al niet vermag!

Van het begin van de vijftiende eeuw naar het midden van de achttiende eeuw is natuurlijk een grote stap, maar helaas hebben we voor de tussenliggende periode geen vergelijkbaar kwantitatief bronnenmateriaal tot onze beschikking. Alleen het schoorsteenregister van 1606 leert ons dat Leeuwarden toen minstens elfduizend inwoners telde, onder wie menig gewestelijk regent en grietman. In de tweede helft van de Gouden Eeuw en de gehele achttiende eeuw schommelde het inwonertal rond de vijftienduizend. De komst van de Fransen in 1795 leidde de val van de regenten in. Nederland werd een eenheidsstaat en Leeuwarden degradeerde tot provinciehoofdstad.

De stadhouder
De centrale figuur in het politieke bedrijf van het ancien régime was evenwel de stadhouder, een relict uit de landsheerlijke tijd. Hoewel hij in dienst van de Staten was, bestuurde hij het land als een constitutioneel vorst, had hij in Leeuwarden zijn eigen hof en voerde hij een dienovereenkomstige hofhouding. Dankzij de onlangs uitgegeven dagboeken van Willem Frederik (1613-1664) kunnen we ons een goed beeld vormen van zijn schier onbeperkte macht en de grote culturele invloed die van het stadhouderlijk hof uitging. Na de dood van Willem van Oranje (1584) had Friesland altijd zijn eigen stadhouders, de Friese Nassau's, van wie Willem Carel Hendrik Friso (1711-1751) als Willem IV in 1747 tevens stadhouder van de andere gewesten werd, nu 250 jaar geleden. Tijdens het Nassau-festival dit voorjaar werd met activiteiten te Leeuwarden, Heerenveen en op Ameland uitvoerig bij deze gebeurtenis stilgestaan.

Het vertrek van Willem IV, met tal van aanzienlijken in z'n gevolg, betekende een gevoelige aderlating voor het culturele leven van de Friese hoofdstad, al genoot 'Marijke-Muoi' (1688-1765), de moeder van Willem IV, nog jarenlang bijzondere populariteit en voerde zij tot haar overlijden een hoge staat op het Princessehof. Maar vanaf 1765 was het definitief gedaan met Leeuwarden als hofstad.

Burgertrots
In de loop van de zestiende eeuw verloor de adel zijn leidende rol binnen de stedelijke politiek en ging de macht over op het patriciaat, dat bovendien na de Reformatie van 1580 nauwelijks nog concurrentie van de zijde van de kerk had te duchten. Hoewel er geen duidelijke scheiding tussen de gewestelijke en de stedelijke elites valt te trekken, komen we in 1749 onder de rijkste Friezen ook burgers van Leeuwarden tegen, die ontegenzeglijk binnen het stadsbestuur carrière hadden gemaakt of die hun kapitalen in handel en nijverheid hadden verdiend. Zowel op individueel als op collectief niveau hebben zij mede het stadsbeeld bepaald, al konden zij niet wedijveren met de gewestelijke elites. Naast de eigen luisterrijke burgerhuizen verrezen stedelijke monumenten van burgertrots, zoals de Waag (1598) en het Stadhuis (1715). Vermeldenswaard zou eveneens de Nieuwetoren (ca. 1540) zijn geweest, ware het niet dat deze eind vorige eeuw werd afgebroken en sindsdien een droefgeestig pleintje zijn grondvesten siert. De visitekaartjes bij uitstek van de stad hebben evenmin de tand des tijds doorstaan: de grote en kleinere poortgebouwen die al het verkeer van en naar de stad, zowel te land als te water, op zijn weg vond. Ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog waren de verdedigingswerken van de stad almaar versterkt en op de hoge wallen en dwingers verrezen weldra de eerste molens, blikvangers van een vroeg-industriële samenleving, die evenmin de skyline nog langer bepalen.

De negentiende eeuw
Na de Franse tijd was aanvankelijk de Reactie troef en werden de regenten goeddeels in hun vroegere posities hersteld. De grondwetsherziening van Thorbecke (1848) liet de balans echter opnieuw in het voordeel van de gezeten burgerij doorslaan, die met de Gemeentewet (1851) volop kansen kreeg om binnen het lokale bestuur actief te worden. Mede dankzij de inspanningen van deze liberalen werd Leeuwarden in de tweede helft van de negentiende eeuw op tal van terreinen gemoderniseerd en in de vaart der volkeren opgestoten, al hanteerde men soms in naam van de vooruitgang - zeker in onze ogen - de slopershamer al te lichtzinnig. Zo werd Leeuwarden als een der eerste steden van Nederland ontmanteld en werden de stadspoorten en vestingwallen geslecht. Op een deel van de vrijgekomen gronden werd een bijzonder fraai park aangelegd, waarvan de drukbezochte Prinsentuin nog altijd het middelpunt vormt. Even beeldbepalend is de demping van een aantal binnengrachten geweest, zoals de Eewal (1884) en Tweebaksmarkt (1894), heden ten dage net zo zeer betreurd als destijds toegejuicht, opgelucht als men was van de stank bevrijd te zijn. Met de demping werd ook riolering aangelegd en rond 1915 was het grootste gedeelte van de stad niet alleen voorzien van een geregelde vuilafvoer en stadsreiniging, maar eveneens aangesloten op een gas-, electriciteits- en waterleidingnet.

Stadsuitleggen
De ontmanteling werd spoedig gevolgd door de eerste stadsuitleggen, waarvan die van het Stationskwartier in de jaren-1860 en -1870 onze bijzondere aandacht verdient, omdat toen ook een gedeelte van de zuidelijke stadsgracht werd rechtgetrokken en aldus de Willemskaden tot stand werden gebracht, die weldra met statige herenhuizen werden bebouwd. Haaks op de Willemskaden werd de Sophialaan aangelegd. Een stoutmoedige verwijzing naar het ongelukkige huwelijk van koning Willem III en Sophia, die in hun privéleven al even haaks op elkaar stonden?

Hoewel de eerste huizen aan de Oostergrachtswal en de Zuider-grachtswal uit de achttiende eeuw dateren, kregen ook deze straten en het Zuiderplein nog voor het einde van de negentiende eeuw een gevelwand, voor het merendeel bestaande uit woningen voor de gegoede stand. Deze gesloten gevelwand werd in 1895 weer doorbroken door het aanleg van het Nieuwe Kanaal, de aanleiding tot de uitlegging naar het oosten, zoals de komst van de trein ten grondslag lag aan de uitbreiding naar het zuiden. De bebouwing langs de Schrans, de zuidelijke toegangsweg tot Leeuwarden, is daarentegen van veel oudere datum. Ooit was deze straat een uitbuurt van het dorp Huizum, overheerste het agrarische karakter en hadden kapitaalkrachtige boeren hier hun rentenierswoningen.

Bestuurlijke modernisering
Hoewel het bevolkingscijfer in de negentiende eeuw voortdurend toenam, van ruim twintigduizend in 1830 tot dertigduizend in 1890, hield Leeuwarden geen gelijke tred met de ontwikkelingen elders in het land en daalde het voortdurend op de ranglijst van grote steden. Als centrum van agro-industrie had het bovendien bijzonder te lijden van de agrarische crisis in het laatste kwart van de negentiende eeuw.

Ook de elites hadden grote belangen in de landbouw, want menig boerderij was hun eigendom. Halverwege de negentiende eeuw viel de economische elite in grote lijnen nog samen met de sociale en politieke elite. Wel waren er drie groepen te onderscheiden: de adel, het oude patriciaat en nieuwkomers. De eerste twee groepen onderhielden nauwe onderlinge contacten, vormden een duidelijk vrijgestelde klasse of waren bij bestuur en rechtspraak (in het bijzonder het gerechtshof) betrokken. In de tweede helft van de negentiende eeuw trok een groot deel van hen uit Friesland weg, een ander deel wist zijn economische kracht en sociale prestige weliswaar te handhaven maar kwam politiek op een zijspoor te staan. De nieuwkomers, die zich voornamelijk met financiële dienstverlening bezighielden of belangen in het bedrijfsleven hadden, werden politiek steeds actiever maar verkregen in de regel geen hoge sociale status.

Twintigste eeuw
Door de aanhoudende democratisering van de samenleving wisten lagere sociale groepen zich politiek te emanciperen en konden zodoende hun plaats binnen de bestuurlijke bovenlaag opeisen. Gevolg van dit proces van bestuurlijke modernisering was dat de eens zo homogene elite in toenemende mate uiteenviel in deelelites en dat rijkdom niet langer hand in hand ging met sociaal aanzien en politieke invloed. De overgang van een post-standenmaatschappij naar een massasamenleving vond in de twintigste eeuw haar voltooiing. Sindsdien werd de almaar toegenomen rijkdom onder steeds bredere lagen van de bevolking verdeeld en hebben de vroegere elites hun eens zo exclusieve positie verloren. Want wie per slot van rekening met de ogen van een laat-middeleeuwse stinsheer naar het tegenwoordige huizenbestand kijkt, zal zich wellicht afvragen wie er tegenwoordig eigenlijk niet voornaam woont.

Tocht door de stad

Grote Kerkstraat e.o.
Het Gemeentearchief in de Grote Kerkstraat is vertrekpunt van de route. Via de tuin gaan we naar de Doelestraat, genoemd naar de Doelen, die zich ooit in het verlengde van deze straat bevonden, waar toen milities zich in de wapenen oefenden. Afgezien van het hoekpand aan de Grote Kerkstraat maakt de gehele oostzijde van de Doelestraat tegenwoordig deel uit van het complex van de Fryske Akademy. Deze wetenschappelijke instelling verricht onderzoek naar de Friese taal en cultuur in de breedste zin van het woord. Het Coulonhuis op nummer 8, voorzien van een dubbele trapstoep met hek, is niet alleen het eerste pand dat door de Fryske Akademy werd betrokken, maar tevens het eerste monument dat bezichtigd kan worden (1).

Na dit pand te hebben verlaten, lopen we de Doelestraat uit om linksaf de Groeneweg in te slaan, onder de kastanjeboom door van de naastgelegen achtertuin van het Princessehof. Schuin voor ons aan de overkant zien we achtereenvolgens de studio's van Omrop Fryslân en de rijzige gebouwen van het Ryksargyf en de Provinciale Bibliotheek. Bij de eerstvolgende zijstraat, het Heer Ivostraatje, gaan we links en hebben we het volledige zicht op het Oldehoofsterkerkhof met centraal de Oldehove en links daarvan in de kleuren oker, paars en onbestemd bruin het nieuwe stadskantoor. Het straatje zelf is vernoemd naar heer Ivo Johannes, de zestiende-eeuwse pastoor en deken, die in het zandsteenkleurige hoekpand woonde, het Heer Ivohuis waar sinds enige jaren een brasserie wordt uitgebaat. Hier gaan we links en bevinden we ons opnieuw in de Grote Kerkstraat.

Het monumentale karakter van deze straat kan op velerlei wijzen geïllustreerd worden. Zoals gezegd herinnert haar glooiende beloop aan de terpentijd en wordt het laat-middeleeuwse element vertegenwoordigd door een aantal stinsen, waarvan de Papingastins (of wellicht beter de Liauckamastins) deel uitmaakt van het Princessehof, het eerstvolgende opengestelde monument (2). Dit museum, een complex van uiteenlopende bouwwerken dat een unieke collectie keramiek herbergt, grenst direct aan het Heer Ivohuis. Aan de andere zijde bevinden zich de stadhouderlijke rijschool en stallen, heden ten dage in gebruik als gymnastieklokaal, en een fraai gebeeldhouwd poortje in barokstijl uit 1680. Tegenover de Doelestraat op nummer 20 bevindt zich het derde pand dat bezichtigd kan worden: Jongbloed (3).

Het Grietmanshuis recht tegenover het Gemeentearchief op de hoek met de Bollemanssteeg is louter en alleen op grond van zijn naam al te beschouwen als een typerend voorbeeld van de residenties van de gewestelijke elites die in de zeventiende en achttiende eeuw de touwtjes in handen hadden. De gevelsteen uit 1992 boven de ingang van de Hofwijck, direct naast het Grietmanshuis, laat een voorstelling zien van de Holdingastins die hier vroeger stond en waar in de eerste helft van de achttiende eeuw 's Lands munt gevestigd was. Evenals het oostelijk gelegen Sint Anthony Gasthuis was ook de Hofwijck vroeger een gasthuis, maar beide zijn inmiddels verbouwd tot huurwoningen. De tussenliggende Sint Anthonystraat was ooit een stadsgracht en vormde de grens tussen Oldehove en Nijehove.

Tegenover deze straat bevindt zich het Bestuurshuis van het Sint Anthony Gasthuis, de oudste liefdadigheidsinstelling van Leeuwar-den, die reeds in 1425 wordt vermeld.

Op de gevelsteen van Grote Kerkstraat 43 zien we een stins in zijn originele, laat-middeleeuwse vorm, toen zij primair een defensieve functie had, terwijl de eerder genoemde afbeelding van de Holdingastins een impressie geeft van het wooncomfort dat vanaf de zestiende eeuw de boventoon ging voeren. De gevelsteen met het onderschrift "Aed Levwerd" werd tot logo verheven van de gelijknamige stichting die nu al jaren in Leeuwarden de Open Monumenten-dag organiseert. Het jaartal 1171 is zeker fout en dient vermoedelijk als 1571 gelezen te worden.

In het huis op de hoek met de volgende zijstraat woonde ooit Margaretha Zelle (1876-1917), de Leeuwarder lichtekooi die als Mata Hari rond 1900 het bloed van de Parijse beau monde sneller deed stromen en als spionne voor Duitsland voor een Frans executiepeloton het leven liet. Heden ten dage is hier het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum (FLMD) gevestigd, dat niet alleen vandaag vrij toegankelijk is (4).

Dan zijn we aangekomen op het hoogste punt van Leeuwarden, de hoek van de Grote Kerkstraat met de Kleine Hoogstraat, 5,27 m boven N.A.P. Kenners van de Leeuwarder binnenstad en zij die minder goed ter been zijn kunnen nu de route verkorten door binnendoor naar de Eewal af te slaan, anderen worden met ons uitgenodigd de Grote Kerkstraat verder uit te lopen. De eerstvolgende gevelwand aan de zuidzijde maakte vroeger in zijn geheel deel uit van het Sint Catharinaklooster, dat in 1507 door een Leeuwarder burgerdochter werd gesticht. De in het oog springende kloosterkerk werd in 1659 als Waalse kerk ingericht. Vervolgens komen we aan dezelfde zijde het oudste woonhuis van de stad tegen, 'Keimpemastins' of Pastoorshuis, vanaf de vroege vijftiende eeuw de pastorie van de in 1785 afgebroken Lieve Vrouwekerk van Nijehove, die aan de overkant van de straat stond, waar rond 1900 het voormalige Sint Elisabethklooster verrees. Recht voor ons zien we nu de Grote of Jacobijnerkerk, de prachtig gerestaureerde kloosterkerk met elementen uit de dertiende eeuw, die na de Reformatie van 1580 door de nieuwlichters in gebruik werd genomen. In het koor werd voor de stadhouderlijke familie een grafkelder ingericht, die het gelijkmakend geweld van de Bataafse revolutie in 1795 niet kon weerstaan. De koperen oranjeboom boven de toegangspoort herinnert evenwel nog steeds aan het eens zo bevoorrechte verleden van de Friese Nassau's.

Op het Jacobijnerkerkhof aangekomen loont het de moeite eerst even links aan te houden en een blik te werpen op het Joodse monument en de vroegere Joodse school. Vandaar kunnen we zicht krijgen op de even markant laat-middeleeuwse als uit het lood hangende zijwand van de vroegere kosterij in de Bredeplaats. Terugkerend om de kerk bij het koor slaan we Bij de Put in, het taps toelopende pleintje, waar een eenvoudig metselwerk nog herinnert aan de openbare watervoorziening die tot in de negentiende eeuw hier dienst heeft gedaan. Rechts aanhoudend en vervolgens rechtdoor dalen we de Slotmakersstraat af om rechtsaf de Eewal op te lopen. Deze lommerrijke, in 1884 gedempte gracht kent zoveel historische panden dat de Open Monumentendag van 1991 bijna geheel aan deze straat gewijd was.

De Eewal gaat naadloos over in het Gouverneursplein, het Hofplein en het enigszins driehoekige Raadhuisplein met het Stadhuis en de Wilhelminaboom, de in 1898 geplante kroningslinde. Centraal op het Hofplein staat sinds 1906 het standbeeld van stadhouder Willem Lodewijk (1560-1620), door de Friezen "Us Heit" genoemd, die als eerste van de Friese Nassau's in het achter dat beeld gelegen Stadhouderlijk Hof resideerde. In 1814 kocht koning Willem I het voorouderlijk erfgoed opnieuw aan. Koninklijk bezit, ("koninklijk paleis") bleef het tot 1971; na een misschien wat al te grondige verbouwing in 1880 had het onderdak geboden aan drie commissarissen der koning(in). Vanaf 1971 was het pand in eigendom en gebruik van de gemeente Leeuwarden, die het in 1995 overdroeg aan de Stifting Monuminten yn Fryslân. Er is een uitbaterij in gevestigd en sindsdien worden er mede cultureel-historische activiteiten georganiseerd.


Nieuwestad e.o.
In de punt van het Raadhuisplein recht tegenover het Stadhuis slaan we de Weerd in, waarvan de naam herinnert aan de terpentijd. Zij is etymologisch verwant aan ward en werd, aanduidingen voor door water omspoeld land, die we terugvinden in plaatsnamen als Bolsward, Rauwerd, Leeuwarden en Ferwerd. Vervolgens nemen we de eerste straat rechts, de Bagijnestraat, genoemd naar het laat-vijftiende-eeuwse kloostercomplex, waarvan de kapel nu als cultureel centrum in gebruik is, Theater Romein, dat we weldra ter rechterzijde van de straat in het verschiet krijgen. In de kelders van het daarnaast gelegen Binnenhuys, onze volgende pleisterplaats, bevinden zich eveneens laat-middeleeuwse restanten van het vroegere vrouwenklooster (5).

Tegenover het Binnenhuys lopen we nu de Nieuwesteeg in, die met zijn Museumwinkel, andere oud-ambachtelijke activiteiten en horecagelegenheden met de dag een levendiger aanzien krijgt.

Dan stuiten we op de Nieuwestad, met de Grote Kerkstraat, Tweebaksmarkt en Eewal behorend tot de monumentaalste straten van Leeuwarden, waar we rechts gaan. Deze voor het rijverkeer afgesloten kant van de Nieuwestad was eens de begrenzing van de Middelzee en staat in de volksmond bekend als de 'stille' kant, in tegenstelling tot de 'drukke' overkant. Evenwel zijn op warme zomerdagen de rollen veelal omgekeerd, zeker wanneer na zessen vanaf de overvolle terrassen de 'drukke' kant wordt overschreeuwd. Waar vandaag de dag winkels en horecagelegenheden elkaar afwisselen, was het vooral in de vorige eeuw voornaam wonen. Als voorbeelden van deze wooncultuur hebben Beeling en Fire vandaag de deuren opengezet (6 en 7).

Vervolgens lopen we door naar het recentelijk tot stadskantoor verbouwde Burmaniahuis (8). Na bezichtiging steken we de tegenover dit huis gelegen pijp over en lopen de Nieuwestad langs de 'drukke' kant terug, waar we weldra het Struivingspoortje uit 1696 passeren, dat eens toegang tot een achtergelegen binnenhofje gaf. Verderop wijst een dubbele trapstoep op het enige huis aan de Nieuwestad dat zijn aanzien als herenhuis heeft bewaard, al heeft het zijn woonbe- stemming verloren: het Auck Petershuis (9).

We steken de rijbaan over, passeren op de Langepijp het standbeeld van het Friese paard en staan oog in oog met het gebouw dat bijna drie eeuwen lang symbool stond voor het agrarische karakter van Frieslands economie, de Waag, tot 1880 het trefpunt van boter- en kaashandelaren. Voorbij de Waag blijven we het water volgen en lopen dan vanzelf het Naauw in.


Voorstreek/Tweebaksmarkt e.o.
Het Naauw uitlopend komen we op de Brol, de dubbele pijp die de driesprong van grachten overkluist. Grachten is evenwel niet het goede woord omdat de Ee, de Weaze en het Naauw van natuurlijke oorsprong en dus niet gegraven zijn. Het laatstgenoemde water was eens, vóór de bedijking van de Middelzee, een uitwateringssluis waardoor het overtollige water dat door de Ee, de Potmarge en het Vliet werd aangevoerd, op zee gelost kon worden. We vervolgen onze weg noordelijk langs het water in het verlengde van het Naauw en komen dan op de Kelders. Hier en op de Brol wordt 's zaterdags een weekmarkt gehouden, die van aanzienlijk bescheidener omvang is dan de traditionele vrijdagsmarkt op het Wilhelminaplein. Tot in de tweede helft van de zestiende eeuw, toen veel economische en politieke functies naar respectievelijk Nieuwestad en Tweebaksmarkt verschoven, vormde de Brol met Grote Hoogstraat hét centrum van de stad. De Kelders is een straatnaam die we letterlijk moeten opvatten. In de vijftiende eeuw werd hier aan de steile terprand een hoge straat met een lage kade aangelegd, de Bierkade, met kelders die tot onder de aanliggende huizen doorliepen. Lange tijd hebben toen de bierdragers hier het straatbeeld bepaald, die op de Brol tot 1685 hun eigen wachthuis hadden. De Kelders gaan over in de Voorstreek, waarvan het pand op nummer 3 te bezichtigen valt (10).

We lopen de Voorstreek verder af, slaan bij de eerstvolgende pijp rechtsaf de Koningsstraat in en zien weldra recht voor ons de onlangs schitterend gerestaureerde Kanselarij opdoemen, het gotische bouwwerk met renaissancistische invloeden dat in opdracht van Philips II in 1571 gereedkwam en onderdak bood aan het Hof van Friesland, destijds het hoogste bestuurlijke en rechtsprekende orgaan van Friesland. In de tijd van de Opstand verloor het zijn bestuurlijke macht aan het college van Gedeputeerde Staten, dat iets verder in de straat aan de Tweebaksmarkt zetelde, in het tegenwoordige Provinsjehûs. En wanneer wij ons bedenken dat in de zeventiende en achttiende eeuw naast de Kanselarij het Landschapshuis stond, vergaderplaats van de Staten van Friesland, kunnen we ons enigszins een voorstelling maken van het komen en gaan van raadsheren en regenten, die zich in koetsen en karossen lieten af- en aanrijden door de smalle straten aan weerszijden van wat toen een gracht was. Na de laatste restauratie is de Kanselarij de hoofdzetel van het Fries Museum geworden. Desalniettemin is ook de vroegere hoofdzetel, het Eysingahuis aan de overkant van de straat, dat overigens nog steeds onderdeel van het museum uitmaakt, de moeite van een bezoek alleszins waard (11). De Tweebaksmarkt verder aflopend is het herenhuis met trapstoep en lijstgevel op nummer 36 onze volgende stop (12).

Vervolgens passeren we het Provinsjehûs en zien we aan de overkant het terras van het Haersmahuys. Daaraan voorbijgaand slaan we linksaf de Nieuwe Oosterstraat in, welke promenade we helemaal uitlopen.


Buiten de grachten
We steken de brug over en gaan linksaf de Oostergrachtswal op, waar we de nummers 39 c.a. en 93 kunnen bezoeken (13 en 14).

We keren op onze schreden terug, lopen rechtdoor en passeren via de in 1895 opgeleverde draaibrug het Nieuwe Kanaal, waar we rechtsaf de Zuidergrachtswal opgaan. Rechts van ons aan de overkant van het water symboliseert een weinig aantrekkelijk gebouwencomplex uit het laatste kwart van de negentiende eeuw de kwalijke kanten van het Nederlandse strafrecht. Eens stond hier, omgeven door een eigen gracht, het Blokhuis, dat de Saksische hertogen in 1500 bouwden om Leeuwarden de duimschroeven aan te draaien. Dankzij deze dwangburcht en vergelijkbare sterkten in Stavoren en Harlingen wist Caspar de Robles, stadhouder in Spaanse dienst, in 1572 alle aanvallen van de watergeuzen af te slaan. Met list en bedrog werd de sterkte in 1580 door de hervormingsgezinde burgerij van Leeuwarden veroverd en goeddeels ontmanteld.

Analoog aan de voorkeur van de plattelandselite om 's winters in de stad te wonen, ontvluchtten de rijke stedelingen ‘s zomers de bedompte stad. Zo bezat aan het einde van de zestiende eeuw de Leeuwarder burgemeester Rembartus Ulenburgh, de vader van Rembrandts Saskia, al een buitenhuis te Rijpskerk en is het Popta-slot te Marssum vernoemd naar de Leeuwarder advocaat die het eind zeventiende eeuw had aangekocht. Maar ook in de directe nabijheid van de stad verrezen zomerhuizen, toen na de vrede van Munster (1648) de noodzaak van een vrij schootsveld verviel. Zuidergrachts-wal 14 is een treffend voorbeeld van dergelijke buitens (15).

De volhouders onder ons vervolgen de tocht langs het water, dat nu een bocht naar links maakt, oud restant van een vroegere dwinger. Vanaf het Zuiderplein zien we enigszins verscholen achter het groen de Beurs. Deze creatie van Thomas Romein nam in 1880 de taak van de Waag over en tegelijkertijd werden er ook granen en andere veldgewassen verhandeld. Nu heeft de Openbare Bibliotheek er zijn onderkomen. Ter hoogte van de brug houden we links aan en zien recht voor ons de spoorwegovergang, die naar de Schrans leidt. Vervolgens komen we op de Verlengde Schrans, waar deze tocht met het herenhuis op nummer 2 (een dokterswoning met aangebouwde praktijk en een koetshuis) en de imposante Van den Bergstate wordt afgesloten (16 en 17).


Doelestraat 8 (Coulonhûs/Fryske Akademy)
Het begin en einde van bouwmeester Anthony Coulons verblijf in Leeuwarden zijn een paar jaar geleden op bijzondere wijze aan elkaar geknoopt. Tegen de tuingevel van het chique woonhuis dat hij om-streeks 1713 voor zichzelf liet bouwen aan de Doelestraat, vroeg in zijn carrière als architect voor welgestelde en aanzienlijke dames en heren, is toen de zerk herplaatst die na zijn verscheiden in 1753 over z'n graf in de Westerkerk werd gelegd. Beide, het huis en de grafzerk, zijn in hun redelijke gaafheid en decoratieve overdaad passende monumenten voor de man die, leerling van de vermaarde Daniël Marot, als "Bouwmeester van Syn Hoogheid de Heere Prins van Orangien en Nassauw" de Lodewijk XIV-stijl in Friesland heeft geïn-troduceerd.

Het Coulonhuis is een deftig pand geworden, met een omlijste middeningang en daarvoor een dubbele trapstoep met hek. Boven het souterrain bevinden zich twee verdiepingen. De voorgevel wordt afgesloten door een forse geblokte kroonlijst. Daarboven verbinden zich twee dwarskappen met een zakgoot ertussen.

Met die kroonlijst is gevoelsmatig iets mis. Je zou aan dit gebouw een heel rijk versierd exemplaar verwachten, met verdiepte vakken en barok gesneden consoles zoals aan het door Coulon verbouwde Princessehof, in plaats van de bestaande lijst met de imposante neo-classicistische uitstraling. Helaas zijn er nog nimmer ontwerptekeningen van Doelestraat 8 opgedoken, die dat idee kunnen bevestigen. Wat het vermoeden versterkt dat de kroonlijst niet uit de vroege achttiende eeuw dateert, zijn de vensters - achtruiters en zesruiters - die evenals de fraaie entreepartij aan het begin van de negentiende eeuw zijn veranderd in empirestijl.

Het rijke interieur stamt voor een belangrijk deel nog uit de oorspronkelijke bouwtijd. In de gang bevindt zich een voorstelling in stuc van Aurora, de dageraad. De gevleugelde heer die door een putto wordt afgeweerd is de wijkende nacht. De vermoedelijke vervaardiger is de Zwitser Simon.

De salon recht tegenover de voordeur aan de achterzijde van het huis is een stijlkamer. Hierin bevinden zich een rijk gesneden schouw met boven de spiegel een schilderij met een grote bloemenvaas, ranken en aan weerszijden een bloot kinderfiguurtje (putto). Verder een fraai beschilderd plafond waarvan wordt aangenomen dat het nog origineel is, een sopraporte en op de wanden in Lodewijk XV-stijl beschilderd behangsel, afkomstig uit een patriciërshuis in Groningen.

De midden-zeventiende-eeuwse 'Spaanse stoelen' zijn afkomstig uit de gedeputeerdenzaal van het Provinciehuis. Ze zijn gesneden in Leeuwarden in 1649 en met leer bekleed. De schilderijen stellen Coulon, zijn vrouw en twee dochters voor.

Op de eerste verdieping ligt een viertal kamers, waarvan de belangrijkste: aan de voorzijde boven de ingang Börkum, rechtsachter Jüüst met een mooie schoorsteenpartij met een schilderstuk: een bloemstuk met een putto aan beide kanten, dat zich overigens tot 1938 als sopraporte in de burgemeesterskamer in het stadhuis bevond, en aan de achterzijde Nördernäi met een schoorsteenpartij waarin een schilderstuk met de mythologische voorstelling van Procris en Cephalus.

Souterrain en verdiepingen worden verbonden door een trap met rijk gesneden balusters. In de gang bevindt zich een poortje, afkomstig uit een huis naast de Waalse kerk. Meerdere interieuronderdelen zijn door notaris Nanne Ottema, die het Coulonhuis in 1938 liet restaureren, aangebracht. Hij was het ook die het Coulonhuis ter beschikking stelde aan de in 1938 opgerichte Fryske Akademy.


Grote Kerkstraat 9-11 (Princessehof/Nederlands Keramiekmuseum)
Museum het Princessehof heeft het geluk gehuisvest te zijn in een zo ongemeen boeiend complex van historische panden, dat alleen dit al de moeite van een museumbezoek waard maakt. Het brede middengebouw springt het meest in het oog, maar ook aan de andere panden is door hun uiteenlopende leeftijd, architectonische opzet en uitdrukking en hun decoratieve detaillering zeer veel te beleven.

De rechtervleugel is een representant van de talrijke middeleeuwse steenhuizen die Leeuwarden ooit rijk was. De Grote Kerkstraat was al in de zestiende eeuw in trek als woonplaats voor de adel en het patriciaat van Friesland. Dit stadshuis (nummer 13), naar de vroegst bekende eigenaar Camminghahuis genoemd, werd opgetrokken om-streeks 1542. De in L-vorm geplaatste vleugels met een traptoren in de oksel zijn nog in het complex herkenbaar. Als bouwtype verscheen het na 1550 meer in de stad.

In de stins bevinden zich nog de oude kelder met gewelfconstructie en een laat-gotische trap met een getorste spil met de doorsnede van een vierpas. Verder zijn in de zalen oude moer- en kinderbalken die op enkele oude kraagstenen rusten, te zien. Ook de kapconstructie is uniek vanwege het oorspronkelijke materiaal maar de volgorde van de balken is verstoord.

Eén van de meest illustere bewoners was Willem Lodewijk, de eerste stadhouder van het huis Nassau in Friesland. Veel later, in 1731, nam de weduwe van stadhouder Johan Willem Friso, Maria Louise van Hessen Kassel, het huis over van grietman Duco van Haren, samen met het gebouw aan de westzijde (nummer 11). Beide gebouwen liet zij met elkaar verbinden met de bedoeling om een stadspaleis te creëren.

Nadat Maria Louise haar bezit in westelijke richting met nog een pand wist uit te breiden (nummer 9), kreeg hofarchitect Anthony Coulon de opdracht om de drie panden tot een eenheid te smeden. Coulon ging daarbij uit van het principe van de Franse paleisbouw, met een naar achteren geschoven hoofdgebouw en twee vleugels aan een voorplein dat door een hek van de straat wordt gescheiden. Door de afstand van het middengebouw (nummer 11) tot de straat kon de monumentaliteit van de façade goed tot zijn recht komen.

Die façade was een helderrode pilastergevel, waarschijnlijk uit om-streeks 1660, van twee bouwlagen hoog en zeven traveëen breed, met prachtig zandstenen beeldhouwwerk. Vooral de versieringen boven de ramen zijn indrukwekkend door de afwisseling van verschillende motieven als tympanen, guirlandes en gevleugelde engelenkoppen. Coulon verhoogde deze gevel met een mezzanine of halfverdieping. Voorts liet de prinses het interieur verfraaien door stucplafonds en nieuwe schoorsteenpartijen.

Van de oude indeling rest nu alleen de eet- en muziekkamer als getuige van de hofcultuur van toen. Het goudleerbehang en de mooie portretten herinneren daaraan evenals het vele porselein. Hier bleek het mogelijk om te laten zien hoe porseleinen voorwerpen in het interieur werden toegepast. Voor het museum is dit een schitterende mogelijkheid om het porselein uit de eigen collectie in een kader te kunnen plaatsen.

Na het overlijden van de prinses in 1765 werden de verschillende panden weer apart bewoond. Bewoners met klinkende namen volgden elkaar in hoog tempo op, in het middengebouw onder meer de Hubers, het echtpaar Schwartzenberg en Hohenlansberg en burgemeester P. Lycklama à Nijeholt. Twee bewoners van het middengebouw verdienen afzonderlijk vermelding. In het midden van de negentiende eeuw is het eigendom geweest van J.W. Quaestius, een enthousiaste verzamelaar van fossielen, mineralen en voorwerpen uit de oudheid, die hij onderbracht in de vertrekken op de eerste verdieping. Quaestius kon toen nog niet bevroeden dat zijn huis in de volgende eeuw een museum zou worden! De bekendste bewoner was stellig de graficus M.C. Escher, die er in 1898 het levenslicht zag.

In 1916 kocht de gemeente Leeuwarden het middelste huis aan om er de waardevolle collectie van notaris/verzamelaar Nanne Ottema onder te brengen. Met het oprichten van het zogenaamde Indisch Museum is in feite de basis gelegd voor het huidige keramiekmuseum het Princessehof. De eerste uitbreiding had plaats in 1958, toen de gemeente overging tot aankoop van het Camminghahuis om iets te doen aan het nijpende ruimtegebrek. Architect Andries Baart jr. zorgde voor de restauratie van de stins, waarbij hij de omstreeks 1830 afgebroken toren reconstrueerde. Dit element met de uivormige spits vormt thans een markant onderdeel van het complex. Vervolgens kon in 1963 het pand aan de westzijde aangekocht worden om er de bibliotheek en kantoorruimten onder te brengen. Hiermee kreeg het complex weer de achttiende-eeuwse omvang terug, toen Maria Louise het bewoonde. Tenslotte werd aan de oostzijde het voormalige woon- en pakhuis van wijnhandelaar H.H. Menalda, door de bekende Leeuwarder architect H.R. Stoett in 1875 gebouwd, overgenomen.

Het stadspaleis van de prinses biedt nu onderdak aan het keramiekmuseum het Princessehof. Het middengebouw is nog steeds het hoofdelement van het complex, met de museumingang. De deurpartij dateert overigens niet meer uit de zeventiende of achttiende maar uit de negentiende eeuw en is in onze eeuw voorzien van een rijk versierd bovenlicht met lantaarn. De sporen van een eeuwenlange bouwgeschiedenis vormen binnen een fraaie achtergrond voor de bijzondere collectie keramiek: van Aziatisch porselein tot modern aardewerk.


Grote Kerkstraat 18 (Drukkerij Jongbloed)
Er is in de loop der tijd heel wat omgerotzooid in en aan het patriciërshuis Grote Kerkstraat 18 en er is ook veel verdwenen. Wat resteert, mag niettemin gezien worden: een front van fijntjes uitgevoerd metselwerk met een wat curieuze, asymmetrisch geplaatste, entreepartij en bovenaan een imposante kroonlijst, en een salon-en-suite waar schouwen met stucornament, lambrizeringen, schuifdeuren met een gezwenkte bovenlijst en aardig houtsnijwerk de plezierige kanten van een welgesteld leven in herinnering roepen.

Eeuwenoude woonhuizen die stijlzuiver én gaaf zijn, zijn een zeldzaamheid. Bijna ieder pand is wel eens (gedeeltelijk) over de kop gegaan en het is hier niet anders. Grote Kerkstraat 18 toont overwegend de stijlkenmerken van drie bouwfasen. De late zeventiende eeuw is vertegenwoordigd door de zandstenen poort, in het interieur manifesteert zich de Lodewijk XV die hip was in het derde kwart van de achttiende eeuw, en de voorgevel lijkt nog een kwart eeuw jonger te zijn met een overgangsstijl van Lodewijk XVI naar Empire.

Weliswaar is de late zeventiende eeuw hier tastbaar aanwezig, dit betekent niet dat het huis daarmee zijn werkelijke ouderdom verraadt. In elk geval stond er in de zestiende eeuw op deze plek in het Noord-Oldehoofster espel al een huis, zo weten we uit koopakten, en dit ligt voor de hand want we bevinden ons hier in één van de alleroudste delen van de stad. Er is ook ooit in het pand een bouwoffer gevonden in de vorm van een aardewerken pot van een zestiende-eeuws type. Overigens is de bewoningsgeschiedenis van het huis vanaf de zestiende eeuw al eens te boek gesteld en die laten we daarom nu rusten. Wie het wil nalezen kan dit doen in 'Vier eeuwen zes huizen' in Jongbloed in dundruk uit 1987.

Toegespitst op de fysieke sporen van 400 jaar bewoning, is de ontwikkeling van het huis in een notendop als volgt te schetsen. Tot het einde van de zeventiende eeuw stond hier een ongeveer half zo breed en diep huis met een grote tuin aan de westkant, die van de straat was afgescheiden door een muur met een poort. In 1683 - het jaartal is aangebracht op de poort - lieten de toenmalige eigenaars Tjalling Homme van Camstra en echtgenote Foockel van Burmania de tuinmuur slopen en het huis aan de straat uitbreiden; de nieuwe vleugel kreeg een gebeeldhouwde doorgang, ruim genoeg om koetsen door te laten, met hun familiewapens. Schoonzoon Arent van Haersolte       (+ 1760) of kleindochter Fokel Helena van Burmania (= 1801) heeft een kleine eeuw later de bezem door het interieur gehaald; de Lodewijk XV-stijl of rococo, modieus tussen 1750 en 1775, spat af van de salon-en-suite links van de entree. Omstreeks 1800 was het exterieur weer aan de beurt en werd een geheel nieuwe voorgevel opgetrokken - hierop wijzen althans het metselwerk, de vormgeving en detaillering van de dakkajuit en de raamindeling. Dat zal dan gebeurd zijn door de huurder toentertijd, Tinco Martinus Lycklama à Nijeholt, die overigens zo aardig was om (delen van) de oude zandstenen poort te hergebruiken. De entreepartij kreeg extra accent door haar te plaatsen in een bescheiden risaliet met de dakkajuit ter bekroning, maar zo wordt tegelijk de asymmetrie van de gevel benadrukt.

Hoe het huis er sindsdien lange tijd heeft bijgestaan, laat een foto uit het begin van onze eeuw zien. Op de foto zijn rechts van de ingang nog twee souterrain-vensters te zien; die zijn verdwenen (en daarmee de diverse vloerniveaus in de ruimten erachter) bij een verbouwing in 1969/'70 en meteen zijn toen de ramen op de begane grond vergroot - een jammerlijke ingreep en een bedenkelijke historische falsificatie in de wetenschap dat het pand toen al op de monumentenlijst stond! Een nog grotere verarming van het aanzicht is het verwijderen geweest van de prachtige smeedijzeren hekwerken, die onmiskenbaar waren vervaardigd in de tweede helft van de achttiende eeuw. Wanneer dit is gebeurd is onduidelijk.

In het interieur is de achttiende eeuw vooral nog te ervaren in de salon-en-suite links naast de doorgang/hal. In beide ruimten staat een forse schouw in rococo-trant, met een gebeeldhouwde marmeren mantel en een gestucte boezem, voorzien van karakteristieke rocailles en sierlijke lijsten in S- en C-vormige curven. In de voorkamer kreeg de boezem bovendien een voorstelling in stuc van vier putti als kleine bacchanten: begeleid door fluitspel en het slaan op een tambourijn heft een engeltje het glas terwijl een vierde deugniet zojuist een druiventros van de wijnrank heeft geplukt. In de achterkamer heeft de boezem ooit een spiegel of schilderstuk gedragen.


Grote Kerkstraat 212 (FLMD)
De markante vestiging van het Fries Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (FMLD) aan de Grote Kerkstraat, links en rechts begrensd door respectievelijk de Kleine Hoogstraat en de Beijerstraat, is een samenstel van twee hoekpanden: Grote Kerkstraat 212 en 214. Van Grote Kerkstraat 214 is alleen de benedenverdieping voor museaal gebruik bestemd; daarboven wordt gewoond. Oorspronkelijk vormden beide panden een geheel. Een detail van de betrouwbare stadsplattegrond uit 1603 van Sems en Bast getuigt hiervan.

De plattegrond van de bovenverdieping van nummer 212 laat nog enigszins zien hoe ongeveer de opzet en voor een deel de omvang van het oorspronkelijke, uit 1545 daterende, huis moet zijn geweest. Het was een hoofdelingen-woonhuis, ook wel 'adelshuis' genoemd, gebouwd in de voor die tijd gangbare L-vorm met een traptoren. Omdat het tot 1976 continu als particulier woonhuis in gebruik is geweest en er, behoudens regelmatige stijlaanpassingen in het interieur, weinig echt ingrijpende veranderingen in de plattegrond hebben plaatsgevonden, is er veel van de oorspronkelijke indeling herkenbaar gebleven.

Ook de situering van het pand is bijzonder. Het staat zo ongeveer op het hoogste punt van Leeuwarden, ruim vijf meter boven NAP, en is strategisch gelegen op een kruispunt van vroeger belangrijke verbin-dingswegen: die tussen de oude terp Oldehove en de meest noordelijk gelegen terp Nijehove en de oude noord-zuid route via de Kleine en Grote Hoogstraat naar de Weaze richting Wirdum. Recent wetenschappelijk onderzoek heeft bovendien aanwijzingen opgeleverd, dat het wat betreft de Kleine (en Grote) Hoogstraat zou kunnen gaan om de oudste straat van het 'echte' Leeuwarden, dat dan zou kunnen zijn ontstaan als een zogenaamde 'straatnederzetting'.

Het onderzoek impliceert dus bovendien dat hier van meet af aan - ver vóór 1545 - sprake is van 'voornaam wonen'. Men neemt ook aan, dat onder meer delen van de fundering en ook enkele muren of muurdelen van het huis waarover het hier gaat, restanten zijn van nog oudere bebouwing, een stins (steenhuis) of adelshuis, vermoedelijk uit de dertiende eeuw.

De eerste bewoners van het 'nieuwe' adelshuis uit 1545 waren mr. Julius van Gheel, procureur-generaal aan het Hof van Friesland, en zijn familie. Daarna is het huis eeuwenlang door patriciërsfamilies bewoond geweest. Bekende bewoners waren onder anderen Eyso de Wendt, directeur van de handel op China, procureur/dichter Robidé van der Aa en later, zij het voor korte duur, de familie Zelle, waarvan de dochter Margaretha Geertruida als Mata Hari grote bekendheid heeft gekregen.

Alle bewoners lieten hun sporen na in het interieur van de woning. In 1977 is het pand grondig gerestaureerd en heeft het negentiende-eeuwse karakter van interieur en voorgevel meer accent gekregen.

Het pand is sindsdien eigendom van de Provincie Friesland. Het FLMD biedt naast uitvoerige documentatie over Friese schrijvers en dichters ook een permanente expositie over het leven en werk van de dichter-politicus Pieter Jelles Troelstra en Nynke van Hichtum, de bekende schrijfster van kinderboeken. Meer gegevens over het pand, interieur en bewoners door de tijden heen zijn in de vorm van brochures aldaar verkrijgbaar.


Bagijnestraat 57 (Binnenhuys Meubelen)
De in Friese kloosters gespecialiseerde historicus Hans Mol heeft in een publicatie enige jaren geleden de oudste geschiedenis van Bagijnestraat 57 en omgeving helder geschetst en belangwekkende nieuwe feiten aan het licht gebracht. Zo wist hij aannemelijk te maken dat waarschijnlijk al kort vóór 1500 met de bouw van het aan Sint-Anna gewijde vrouwenklooster in de Bagijnestraat moet zijn begonnen. Grauwe bagijnen waren toen overigens al een paar eeuwen actief in Leeuwarden. Deze lekezusters, die geen strenge kloostergeloften hadden afgelegd, hielden zich materieel staande door spinnen en weven. Met hun, steeds door klokgelui aangekondigde gebeden, dienden ze het geestelijk heil van de stad te vermeerderen.

Het Sint-Annaklooster was een middelgroot klooster met betrekkelijk geringe fondsen. Het huidige nummer 57, omstreeks 1580 ook wel 'patershuis' genoemd, zou het hoofdgebouw zijn geweest in het midden van een vrij omvangrijk ommuurd complex met allerlei bouwsels en open terreinen. De bagijnen woonden en werkten niet in cellen of hofjes, maar leefden in grote gemeenschappelijke ruimten. De belangrijkste gebouwen, zoals de kapel (in verbouwde vorm voortlevend in de huidige Westerkerk op nummer 59) en andere gemeenschappelijke ruimten als keuken, ziekhuis, refter en groot- en klein spreekhuis (nummer 55?), stonden stellig met elkaar in verbinding. Zo ontdekte men bij de restauratie van de Westerkerk in 1991 resten van een oude doorgang naar het buurpand.

In het hervormingsjaar 1580 deelde het Sint-Annaklooster het lot van nagenoeg alle katholieke instellingen in Friesland. Het werd opgeheven, terwijl de bezittingen aan de overheid vervielen. De middeleeuwse kloosterbebouwing bleef daarna weliswaar in grote lijnen gehandhaafd, maar over het hergebruik zijn we helaas niet goed geïnformeerd. In ieder geval huurde de rijke edelman Tjaard van Aylva het 'patershuis' in 1581 van de stad. En eind zestiende, begin zeventiende eeuw be-stond Bagijnestraat 57 uit verschillende delen, die afzonderlijk werden verkocht. Vanaf 1618 was in elk geval een deel van het pand in gebruik als bank van lening en een ander deel werd kennelijk door notabelen bewoond.

Op de stadsplattegronden uit de zeventiende eeuw zijn nog duidelijk de karakteristieken van een kloostercomplex te herkennen. Maar terwijl op een stadsplattegrond uit 1603 het blok bebouwing tussen Bolle-manssteeg en Westerkerk als een ongedifferentieerd geheel staat afgebeeld, is op een stadsplattegrond uit ca. 1660 het pand links van de Westerkerk voorzien van een trapgevel en lijkt ook de ingangspartij veranderd. Voorts moet ergens in de zeventiende eeuw aan de achterzijde aanbouw zijn gepleegd en een oude toegang van de tuin tot de kelder zijn dichtgemetseld. Mogelijk heeft Hessel Roorda van Eysinga, grietman van Leeuwarderadeel, die rond 1650 alle delen wederom bijeenbracht, laten verbouwen.

In 1680 werd het pand omschreven als: "seeckere heerlicke huisinge, tuininge c.a. en bestaende in royale salen, kamers, keuckens, ver-trecken, kelders etc.". Het huis werd in dat jaar gekocht voor ruim 1600 goudguldens door Daniel Falckenier, "muntmeester deser provintie". Geconcludeerd mag worden dat omstreeks de eeuwwisseling (opnieuw) een ingrijpende verbouwing heeft plaats gevonden, want uit 1720 dateert de volgende omschrijving: "seeckere heerlijcke en deftige huysinge en hovinge daar omme staende en gelegen in de Bagijnestraet binnen Leeuwaerden, sijnde voorsien van seer veel fraye en royale vertrecken, sampt groote woonkelder en voorts eenige andere kelders met steenen gewelfselen opgemetselt, verders agter gemelten huysinge een fraye vierkante hovinge rontom met een hooge iseren haag omset en daerin een groot houten prieel met een canary vlught daerboven en aen de eene kant van de hovinge een hoek tot hoenders en duyven". De woning blijkt onder meer door de plaatsing van een volière en het aanbrengen van "behangselen" in de kamers aan de smaak van notabelen uit die tijd aangepast. Met een verkoopprijs in 1720 van 4242 goudgulden steeg het pand dan ook enorm in waarde. Dit bedrag zal voor de koper, grietman Idzert van Sminia, geen probleem zijn geweest. Dankzij een prent door Jan Bulthuis van omstreeks 1790 is een beeld van het huis te krijgen.

In 1797 of het daaropvolgend jaar vererfde het huis c.a. aan de familie Eysinga. Was freule Catharina aanvankelijk de hoofdbewoonster, op een gegeven moment konden de Eysinga's uit zoveel voorname woonhuizen in en buiten de stad kiezen, dat ze besloten om hun bezittingen in de Bagijnestraat e.o. in de verhuur te doen.

J. Tjebbes, advocaat en notaris, alsook rentmeester van oud-burgemeester Van Welderen Rengers, vestigde zich in 1888 in het pand. Aanvankelijk huurde hij, maar zijn zaken floreerden dermate dat hij in 1899 het huis kon aankopen en enkele jaren later zelfs ingrijpend kon laten verbouwen. In 1904/'05 kreeg het pand haar huidige uiterlijk door architect H.H. Kramer. De ingangspartij en ramen werden aangepast, terwijl in het afgeplatte dak drie nieuwe dakkapellen kwamen. Vliering en turfzolder werden opgeofferd. Voor het huis werd een ijzeren hek geplaatst. De dakversiering en het gebruik van glas-in-lood zijn door de Art Nouveau beïnvloed. De trapgevel en de gemetselde stoep met hekje die op de prent van Bulthuis is te zien, waren overigens waarschijnlijk al eind achttiende eeuw weggebroken.

Ook het pleisterwerk - door de dunne laag op de westelijke zijgevel schijnt overigens het oorspronkelijke middeleeuwse metselwerk van onvervalste kloostermoppen heen - zal eerder zijn aangebracht.

Over de indeling en het gebruik van het pand begin deze eeuw zijn we redelijk goed geïnformeerd. Linksachter de ingang en hal was de biljartkamer en waarschijnlijk ook een kantoor en "zijkamertje", terwijl rechtsachter de eetkamer lag. Daaronder was een ruimte gereserveerd voor het bewaren van ijs. In de kelders was een keuken ingericht en lagen de wijn en andere dranken opgeslagen. Op de etage werd gewoond. In 1911 werd aan de achterzijde nog een zgn. poetskamertje voor de huisknecht bijgebouwd.

Ook de huidige gebruiker pastte het gebouw enigszins aan, mede omdat het pand onder zijn voorgangers sterk was verwaarloosd. Tegenwoordig zijn de ruimten links van de ingang als woongedeelte ingericht. De rest van het pand is in gebruik als meubelzaak. Aan de achterzijde rechts is in de jaren '50 een deel van de toonzaal bijgebouwd. De kelder is nog steeds het meest authentieke deel van het pand. Aan het oostelijke deel is door de aanwezigheid van een aanrecht en een haard nog te zien dat dit vanaf in ieder geval de achttiende eeuw als keuken werd gebruikt. De zeldzaam goed bewaard gebleven Friese rozentegels zijn heel bijzonder. In het middelste deel van de kelder bevindt zich een marmeren vloer, die mogelijk uit het laatst van de achttiende eeuw dateert. De gewelven die het westelijke deel overkluizen, zijn ook voor een lekenoog als middeleeuws herkenbaar. De zandstenen zuilen waarop de gewelven rusten en de nissen ten behoeve van kaarsen en schouwen in de muur zijn oorspronkelijk. De estrikken op de vloer mogelijk eveneens. De enige andere historische elementen in het huis zijn de achttiende-eeuwse spiegel en het plafond in de voormalige eetzaal.


Nieuwestad 91
Toen de winkels van de Nieuwestad geleidelijk verketenden, leek nummer 91 onaantastbaar. Daar zetelde een van 's lands meest vooraanstaande antiquairs: Beeling. Een zaak die uitsluitend op afspraak bezocht kon worden en die het 'stille' van deze Nieuwestadszijde als enige nog leek te symboliseren. Beeling is er mee opgehouden, misschien wel de laatste echt voorname zaak in Leeuwarden. Het voorname is binnen nog volop te genieten, al is er weinig te vinden dat echt bij het pand hoort. Het meeste schoons, voorzover niet meegenomen, is afkomstig van elders of is naar oude voorbeelden zorgvuldig nagemaakt.

De voorname geschiedenis is aan de buitenkant nauwelijks aan het pand af te lezen. Het voorhuis heeft een keurige maar niet opvallende lijstgevel uit waarschijnlijk 1843 met opvallend grote vensters en een mooie, geblokte kroonlijst. De pseudo-historische winkelpui lijkt oud, maar is nog geen vijftig jaar geleden, in 1950, getekend naar ideeën van Beeling door G.A. Heldoorn, dezelfde architect die een halve generatie eerder het voor Leeuwarden meest modernistische winkelfront ontwierp voor horlogier Holwerda op nummer 33. Achter het voorhuis met achtervleugel en binnenplaats volgt nog een achterbouw en daarna het pand, ook met de nodige bijgebouwen, in de Bagijnestraat. In de zeventiende eeuw was dat geheel al in één hand geweest, net als in de laatste tijd.

Aan het einde van de zestiende eeuw woonde Jan Gerritsz. van Burum er, een graan- en zuivelkoopman die toen nog maar net het burgerschap van Leeuwarden verworven had. Een welgesteld man met invloed. In 1612 kreeg hij een functie in het stadsbestuur, maar twee jaar later overleed hij. Zijn zoon Alle, geboren in 1599, drukte de voetsporen van zijn vader, bouwde een politieke coterie om zich heen en werd zo'n beetje de machtigste man van de stad. Tussen 1630 en zijn dood in 1665 bekleedde hij belangrijke functies in het stadsbestuur. Een conservatief in hart en nieren die jarenlang strijd heeft moeten leveren met een progressiever bestuurder die vooral het kiesstelsel wilde vernieuwen. Alle van Burum won het. Hij was een vriendje van stadhouder Willem Frederik. De stadhouder heeft waarschijnlijk dankzij Van Burum in het vredesjaar 1648 zo gemakkelijk een van de dwingers in gebruik gekregen voor het inrichten van een lusthof. We hebben de Prinsentuin dus ook een beetje aan Alle van Burum te danken.

Van het einde van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw kennen we de bewoners van Nieuwestad 91 niet, daarna hebben achtereenvolgens witwerker Pijtter Nieuwenhuis, slotmaker Harmanus Thijlenburg, schrijnwerker Johannes Vlietstra en advocaat Christianus Robidé van der Aa er gewoond. Omstreeks 1840 volgde kastmaker Jacobus Plet, die het front van het pand liet vernieuwen, vermoedelijk met een verdieping verhoogde en op het achterterrein zijn werkplaats bouwde. De befaamde meubelfabriek Plet - spiegels en lijsten, kasten, stoelen en andere meubelen - heeft drie generaties lang tot 1916 in het pand gezeten en had in goede tijden wel 25 man aan het werk.

In 1916 kwam horlogemaker en antiquair Abraham Beeling naar Nieuwestad 91. Zoon en kleinzoon, die zich uitsluitend op het antiek wierpen en zich in zilver specialiseerden, volgden hem op totdat de zaak vorig jaar sloot. De Beelings hebben het complex gerespecteerd en er allerlei mooie elementen aan toegevoegd. Het voorhuis met een hoge winkel met stucplafond in empirestijl is authentiek, de fraaie bijpassende schouw komt uit een ander huis in Leeuwarden. Achter de winkel volgen boven elkaar de binnenhaard en insteek, een structuur die nog uit de zeventiende eeuw dateert. In de insteek heeft de Hindelooper Kamer gezeten, maar de decoratieve betimmeringen zijn weggehaald; er rest nog een tegelveld. Rond de binnenplaats heerst een zuidelijk sfeertje, maar de prachtige poort van roze zandsteen komt ergens uit Oost-Friesland. De rooswinkels (bakstenen in een bescheidener maat dan de kloostermop) zijn afkomstig van het in de jaren-zestig afgebroken hotel De Nieuwe Doelen, oorspronkelijk de Minnemastins, aan de Voorstreek.

In de oude meubelfabriek hebben de Beelings grote salons ingericht: beneden de zogenoemde ridderzaal met een herplaatst oud balkenplafond op een vreemde collectie consoles en enkele prachtige poortjes, waarvan een uit Dordrecht komt en boven de bibliotheek met een barok-karakter. Daarachter is een opvallend ruim trappenvertrek met een marmeren vloer, afkomstig van paleis 't Loo en trap-, wand- en plafonddecoraties in rococostijl die slechts voor een kwart oud zijn en voor de rest aangevuld met zorgvuldige namaak. Het geschilderde plafond is verdwenen.

Het diepe complex van gebouwen laat met de hier genoemde nog veel meer elementen en details zien dat er niet alleen voornaam in gewoond is, maar ook op een bijzondere wijze zaken is gedaan.


Nieuwestad 49 (Discotheek Fire)
Nieuwestad 49 is met voorsprong het grootste burgerwoonhuis, ooit in Leeuwarden gebouwd, en is meteen hét voorbeeld van de empirestijl in Leeuwarden. De geschiedenis van huis en omgeving is al eens uitputtend beschreven: in het eerste deel van de Leeuwarder Historische Reeks, verschenen in 1987, heeft de bouwhistoricus    M.W. Meijer een overzicht gegeven van bouw, verbouw, aankoop en gebruik van de panden ter plaatse van het voormalige hoofdbureau van politie en de brandweerkazerne aan de Nieuwestad.

De doopsgezinde, oorspronkelijk in laken maar later vooral in onroerend goed handelende, familie Oldersma wist in de loop van de achttiende eeuw een heel complex van panden tussen 'Deinumer Zuupmarkt' en Bagijnestraat in bezit te krijgen. Toen Tjeerd Oldersma in 1803 kinderloos overleed, gingen de eigendommen die hij had opgebouwd: huizen en landerijen alsook effecten en obligaties ter waarde van ruim ƒ 350.000,=, naar andere familieleden. Pieter Cats wist de andere erfgenamen uit te kopen en verwierf daarmee in 1806 of 1807 alle Oldersma-bezittingen aan de Nieuwestad.

Cats, eveneens afkomstig uit een welgestelde familie van doopsgezinde kooplieden en fabrikanten, werkte zich door speculatie en geldhandel op tot rijkste inwoner van Fries-land en was ook politiek ac-tief. Zijn ambities bleken uit de aankoop in 1804 van het voormalige stadhouderlijk hof. Het motief van Cats om enkele jaren later toch te kiezen voor de Nieuwestad als plaats voor een representatief huis is helaas onbekend. In 1806 werd een jeneverstokerij ten westen van het complex aan de Nieuwestad aangekocht en kon worden begonnen met de sloop van drie huizen aan de straat.

De nieuwbouw startte bijna onmiddellijk na de sloop. De Amsterdamse architect Jan Maaskamp had het ontwerp geleverd, de aannemer (en latere stadsarchitect) Gerrit van der Wielen was aangetrokken als een soort van projectleider voor de ruwbouw en het dagelijkse toezicht op de afbouw en inrichting. In 1810 kon de nieuwbouw voltooid worden.

Het nieuwe huis was van een volstrekt on-Friese allure en omvang. Het brede, drie lagen hoge gebouw had ter weerszijden steegachtige restruimtes, die aan de Nieuwestad-zijde door monumentale houten deuren werden afgesloten. De in empirestijl opgetrokken gevel is nog nagenoeg intact. Voor de ingangspartij bevindt zich een dubbele trap met hek. De ingangspartij bestaat uit een dubbele deur met rijk gesneden bovenlicht dat halfrond geopend is en waaiermotieven in de zwikken heeft. Daarboven een schijnbalkon. Op de beletage heeft het pand empire-draaivensters. De gevel wordt beëindigd door een hoge geblokte kroonlijst. Het met natuursteenplaten beklede souterrain, ten tijde van de bouw in Leeuwarden een zeer hoge uitzondering, doet zeer Amsterdams aan. Niet verwonderlijk voor wie weet dat behalve de architect enkele onderaannemers en leveranciers uit Amsterdam afkomstig waren en in sommige gevallen zelfs voor koning Lodewijk Napoleon (de stimulator van de empirestijl in de Nederlanden) werkten. Ook aan de inrichting van huis en tuin werd zeer veel tijd en geld besteed. Omstreeks 1824 was het huis met een huurwaarde van ƒ 704,= per jaar dan ook onbetwist het duurste in de stad.

Sjuwke, dochter van Pieter Cats, verwierf weliswaar in 1835 het ouderlijk bezit aan de Nieuwestad, ze verhuisde niet maar bleef wonen in het eveneens door Gerrit van der Wielen in empirestijl verbouwde herenhuis Weerd 18. Wél breidde ze het familiebezit in Leeuwarden uit, maar hierbij beperkte ze zich voornamelijk tot dienstgebouwen en tuin. In 1846 werd Nieuwestad 47 geheel opnieuw opgetrokken, als wagenhuis met stal en woning voor de koetsier. De gemeenschappelijke steeg met nummer 49 werd overdekt, zodat men de dienstruimtes buiten de woonruimtes en de hoofdentree om kon bereiken.

Hoewel de zoon van Sjuwke, Jan Bieruma Oosting, zijn huis aan de Nieuwestad vast regelmatig heeft gebruikt (zeker in de jaren 1871-1877, toen hij burgemeester was), woonden de volgende generaties eigenaren nagenoeg permanent in Oranjewoud of Beetsterzwaag. De laatste particuliere eigenaar, Maria Johanna van Bieruma Oosting, verkocht het grootste deel van het complex in 1933 aan de gemeente Leeuwarden. Zelf bleef ze nummer 51 in gebruik houden.

Stadsarchitect Zuidema kreeg daarna opdracht om de panden te verbouwen tot hoofdbureau van politie en brandweerkazerne. Het hoofdgebouw, met zijn indeling in ruime afzonderlijke vertrekken, leende zich goed voor de kantoorbestemming van het politie-apparaat; hier hoefden alleen enkele binnenmuren te worden weggebroken. Het souterrain onderging wel een ingrijpende wijziging om er een cellencomplex en dienstruimtes als een ketelhuis in onder te kunnen brengen. In verband met onder meer de aan- en afvoer van arrestanten verrees in de tuin een aanbouw. Nummer 47, in 1903 nog van koetshuis tot woning getransformeerd, werd verbouwd ten behoeve van de brandweer.

Na de oorlog werd het complex herhaaldelijk vergroot en verbouwd tot het in de jaren-zeventig zijn maximumcapaciteit bereikte. Na enkele jaren leegstand volgde, begin jaren-tachtig, discotheek 'Fire' als gebruiker; de naam had historisch gezien overigens beter gepast bij het buurpand. De oude cellen, die tegenwoordig als toiletten zijn ingericht, kunnen nog worden herkend. Op de bovengelegen verdiepingen is nog rijke empire-decoratie aanwezig in lambrizeringen, deuren en plafonds.


Nieuwestad 9 (Burmaniahuis/Stadskantoor)
Het Burmaniahuis zoals we het nu kennen dateert uit 1875. Bernardus Hopperus Buma was de opdrachtgever van de nieuwbouw, die in de plaats kwam van het indrukwekkende - maar ongetwijfeld naar de eisen van de tijd veel minder comfortabele - huis dat men liet slopen. Van dit oude Burmaniahuis, in oorsprong een stins, resten slechts enkele (binnen)muurdelen.

Architect Jurjen Bruns ontwierp voor Hopperus Buma in dezelfde periode Villa Vaartzicht in Huizum. Er zijn dan ook de nodige architectonische overeenkomsten tussen beide woningen. Deze architectuur wordt wel beschreven als typerend voor Friesland aan het einde van de negentiende eeuw: een mengstijl waarin het classicisme van de pilasters en de kroonlijsten overheerst. De aankleding was indrukwekkend; jammer dat door verbouwingen en 'verbeteringen' naderhand het nodige is verdwenen. Gelukkig zijn de karakteristieke liggende leeuwen die de ingang flankeren, bewaard gebleven.

Al vrij snel moesten er bouwkundige ingrepen gepleegd worden. Zo bleek de constructie van de balkons niet erg stevig en moest in 1889 door de architect Hendrik Kramer de ingangspartij worden verstevigd waarbij hij de marquise voorzag van glas en ijzer en gietijzeren zuilen met ionische kapitelen waarop fijn smeedwerk werd aangebracht.

Een paar jaar later, toen het complex was aangekocht door de Algemeene Friesche Levensverzekering Maatschappij en dus de metamorfose van particulier woonhuis naar efficiënt kantoorgebouw moest plaatsvinden, kwam architect Kramer opnieuw in actie. Dat hij weinig bewondering kon opbrengen voor de architectonische en decoratieve opvattingen van zijn voorganger Bruns mag blijken uit het volgende uit zijn mond opgetekende: "(-) toen het huis in handen kwam van de AFLM heb ik nog getracht er althans van te maken wat er van te maken was. Zoo heb ik pramen vol versierselen van pleisterwerk uitgehaald". Een greep uit Kramers ingrepen: de rijk versierde ramen kregen een strakke omlijsting, de versierde kroonlijst werd afgevlakt en de paneelvormige attiek op de dakvoet is verdwenen. En het ornamentrijke fronton heeft plaats moeten maken voor een eenvoudig maar zwaar geprofileerd driehoekig fronton.

De vestibule heeft de oorspronkelijke inrichting behouden met het fraaie pleisterwerk en een gedenksteen van de eerste steenlegging (na de hoofdingang direkt rechts) maar de hal die erop volgt is door Kramer in 1914 geheel verbouwd en strak geleed met bekledingen van pijlers en lambrizering van fijn geaderd marmer. De oorspronkelijke sfeer uit 1874 is nog terug te vinden in de hal op de eerste verdieping waar het stucplafond met koof- en kroonlijst nog compleet is en de deuren de rijke versieringen behouden hebben.

Curieus is de grote kluis in de kelders van het gebouw, met twee imposante kluisdeuren van ca. 40 cm breed plaatstaal en indrukwekkende mechanismen voor de deurvergrendeling. In de kluisruimte zijn in de vloer twee ingelegde mozaïeken met de inscripties: "1844-1914" en "A.F.L.M." aangebracht.

Het Burmaniahuis vormt thans de entree van het stadskantoor aan de Nieuwestad. Op de begane grond vormt het huis gedeeltelijk één geheel met de achterliggende stadshal en op de eerste verdieping zijn vergaderruimten en representatieve kantoren ingericht, de groene en de blauwe kamer, met in de laatste een schouw met een kleurig tegeltableau waarin het schip 'De Oranjeboom' is afgebeeld.

Rechts naast de receptiebalie staan twee beelden, afkomstig van het kantoor van de 'Algemeene Friesche' en daar destijds geplaatst ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan. Het zijn twee beeldengroepen door Tjipke Visser, die samen het gezin symboliseren.

Aan de achterzijde van de balie is op de muur rechts een roestvrijstalen kunstwerk van Chris Fokma aangebracht. Dit herinnert aan een zwarte bladzijde uit de historie van het Burmaniahuis, de periode dat tijdens de bezetting de SD hier haar hoofdkwartier had gevestigd en hier tijdens de 'ondervragingen' de gruwelijkste martelingen plaatsvonden. Het kunstwerk bestaat uit vier afzonderlijke componenten die een relatie met elkaar hebben: links het symbool van de beruchte waterkist (replica in het Verzetsmuseum), daarnaast het plaatsen van afluistermicrofoons, de afluisterpost van het verzet in boekhandel Wielenga en tenslotte een koerierster.


Nieuwestad 108 (Auck Petershuis)
Het gebouw dat als Auck Petershuis bekend staat, is een van de laatst overgeblevene aan de Nieuwestad zonder een winkelpui. Een uniek gegeven aan een zo drukke winkelstraat in het hart van de stad.

Een andere opvallende karakteristiek zijn de forse afmetingen van het pand. Je ziet het meteen aan de voorgevel, liefst zes traveeën breed en drie lagen op een souterrain hoog, en de indruk van monumentaliteit wordt versterkt door de rust en distinctie van het neoclassicisme. De ingangspartij doet mee in dit spel, door een stevige omlijsting in de vorm van een eenvoudig hoofdgestel. De plaats van de entree wordt benadrukt door een dubbele trapstoep met ijzeren hek die zich over de volle breedte van de gevel voortzet. Het enige storende element in het gevelbeeld zijn de ramen: ze missen hun oorspronkelijke zes- en achtruitsindeling naar de mode van het Empire.

Op de plaats van het huidige gebouw stonden oorspronkelijk twee panden en dat is nog te zien aan de knik in de voorgevel. Het westelijke was in de achttiende eeuw het grootste van de twee. Aan het begin van de negentiende eeuw werd dit huis verkocht aan Anna Cats, weduwe van A. de Vriese en zuster van de puissant rijke koopman Pieter Cats die aan de overkant op nummer 49 het grootste burgerhuis van Leeuwarden bewoonde. Zelf was Anna ook niet onbemiddeld en tussen 1824 en 1832 liet zij haar onderkomen ingrijpend verbouwen tot een voornaam herenhuis. Uit de inventaris van haar nalatenschap blijkt onder meer dat de hoofdvertrekken luxueus waren ingericht met veel mahoniehouten meubels, schilderijen en spiegels.

Het pand kwam na Anna's overlijden in 1843 in bezit van haar achternicht Rinske Heringa Cats (1822-1851), die een jaar later ook de woning met werkplaats aan de oostzijde kon kopen; die was eigendom van de zadelmaker Jan Vellage. Het winkelpand en het herenhuis liet Rinske in 1849 tot één geheel verbouwen op de bestaande kelders.

Over de indeling van het 'nieuwe' pand zijn we geïnformeerd door een koopakte uit 1857. In dat jaar verkocht haar man en erfgenaam     jhr. Sible Speelman het huis aan jhr. Frans Julius Johan van Eysinga, rechter en lid van de Eerste Kamer. In de koopakte wordt het voor het eerst als "een dubbele heerenhuizinge" aangeduid. Weliswaar liet de nieuwe eigenaar het huis wederom ingrijpend verbouwen, doch de huidige indeling is in grote lijnen nog immer die uit de koopakte.

Links van de gang lagen twee ruime kamers, van elkaar gescheiden door portes brisés, beide drie ramen breed en aangekleed met gestucte plafonds, fraai behang en een schouw. De voorkamer rechts van de gang, eveneens voorzien van een stucplafond en schouw, werd door Frans Julius gebruikt als zitkamer. Daarachter bevond zich een grote tuinkamer. Op de eerste verdieping lagen vooraan twee kamers met drie vensters. De badkamer was gesitueerd achter de rechtervoorkamer; de watervoorziening werd hier geregeld met behulp van een loden regenwaterbak op het platte dak. Aan de tuinzijde bevond zich onder andere een zgn. koepelkamer met een balkon. De tweede verdieping tenslotte was gereserveerd voor logeerkamers, ruimten voor de bedienden en een linnenkamer, terwijl de keukens en de voorraadkelders zoals gebruikelijk een plaats in het souterrain hadden gekregen.

In 1873 liet Eysinga als laatste bouwdaad een veranda in de tuin bouwen door architect J.I. Douma, een drie meter diepe houten constructie met mooi gedetailleerde lijsten. Die tuin strekt zich uit tot aan het Ruiterskwartier. Door het ijzeren hek kan men nog steeds een blik werpen in een groene oase middenin de stad. In de westhoek staat het koetshuis, het fraaiste voorbeeld van een dergelijk gebouw in Leeuwarden. Na het overlijden van Frans Julius bleven drie dochters in het huis wonen. De langstlevende heeft het in 1946 aan het Old Burger Weeshuis verkocht.


Voorstreek 3
De 'ontdekking' van het kloeke achterhuis van Voorstreek 3, en niet in het minst van wat zich binnen bevindt, was dé verrassing op monumentengebied in Leeuwarden van het jaar 1993. Bij het betreden van het huis wacht de bezoeker op de beletage onder meer een nagenoeg complete salon met een stucplafond, schouw, betimmeringen waaronder een enorme kastenwand en blinden in onvervalst neoclassicisme, een ensemble om de vingers bij af te likken. Het enige ontbrekende onderdeel is het geschilderde schoorsteenstuk. Dat zou, naar verluid, de vorige eigenaar hebben meegenomen en thans onder zijn bed bewaren ... Voor de liefhebbers valt er trouwens ook buiten genoeg te genieten van de classicistische lijstgevel met het fijnzinnige metselwerk, de uitzonderlijk zware en rijk geprofileerde kroonlijst met onder meer een tandlijstje en een reeks stevige gootklossen en de gesneden vensternaalden met laurierblad-motief. Dit alles moet ergens tussen 1825 en 1835 tot stand zijn gekomen.

Het achterhuis maakt deel uit van een samenstel van bouwdelen uit verschillende perioden. Het oudste, een belangrijk restant van een oorspronkelijk huis met een zadeldak en vermoedelijk een trapgevel, daterend uit de late zestiende of vroege zeventiende eeuw, vormt nu het verbindende element tussen het achterhuis en een naar alle waarschijnlijkheid even oud, voor de Voorstreek zeer beeldbepalend voorhuis. De kwaliteiten van dat ondiepe voorhuis worden een beetje naar de achtergrond gedrukt door de detonerende winkelpui, maar zijn voor wat de buitenkant betreft in feite dezelfde als die van het achterhuis: ook hier fraai metselwerk met hanekammen boven licht getoogde muuropeningen, een identieke indrukwekkende kroonlijst die bovendien charmant de hoek omgaat en, zoals de neoclassicistische mode voorschreef, een gevelopbouw van een hoge begane grond (in de originele staat voorzien geweest van achtruits-vensters), een iets lagere eerste verdieping met muuropeningen ter grootte van 'zesruiters' en een nog weer lagere, wat gedrukte tweede verdieping met vierruits-vensters.

De datering van omstreeks 1825-1835 voor het voor- en achterhuis is mede gebaseerd op kadastrale gegevens, zoals ze te vinden zijn in de Kadastrale Atlas fan Fryslân 1832. Diel 7 Ljouwert. In 1825, het jaar waarin de zogeheten minuutplannen van Leeuwarden werden vervaardigd (minuutplannen zijn de oorspronkelijke kaarten, behorend bij de vroegste kadastrale registratie, waarop alle percelen land, water, paden en wegen, gebouwen en huizen op schaal zijn getekend), was Voorstreek 3 en de bijbehorende "Pleiziertuin" eigendom van de lakenkoper Sijbout Sijbouts. Op het minuutplan staat in die tuin overduidelijk nog geen 'tuinhuis' getekend. Stilistisch gezien kunnen het voor- en het achterhuis echter ook niet heel veel later dan 1825 zijn gebouwd.

Inmiddels is Voorstreek 3 c.a. aangewezen als rijksmonument, mede door een initiatief van een groep krakers die het complex begin jaren-negentig was binnengetrokken, en wordt het door een woningstichting gerestaureerd en verbouwd tot appartementen, maar veel heeft het niet gescheeld of het was gesloopt. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van de eerste restauratiefase zijn nog een paar aardige bouwsporen aan het licht gekomen. Zo heeft de hoofdentree aan de tuinzijde vroeger een omlijsting in de vorm van een klassiek hoofdgestel gekend, wat te zien is aan de lichtere kleur en de ruwe afwerking van het metselwerk. De omlijsting is verwijderd rond 1900, toen de toenmalige eigenaar een serre tegen de gevel liet bouwen. Bij de restauratie zal de deuromlijsting tenminste in vereenvoudigde vorm worden gereconstrueerd.


Turfmarkt 11 (Eysingahuis)
Van de adelshuizen in Leeuwarden is het laat-achttiende-eeuwse Eysingahuis, deel uitmakend van het Fries Museum, ongetwijfeld één van de meest bekende. Onlangs onderging dit museum een forse uitbreiding en in aansluiting daarop is ook getracht het interieur op de bel-etage van het huis zoveel mogelijk weer de allure te geven die past bij een voor Friese verhoudingen grote adellijke stadswoning uit die tijd.

Wie nu in de Koningsstraat voor de fraaie ingangspartij van het Eysingahuis staat, ziet niet dat deze in strakke, symmetrische Lodewijk XVI-stijl opgetrokken woning, met de rechte kroonlijst en de plint van natuursteen voor de kelderverdieping, ooit in twee fasen werd gebouwd. De eerste bouwperiode betrof de jaren 1779-1783. De bouwheer jonker Frans Julius Johan van Eysinga (1752-1828) had in 1773 van zijn in dat jaar overleden grootvader jonker Johan Vegilin van Claerbergen, grietman van Doniawerstal, het gebruik van het Vegilinhuis aan de Turfmarkt geërfd. Door in de daarop volgende jaren zowel dit oude huis als enkele kleine, belendende percelen in de Koningsstraat te kopen en ze vervolgens te laten afbreken, ontstond er voor Eysinga ruimte om een nieuw, imposant huis te bouwen op de hoek van de Koningsstraat en de Turfmarkt. Eigenlijk min of meer op de hoek, want het bestaande hoekpand hier, met zijn voorhuis aan de Turfmarkt, zou nog vele jaren bewoond blijven door de bekende boekhandelaar en drukker Johan Seydel. Er moest als het ware om Seydels huis heen worden gebouwd. Pas in 1797 kon Eysinga dit pand - de oude "Bargekop" - door niaer (naastingsrecht) verwerven. Het zou nog tot ongeveer 1806 duren alvorens de Bargekop echt opgenomen werd in het hoofdpand.

Het heeft dus een kwart eeuw gekost om het Eysingahuis zijn ideale exterieur te geven. Jonker Frans, die zijn grootvader ook was opgevolgd als grietman van Doniawerstal, nam er de tijd voor. Hij zal in die jaren veel vertoefd hebben op zijn, in de vroege achttiende eeuw gebouwde, landhuis Osingastate te Langweer. Wie de bouwmeester van het Eysingahuis was, is niet bekend. Wel staat vast dat Leeuwarder ambachtslieden en kunstenaars maar vermoedelijk ook collega's uit Holland de eveneens in Lodewijk XVI-stijl gehouden inrichting van het huis verzorgden.

Nergens in Friesland is de binnendecoratie in genoemde stijl zo volledig bewaard gebleven als hier. In tegenstelling tot de voorafgaande rococostijl met haar frivole vormen kenmerkt de Lodewijk XVI-stijl zich door strakke, rechte lijnen en klassieke motieven. Inspiratie hiervoor werd ondermeer gevonden in de afgravingen en vondsten te Pompeï. Zo springt in de vestibule onmiddellijk het klassieke stucwerk in het oog en boven elke deur in de benedengang is een antieke vaas met een slinger van laurierblad ter decoratie aangebracht. Dezelfde motieven zijn te vinden in het trappenhuis met z'n rijk gesneden balusters. Typerend voor een deftig huis rond 1780 waren verder de geschilderde behangsels, "kamers in 't rond beschilderd" zoals tijdgenoten ze aanduidden. Een voorbeeld is de hoekkamer ter plaatse van het huis met de Bargekop. En ook in de eetkamer, onmiddellijk links bij de ingang van het huis, herinnert nog veel aan de situatie van de late achttiende eeuw, zoals het schoorsteenstuk met de voorstelling van een Italiaanse kust, de grisaille daarboven, de ramen en de blinden. We weten dat zo precies omdat de Duitse, reizende schilder F.L. Hauck in 1787 de bouwheer, zijn echtgenote Clara Tjallinga Aebinga van Humalda (1756-1830), hun beide vaders en hun kinderschare - op dat moment twee meisjes en twee jongens - op portret zette in juist deze kamer.

Van de andere kamers op de bel-etage is de salon het meest opvallende vertrek. Zo zijn indertijd in de koven van het fraaie stucplafond manden met bloemen en muziekinstrumenten aangebracht. Verder bevinden zich boven de spiegel bij de schouw en boven de dubbele deuren naar een aangrenzend vertrek de originele grauwtjes met vergulde omlijstingen van mooi gesneden hout. Tot voor kort fungeerde het vertrek nog als dé zilverkamer van het museum, de zogeheten Popta-zaal. Bij de recente herinrichting zijn de vitrines verwijderd en heeft men gekozen voor de oorspronkelijke staat: het houtwerk is lichtgeel geschilderd, de sierlijsten goud en de grote, door een meander-ornament omlijste muurvakken zijn weer behangen met een lichtblauw zijden damast.

Tot 1879 bleef het huis in de Eysinga-familie. In dat jaar werd het door jkvr. C.A. de Beaufort, mede-erfgename van jhr. Tjalling Aedo Johan van Eysinga (1790-1858) die in het huis was geboren én er zelfmoord pleegde, voor ruim ƒ 15.000,= verkocht aan het Friesch Genootschap. Kort daarna, in 1881, heeft dit genootschap het Eysingahuis in gebruik genomen als museum.


Tweebaksmarkt 36
Het herenhuis op Tweebaksmarkt 36 heeft één van de mooiste lijstgevels uit de eerste helft van de achttiende eeuw in Leeuwarden. En afgezien van de ramen, waarvan de roedenverdeling aan het begin van de negentiende eeuw in het toen modieuze Empire is veranderd, is die Lodewijk XIV-gevel met een royale trapstoep ervoor ook nog eens volledig gaaf. De gaafheid blijft hier gelukkig niet beperkt tot de façade; aanzienlijke delen van het interieur hebben de opeenvolgende bewoners eveneens overleefd.

De Lodewijk XIV-barok is door Daniël Marot vanuit Frankrijk naar Nederland overgebracht en door Marots leerling Anthony Coulon in Friesland en in het bijzonder Leeuwarden tot bloei gebracht. Er is ook al eens geopperd dat Coulon achter het ontwerp voor dit huis zou kunnen zitten. Wat het bouwjaar betreft kan het kloppen - uit archieven valt af te leiden dat het huis in 1739 moet zijn gebouwd en wel door Catharina van Sminia, weduwe van Gozewijn baron van Coehoorn.

Het uit dieprode baksteen opgetrokken pand valt op door zijn brede gevel en detaillering. De gevel telt twee bouwlagen onder een schilddak en op een souterrain en is vier traveeën breed. De stoep met hek vormt een extra accent voor de in het tweede travee geplaatste ingangspartij, die een fraaie omlijsting en een lantaarn in het bovenlicht bezit. Behalve de deuromlijsting trekt de barokke kroonlijst de aandacht. Deze rust op vijf rijkgesneden consoles voor een sobere paneellijst, die opvallen door het daarin verwerkte klassieke motief van acanthusbladen. De dakkajuit midden daarboven, met een segmentvormig fronton en eenvoudige wangen, benadrukt (onbedoeld) de asymmetrie in de gevel.

De tuin in landschapsstijl aan de achterzijde is voor een historische binnenstad ongekend ruim van afmetingen. De bekende landschapsarchitect L.P. Roodbaard, schepper van vele romantische tuinontwerpen in Leeuwarden en bij talrijke buitenplaatsen in de provincie, heeft de tuin in 1842 "un peu métamor-phosé". Er lag overigens al eerder een zogenaamde Engelse tuin, welke in 1828 wordt genoemd. Roodbaards hand is thans nog vagelijk herkenbaar. Ooit stonden er twee tuinkoepels en een kas.

De Tweebaksmarkt is altijd een aantrekkelijke woonlokatie geweest, zo schuin tegenover het (gesloopte) Landschapshuis, waar het bestuurlijk centrum van Friesland was gehuisvest. De voorganger van het huidige huis was dan ook vanaf in elk geval het begin van de achttiende eeuw bezit van voorname geslachten. Eigenaar in 1716 was de grietmansfamilie Glinstra. Deze familie woonde er echter niet zelf maar verhuurde het pand, dat opviel door de aanwezigheid van een gevelsteen met een "bonte hond". Het huis dat Catharina van Sminia er na het overlijden van haar man in 1739 voor in de plaats liet neerzetten, zou ze bewonen tot haar dood in 1759. Daarna bleef haar familie eigenaar tot aan het begin van de negentiende eeuw. De erfgenamen verhuurden het aan voorname geslachten zoals de Wyckels en de Van Vierssens. Over het interieur van het huis is uit die tijd geen beschrijving bewaard gebleven. Toch kunnen we ons een beeld vormen van de indeling toentertijd, omdat deze beschreven staat in een koopakte uit 1828 en bovendien de huidige indeling nog voor een deel overeenkomt met de oorspronkelijke. In 1828 werd het pand eigendom van burgemeester Thijs Feenstra. Stadsarchitect Gerrit van der Wielen kocht het voor Feenstra aan, waarna nog eens ƒ 7510,= in een verbouwing werd gestoken. Denkelijk heeft Van der Wielen die verbouwing uitgevoerd.

Het huis bevat(te) op de begane grond aan de voorkant een grote en een kleine kamer, aan weerszijden van de gang. Daarachter lagen een grote en een kleine tuinkamer. Boven bevonden zich aan de straat twee voorkamers en daarachter een zaal (voornaam vertrek) met drie ramen, een fraaie indeling. Verder waren er nog enkele kamers. Op de zolder en de vliering bevonden zich meerdere ruimten en de mangelkamer. Interessant is de vermelding van een kantoor dat Feenstra bij het beoefenen van zijn kassiersfirma nodig had. De kamers waren (en zijn) aangekleed met stucwerk, behang en houten betimmeringen en gemeubileerd met kostbare meubels waaronder veel van mahoniehout.

Het voorname woonhuis werd in 1842 door de advocaat mr. Jan Bieruma Oosting, later eveneens burgemeester van Leeuwarden, aangekocht. Hij was zeer ingenomen met de ruime woning, waarbij de tuin hem in het bijzonder behaagde. Hij was ook degene die Roodbaard voor de herinrichting aantrok. Al na één jaar verwisselde Oosting echter het pand voor een nog ruimere woning. Nadien is het huis bewoond geweest door onder anderen mr. A. Bloembergen, advocaat en bekend geworden als gedeputeerde van Friesland en lid van de Eerste Kamer (eind vorige eeuw), de bekende arts            W.F.J. Uffelie (begin van deze eeuw) en laatstelijk door makelaar      J. Boomsma.


Oostergrachtwal 41, 45 en 47 (Waterschap Friesland)

De Oostergrachtswal
Ongeveer gelijktijdig met de aanleg en bouw van herenhuizen voor de welgestelden in het nieuwe Stationskwartier onderging het voornaam wonen aan de Grachtswal een drastische vernieuwing. Aan de singels buiten het oosten en zuidoosten van de stad had zich al vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw een ontwikkeling voorgedaan dat gegoeden er hun herenhuizen en buitens met flinke tuinen bouwden en aanlegden. Van de minutieus getekende kaart van J.H. Knoop uit omstreeks 1760 is af te lezen dat het proces dan al zo ver is dat aan die singels een nagenoeg gesloten bebouwing van brede panden met diepe en fraai ingerichte tuinen bestaat. Dat beeld is omstreeks 1895 op een plek drastisch doorbroken door de aanleg van het Nieuwe Kanaal, waardoor Zuider- en Oostergrachtswal gescheiden werden.

In het midden van de negentiende eeuw was de woningdichtheid van de Grachtswal en omgeving zodanig toegenomen dat het stadsbestuur voor de ontsluiting van het gebied in 1849 een pontje in de vaart bracht. Bovendien werd in hetzelfde jaar het achter de bebouwing gelegen exercitieveld verplaatst naar het Kalverdijkje, omdat de schietoefeningen gevaar gingen opleveren voor de omwonenden. De houten walbeschoeiing van de kade werd in 1859 vervangen door een stenen walmuur en spoedig is de kade geplaveid.

Kent de Zuidergrachtswal nog enige bebouwing uit de achttiende eeuw, van vóór de ontmanteling van de stad, de Oostergrachtswal is door vernieuwing en nieuwbouw in het laatste kwart van de vorige eeuw totaal van leeftijd veranderd, maar de nieuwe woningen bleven meest herenhuizen. En daar zijn de nummers 41, 45 en 47 niet de minste van.

De bewoners
Tot de vernieuwing van Oostergrachtswal 41 stonden op deze plaats twee panden. In het noordelijke woonde commissionair Pruis met zijn vrouw en in het andere bouwkundige en architect Jacobus Petrus de Rooy. Opdrachtgever van de nieuwbouw was de rijke koopman Gajus Hajonides van der Meulen die er met zijn gezin en dienstpersoneel in 1880 introk. Dit gezin kwam van een paar huizen verder, van nummer 37. Tot 1915 bleven de Van der Meulens er wonen, daarna kreeg het herenhuis een institutionele functie: het werd 'kantoor van registratie en domeinen'. Een kantoor is het daarna altijd gebleven.

In het midden van de negentiende eeuw was de toenmalige bebouwing van pand nummer 45 eigendom van de familie Du Tour van Bellinchave; tot 1862 woonde Freule Fokel er. Mogelijk is het daarna vernieuwd. Tot 1878 woonde hervormd predikant Egbert Lasonder er met vrouw en dienstboden en hij werd opgevolgd door z'n confrater Willem Klinkenberg met vrouw en dienstboden (tot 1893). De opmerkelijkste bewoner nadien, van 1899 tot 1908, is Heinrich Gustav Wilhelm Sprenger geweest. Sprenger was een der meest welgestelde inwoners van Leeuwarden: koopman, vice-consul van Spanje en directeur van de Leeuwarder Courant. Toen zijn buren uit het veel grotere pand nummer 47 vertrokken, verhuisde hij subiet.

In het midden van de negentiende eeuw woonde in de voorganger van het laatstgenoemde pand Gerrit Martijn Baron du Tour van Bellinchave, raadsheer bij het Hof met gezin en dienstboden. In de jaren-1870 bewoonde Freule Christina du Tour van Bellinchave het pand met een "juffrouw van gezelschap" en ander dienstpersoneel. De Freule deed dat tot 1899 en in die tijd moet het pand zijn vernieuwd. De familie Du Tour had veel bezittingen in Friesland waaronder boerderijen. In de werkboekjes van architect Hendrik Kramer komen vanaf het begin (niet het begin van zijn carrière) in 1881 allerlei posten van inspecties, verbouwingen en zelfs de nieuwbouw van een boerderij in Genum voor, waaruit kan worden afgeleid dat hij familiebouwmeester was en, mede gezien de stijl, dit herenhuis ook kan hebben ontworpen. Van 1899 tot 1907 woonde het gezin met personeel van mr. Jan Bieruma Oosting in het herenhuis en in 1908 kwam buurman Sprenger er met gezin en gedienstigen wonen. Het paste ongetwijfeld beter bij zijn status om in dit voornamere pand te gaan wonen. Eind 1935 vertrok hij naar Funchal op Madeira en kreeg het herenhuis een kantoor- en magazijnbestemming.

In 1971 koos de provinciale planologische dienst de hele rij panden van nummer 37 tot en met 47 tot residentie. Toen kreeg ook pand nummer 45 voor het eerst een kantoorbestemming. Nummer 39 werd vernieuwd tot ingangspartij en na doorbraken kwamen op beide bouwlagen doorlopende gangen achter de voorsalons om de panden te verbinden. Na de P.P.D heeft de Thorbecke Academie van de Noordelijke Hogeschool het complex enige tijd gebruikt en tenslotte kwam het Waterschap Friesland erin.

De herenhuizen
De drie panden vormen een voornaam trio. De nummers 41 en 47 zijn vijf raamvakken breed en het tussenliggende nummer 45 lijkt daardoor wat bescheiden van afmetingen. De brede panden hebben afgeknotte schildkappen en het smalle een lage schildkap. Die daken laten precies de drie typen pannen zien die aan het einde van de vorige eeuw in Friesland het meest toegepast werden. Het meest zuidelijke dak heeft donkerblauw geglazuurde platte Friese pannen gekregen, het middelste de gegolfde Friese pan, maar dan niet de goedkope gesmoorde die meestal toegepast werd, maar mooi donker geglazuurd. Ook het noordelijke pand heeft geglazuurde pannen, maar dan van het dure Lucas IJsbrands-type, een pan in een lei-imitatie die in Makkum en in Achlum gemaakt werd en langzamerhand zeldzaam wordt.

De twee brede panden (nrs. 41 en 47) zijn frappant stijlverwant en vast door dezelfde architect ontworpen. Dat moet dan Hendrik Kramer geweest zijn: een van de plafonds in pand 41 is ongetwijfeld van de hand van Belgische pleisterwerkers die alleen Kramer naar Leeuwarden haalde en bovendien deed Kramer voor de Du Tour's, de familie die in 47 woonde, allerlei bouwklussen. Beide panden bezitten een middenpartij en brede vleugels die met pilasters vorm hebben gekregen. Ook de verdiepingen zijn met horizontale kroonlijsten aangegeven. Forse rasters geven de fronten hun karakter, waardoor ook is te zien dat 47 net wat breder is. Bij 41 is dit gebeurd met natuursteen en bij 47 met cementpleister, maar bij beide panden zijn zowel de pilasters (met vakken en blokken) als het horizontale lijstwerk (met krullend loofwerk) versierd.

Beide hebben ze een toegangsdeur achter een stoepportiek, maar de ene heeft een dubbele deur en de ander een enkele. Beide hebben ze een balkon boven de deur, verschillend in detail, en boven de middenpartij een uitbouw op het dak, de ene een kapel, de ander een flinke kajuit. Het smalle pand er tussenin is eenvoudiger: geen pilasterboel, wel een basement en een cordonlijst tussen de verdiepingen van natuursteen, een omlijste deur met een kroonlijst en consoles en een versierde kroonlijst ter beëindiging van de gevel.

Door de verbouwingen voor kantoorfuncties is er weliswaar met de interieurs nogal omgehaspeld, er valt toch nog voldoende te genieten: vooral de gangen met vestibules en hallen met poortachtige openingen, fraai omlijste paneeldeuren en prachtige stucplafonds zijn de moeite waard. Bovendien zijn er heel veel systeemplafonds die nog verrassingen kunnen opleveren als ze worden weggehaald. Er zijn ook enkele grote salons waar het stucwerk nog in volle glorie te bewonderen is. De tuinsalon van nummer 47 spant wel de kroon, al is het plafond van de noordelijke voorsalon van nummer 41 het rijkst; daar is geen vlakje meer te zien: de pleisterwerkers moeten last gehad hebben van een horror vacui. Door de verkantoring heen kan nog voldoende genoten worden om het voornaam wonen van ruim een eeuw geleden weer op te roepen.


Oostergrachtswal 93 (Huismus Interieurs)

In de tweede helft van de negentiende eeuw werd er aan de Oostergrachtswal op grote schaal gesloopt en vernieuwd en raakte het gebied dichtbebouwd met huizen uit een ruime beurs. Nummer 93 is onbetwist het meest in het oog springende exemplaar geworden, niet alleen omdat het uit de rooilijn springt, maar vooral door de bijna expliciete uitstraling van 'kijk mij eens'.

"De plint en de borstweringen voor de benedenramen hebben een bekleding van hardsteen, verder zijn alle decoratieve elementen van banden die het metselwerk doorspekken, omlijstingen van ramen, decoratieve friesbanden en kroonlijsten tussen de bouwlagen en onder de goot en in de torenvormige bekroning van de zuidelijke partij gemaakt van een betonnen kunststeen-soort, en vooral van pleister. Zo zitten er boven de vensters van de begane grond plantenslingers (guirlandes) die door de voluutkrullen van consoles lopen. Drie consoles ondersteunen weer een fries met tegelvlakken onder ramen van de verdieping, die op hun beurt in de omlijsting boven weer andere guirlandes met consoles en rozetten ter versiering hebben. Daarboven zitten dan een kroonlijst met triglyfen (gegroefde platen) en ronde schijven en de geprofileerde goot. Boven de grote, versierde erker, waar de gemeenteraad speciale vergunning voor verleende, bevat de torenvormige opbouw een omlijste openslaande deur met een bekroning van een door een sierlijke vaas doorbroken tympanon, waarin twee hoorns des overvloeds verwerkt zijn. Een overvloedige bekroning van een rijk versierd pand". Het zijn de woorden van Lieuwe Valk uit het najaar van 1990 in zijn rubriek '700 jaar Bouwen in Leeuwarden' in Huis aan Huis.

Het herenhuis is ontworpen door de Leeuwarder architect Hendrik Kramer. Hij ontvangt de opdracht daartoe van theehandelaar Rients Hendriks Dijkstra in maart 1883. Het werk wordt in mei aanbesteed en gegund aan de aannemer J. Ruding voor ƒ 13.643,63; de kosten inclusief het honorarium voor de architect zullen dan op ƒ 15.197,38 uitkomen. Een jaar later wordt het pand opgeleverd. De uiteindelijke bouwsom blijkt meer dan een fractie hoger uit te vallen: ƒ 18.312,76 doordat er nogal wat meerwerk is uitgevoerd.

`Roodharige Dijkstra', zoals z'n bijnaam luidde, komt uit een vermogende doopsgezinde koopmansfamilie. Zijn theehandel, opgericht in 1859, is gevestigd aan de Korenmarkt 213 (nu Voorstreek 15). De firma heeft filialen op eersterangs lokaties: het Noordeinde in Den Haag, het Rokin in Amsterdam en de Nobelstraat in Utrecht. In Leeuwarden bezit Dijkstra voorts Nieuwestad 51 en twee pakhuizen aan de Eewal. In mei 1884 kan hij verhuizen van de Korenmarkt naar de Oostergrachtswal.

Dijkstra zou aan de Oostergrachtswal blijven wonen tot 1901, toen hij naar Nice vertrok. Zijn kinderen verkochten het huis uiteindelijk in 1908. Daarna werd het bewoond door achtereenvolgens de vlashandelaar N.H. van der Meulen, de bankier mr. Jan Daniël van der Plaats, de schoenmaker en winkelier Gerard Boekers, de aannemer Lodewijk Geveke en de eerste homeopathische arts van Leeuwarden, G.J. Polman.

Kummer Electronics, hier gevestigd in de jaren-vijftig, liet het interieur grotendeels ongemoeid. Wel liet Kummer in de kamer links van de voordeur de medaillons in het plafond met voorstellingen van de vier jaargetijden overschilderen, om te voorkomen dat klanten zich zouden storen aan de naakte cupido's. Recent onderzoek wijst uit dat degelijke verf is gebruikt: de kosten voor verwijdering worden geschat op dertigduizend gulden.


Zuidergrachtswal 14
Zuidergrachtswal 14 heeft twee compleet verschillende aanzichten. Het charmante front (en de erachter gelegen vertrekken) is vroeg in de jaren-1750 tot stand gekomen. Aan de tuinzijde heeft het pand vermoedelijk omstreeks 1860 over de volle breedte een uitbreiding ontvangen, waardoor het ongeveer in omvang verdubbelde. Het is een wonderwel geslaagde combinatie geworden.

Door de vrede van Munster (1648) verviel de noodzaak van een onbelemmerd schootsveld vanaf de omwallingen voor de stadsverdediging en mochten er buitenverblijven buiten de gracht verrijzen. Een van deze panden werd in 1751 gekocht door de koopman Jan Klemrink en zijn vrouw Agate Wesselius. Klemrink genoot aanzien in Leeuwarden en bracht het tot lid van de vroedschap en tot burgemeester, een post die hij de laatste paar jaar voor z'n dood in 1756 bekleedde. Het echtpaar was puissant rijk, getuige hun stadswoning Nieuwestad 61. Het nieuwe eigendom aan de Zuidergrachtswal voldeed kennelijk niet aan hun wensen; het werd grondig gemoderniseerd of zelfs geheel opnieuw opgetrokken.

Met slechts één bouwlaag is het huis onmiskenbaar een buitenverblijf geworden. Het bestaat uit twee ondiepe maar brede vleugels van drie raamvakken aan weerszijden van een entree, het geheel afgedekt door een hoge schildkap met leien. De ingeschakelde bouwmeester/ timmerbaas heeft zich uitgeleefd op de middenpartij. Weliswaar is de entree bescheiden gehouden, maar het samenstel van flankerende gecanneleerde pilasters, die niet volgens het klassieke ordensysteem door kapitelen worden bekroond maar door stevige consoles, en de buitenproportionele dakkajuit met zijramen en een 9-ruits schuifvenster, die deze consoles dragen, is zonder meer indrukwekkend.

Letterlijk en figuurlijk het topstuk van de compositie is het zware kuifstuk op de kajuit met zwierige rococo-ornamentiek en de alliantiewapens van Klemrink en Wesselius. Modebewust was het echtpaar zeker. Het eerdergenoemde huis aan de Nieuwestad kreeg in 1747 naar ontwerp van stadstimmerbaas Claes Bockes Balck een voorgevel in de Lodewijk XIV-stijl maar interieurs in de Lodewijk XV- of rococostijl. Het was hiermee waarschijnlijk het tweede pand in Leeuwarden waar deze nieuwe mode te bewonderen was, na de woning die in 1745 voor hofkleermaker Georg Walcke aan de Eewal was ontworpen door Anthony Coulon en versierd door beeldhouwer Jacob Sijdses Bruinsma. Ook het huis aan de Zuidergrachtswal behoort tot de vroege voorbeelden in Leeuwarden van de rococo.

Het interieur verkeert goeddeels in originele staat en bezit nog stucplafonds, lambrizeringen en decoratief houtsnijwerk uit de bouwtijd. Achter de voordeur ligt een royale ontvangsthal. Portes brisés met een getoogde bovendorpel, bekroond door een kuif, geven toegang tot de woonvertrekken. De grote salon rechts wordt gedomineerd door een enorme schouw van een type dat veel voorkwam in de periode 1710-1750. De boezem draagt een in weelderig snijwerk gevatte spiegel en een schilderstuk. Hierop zijn een ruiter en een liggend paard afgebeeld. De zogenaamde grisaille-techniek geeft de suggestie van volrond beeldhouwwerk. Fraai is ook de betimmering rond de vensteropeningen. In de diepe dagkanten zijn de blinden gevouwen, waarmee de ramen afgedekt kunnen worden. De vensterbanken kunnen tevens als zitje dienst doen.

Achter de andere dubbele deur in de hal leidt rechts een trap naar de zolder en links een antichambre naar een kleinere woonkamer met een tweede monumentale schouw. De boezem, met een geprofileerde kroonlijst en een versierde gezwenkte onderlijst, wordt gedragen door voluutvormige consoles op wandpilasters. De Leeuwarder decoratieschilder Rienk Keyert heeft het schoorsteenstuk vervaardigd. De voorstelling is ontleend aan de Griekse mythologie en toont waarschijnlijk Procris die haar geliefde Cephalis van de jacht probeert te weerhouden omdat ze bang is hem aan de verleidelijke Aurora te verliezen. Naast de schouw bereikt men via een in de lambrizering weggewerkte deur de smalle bodekamer. Onder de hele oostelijke vleugel bevindt zich een manshoge voorraadkelder met plavuizenvloer, die wellicht ouder is dan 1751. Tegelrestanten wijzen erop dat hier vroeger bovendien kookgelegenheid was. Of die ook na 1751 als zodanig gebruikt werd, is onzeker. In ieder geval kreeg het huis op een gegeven moment een keukenaanbouw, nu grotendeels opgenomen in de negentiende-eeuwse vleugel. Voor die uitbreiding moest wel een uit 1751 daterende veranda achter en bereikbaar vanuit de salon wijken. Hier konden de bewoners van een riant uitzicht over de tuin genieten. Er zijn nog venster- en deurcontouren zichtbaar in de voormalige buitenmuur van de salon. Wat gelukkig bleef, is de opmerkelijk diepe privétuin, een unicum in Leeuwardens binnenstad.


Verlengde Schrans 2
In de laatste jaren van de negentiende eeuw liet de arts Sinnighe Damsté een villa met praktijkruimte bouwen aan het begin van de Verlengde Schrans. Voornaam is deze artsenvilla aan de uitvalsweg naar het zuiden in het toen zelfstandige dorp Huizum beslist. De architect is naar alle waarschijnlijkheid Zietse Sieuwert Feddema geweest, die het gebouw vorm gaf in een statige neorenaissance-stijl. Hij liet zich nu eens niet inspireren door de Hollandse Renaissance, maar door een wat meer Frans georiënteerde variant, die minder uitbundig is en meer waardigheid en distinctie uitstraalt. Rond de eeuwwisseling waren de neostijlen al wat uit de mode geraakt door de opkomst van de Jugendstil en de vernieuwingen die Berlage aandroeg, maar de behoudende stijl geeft het pand een grote waardigheid. Het heeft de eeuw van zijn bestaan uitstekend doorstaan.

De blokvormige villa heeft een gestucte plint. Het opgaand metselwerk is van grauw-rode waalsteen en is doorspekt met cordonlijsten van kunststeen. Een waterlijst scheidt de verdiepingen, een kroonlijst, voorzien van decoratieve vakken, sluit de gevel af. De villa heeft twee verdiepingen en is vier raamvakken breed. De gevel is tweemaal versneden, waarbij de rechterhoek is afgeschuind. De ingang zit in het midden en wordt door een iets rijkere aankleding geaccentueerd. De voordeur ligt in een diep portaal. De grote T-vensters zijn gevat in een eenvoudige omlijsting, die naar boven wordt afgesloten door een kroonlijst. Het linker raamvak heeft een balkon op de verdieping, gedragen door bewerkte consoles. De afgeknotte schildkap is belegd met een bijzondere dakpan, de Lucas IJsbrandspan, die zorgt voor een veel gladder dakvlak dan de gebruikelijke golfpan. Hierdoor wordt het aanzien van de toen ook heel chique leien benaderd. Er zijn enkele dakkapellen en kajuiten, die in de loop der tijd wat vereenvoudigd zijn: de kajuiten hadden wangen (zoals nog te zien is in de praktijkvleugel) en de kapellen hadden met leien beklede spitsen, de zogenaamde heksenhoeden.

De praktijkruimte aan de Carel van Manderstraat heeft een iets eenvoudiger detaillering en telt slechts een bouwlaag. De villa is gelegen in een ruime tuin, die enkele jaren geleden verkleind is, waarbij het gietijzeren hek verloren ging. Naast de praktijkruimte bevindt zich een eenvoudig koetshuis, opgetrokken uit grijze kalkzandsteen met cordonlijsten en strekken in rode baksteen. Achterin de tuin bleef een houten prieel bewaard, dat opgebouwd is in stijl-en-regelwerk. Zo'n bouwseltje was beslist noodzakelijk in een tijd, waarin men wel buiten wilde zitten maar bruin worden ongepast geacht werd. Een bruine tint was voor de arbeidersstand!

Ook in het interieur komt het voornaam wonen nog steeds goed tot uiting. Vooral op de begane grond is de originele situatie goed bewaard gebleven. Door de terugliggende ingang, over de in terrazzowerk uitgevoerde portaalvloer met het jaartal 1900, komt men door een dubbele deur (met oorspronkelijk hang-en-sluitwerk) in een vestibule met tochtdeuren met eenvoudig gezandstraald glas. Een gang over de gehele lengte van het gebouw geeft toegang tot de vertrekken. De oorspronkelijke paneeldeuren met geprofileerde omlijstingen bleven bewaard. Bij het voorname wonen van de gegoede burgerij hoorde in de negentiende eeuw onverbrekelijk een suite: twee of meer kamers op een rij, die verbonden waren door schuifdeuren. Deze suite bestaat uit een vierkante voorkamer en een achterkamer die aan de zijkant uitgebreid is met een erker, veelhoekig afgesloten als het koor van een kerk. De kamers hebben plafonds met versieringen in stuc en bewerkte raamkozijnen, vensterbanken en binnenluiken. In de achterkamer is een ingebouwde kast met een renaissancefront om serviesgoed op te slaan en uit te stallen. Dit vertrek deed dienst als eetkamer. De sterk verbouwde keuken ligt ernaast. Halverwege de gang bevindt zich de trap naar de verdieping. Op het bordes wordt de trap verlicht door een glas-in-lood raam met een voor een arts kenmerkende voorstelling: een gebrandschilderde afbeelding van 'De anatomische Les van dokter Tulp' door Rembrandt. Het raam wordt verlicht door een koker, die tot het dak toe doorloopt. Op de verdieping liggen de slaap- en badkamers. Op de zolderverdieping waren naast bergruimten de kamers voor het inwonend personeel, want zonder enkele meiden en een huisknecht/koetsier was geen huishouden 'op stand' te voeren.


Verlengde Schrans 87 (Borniastate/Van den Bergstate)
Aan de Verlengde Schrans - vroeger wel het boerenkerkhof genoemd, vanwege de hier wonende, rentenierende boeren - staat het voorname onderkomen van restaurant Van den Bergstate. Het monumentale pand werd in de jaren 1888/'89 gebouwd onder architectuur van de bekende Leeuwarder architect H.H. Kramer. Opdrachtgever voor de bouw was de bewoner van Martena State in Cornjum: Jonkheer Duco Martena van Burmania Vegelin van Claerbergen. Uit de rekeningboeken van architect Kramer blijkt dat aannemer J. Ruding met ƒ 15.995,= de laagste inschrijver was voor de bouw van het "woonhuis met koetshuis en stalling op een terrein aan de straatweg naar Sneek". Op 1 mei 1889 kon Jonkheer Duco de woning betrekken.

De jonkheer heeft er maar kort gewoond. Op 1 mei 1892 werden     mr. Wibo Bernhardus Buma met zijn vrouw Amelia Gerardina Albarda de nieuwe bewoners. Buma vervulde in en buiten Friesland vele functies, onder meer advocaat-procureur, luitenant van de schutterij, gemeenteraadslid van Leeuwarderadeel, penningmeester van het Fries Genootschap en voorzitter van de bond Heemschut. Hij is waarschijnlijk de naamgever van het huis geweest. Het geslacht Buma bezat in Weidum de buitenplaats Bornia State. In 1864 werd deze state voor de sloop verkocht en als herinnering aan het oude buiten heeft de monumentale villa aan de Verlengde Schrans die naam gekregen.

In 1922 verhuisde Buma naar Marssum. Zijn vrouw betrok de villa naast Borniastate. In het grote leeggekomen pand waren daarna achtereenvolgens een particuliere psychiatrische inrichting, een christelijke opleidingsschool voor gezinsverzorgsters en een tehuis voor lichamelijk gehandicapte jongeren gevestigd. Na een verbouwing in 1993 werd in het oude woonhuis een restaurant gevestigd en werd de naam veranderd in 'Van den Bergstate'.

Ondanks functieveranderingen en verbouwingen ademt Bornia/Van den Bergstate nog helemaal de sfeer van de neo-renaissance. Architect Kramer heeft er een levendig en harmonieus gebouw van gemaakt. Het gebouw telt twee hoge bouwlagen die worden gedekt door afgeknotte schilddaken met hier en daar gebolde vormen. De verspringingen en versieringen van kunststeen in banden, blokken en andere decoratieve elementen geven de gevels een levendige uitstraling. De aan de voorzijde uitgebouwde erker, steunend op consoles met leeuwenkoppen en de serres aan de zuidzijde met daarboven een inpandig balkon en een buitenbalkon dragen ook sterk bij aan de levendigheid. Verrassend is de aan de achterkant opgetrokken achtzijdige traptoren die gedekt wordt door een helmdak.

Van het interieur verdient vooral de aan de voorzijde gesitueerde salon de aandacht. Het is een hoge, monumentale zaal in Oud-Hollandse stijl. Het plafond bestaat uit een moerbalken en kinderbinten-constructie. Langs de wanden bevinden zich lambrizeringen. In de vensternissen bevinden zich vensterbanken en in de achterwand is een in neo-stijl uitgevoerde haardpartij aangebracht.

De toegang tot Bornia/Van den Bergstate wordt gevormd door een hameipoort van ijzer met zware gegroefde penanten met bollen. Naast en achter Bornia/Van den Bergstate ligt nog een klein deel van het voormalige Borniapark. Dit park ontstond in 1923 nadat notaris Nanne Ottema in 1922 de 1 ha. grote tuin van Borniastate kocht van mr. W. Buma. Ottema kocht de tuin om toegang te krijgen tot de erachter gelegen landerijen van zijn vrouw.

In 1923 bood hij het gemeentebestuur van Leeuwarderadeel de tuin in erfpacht aan, wijzend op de mogelijkheid er een wandelpark en eventueel een sportterrein voor Huizum van te maken. De gemeente Leeuwarderadeel ging op het aanbod in. Reeds op 14 mei 1923 werd er een verordening omtrent het Borniapark vastgesteld. Tot aan de oorlogswinter van 1944-1945 was het Borniapark een mooi en romantisch park. Er was een vijver met een huisje voor de watervogels en er stond een mooie tuinkoepel. Het park kende een rijke flora en fauna. In de laatste oorlogswinter ontstond er een groot tekort aan brandstof en daar bood het Borniapark een oplossing voor. Eerst werd het kreupelhout gekapt, later volgden de kastanjebomen en tenslotte vonden ook de banken en de houten koepel hun weg naar de kachel. Na de oorlog had geen herstel plaats. De vijver groeide dicht en het park raakte definitief in verval. Tenslotte vond er in een groot deel van het park nieuwbouw plaats. Alleen de toegangsweg en een paar bomen herinneren nog aan het voormalige Borniapark.

Colofon

Uitgave:                        Stichting Aed Levwerd, 1997
Redactie:                      Leo van der Laan en Klaas Zandberg
Inleiding:                       Onno Hellinga
Tekstbijdragen:            Jan Faber, Ad Fahner, Jaap Falize, Anneke Hellinga, Hendrik ten
                                     Hoeve, Peter Karstkarel, Yme Kuiper, Leo van der Laan, Rita
                                     Mulder-Radetzky, Jesse Wassenaar, Klaas Zandberg en Tom
                                     Zomerschoe
Fotografie:                    Paul Friedrichs en Menno Pothof
Overige illustraties:      Gemeentearchief Leeuwarden, Fries Museum, Leeuwarder
                                     Courant, Marten Meijer, Hendrik ten Hoeve en Studiegroep
                                     Geschiedenis Leeuwarden
Kaart:                           Cees Sträter
Druk:                            Dekker Drukwerken
Vormgeving:                Dekker Drukwerken

De organisatie van de elfde Open Monumentendag Leeuwarden en de uitgave van dit boekje zijn mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van het Zadelfonds van de gemeente Leeuwarden, de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, Ritske Boelema-Gasthuis, Sint Anthony Gasthuis, Lammert Koopmans Stichting, Stichting Het Nieuwe Stads-Weeshuis, Boelstra-Olivier Stichting, Juckema-Siderius Fonds, Old Burger Weeshuis en Restaurant Hotel Van den Bergstate.

Voorts hebben aan de totstandkoming van de Open Monumentendag bijgedragen het Gemeentearchief Leeuwarden, de NV Stadsherstel Leeuwarden en Joh. Schaafsma. De Stichting Aed Levwerd dankt in het bijzonder de eigenaren/bewoners van de opengestelde panden en de vrijwilligers.

Terug