´Aan hunne nagedachtenis verschuldigd´


Woonhuizen van bekende Leeuwarders

Open Monumenten Dag 11 september 2004

‘Ofschoon in Leeuwarden een groot aantal talentvolle kunstenaars geboren werden, waren er toch maar weinigen wier naam, zoo min bij het groote publiek als bij de geleerden, tot den tegenwoordigen tijd in levendige herinnering is gebleven. Evenwel meenen wij het toch aan hunne nagedachtenis verschuldigd te zijn, om hier met een paar woorden aan te stippen, dat in Frieslands hoofdstad geboren werden: in 1504 Dirk Philipsz., redenaar van groot talent, vriend en geloofsgenoot van Menno Simonsz.; in 1527, Vredeman de Vries, kundig schrijnwerker en teekenaar van meubelen, in een tijdperk dat den eersten rang in de geschiedenis der meubel-soorten inneemt en eindelijk, de geheele familie van Haren'

Henry Havard in: Verleden en heden. Een togt langs de kusten van de Zuiderzee (1874), Haarlem z.j.


Inhoudsopgave

Woord vooraf

Bekende Leeuwarders

Route langs woonhuizen van bekende Leeuwarders

De open monumenten:

  1. Uniabuurt 8 (Café De Ossekop), Laurens Alma Tadema
  2. Ossekop 11 (Advocatenkantoor Anker & Anker), Saskia van Ulenburgh
  3. Ossekop 13 (Olde Seigneurie) W.J. van Welderen baron Rengers
  4. Kelders 33 (Knip Inn), Mata Hari
  5. Eewal 76, Pybo Gualteri
  6. Bij de Put 15 (vrijmetselaarsloge), Willem van Haren
  7. Arendstuin 41, Thomas Romein
  8. Reijndersbuurt 5, Pieter Jelles Troelstra
  9. Grote Kerkstraat 73, Obbe Rommerts
  10. Grote Kerkstraat 212 (FLMD), Mata Hari
  11. Grote Kerkstraat 31, H.H. Kuyper
  12. Doelestraat 8 (Fryske Akademy), Anthony Coulon
  13. Grote Kerkstraat 20, prof. J. Voorda
  14. Grote Kerkstraat 11, (Princessehof), M.C. Escher
  15. Grote Kerkstraat 7 (De Brasserie), Heer Ivo
  16. Westersingel 38, Geert Mak


Woord vooraf
De open monumentendag (OMD) in Leeuwarden is een van de succesvolste van het land. Misschien komt dat ook wel een beetje door de eigenzinnige invulling van de thema´s. Lang niet altijd doet Leeuwarden mee aan het landelijke thema. Werd in 2003 met ´boerderijen rondom Wytgaard´ nog aansluiting gevonden bij het Jaar van de Boerderij, dit jaar is besloten om niet mee te doen aan het landelijke thema. Op het eerste oog lijkt dat jammer, want ´militaire monumenten´, bood voor Leeuwarden interessante aanknopingspunten. Een deel van de oude bolwerken is nog enigszins herkenbaar en gebouwen als de Infirmerie en de Kazerne zijn zeer karakteristiek. Ook de aanleiding tot de keuze van dit thema, het 300e sterfjaar van Menno van Coehoorn, één van Europa´s meest vermaarde vestingbouwkundigen, is in dit verband opmerkelijk. Van Coehoorn is geboren in Britsum, maar heeft aan het begin van zijn militiare carrière enkele jaren in Leeuwarden gewoond.

Dat brengt ons op het hier ter plaatse gekozen thema: ´woonhuizen van bekende Leeuwarders´. Deze keuze hangt samen met de herdenking van het feit dat 500 jaar geleden Leeuwarden hoofdstad werd van Fryslan. Met deze open monumentendag willen we het bovenlokale belang van Leeuwarden verder benadrukken. Henry Havard en andere reisboekenschrijvers uit vroeger eeuwen hadden al door dat de uitstraling van een plaats mede afhangt van het aantal beroemde inwoners.

Tijdens de 18e OMD is een 15-tal voormalige woonhuizen van bekende Leeuwarders open voor publiek. Sommige panden zijn al eens vaker opengesteld, maar een aantal nog nooit. Vooral Ossekop 11 en 13 en Westersingel 38 zijn onbekend en bijzonder. Er is wel een beetje ´gesmokkeld´ bij de selectie. De gekozen personen zijn anno 2004 niet allemaal (nog) wereldberoemd, maar de meesten waren in hun eigen tijd bekende figuren.
Helaas zijn veel woonhuizen ingrijpend verbouwd, ontoegankelijk of zelfs afgebroken. Vandaar dat ook een aantal in monumentaal opzicht minder opmerkelijke panden is opengesteld. Speciaal blijft wel de wetenschap dat beroemde Liwwadders hier hebben gewoond en bijzondere momenten hebben meegemaakt. Van de geselecteerde ‘beroemdheden' is alleen Geert Mak nog in leven.

Het in kaart brengen van woonhuizen van bekende Leeuwarders - ook buiten de binnenstad en in de dorpen - gaat stug door. Zo hopen we ooit nog eens te ontdekken waar in de stad Peter Stuyvesant heeft gewoond. Op de website van het Historisch Centrum Leeuwarden (HCL) zijn inmiddels aparte pagina´s gewijd aan bekende Leeuwarders en hun uitspraken. Volgend jaar wordt waarschijnlijk begonnen met het aanbrengen van gevelborden met informatie over bekende Leeuwarders. Hopelijk brengt deze OMD meer belangstelling voor bekende Leeuwarders en ook enige discussie te weeg.

Tenslotte wil ik iedereen bedanken die geholpen heeft bij het organiseren van de Open Monumentendag en de activiteiten er om heen. Een speciaal woord van dank verdient Leendert Plaisier. Hij heeft bij het totstandkomen van dit boekje heel veel werk verzet. Verder wil ik bedanken: de subsidiënten, NV Stadsherstel, de vrijwilligers, mijn medewerkgroepsleden en vooral de beheerders en eigenaren van de opengestelde panden.

Hendrik ten Hoeve, voorzitter werkgroep Open Monumentendag


Bekende Leeuwarders
Leeuwarden is een van de weinige Nederlandse steden buiten de Randstad die -dankzij Mata Hari- vermeld wordt in actuele buitenlandse reisgidsen. Het belang van dit soort stadspromotie werd door een enkeling vroeg onderkend. Wopke Eekhoff, geschiedschrijver en eerste archivaris van Leeuwarden, besteedde al veel aandacht aan het signaleren en beschrijven van bekende Leeuwarders. Hij ging wel een enkele keer in de fout, omdat hij misschien wat al te graag een beroemdheid in een Leeuwarder setting wilde plaatsen. Zo suggereerde Eekhoff dat de beroemde 17e eeuwse wijsgeer Descartes enige tijd in de stad moest hebben verbleven. Uit recent onderzoek blijkt dat dit onjuist is.

Toch is eigenlijk betrekkelijk kort geleden pas echt aandacht gekomen voor bekende Leeuwarders. Eekhoff en zijn opvolgers wisten weliswaar te bereiken dat een aantal vooraanstaande personen en families werd vernoemd in straatnamen, maar het standbeeld van Willem Lodewijk op het Hofplein is heel lang uniek gebleven in het straatbeeld. In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwam er een omslag. Vooral journalist Henny Keikes komt eer toe. Hij publiceerde vaak over bekende Leeuwarders, met name over Mata Hari. Uit zijn roman ´Moord in het huis van Mata Hari ´ een tweetal citaten: ´...alles wat maar iets met Mata Hari te maken heeft, spreekt de mensen geweldig aan. Het is eigenlijk gek dat Leeuwarden niets met deze wereldnaam doet. Zelfs geen aanduidinkje op dit prachtige huis dat de spionne Mata Hari daar gewoond heeft.´ [...]´Je weet natuurlijk dat Leeuwarden ook de geboorteplaats is van Pieter Jelles Troelstra, maar weet je ook, dat Piet Paaltjens en Jan Slauerhoff hier geboren werden´ ´Jazeker, en Kokadorus en Havank!´ ´Ik heb gehoord, dat de VVV nu eindelijk eens iets wil gaan doen met die naam Mata Hari.´ ´Zal wel verzet tegen komen.´

Keikes kreeg enig gehoor in kringen rondom de VVV. De meeste Liwwadders bleven vooralsnog lauw onder de regelmatig opvlammende belangstelling - van vooral van internationale zijde - voor Mata Hari. Ondanks allerlei initiatieven om tot een Mata Hari-museum te komen is het voorlopig gebleven bij een kleine presentatie in het FLMD en een middelgrote semi-permanente tentoonstelling in het Fries Museum. Een standbeeld en een straatnaam zijn inmiddels wel gelukt. Het aantal bekende personen was ondertussen behoorlijk gegroeid. Tot in de 19e eeuw werd er maar een enkele Leeuwarder als politicus, kunstenaar, schrijver of wetenschapper bekend buiten de regio. De sterk toegenomen sociale en geografische mobiliteit zorgde voor een enorme aanwas van opmerkelijke persoonlijkheden. Als we iedereen meetellen die ooit in Leeuwarden naar school is geweest, er heeft gewerkt of is begraven krijgen we een hele lange lijst.

Na 1970 werd de monumentenzorg in Leeuwarden naar een hoger peil getild. Er kwam ook meer zorg voor monumentale woonhuizen. Steeds vaker kregen tot ‘fabriek' verbouwde patriciërshuizen hun originele bestemming terug. Bewoners en eigenaars raakten eveneens meer geïnteresseerd in de geschiedenis van hun pand. De al twee decennia lopende rubriek ‘700 jaar bouwen in Leeuwarden' in Huis aan Huis heeft daar aan bijgedragen. Studies van de Fryske Akademy en het FLMD wakkerden de belangstelling voor met name geleerde Friezen aan. De (oude) ‘Encyclopedie van Friesland' en de ‘Literaire stadswandeling door Leeuwarden' verdienen in dit verband zeker een vermelding. Het begon op te vallen dat onder cultuur-toeristen steeds meer behoefte kwam aan informatie over beroemdheden. Zelfs beleidsnotities van de lokale CDA- en PvdA-afdelingen werden aan het onderwerp gewijd. Door provincie en gemeente werd vooral het Nassau-erfgoed sterk gepromoot.

Fenno Schoustra wist in 1985 voor een reunie van oud Leeuwarders ter gelegenheid van de festiviteiten rondom ‘700 jaar Leeuwarden' ook een aantal ‘beroemde' oud-stadgenoten te interesseren, zoals Cor Boonstra en Ria Bremer. Tentoonstellingen in het kader van het 100e geboorte- of sterfjaar van J.J. Slauerhoff, L. Alma Tadema en M.C. Escher leverden veel publiciteit op. De ‘ontdekking' van het geboortehuis van Saskia van Ulenburgh in 1999 door HCL-medewerker Jan Faber, bood mogelijkheden tot stadspromotie, welke overigens nog niet benut zijn. Ook Simmer 2000 bracht veel teweeg. Voor de eerste keer werden de precieze adressen van een aantal beroemde (overleden) Liwwadders in een gratis folder met stadswandeling opgenomen. Geert Mak vertelde in Stadsschouwburg De Harmonie voor een geïnteresseerd publiek over zijn jeugdjaren in Leeuwarden.

Daar komt nog bij dat (auto) biografieën weer populair zijn geworden. Recentelijk verschenen publicaties van of over o.a. Klaas Uilkema, Margareta de Heer, Trui Jentink en ‘Loekie'. Vorige maand verscheen de Nederlandse editie van ‘Titia, de eerste westerse vrouw in Japan'. Tijdens onderzoek in het HCL bleek dat Titia Bergsma werd geboren en opgroeide in Nieuwestad 63. Misschien gaat deze ontdekking leiden tot de komst van massa's Japanse toeristen?


Route langs woonhuizen van bekende Leeuwarders
We beginnen onze tocht bij een van de meest bijzondere horecagelegenheden in de stad, in café De Ossekop aan de Uniabuurt 8 (1). In dit pand bracht rond 1840 Laurens Alma Tadema zijn jeugdjaren door, voordat hij wereldberoemd werd als schilder.
Naast het grote huis met de opvallende gevel van omstreeks 1800 treffen we om de hoek het volgende open monument aan: Ossekop 11 (2). Waar nu het advocatenkantoor van de gebroeders Anker en Anker is gevestigd, werd vier eeuwen geleden Saskia van Ulenburgh, de eerste vrouw van Rembrandt, geboren. Het buurpand Ossekop 13 is net als nr. 11 een oude patriciërswoning (3). In de 19e eeuw woonde er o.a. burgemeester W.J. van Welderen Rengers.
Vanaf het Blokhuisplein, waar met name in de achttiende eeuw de meeste Friese ter dood veroordeelden werden geëxecuteerd, is er een goed uitzicht op gevangenis De Blokhuispoort (gereed in 1876). Bekende criminelen als Jut, dr. O. en Age M. zaten hier opgesloten. Linksafslaand passeren we het opvallende woonhuis/atelier van Piet de Vries (1897-1992) in Druifstreek 63. Deze architect maakte naam met ontwerpen in de Amsterdamse en Delftse School.
Voor ons zien we in de verte de Tweebaksmarkt en Turfmarkt met als grote beeldbepalende monumenten de Kanselarij en het Provinsjehûs. Deze straten hebben een deel van hun grandeur verloren. Enkele gevels van voormalige patricierswoningen herinneren nog aan voorname bewoners. In Tweebaksmarkt 47 woonden de burgemeesters Beucker Andreae en Patijn. Tweebaksmarkt 36 (Sminia) en Turfmarkt 24 (Eysinga) hadden zelfs adellijke bewoning.
We gaan linksaf de Oude Oosterstraat in. De Oosterstraat is de oudste winkelstraat in de stad. Cartograaf Johannes Sems en schilderes Margaretha de Heer hebben hier of in de buurt gewoond. Op de hoek met de Ossekop staat het ´huis met de gladde gevel´, één van de oudste huizen van Leeuwarden. Rechtsaf de Groentemarkt op gaat het richting Brol en De Kelders.
De Brol ontstond in het begin van de 16e eeuw toen de driesprong van grachten met stenen gewelven werd overkluisd. Het plein heeft lang als marktplein gefungeerd. Ook vonden er ooit de executies plaats en werd er gestraft middels de kaak of pronkpaal. De Kelders is een straatnaam die we letterlijk moeten nemen. In de vijftiende eeuw werd hier aan de steile terprand een hoge straat met een lage kade aangelegd, de Bierkade, met kelders die tot onder de aanliggende huizen doorliepen. Lange tijd hebben de bierdragers hier het straatbeeld bepaald.
Vlakbij, aan de Weaze, woonden Willem Augustijn van Sloterdijck (1714-1763), de hoofdpersoon in de roman ´Gewassen Vlees´ van Thomas Rosenboom, en politicus Daam Fockema (1771-1855). Op de hoek met de Ayttasteeg had Viglius van Aytta (1507-1577), adviseur van keizer Karel V, een huis. Op Over de Kelders 8 stond het huis waar van 1614 tot 1619 de dichter Jan Jansz. Starter heeft gewoond. In 1953 is aan de gevel een plaquette aangebracht.
Langs de Kelders links van de gracht vervolgen we de wandeling tot we op de volgende brug, de Korfmakerspijp, op het beeldje van Mata Hari stuiten. Mata Hari liet rond 1900 het bloed van de Parijse beau monde sneller stromen en werd als vermeend spionne voor Duitsland door de Fransen geëxecuteerd. Ze werd in 1876 onder de naam Margaretha Geertruida Zelle geboren in Kelders 33, het tweede huis vanaf de dichtstbijzijnde hoek (4).

Hier in de buurt woonden meer beroemdheden, die veelal opgroeiden boven een winkel. Op De Kelders 15 woonde journalist-schrijver Alexander Cohen (1864-1961). Zijn geboortehuis op de hoek van de Tuinen en de Voorstreek staat er al lang niet meer. Op de Vismarktpijp ligt het poëzietableau van Slauerhoff (1898-1936) met het gedicht ´het einde´ precies tussen het geboortehuis (Voorstreek 33) en latere woonhuis (Voorstreek 26) van Jan Jacob Slauerhoff in. In 1987 werd in de etalageportiek van Slauerhoff Interieurs een zeefdruk achter plexiglas onthuld door de zus van de dichter. Op Voorstreek 34boven woonde muzieklerares Geesje Poutsma (1849-1919), op Voorstreek 75 arts Ph. Kooperberg (1849-1917).
Verderop aan deze gracht, maar niet aan de route, staan nog de geboortehuizen van schrijver Francois HaverSchmidt (Voorstreek 80) en Frederik de Haan, landsarchivaris te Batavia (Voorstreek 82). Het geboortehuis van NSB-propagandist Max Blokzijl aan het Dokkumerend is afgebroken.
Vanaf de Voorstreek slaan we linksaf de Wortelhaven in, die overgaat in de Eewal. Op Wortelhavel 81 woonde tuinarchitect L.P. Roodbaard, die o.a. de Prinsentuin en de Algemene Begraafplaats aan de Spanjaardslaan ontwierp. De Eewal is een lommerrijke, in 1884 gedempte gracht, die vele historische panden kent. Een daarvan is Eewal 76 (5). Hier woonde o.a. Ernst Vegelin van Claerbergen, secretaris van stadhouder Willem Frederik. Het was gebruikelijk dat hoger geplaatsten in de buurt van Stadhouderlijk Hof en Stadhuis een woning zochten.
Halverwege de Eewal maken we weer rechtsomkeert. We bezoeken niet de woonhuizen van hoogleraar en later Raad van State-voorzitter Petrus Camper (Eewal 52) en artsenfamilie Baart de la Faille (Eewal 56) en evenmin de voormalige residentie van de gouverneur (Gouverneursplein 44). Aparte vermelding verdient nog wel het geboortehuis van componist Richard Hageman (1881-1966). Hij werd geboren naast het Stadhuis (Sint Jacobsstraat 35) en emigreerde op jonge leeftijd naar Amerika, waar hij in 1940 een oscar won voor de muziek bij de film Stagecoach (met John Wayne). In de verte zien we centraal op het Hofplein het standbeeld van stadhouder Willem Lodewijk (1560-1620), die als eerste van de Friese Nassaus in het achter dat beeld gelegen Stadhouderlijk Hof resideerde. In een zijstraatje van de Eewal, de Suupsteeg, groeide Janny Vlietstra, tegenwoordig burgemeester van Winschoten, op.
We slaan linksaf de Slotmakersstraat in. Voor de oorlog woonden in deze omgeving veel joden. Meyer Linnewiel woonde hier in de buurt voordat hij in Amsterdam carrière maakte als standwerker Kokadorus. Prof. Mozes Troostwijk, o.a. burgemeester van Amersfoort en lid van de Raad van State, groeide op in Bij de Put 36. Op het taps toelopende pleintje herinnert een eenvoudig metselwerk nog aan de openbare watervoorziening die tot in de 19e eeuw dienst heeft gedaan. De bekende dominee en journalist Ype Schaaf werd geboren in Breedstraat 60. Het huis Bij de Put 15 was in de 18e eeuw in bezit van Willem van Haren (1710-1768), dichter en staatsman (6).
In de Grote of Jacobijner Kerk treft u grafzerken van voorname Leeuwarders aan. De Stadhouderlijke grafruimten zijn in dit verband opmerkelijk. In de kerk herinnert een gedenkzuil aan J.H. Nieuwold, onderwijsvernieuwer in het begin van de 19e eeuw. Wij vervolgen onze weg door de Monnikemuurstraat. Het eerste pand aan de rechterzijde, een restant van het oude Ritske Boelema-gasthuis, wordt momenteel gerestaureerd door de NV Stadsherstel. Verderop in de straat ziet u aan de linkerzijde (met rijkelijk gevulde etalage) het woonhuis van Leeuwrdenkenner Hendrik ten Hoeve. ‘Captain of industry' Cor Boonstra kwam in het hoekpand er naast ter wereld (Monnikemuurstraat 125). Bokser Rudie Koopmans (1948) woonde onder meer op Nieuweburen 92 (boven). Ook Jan Riedstra, de rijkste man van Friesland, woonde op de Nieuweburen.
Via de Vijzelstraat loopt u naar de Arendstuin. In het enig overgebleven huis heeft stadsarchitect Thomas Romein lange tijd gewoond (7). De renovatie is in volle gang en sluit aan bij de geplande nieuwbouw aan dit stukje stadsgracht. Langs de oude manege en het Stedelijk Gymnasium leidt de route naar de Reijndersbuurt 5 (8). De in Leeuwarden geboren en in Stiens getogen Pieter Jelles Troelstra heeft aan het begin van zijn carrièere als advocaat en politicus kort op verschillende plaatsen in Leeuwarden gewoond, o.a. aan de Reijndersbuurt.
We steken de Noorderweg over en passeren bij de Infirmerie het monument ter nagedachtenis aan schrijver-verteller Waling Dijkstra. Ter hoogte van de Wissesdwinger steken we wederom de weg over en gaan richting Jacobijnerkerkhof. Het loont de moeite links een blik te werpen op de laat-middeleeuwse uit het lood hangende zijwand van de vroegere kosterij. Op het Jacobijnerkerkhof aangekomen krijgen we zicht op het Joodse monument en de vroegere Joodse school. Vervolgens komen we in de Grote Kerkstraat op nr. 238 het oudste woonhuis van de stad tegen, 'Keimpemastins' of Pastoorshuis, vanaf de vroege vijftiende eeuw de pastorie van de in 1785 afgebroken Lieve Vrouwekerk van Nijehove, die aan de overkant van de straat stond, waar rond 1900 het voormalige Sint Elisabethklooster verrees. Vlakbij het hoogste punt van de terp tegenover de Waalse kerk is het volgende haltepunt: Grote Kerkstraat 73 (9). Dit lage huis omringd door hogere bebouwing bood onderdak aan Obbe Rommerts, actief in de vroege arbeidersbeweging.
In het huis op de hoek met de volgende zijstraat woonde ooit Margaretha Zelle (1876-1917), beter bekend als Mata Hari (10). Sinds het vertrek van het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum (FLMD) naar de Boterhoek, staat de oude stins met bijgebouwen te koop. Vlakbij, in de Kleine Hoogstraat nr. 12, woont schrijver Cees 't Hart. De entree van het oud Sint Anthoon in de Beijerstraat is versierd met een metalen gedenkteken voor architect-schilder Vredeman de Vries (1526-1609). In Pijlsteeg 3, een tiental meters naar rechts, had de schilder Gerrit Benner een winkeltje. Op de gevelsteen van Grote Kerkstraat 43 zien we een stins in zijn originele, laat-middeleeuwse vorm, toen zij primair een defensieve functie had. De gevelsteen met het onderschrift Aed Levwerd werd tot logo verheven van de gelijknamige vereniging, die nu al jaren in Leeuwarden de Open Monumentendagen organiseert. Het jaartal 1171 is zeker fout en dient vermoedelijk als 1571 gelezen te worden.
De gevelsteen uit 1992 boven de ingang van de Hofwijck, toont een voorstelling van de Holdingastins, die hier vroeger stond en waar in de eerste helft van de achttiende eeuw 's Lands munt gevestigd was. Evenals het oostelijk gelegen Sint Anthony Gasthuis was ook de Hofwijck vroeger een gasthuis, maar beide zijn inmiddels verbouwd tot huurwoningen. De tussenliggende Sint Anthonystraat was ooit een stadsgracht en vormde de grens tussen Oldehove en Nijehove. Tegenover deze straat bevindt zich het Bestuurshuis van het Sint Anthony Gasthuis, de oudste liefdadigheidsinstelling van Leeuwarden, die reeds in 1425 wordt vermeld.
Het oude herenhuis Grote Kerkstraat 31 werd tot voor kort gebruikt als pastorie van de Noorderkerk (11). Inmiddels is de kerk als congrescentrum It Aljemint ingericht, terwijl de pastorie weer tot woonhuis wordt verbouwd. In het pand woonde ruim een eeuw geleden de theoloog H.H. Kuyper (zoon van Abraham Kuyper).
Het Grietmanshuis tegenover nr. 31 op de hoek met de Bollemanssteeg is te beschouwen als een typisch voorbeeld van de residenties van de gewestelijke elites die in de zeventiende en achttiende eeuw de touwtjes in handen hadden. Bekendste bewoner was ‘den Ontzaggelijken Generaal' Hans Willem baron van Aylva. De laatste adellijke bewoner, jonkvrouwe Adriana Wilhelmina van Andringa de Kempenaer schreef in haar dagboeken: "Het huis waarin ik woonde en geboren was, behoorde tot eene der grootste en ouderwetste van Leeuwarden en er grensde een ruim koetshuis met stalling aan, die door een gang met het voorhuis verbonden waren".
Ook het Historisch Centrum Leeuwarden (HCL), het vroegere gemeentearchief, is te bezoeken. Het hoofdpand uit 1933 is ontworpen door architect D.F. Wouda en gebouwd om onderdak te bieden aan de Buma-bibliotheek. Ter plaatse van nr. 27 had de drukker Claude Fontaine in het midden van de 17e eeuw zijn domicilie. Vroege socialisten Oebele Stellingwerf en Trui Jentink bewoonden samen Grote Kerkstraat 23 boven.Via het HCL of de Doelestraat bereikt u het Coulonhûs (12), onderdeel van de Fryske Akademy. Teruggekeerd in de Grote Kerkstraat bekijken we nummer 20 (13). De voormalige patriciërswoning maakte lang deel uit van het complex van drukkerij Jongbloed. Op nummer 18 woonde ooit een heuse prins, de prins van Waldeck, eigenlijk een huurling die in 1793 sneuvelde tegen de Fransen.
Aan de andere zijde bevinden zich de Stadhouderlijke rijschool en stallen, nu in gebruik als tentoonstellingsruimte van het keramiekmuseum, en een fraai gebeeldhouwd poortje in barokstijl uit 1680. Het museum Princessehof is een complex van uiteenlopende bouwwerken dat een unieke collectie keramiek herbergt (14). Het kunstwerk op de zijgevel bij de entree herinnert aan de graficus M.C. Escher, die in het voormalige paleis van stadhouders-weduwe Maria Louisa van Hessen Kassel ter wereld kwam.
In het pand op nummer 9, nu in gebruik als museumrestaurant, nam in de jaren dertig van de vorige eeuw de dichteres Anna Maria Catharina Buma haar intrek. Zij woonde er met haar tweede man, gemeentearchivaris A. van der Minne. Ten huize van Anna Buma, die als een van de weinige vrouwen actief was in de Fryske Beweging, vonden geregeld bijeenkomsten plaats van Friese schrijvers en intellectuelen. Toen zij onder invloed kwam van de NSB, kreeg het gezelschap ook hoog Duits bezoek - van onder anderen de archeologen Hermann Wirth en Arend Lang - dat de Friese intellectuele elite voor het nationaal-socialistische karretje probeerde te spannen.
Het museum grenst direct aan het Heer Ivohuis (15). Dit huis en het straatje zijn vernoemd naar heer Ivo Johannes, de zestiende-eeuwse pastoor en deken van Oldehove. Sinds enkele jaren wordt er een brasserie uitgebaat. Tegenover het Princessehof staat de voormalige Middelbare Meisjesschool. Mata Hari heeft er nog onderwijs genoten. De zusjes van Vincent van Gogh zaten hier op kostschool.
Het Oldehoofsterkerkhof laten we voor wat het is. We gaan de Kleine Kerkstraat in. Schilder Nicolaas Huppes woonde op nr. 38. Op de noordelijke hoek met de Bagijnestraat heeft vestingbouwkundige Menno van Coehoorn een aantal jaren gewoond boven of achter de oude (afgebroken) Infirmerie. Via de Kleine Kerkstraat bereikt u de Nieuwestad. Eventueel kunt u nog een bezoek brengen aan de grutterswinkel in de Nieuwesteeg, om de hoek links. In dat geval komt u langs of in de buurt van de woonhuizen van August Brenninkmeijer, grondlegger van C&A (Nieuwestad 162) en Titia Bergsma, begin 19e eeuw de eerste westerse vrouw in Japan (Nieuwestad 63). Over de Vrouwenpoortsbrug of met het pontje bij de Harmonie (dat speciaal voor deze gelegenheid vaart) kunt u naar de Westersingel, waar we deze wandeling afsluiten bij het voormalige woonhuis van schrijver Geert Mak (16).


1. Uniabuurt 8, Laurens Alma Tadema
Laurens, later Sir Lawrence, Alma Tadema (1836-1912) werd geboren in Dronrijp, maar verhuisde al gauw naar Leeuwarden. Als kind woonde hij van 1837 tot 1840 in het huis Uniabuurt 8, waar zijn vader, Pieter Tadema, toen een notariskantoor had. Later verhuisde het gezin naar een - inmiddels afgebroken - pand op de hoek van Weaze en Zwitserswaltje. Laurens volgde in Leeuwarden het gymnasium, maar koos voor de kunst in plaats van de wetenschappen. Na onderwezen te zijn door C. Wester, ging hij op 16-jarige leeftijd naar de Antwerpse Academie. Op een reis naar Italië in 1863 werd zijn liefde voor de klassieke kunsten en architectuur verder aangewakkerd. In 1870 verhuisde hij naar Londen waar hij de rest van zijn leven bleef wonen. Alma Tadema werd een geliefd lid van de Britse Society en schilderde behalve scènes die zich afspelen in de Oudheid ook portretten en toneeldecors. Vooral de historische nauwkeurigheid van zijn werk was opmerkelijk voor zijn tijd. Op de wereldtentoonstellingen van Parijs in 1867 en Wenen in 1873 viel hij in de prijzen. Zijn schilderijen werden zelfs gebruikt als voorbeeld voor historische films. De schilder kreeg een straatnaam in Leeuwarden (1912), een plaquette op de gevel van zijn geboortehuis in Dronrijp (1914) en een Alma Tademakamer in Stania State (1936). Toch werd zijn werk in Nederland tot in de jaren zeventig niet erg gewaardeerd. Het Historisch Centrum Leeuwarden en het Fries Museum beheren werk van Tadema.

Waar nu café De Ossekop is gevestigd, stond vroeger de Uniastins. Café De Ossekop staat niet, zoals verwacht zou worden, aan de Ossekop maar aan de Uniabuurt. De naam Ossekop herinnert aan de ossenmarkt die hier eertijds gehouden werd. Aan de gevel van Uniabuurt 12 hing vroeger een ossenkop.
Het huidige pand Uniabuurt 8 is van oorspong zeventiende eeuws. Ondanks een aantal verbouwingen is het zeventiende-eeuwse karakter nog duidelijk aan de gevel te herkennen. Wegens bouwvalligheid werd de top van de trapgevel vervangen door een rondboog. Boven in de gevel zit een leeuwenkopconsole. De oorspronkelijke kruiskozijnen zijn in de negentiende eeuw vervangen door T-vensters. De huidige pui werd in 1912 geplaatst. Een etalagevenster wordt geflankeerd door een deur naar de bovenwoning ter linkerzijde en een deur naar het café ter rechterzijde. In het bovenlicht van deze deur bevindt zich nog het geschilderde, oude wijknummer C8. Geschilderde teksten geven aan dat café De Ossekop een "Bierhuis Proeflokaal Tapperij Anno 1912" is en dat er "Diverse Bieren" geschonken worden.
In een koopakte van 15 december 1797 wordt Ossekop 8 beschreven als een huis: "......bestaande in een behangen Voorkamer aan de Straat, daaronder een Kelder met een afgeschutte Wijnkelder; een groote behangen Middelkamer, een Galerij, wijders een Plaats, Bleekveld en Tuintje, op de Plaats een Secreet, en Kast tot Rommelarij; verders een behangen Achterkamer, achter aan de Vaart, daarnaast een Keuken en bij de Keuken een Ontwijkje, waarin een Regenwaters pomp, alsmede een Putswaters pomp. Boven de Voorhuisinge een behangen Voorkamer aan de Straat, en een groote behangen Agterkamer; booven die Voorkamer nog een Kamertje, wijders een Portaal; boven de Agterkamer een linnen Zolder. Boven de Agterhuizinge een Turfzolder".

Zoals het opschrift op de pui al aangeeft, werd in 1912 café De Ossekop gevestigd in Uniabuurt 8. Het café, bij de Leeuwarders beter bekend als Café Eijgelaar, is een van de opmerkelijkste horecagelegenheden in Leeuwarden. Dat komt door de inrichting en de speciale sfeer die er heerst. De inrichting is sinds 1912 nauwelijks veranderd. Alleen is, toen de voorschriften dat onontkoombaar maakten, in 1980 een damestoilet geplaatst.
Centraal in de caféruimte staat de grote stamtafel, oorspronkelijk een groot biljart. Hierboven hangt een prachtige, door architect Heldoorn ontworpen, Jugendstillamp. Langs de wanden staan kleinere tafeltjes die net als de Thonetstoelen zijn gemaakt van mahoniehout. Boven de tafeltjes hangen aardige Jugendstillampjes. Op het buffet staan twee bierpompen in de vorm van zwanenhalzen. De kranen en ook de spoelbakken zijn gemaakt van Brandenburger zilver, dat prachtig kan glimmen. In het achterste deel van de zaal staat het grote biljart. De voorruimte kan door zware gordijnen van de rest van de caféruimte afgescheiden worden. Stamgasten mogen hier hun fietsen plaatsen. Aan de wanden hangen opgezette vogels, oude affiches en andere nostalgische voorwerpen.
Bijzonder aan de sfeer in Café Eijgelaar is een groot aantal gebruiken en gewoontes en natuurlijk ook de stamgasten.


2. Ossekop 11 (Advocatenkantoor Anker & Anker), Saskia Ulenburgh
Pas enkele jaren geleden kon met zekerheid worden vastgesteld in welk huis Saskia van Ulenburgh, de eerste vrouw van Nederlands grootste schilder Rembrandt, is geboren. Op 1 maart 1595 droegen Mr. Eco Isbrandi, Secretaris van Gedeputeerde Staten van Friesland, en diens huisvrouw Eets Douwesdr. voor de somma van 1300 goudguldens hun huis over aan burgemeester Rombertus Ulenburgh en zijn huisvrouw, waarbij het verkochte alsvolgt werd omschreven: ‘zeeckere huysinghe metten boomen, achterplaatze ende schuijre, achter ande voersscreven plaats opde waterswal getimmert ende tot d'voersscreven huysinge behoorende'. Uit nadere bestudering van het schoorsteengeldregister uit 1606, koopcontracten van belendende onroerende goederen en kaartmateriaal bleek dat Rombertus Ulenburgh, de vader van Saskia, het perceel Ossekop 11 moet hebben bewoond.
In 1604 heeft Ulenburgh ‘zeeckere camer ofte olde behuysinge, zampt d'loedtzen daerachter' ten noorden van zijn woning gekocht en vervolgens het oude vervallen pand tot één geheel met zijn eigen grote huis laten verbouwen. De ‘ledige plaatze' ten zuiden van Ossekop 3, waarvan in 1594 sprake was, heeft zich ver zuidwaarts uitgestrekt. Jan Hendrickszn. Rhala verkocht in 1596 slechts een klein gedeelte van deze lege plek aan de meester metzelaar Utse Riemers, die er de percelen Ossekop 5 en 7 op liet bouwen. Op het meest zuidelijke deel van de onbebouwde huisstede liet Rhala voor zichzelf het huidige pand Ossekop 9 bouwen. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat ook het grote pand van Ulenburgh tot 1569 in eigendom toebehoorde aan de weduwe van de jonge Hans Croes of Cruys. Reeds op 12 september 1526 is er ter plekke sprake van onroerend goed van Hans Cruys. Het stadsbestuur verhuurde op die datum aan laatstgenoemde en aan Lenart Huges de tot dan toe braak gelegen hebbende grond ten noorden van het Oud Hengstewad (Zwitserswaltje) - de latere Uniabuurt - waar (tot 1498) de verwoeste Uniastins had gestaan. Onduidelijk is of hier de ‘jonge' Hans Cruys wordt bedoeld, dan wel zijn vader, die tussen 1531 en 1535 en in 1537 burgemeester van Leeuwarden was en die reeds in 1511 als inwoner van het Keimpema-espel wordt vermeld.
Rombertus Ulenburgh werd rond 1554 in Bergum geboren. Op 10 september 1578 promoveerde hij, na aan de universiteit in Heidelberg te hebben gestudeerd, tot doctor in de rechten. Ongeveer 30 jaar oud, werd hij burgemeester van Leeuwarden, in 1585 Gedeputeerde Staat van Friesland en in 1597 raad ordinaris in het Hof van Friesland. Van Rombertus Ulenburgh is bekend dat hij op 10 juli 1584 als een van de laatsten prins Willem van Oranje in levende lijve heeft gezien en gesproken. Bij onderhandelingen in Den Haag en Delft trad hij op namens de stad Leeuwarden en zijn gewest. Die bewuste avond dineerde hij bij de prins. Deze werd na de maaltijd door Balthazar Gerards doodgeschoten. Rombertus huwde voor 1591 met Siuckien Ulckedr. Aessinga, uit welk huwelijk acht kinderen zouden worden geboren, waarvan Saskia - gedoopt op 2 augustus 1612 - de jongste was. Na het overlijden van haar vader op 3 juni 1624 - haar moeder was vijf jaar daarvoor reeds overleden - werd Saskia toevertrouwd aan de zorgen van haar zwager dr. Gerryt van Loo (secretaris van Het Bildt) en haar oudere zuster Hiske Ulenburgh. Via een verre neef, Hendrick van Uylenburgh, kwam Saskia in contact met de Amsterdamse kunstschilder Rembrandt Harmensz. van Rhijn. Rembrandt was rond 1633 de rijzende ster in de Hollandse schilderkunst en dus een uitstekende partij. Op 5 juni 1633 verloofde het stel zich. Op 22 juni van het jaar daarop vond in Sint Annaparochie in het huwelijk plaats. Het lijkt zeker dat Rembrandt rond die tijd Leeuwarden heeft bezocht.
Saskia trok in Amsterdam bij Rembrandt in. In 1639 verhuisden ze naar een voornaam huis in de Jodenbreestraat (nu museum Het Rembrandthuis). Beneden woonde de schilder met Saskia, boven was zijn atelier. Het huis is zo veel mogelijk op dezelfde manier ingericht als toen Rembrandt er woonde. Van de vier kinderen uit het huwelijk bleef alleen zoon Titus in leven. Op 14 juni 1642 overleed Saskia, nog geen 30 jaar oud, aan tbc. Waarschijnlijk was toen de Nachtwacht, Rembrandts meest beroemde schilderij net voltooid. Ook van Saskia zijn verschillende door haar man vervaardigde schilderijen en tekeningen Rond 1645 kwam Hendrickje Stoffels als huishoudster bij Rembrandt wonen. Uit deze samenleving werd zijn dochter Cornelia geboren. Volgens sommige experts ging de kwaliteit van het werk van Rembrandt na het overlijden van Saskia achteruit.
Op 4 juli 1628 maken de proclamatieboeken melding van de verkoop van ‘de huijsinge ende hovinge cum annexis bij de heer Ulenburgh ende Siucktien Aesinga, echtelieden naegelaten'. Het huis werd door de raadsheer ordinaris Gellius van Jongestall voor 2600 goudguldens gekocht van de erfgenamen van genoemde echtelieden, te weten ‘vande minderjaarige bij decreet ende vande andere sonder decreet'. Pas in 1682, wanneer de erfgenamen van Allert Pijter van Jongestall het pand voor 3430 goudguldens overdragen aan Bruno van Vierssen uit Koudum, worden we uitvoeriger ingelicht. Het verkochte wordt dan omschreven als ‘seeckere heerlijcke en voortreffelijcke huisinge, voorsien met een voorhuis, costelijcke groot beneden zaal, een achter camer, twe kelderscamers, een clein schrijffcamerke, een groote kelders keucken, met watersteen, regenwaters back, en dan noch twe andere bierkelders, vier boven camers, kostelijcke kleersolderen, een tuijn en bleeckvelt achter de huisinge, met een nieu geboude camer, keucken, waschhuis, turffsolder, put en back, secreet en ander gerijff meer, staande aan ‘t water achter voorschreven voorhuisinge'.
Als Bruno van Vierssen het pand in 1696 voor 4400 goudguldens overdraagt aan de raadsheer Aggaeus van Hamerster, lijkt de indeling nog hetzelfde. Ook wanneer de erfgenamen van laatstgenoemde in 1738 de woning verkopen aan de heer Colonel Eelco van Glinstra kende het pand nog steeds één verdieping met daarboven een zolder. In 1795, wanneer Arend Johan van Glinstra lijkt er sprake van een waardedaling van het pand. In 1811 wordt het pand door de erven van Arend Johan van Glinstra overgedragen aan de echtelieden Jan Thomas Ferdinand Huguenin, destijds Maire van Sonnega, en Lamberdina Henriëtta Huber, beiden woonachtig te Wolvega. De weduwe verkoopt het op haar beurt rond 1834 aan de goud- en zilversmid Pieter Adama HJzn. Hij verwijderde hoogstwaarschijnlijk, gelet op de neoclassisistische stijl van de gevellijst, de topgevels en liet een 19de eeuwse lijstgevel aanbrengen. De befaamde tekenaar en schilder Willem Bartel van der Kooi, van wie nog vele fraaie werken in het Historisch Centrum Leeuwarden en het Fries Museum worden bewaard, huurde het huis tot ca. 1833. De bekende reiziger Jacob van Lennep beschrijft nog een bezoek aan het atelier van Van der Kooi in 1823. Grietje Adama werd in 1888 de nieuwe eigenaresse. Zij sloopte het bouwsel dat aan de oostzijde van de tuin aan de oude Herengracht lag en dat als werkplaats van Pieter Adama had gediend.

Nadat de gracht in 1894 was gedempt werd hier ter verkrijging van een betere rooilijn een strook grond van 100 m2 voor 680 gulden aan de stad overgedragen. In 1897 werd het pand verkocht aan de N.V. Leeuwarder Waterleiding Maatschappij, die er enige jaren kantoor en magazijn hield, waarna het - na nog enige jaren in gebruik te zijn geweest als was- en strijkinrichting - in 1921 in gebruik werd genomen als zusterhuis van het nabijgelegen Stads Ziekenhuis. Bij de drastische verbouwing die in 1920 en 1921 heeft plaatsgevonden en waarbij het pand werd voorzien van een extra verdieping, is de oorspronkelijke indeling van het pand helaas volledig verstoord. De verbouwingsplannen werden door de toenmalige directeur van Gemeentewerken alsvolgt omschreven: ‘Het maken van een keldertje van gewapend beton, een verwarmingskelder met brandstofberging. Op den beganen grond: een portaal met garderobe en vestibule met trap, ontbijt- of conversatiezaal, keukentje en W.C., en 2 slaapkamers voor te zamen 5 bedden. Op de verdieping: trap, badkamer, leerkamer, W.C., 3 kamers elk voor één bed en 2 kamers elk voor 2 bedden. Op de 2e verdieping: trap, W.C., 2 kamers met elk één en 2 kamers met elk 2 bedden. Voorts een dienstbodenkamer boven de badkamer'. In 1921 heette het, dat het gebruik van het gebouw zeer goed aan zijn bestemming voldeed: ‘Van een oud uitgewoond heerenhuis is een vriendelijk en gezellig tehuis voor het verplegend personeel gemaakt'. Dat het voorkomen van het pand in 1920/21 een ingrijpende metamorfose heeft ondergaan, valt eveneens te constateren als we een panoramafoto uit 1877 van Gerharda Henriëtta Mattijssen (1830-1907) vergelijken met een panoramafoto uit de jaren zeventig van de vorige eeuw.
Vóór 1920 telde het gebouw boven de begane grond nog één verdieping met daar boven een zolder voorzien van twee dakkajuiten. Wat bouwhoogte betreft, viel Ossekop 11 bijna geheel in het niet bij buurpand nummer 9. Het huidige dak heeft een centrale dakkajuit en links bevindt zich een zijkajuit. Toch zijn de verbouwers niet geheel voorbij gegaan aan de historische kenmerken van het exterieur. De bestaande kroonlijst met een geprofileerde dakgoot op een reeks klossen lijkt omhoog gebracht. Ook aan de achterzijde toont het pand nog onmiskenbaar zijn 16de eeuwse oorsprong, waarbij de gehandhaafde dubbele dakconstructie verraadt dat hier twee panden hebben gestaan, ooit in opdracht van Rombertus Uylenburgh tot één woonhuis verenigd. Het destijds van het Old Burger Weeshuis aangekochte pand toont aan de achterzijde nog het oorspronkelijke 16de eeuwse kruisvenster, zij het, dat het is herplaatst op de nieuwe verdieping. Het buitenmuurwerk van het dubbelpand is tot aan de eerste verdieping opgetrokken uit ruim 30 centimeter lange en 9 centimeter dikke kloostermoppen. Het is niet geheel ondenkbaar dat hier bouwmaterialen zijn hergebruikt die na de verwoesting van de Uniastins in 1498 op het stinsterrein zijn blijven liggen, dan wel oorspronkelijk deel hebben uitgemaakt van de fundering van deze sterkte. Toen in 1526 dit terrein door de stad aan Hans Cruys en Lenart Huges in verhuur werd afgestaan, werd in het huurcontract de bepaling opgenomen dat de huurders het terrein dienden ‘to slichten ende to bereyden'. Hieruit mag men afleiden dat de grond er toen nog als een puinhoop bij moet hebben gelegen. Ondanks de rigoureuze bouwkundige ingrepen laat het interieur van Ossekop 11 nog steeds een duidelijke scheiding tussen de twee oorspronkelijke panden zien. Ondanks het feit dat het metselwerk door een dikke pleisterlaag aan het zicht wordt onttrokken, verraden ontlastingsbogen boven de doorgangen, dat dragende (buiten)muren zijn doorgebroken. Tenslotte zijn in de achterkamer van het voorhuis nog de oorspronkelijke moerbinten zichtbaar waarvan er één rust op een 16de eeuws sleutelstuk.
Sedert 1999 huizen de bekende strafpleiters Anker & Anker in het statige pand. Met hen hebben de oorspronkelijke bewoners - de raadsheren van het Hof van Friesland - waardige opvolgers gekregen.


3. Ossekop 13 (De Olde Seigneurie), W.J. van Welderen baron Rengers
Het pand op de hoek van de Ossekop en Zwitserswaltje heeft nu een achtttiende/negentiende eeuwse uitstraling die de laatmiddeleeuwse kernen verhult. De gepleisterde gevel heeft scherpe voegen waardoor de indruk wordt gewekt dat het pand opgebouwd is uit natuursteenblokken. De voorgevel is symmetrisch ingedeeld, met de regelmatige grote vensters, een centrale entreepartij en een kroonlijst, geheel naar de mode van de achttiende en negentiende eeuw. Maar wanneer met om het pand loopt wordt duidelijk het uit meerdere bouwvolumes is samengesteld en dat deze ouder zijn dan de gevel doet vermoeden. Ten eerste valt de geringe hoogte van het pand op in tegenstelling tot de buurpanden in de Ossekop. De bouwlagen zijn in verhouding tot de breedte van het pand vrij laag hetgeen niet overeenkomt met de hang naar goede verhoudingen die vanaf de achttiende eeuw zo bepalend is. Voorts is aan de zijgevel te zien dat niet alle vensters op het zelfde niveau zitten, aan de rechter zijde liggen de vensters en ook de ankers iets hoger, dit duidt erop dat we hier met twee verschillende bouwvolumes en gevels te maken hebben. Ook de muur verraad de hoge ouderdom van het pand, deze is niet strak en recht maar ietwat gebogen en verjongt zich naar boven toe. Kijkend naar de achtergevel worden de afzonderlijke bouwblokken geheel duidelijk Hier zijn twee afzonderlijke gevels te zien, links geheel in stijl als de rest van de gevels rechts is een geheel ander vorm te zien, namelijk een tuitgevel. Wanneer men naar het dak kijkt is te zien dat het hier gaat om een meerder kappen die tezamen een carré vormen, met de gesloten zijde aan de voorgevel zijde. Deze kappen zijn in iedergeval gedeeltelijk aangepast aan de huidige situatie want deze corresponderen niet allen niet met de oorspronkelijk bouwvolumes.
Ook in het interieur is deze spanning zichtbaar. Ondanks dat er getracht is een rechte symmetrie in de plattegrond te bewerkstellingen door middel van het creëren van een centrale gang achter de entree, wat zo typisch is voor de achttiende en negentiende eeuw, is het duidelijk dat het hier gaat om een samenvoeging van meerdere, oudere onderdelen. In de gerende vertrekken, vreemde hoeken en verspringingen en de balklagen zijn de afzonderlijke onderdelen van de oude kernen zichtbaar.
Het pand is een samensmelting van drie afzonderlijke panden die zich verschillend richten. De rechterzijde van de hoofdentree bestaat uit twee panden die zich richten op het Blokhuisplein, waar vroeger een gracht liep. In de gang zijn de verspringingen van de achtergevels zichtbaar ten hoogte van de trap. Links van de gang bevindt zich het derde pand dat met de voorgevel naar de Ossekop is gericht en geheel naar achter doorloopt. Dit bouwvolume is aan de achterzijde voorzien van de tuitgevel.
Het huidige pand zal in de loop van de tijd gevormd zijn door het samenvoegen van aangrenzende panden of door het aanbouwen van bijgebouwen. Hoe dit precies is gegaan is niet met zekerheid te zeggen. Archief onderzoek wijst uit dat het pand of delen daarvan al vanaf 1564 vermeld word, maar het is niet duidelijk in welke hoedanigheid. Wel weten we dat achter het huis eertijds een pand heeft gestaan met een brug over de gracht, welke in 1709 al wordt genoemd. In een acte uit 1681 wordt het geheel omschreven als ‘seeckere huysinge, hovinge cum annexis, ‘de olde signorie genaemt'. Waaruit opgemaakt kan worden dat het een aanzienlijk pand was met tuin en bijgebouwen. De naam ‘de olde signorie' laat geen twijfel mogelijk dat hier voorname lieden hebben gewoond hetgeen wordt bevestigd als we de eigenarengeschiedenis bekijken. In een acte uit 1745 wordt melding gemaakt dat het grote ‘huys met tuyn' samen met een koetshuis aan het blokhuisplein wordt verkocht. Bovendien worden kostbare interieuronderdelen genoemd zoals ‘behangsels, schilderien voor de schoorstenen, glas raamen en chassenetten' (meestal rijk gedecoreerde voorzetruiten) en twee kachels.

Een van de vooraanstaande bewoners van dit pand is Baron Wilco Julius Van Welderen Rengers, Wethouder (1867-'77), en later burgemeester van Leeuwarden van 1877-'83. Tijdens zijn functie als wethouder woonde de baron in dit voorname woonhuis aan de Ossekop. Naast gemeentebestuurder was hij ook volksvertegenwoordiger en parlementair historicus. Hij werd geboren op 14 november 1835 te Leeuwarden geboren als zoon van Willem Carel Gerard van Welderen baron Rengers, grietman en statenlid, en Quirina Jacoba van Andringa de Kempenaer. Sinds 26 oktober 1864 was hij getrouw met Catharina Theresia Looxma, uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren. Rengers stamde uit een Friese tak (Van Welderen) van een Groningse familie. Het geslacht had veel politieke invloed. Hij bezocht de Latijnse school te Leeuwarden en de kostschool Kaptein te Barneveld. Na zijn staatsexamen studeerde hij rechten te Utrecht en promoveerde hij in 1861. Rengers werd daarop advocaat in zijn geboortestad (1861-1877) en bekleedde een tijdlang het Rijksadvocaatschap in Friesland (1866-1876). In 1867 liet hij zich overhalen om wethouder te worden en 10 jaar later werd Rengers benoemd tot burgemeester.Tijdens zijn bewind werden belangrijke maatregelen genomen op het gebied van onderwijs en van volksgezondheid. Inmiddels was Rengers in 1883 bij herstemming in de Friese Staten gekomen. En in hetzelfde jaar kwam Rengers in de Eerste Kamer, waar hij tot 1913 inzat. Hij was een gematigd liberaal en onderwijs, economie, landbouw, gevangeniswezen en sociale vraagstukken hadden in en buiten de volksvertegenwoordiging zijn belangstelling. De rijke grootgrondbezitter schijnt als pachtheer een goede naam te hebben gehad. In Leeuwarden is zijn naam nog steeds verbonden aan het door hem in 1904 geschonken Rengerspark, waarvoor tuinarchitect H. Copijn een ontwerp maakte. Rengers is landelijk bekend door zijn ‘Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland sedert 1849'een boekwerk dat lange tijd een grote betekenis heeft gehad. Hij was één van de eerste schrijvers over parlementaire geschiedenis.

Wat de vroegste eigendoms- en bewoningsgeschiedenis betreft duiken achtereenvolgens de namen op van: Jan Tyaerdt van Sterckenburg (?- 1564); Douwe Douwema (1564-?); Sydts Bottnija en Tet van Douwema (?- 1576); Mr. Focco Rommarts, Raedt Oridinaris inden Hove van Vrieslant (1576-1595). Dan is er een lacune van bijna een eeuw tot 1681 wanneer Sophia Loudewell het huis verkoopt aan Dr. Johannes van Lennep, Advocaat van de Hove van Frieslant en juffr. Anna de Block van Scheltinga, het pand komt dan later in bezit van hun erfgenamen (1681-1709); Gerard Hixenius, Ontfanger Generael wegens de provincie van Friesland, en Wylskien Stania en later hun erfgenamen. (1709-1745); Pieter Ramaker, Procureur Generaal deser Landschappe, en Vrouw Ita Maria Keijser en later hun erfgenamen. (1745-1788); Mr. Marius Nauta, Advocaat voor den Hove Vriesland en Pensionaris der stad Leeuwarden, en later zijn erfgenamen. (1788- 1797); Sible Cats en Riemke Lunia van Wiarda (1796-?).
Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw is het pand in handen van de familie Brandsma en hun erven: Weduwe G.S. Brandtsma (omstreeks 1824) en Jan Bieruma Oosting, Advocaat (omstreeks 1843); Emelius Marcellius Swart, Procureur (?-1865) Wilco Julius van Welderen Baron Rengers, Wethouder en later Burgemeester van Leeuwarden (1865-1873). Na van Welderen Rengers volgen Pieter Koumans van Dam, arts (1873-‘78) ; Christiaan Koudijn Beekhuis, notaris (1881-'85) en Mr. Cornelis Beekhuis, advocaat. Het huis wordt momenteel bewoond door Gjalt de Graaf (literair publicist) en zijn gezin.


Kelders 33, het geboortehuis van Mata Hari

Tekst: Klaas Zandberg, Historisch Centrum Leeuwarden 

Dit weinig bijzonder ogende winkelpand verraadt niet direct dat hier een succesvolle en wereldberoemde Liwwadder is geboren. Toch zag in dit huis Margaretha Zelle, alias Mata Hari op 7 augustus 1876 het levenslicht. De danseres en spionne werd geboren boven de hoeden- en pettenwinkel die haar vader dreef. Het enige dat herinnert aan dit opmerkelijke feit is het beeldje van Mata Hari op de Korfmakerspijp vlakbij haar geboortehuis. Het door Suus Boschma-Berkhout vervaardigde beeld werd onthuld op de dag dat Margaretha Zelle precies een eeuw eerder werd geboren. De huidige eigenaar van het pand wil het geboortehuis van Mata Hari interessanter maken voor passanten en andere belangstellenden. Zo komt er misschien binnenkort een plaquette op de gevel.

hoedenwinkelzelle.JPG

Uit bewaard gebleven rekeningen weten we hoe het geboortehuis van Margaretha er destijds uitzag. Foto´s van het pand, toen Magazijn de Klok genaamd, uit die tijd zijn helaas niet te vinden. Uit een foto van de omgeving uit 1884 blijkt dat De Kelders aan het eind van de 19e eeuw nog altijd een van de centrale plaatsen in Leeuwarden was, omdat er veel aan- en afvoer van goederen plaatsvond.
Adam Zelle, de vader van Margaretha, was ook al geboren aan De Kelders. Hij had de zaak in 1868 overgenomen van zijn vader Cornelis, die er in 1839 een pettenzaak was begonnen. Diens vrouw Margaretha (Hamstra) en schoonmoeder Geertruida (Berkebijl) werden de naamgevers van hun later wereldberoemde telg. Moeder Antje van der Meulen was de dochter van een Franeker apotheker.

Adam Zelle verkocht niet alleen hoofddeksels, maar was ook fabrikant ervan. Hij leverde onder meer aan de plaatselijke Schutterij en het garnizoen en bouwde een bloeiende zaak op. Uit het belastingkohier van 1877 is op te maken dat Zelle toen goed boerde. Zijn jaarlijks inkomen werd geschat op ƒ 3500,-. Daarmee kan hij ruimschoots tot de klasse van de hogere middenstand worden gerekend. De familie kon zich gemakkelijk een dienstbode veroorloven. In 1882 werd er ook nog een aparte kinderjuffrouw aangetrokken. Goede werkgevers waren de Zelles waarschijnlijk niet. Zij versleten heel wat dienstbodes.
Alexander Cohen, ook van De Kelders, herinnerde zich Adam Zelle nog: ‘Ik heb hem nooit anders gezien dan met een hoogen hoed op, en met de duimen in de armsgaten van zijn gebloemd fluweelen vest. Zoo, met het eene been nonchalant over het andere geslagen, stond hij, gemeenlijk, tegen zijn deurpost geleund op straat te kijken.'

Keikes omschrijft de periode aan De Kelders in ´Het meisje Mata Hari´ als volgt: `De kleine Margreet Zelle groeit voorspoedig op. Ze zal gespeeld hebben op dat pleintje voor het deftige hotel De Nieuwe Doelen, net eventjes terzijde van de bedrijvige drukte van De Kelders en de lager gelegen Bierkade. Vader Zelle heeft zijn winkel, moeder Zelle de zorg over Margeets jongere broertjes. Het woonhuis boven de winkel is niet erg groot voor een gezin met vier kinderen. In september 1882 ging Margaretha naar de Gemeenteschool nr. 3, beter bekend als het Hofschooltje aan het Raadhuisplein. Het was de school van juffrouw Hielkje Buys, een juf die niet met zich liet spotten, en de reputatie van haar school, waar de betere stand van de Leeuwarder bevolking hun kroost naar toe stuurde, met verve verdedigde. Het is juf Buys geweest die Margaretha heeft leren lezen, rekenen, schrijven en de eerste beginselen van de Franse taal heeft bijgebracht. Het altijd wilskrachtig gebleven handschrift van Margaretha is zodoende onder de invloed van juffrouw Buijs tot stand gekomen. Zij kon toen nog niet bevroeden dat haar leerling later zou uitgroeien tot de enige Nederlandse vrouw (samen met Anne Frank), die wereldvermaardheid zou verwerven. Een bekende klasgenote van Margaretha was Corrie Blok Wybrandi. Haar fotoportret komen we nog tegen in het Stadhuis. Jarenlang is zij lid van de Leeuwarder Gemeenteraad voor de Vrijzinnige Democratische Bond en zelfs wethouder van Onderwijszaken geweest. Ook de latere echtgenote van de Leeuwarder burgemeester Jhr. Julius Mathijs van Beyma, Corrie Huber, heeft bij Margaretha in de klas gezeten. Dankzij hen weten wij dat Margaretha graag opviel bij haar klasgenootjes. Net als haar vader, die als "de baron" bekend stond in Leeuwarden, deed ze zich meer voor dan ze was. De meest fantastische verhalen kon ze vertellen, waardoor ze toch wel enigszins verwaand overkwam!`

Ook in de 18e eeuw en daarvoor werd er vanaf deze plek handel gedreven. Er stond destijds een voornamer pand. In de eerste helft van de 19e eeuw wordt het huis kennelijk wat verwaarloosd, want het gaat in waarde achteruit. Het huis wordt in 1816 of daaromtrent eigendom van Koenraad Hamstra, ‘winkelier Manufacturen en Galanterij Waaren' en een van de grootvaders van Margaretha.
In 1850 is er sprake van ‘herbouw' en worden het pand aan De Kelders en een achterliggend huis aan de Poststraat (kadastraal) verenigd. Het herenhuis met winkel krijgt dan in grote lijnen het huidige uiterlijk: een winkel op de begane grond met grote etalageramen en een woning op de verdiepingen en een zolder. De raamvorm, het metselwerk en de hardstenen penanten zijn typisch voor het midden van de 19e eeuw.
Toen het gezin Zelle in 1883 groter ging wonen in de Grote Kerkstraat kwam het pand aan De Kelders in handen van Gerben Visser, koopman en winkelier in galanterieën. Ook later bleven hier winkels gevestigd: in de jaren dertig ´in vleeswaren en comestibles´ en in de jaren vijftig ´in optische apparatuur en horloges´. In 1938 werd de pui gemoderniseerd. Er kwam een brede etalage, een aparte opgang voor het woongedeelte en blauwe tegels rondom. In 1960 werd De Kelders 33 getrokken bij de firma Niermeyer (sinds 1880 ´in huishoudelijke en verlichtingsartikelen´), die al in de nummers 29-31 en 34 was gevestigd. De etalage werd wederom verbreed, enkele muren doorbroken en de woning -die tot dan niet ingrijpend was gewijzigd- tot magazijn verbouwd. In de zomer van 1985 begint Wyb Feddema hier ‘Hari Haarmode'.


5. Eewal 76, Pybo Gualteri
Het stadsbestuur van Leeuwarden zal verbaasd en blij verrast geweest toen op 14 december 1610 Schelte van Aebinga met een aanbod kwam. Deze Schelte bewoonde en beheerde namens zijn zwager Schelte van Liauckama het Minnemahuis op het hoekje van de Voorstreek en de Minnemastraat en het daarachter gelegen driehoekige stuk land dat doorliep tot de Eewal. Iedereen kende die forse lap grond als de Minnemahof. Aebinga bood aan de grond van de hof langs de Minnemastraat en de Eewal te verkavelen en in pacht uit te geven " ... omme dat tot huysen te bebouwen, tot twaeleff heerlijcke plaetzen, 't welkce solde strecken tot een groote ere ende versieringe van de stadt." Het stadsbestuur hapte toe en voortvarend werd met de bouw van huizen begonnen. Misschien wel wat te voortvarend want de laatste grond ten behoeve van de straat die voor de huizen langs de Eewal moest komen, kon pas in 1613 aangekocht worden.
Het huis aan de Eewal 76 behoorde bij de eerste die gebouwd werden getuige twee steentjes in de achtergevel waarin "Anno 1611" gebeiteld is (zoekt u niet - ze zijn door de pleisterlaag niet meer leesbaar). Bouwheer van dit huis was de omstreeks 1580 in Franeker geboren Pybo (soms: Pibo) Gualtheri. Hij had aan de universiteit van Franeker talen, landmeet-, wis- en sterrenkunde gestudeerd en was in 1603 benoemd tot eerste klerk van de Rentemeester-Generaal van Friesland. In hetzelfde jaar trouwde hij met Tryncke Harmensdr, dochter van de Leeuwarder hopman Harmens Jansz. Pybo moet een bijzonder iemand geweest zijn want het Fries Museum bezit een door hem in 1600, hij was dus toen 20 jaar oud, gemaakt astrolabium - een instrument om de stand van sterren zowel als de tijd mee te meten.
Overigens was Pybo op jonge leeftijd al bepaald vermogend want hij hoefde voor de 465 goudguldens die de bouw van het huis aan de Eewal hem kostte geen hypotheek te nemen. In later jaren is sprake van een zekere losbandigheid op het gebied van de huwelijkstrouw en met geld - en niet alleen met zijn eigen geld!
Als Tryncke in 1618 overlijdt en Pybo kort daarop weer in ondertrouw treedt, moet er een beschrijving en taxatie gemaakt worden van de inboedel. Dat geeft ons de gelegenheid het pand van binnen te bekijken. Binnengekomen door de voordeur, die toen in het midden van het pand zat, komen we in het voorhuis. Daar staan vrij eenvoudige meubels, drie banken, wat stoelen en een grote zwarte kist met ijzer beslagen. Maar er hangt een rijkdom aan schilderijen aan de muur: twee portretten van 'Us Heit', een Maria-voorstelling, een reidans met een onderstaande Latijnse spreuk, een afbeelding van Vrouwe Justitia, liefst zeven landschappen, een portret van Hendrik IV, een bloemstilleven, een 'Wijnsuyper' in een eikenhouten lijst en ook een wereldkaart. Verder is er een reclamebord 'Bij den Landmeter' en een beeld van Hercules te zien, en hangen er een spiegel in een gouden lijst, een kooi met een kanariepietje en een koperen klokje. In de achter dit goed gevulde vertrek gesitueerde kamer bevinden zich veel meubels waaronder een kast vol zilverwerk, opnieuw schilderijen, kleine muziekinstrumenten en wat wapentuig. De keuken ligt aan de andere kant van een plaats. Boven in het voorhuis zijn twee kleine kamers met uitzicht op straat en daarachter het zaal. Dit is het meest representatieve vertrek met veel schilderijen, beelden, dure meubels en een klavecimbel. Boven de keuken bevindt zich tenslotte het 'studoir' met meer dan duizend boeken waarvan de beschrijving maar liefst 59 pagina's vergt en die getaxeerd worden op een waarde van 2458 guldens.
Eeuwenlang hebben er belangrijke mensen in het huis gewoond. Na Pybo Gualtheri woont Cornelis Jellis er, een notaris, en na hem Philippus Ernst Vegilin van Claerbergen, de secretaris van stadhouder graaf Willem Frederik van Nassau. Daarna is het huis een tijdlang in bezit van een lid van de familie Van Aylva en in 1695 wordt het verkocht aan Wilhelmus Siccama, advocaat aan het Hof van Friesland. Zijn nazaten zullen het huis tot het jaar 1800 in eigendom hebben maar er niet altijd zelf wonen. Geregeld wordt het verhuurd en wonen er, al dat niet uit de familie Siccama, een raadsheer, een advocaat, een bouwmeester, een burgemeester en een dominee. In 1725 is ene Dr. Felen huurder en de jaarlijkse huurprijs van 225 guldens die hij ervoor moet betalen is een bewijs van de standing en allure die het huis heeft: het is ruimschoots de hoogte huurprijs van alle panden op de strook langs de Eewal en de Minnemastraat.
Rond 1790 is de advocaat mr. Abelus Siccama bewoner en hij laat het huis verbouwen naar de mode van z'n tijd: met een voorname ingangspartij aan de rechterkant en daarachter een marmeren gang van meer dan 30 meter. Misschien zijn in die tijd ook de vensters van het achterhuis vergroot. In 1801 komt het pand in bezit van Antoon van Assen, genoemd als tailleur koopman of gewoon kleermaker; hij moet in elk geval een flink atelier of een forse winkel bezeten hebben. Zoon Frans erft het huis rond 1830. Na Frans valt het pand toe aan diens dochter Maria, echtgenote van notaris Jacob van Leeuwen. Net afgestudeerd als jurist mag hun zoon zich in 1885 de volgende eigenaar noemen. Hij laat het huis grondig opknappen waardoor het de huidige, typisch laat-negentiende-eeuwse sfeer krijgt. In 1919 trekt Jan Johan Gramser die de huur overnam van een notaris, in het huis, en vijf jaar later koopt hij het op een veiling. Door het in 1929 te verhuren aan David Flud van Giffen, komt er voor de vierde keer een notaris in. Een halve eeuw lang houden er nu nog bekende notarissen kantoor en stukje bij beetje wordt het pand volledig voor die bestemming verbouwd. Het notariële gebruik manifesteert zich nu nog in de dubbele kluiskast, die zich in de achterkamer bevindt. Pas als in 1978 notaris Adema het pand verlaat, krijgt het deels weer een woonbestemming en ontstaat langzaam wat het in 1611 was: een bedrijf beneden en een riante woning boven.
Aan het pand is van alles te zien. Allereerst valt natuurlijk de ingangspartij op die in monumentenjargon als volgt beschreven wordt: ‘Het onderste vak van de deur heeft een kussenvorm en na een laag, geornamenteerd tussenvak volgt een vak dat met decoratieve lijstjes een amandelvormig middenpaneel vormt. Na het gesneden kalf volgt het hoge staande bovenlicht met diagonaal naar het centrum gerichte en op een dunne cirkel gemonteerde pijlen. Ter weerszijden van de deur staan brede gegroefde pilasters op stevige hardstenen basementen. Aan de bovenzijde hebben ze Ionische kapitelen met voluutkrullen waaruit guirlandes, bladerenslingers, hangen. Ook over de kroonlijst met een dubbele tandlijst zijn guirlandes gedrapeerd.'
Beneden heeft het pand naast de deur twee flinke vensteropeningen en onder de linker ook nog een heel laag keldervenster. Boven die vensters zijn in het metselwerk nog halfronde ontlastingsbogen te zien die dateren uit de bouwtijd van 1611. Op de verdieping staan drie flinke empire zesruitsvensters in de voorgevel. Daarboven zitten rechte hanenkammen. Waarschijnlijk is omstreeks 1840 het hele bovendeel van de gevel vernieuwd en is er toen ook een bekroningslijst gekomen waar eerst ongetwijfeld een topgevel, mogelijk in de vorm van een trap heeft gezeten. Merkwaardig is de buitenmaats brede dakkapel die waarschijnlijk aan het eind van de 19e of het begin van de 20e eeuw aangebracht is.
De opzet van het huis is eigenlijk vrij gewoon voor een oude, in fasen gebouwde woning in de binnenstad. Vooraan staat een diep 17e eeuws voorhuis, gevolgd door een smal tussendeel, dat de verbinding legt met het jongere, 19e eeuwse achterhuis. Dat achterhuis, dat wat bescheidener van omvang is dan het voorhuis, is blokvormig maar net niet vierkant, iets breder dan diep en telt twee volle bouwlagen plus een steile schildkap. Het heeft een forse uitbouw waar ooit een keuken heeft gezeten, die deels nog is te zien.
Het interieur is door alle verbouwingen in verschillende perioden een charmant allegaartje geworden. Het pronkstuk is het stucplafond op de begane grond in het achterhuis, ondanks de beschadigingen. Het is zonder twijfel het werk van een vakman, maar hij heeft zich niet goed raad geweten met de opdracht. Dat lag stellig aan degenen die het huis gebouwd hadden; zij zadelden hem namelijk op met balkvakken van ongelijke maat. De balken zijn omstuct en gaan met een koof (gebogen vlak als overgang naar het plafond) over in de vakken. De drie middelste vakken hebben een regelmatige perkversiering van bundellijsten, omwonden door bloemen- en bessenslingers, en bloemaccenten in de hoeken. De buitenste vakken zijn echter zo smal, dat de stukadoor moest improviseren. Ternauwernood kon hij in een ervan een ingekrompen perkversie kwijt, in de andere moest hij volstaan met iets wat bij benadering een half perk is. De kamer zelf is recentelijk opgeknapt: een afgesloten rookkanaal is opengemaakt en er is een zwart marmeren schouw geplaatst.
De huidige bewoners leggen nog meer de nadruk op wonen en accentueren dat door ‘bed and breakfast' aan te bieden. Het ‘bed' staat in de fraaie kamer in het achterhuis en het ‘breakfast' wordt geserveerd in de voorkamer aan de Eewal. Tevens is de lange gang - meer dan 30 meter, die jarenlang halverwege afgesloten was - weer in zijn bijna volledige lengte opengemaakt. Let u ook even op de zware sloten aan de kelderdeur en aan de deur van de voorkamer.


6. Bij de Put 15 (vrijmetselaarsloge), Willem van Haren
Het huis moet zo rond 1560 gebouwd zijn. De bouwheer was waarschijnlijk Jacob Sybrants Auckama, uit een voornaam Leeuwarder geslacht. Tegen het eind van de 16e eeuw is het eigendom van Jacobs erfgenamen want die betalen er dan de grondpacht voor. Daarna wordt het verkocht aan doktor Matthijs van Schoten.
De bekende stadsplattegrond uit 1603 van Johannes Sems laat zien dat het huis op dat moment een trapgevel had waarvan bij een restauratie in 1978 nog sporen zijn teruggevonden. De tuitgevel zoals die er nu nog zit is in 1619 aangebracht en daar verwijst het kleine gevelsteentje met die datum naar. Het andere gevelsteentje met Vrijmetselaars-symbolen is pas onlangs aangebracht. Verder is het uiterlijk goeddeels gespaard gebleven: de vensternissen op de verdiepingen zijn beslist nog 16e eeuws.

Gedurende de 17e eeuw is het pand een groot aantal jaren eigendom geweest van leden van de familie Van Harinxma thoe Slooten. Zij moeten een speciale band met het huis gehad hebben want een boedelbeschrijving uit 1693 geeft aan dat in de zg. tuinkamer maar liefst 59 familieportretten aanwezig waren, alle met name genoemd. Deze tuinkamer bevindt zich links-achteraan en is waarschijnlijk door de Van Harinxma's gebouwd.
Later komt het pand in bezit van Rixt van Andreae die het naastliggende pand Bij de Put 13 koopt en het samenvoegt met haar eigen pand. In het stedelijk transportregister wordt Bij de Put 15 uitvoerig beschreven: "... bestaende in een roijaal voorhuijs waarin een provisiekamer, een voorkamer met een bedsteed en eenige spijnties ( = kastjes), een groote achterkamer met een bedsteed, een besloten kleerkast met vier spijnties, een bequaamde gang en daarin een kelder, spijskamer, regenwaterbak, pomp en steen, een kamertie boven de keukentie met een bedsteed en porceleinkastie, een turff en houtsolder, een schoone voor en agter bovencamer, ieder voorsien met een bedsteed, ruijme spijskamer en eenige besloten kasties, een roijale afgeschoten kleer en turfsolder en vliering, een ruijme plaets en daarop een lootske en secreet."
Rixt laat tussen beide panden een doorgang maken. De nis van die doorgang bestaat nog steeds: direct na de vestibule, links vooraan in de gang. Hoewel afgesloten, zijn de met rococomotieven versierde deuren van die doorgang tot 1927 op hun plaats gebleven.
Na het overlijden van Rixt gaan beide panden via vererving over naar haar kleinzoon Willem Anne van Haren, in zijn tijd een even beroemd als berucht man. Henry Havard schrijft omstreeks 1870 in zijn reisboek: ‘Deze vermaarde familie van dichters en staatsmannen, is genoeg bekend in de geleerde wereld'.
Willem van Haren werd in 1710 in Leeuwarden geboren en hij trok in zijn jonge jaren veel op met de latere stadhouder Willem IV. Na studies in Franeker en in Groningen volgde Willem zijn grootvader na diens dood op als grietman van Het Bildt. In 1740 wordt hij door de Friese Staten afgevaardigd naar Den Haag. Hij maakt vervolgens carrière op het politieke vlak als hij in 1748 deel uitmaakt van de Nederlandse delegatie die deelneemt aan de besprekingen die tenslotte leiden tot de Vrede van Aken en Nederlands ambassadeur wordt bij de Oostenrijkse onderkoning in de Zuidelijke Nederlanden. Hij vestigt zich dan in Brussel.
De Van Harens waren personen wier uiterlijk indruk maakte, Willem ook: "De gloed eener blozende gezondheid lag op zijn krachtig en door de regelmatigste trekken gekenmerkt gelaat; zijn doordringend, uitvorschend oog verkondigde eene mannelijke en aldurvende ziel. Kloek van gestalte, breed van bouw, deftig in zijne bewegingen, stak hij onder alle zijns gelijken als een koning uit."
Als Willem in 1737 trouwt met Marianne Charles, een 11 jaar oudere hofdame uit het gevolg van Prinses Anne - de echtgenote van Prins Willem IV - moet hij een lopende affaire met Maria Crullers, een Leeuwarder hellebaardiersdochter bij wie hij twee kinderen heeft, beëindigen. Hij verplicht zich bij notariële akte wel moeder en kinderen te blijven verzorgen. Het zal hem later diep berouwen. Zijn huwelijk met Marianne blijft kinderloos maar Willem verwekt er ondertussen nog wel enkele bij zijn huishoudster, Anna Natalis uit Luik. Als Marianne enkele jaren later overlijdt trouwt Willem met Anna en ze krijgen nog een tweetal kinderen. Dan ontstaan er problemen. Het huwelijk met Anna wordt niet passend geacht en Willem raakt maatschappelijk op de achtergrond. Hij wordt gepasseerd voor belangrijke functies en taken waardoor zijn inkomsten teruglopen. Ondertussen leeft de hellebaardiersdochter met man en kinderen en later ook anderen erbij betrokkenen - "dat kanalje" zoals ergens in een brief geschreven is - er ruim van op zijn kosten. Van Haren moet zich in allerlei bochten wringen om hen tevreden te houden. Lastig wordt het als in Friesland beschuldigingen aan Willems adres klinken over fraude in zijn functie als Ontvanger Generaal van Friesland. De financiële perikelen worden nog gecompliceerder als enkele van zijn bedienden hem blijken te bedriegen. Om zichzelf enige financiële armslag te geven begeeft Van Haren zich in dubieuze, risicovolle transacties. Hij raakt steeds dieper in de schulden. Zo diep zelfs dat hij geen uitweg meer ziet en op 4 juli 1768 in Brussel door vergif een einde aan zijn leven maakt. De schulden zijn zo enorm dat de erfgenamen de boedel verwerpen en Willem uiterst sober op gemeenschapskosten begraven wordt. Een triest einde van wat begon als een glanzende carrière.

Na Willems overlijden gaan de panden Bij de Put 13 en 15 gescheiden in de verkoop en nummer 15 is de volgende tientallen jaren bezit van verschillende eigenaren. In 1867 trekt de familie Burger in het huis. Vader Combertus Pieter Burger, professor in Leiden, is benoemd tot directeur van de pas opgerichte HBS in Leeuwarden en verhuist met zijn omvangrijke gezin naar de Friese hoofdstad. Jongste zoon Hendrik (1864) studeerde na zijn Leeuwarder schooltijd in Leiden en Delft medicijnen om vervolgens een tijdlang een artsenpraktijk in Leiden te hebben. Later werd hij hoogleraar in de keel-, neus- en oorheelkunde. Totdat zijn stiefmoeder, met wie hij een innige band had en die hij teder ‘Grootma' noemde, in 1927 overlijdt, bezoekt Hendrik Leeuwarden minstens eens per jaar. Op latere leeftijd begint hij de herinneringen uit zijn jeugd op papier te zetten. In 1949, Hendrik Burger is dan 85 jaar oud, bundelt hij de stukken tot een uitgave: een kostelijk boekje waarin Hendrik met een scherp oog, veel humor en soms milde ironie terugkijkt. Hij schrijft over de stad Leeuwarden en haar bewoners, over zijn familie, over zijn belevenissen in en om de stad. En over het huis natuurlijk.
In het laatste hoofdstuk stapt hij over naar het heden en bezoekt Leeuwarden nog één keer. Het is hem geen onverdeelde vreugde door zijn oude Leeuwarden te wandelen. Hij vindt er goede dingen zoals de nieuwe veemarkt en recent verrezen buitenwijken die, meent hij: " ... de indruk geven van netheid, vriendelijkheid en zorg voor licht en lucht." Maar veel is vernield. Burgerhuizen zijn winkels geworden en "... vele vertonen schreeuwerige reklames ..." soms met "... illuminaties die de ogen pijn doen." Dwingers zijn afgegraven om met de grond grachten te dempen. "Kruidenierspolitiek" foetert Burger. En als hij ook zijn ‘eigen' Bij de Put bezocht heeft, kan hij zichzelf maar één advies geven: "Ga naar huis met je tachtig jaren en kom niet weer terug."

Grootma Burgers erfgenamen verkopen het grote huis op 12 mei 1927 voor bijna 19.000 gulden aan de in 1782 opgerichte Vrijmetselaarsloge ‘De Friese Trouw'. In de gang van Bij de Put 15 zijn twee gedenkstenen aanwezig die resteren uit een eerder onderkomen van de loge, Nieuwestad 103.
Onder leiding van de architecten, tevens logeleden, Baart en Kramer vindt een forse inwendige verbouwing plaats om het pand geschikt te maken voor bijeenkomsten. De lange, statige gang wordt voorzien van een vestibule en op de benedenverdieping worden twee kamers samengevoegd om er de Voorhof van te maken. Ten behoeve daarvan wordt de eerste toegang vanuit de gang (vooraan-rechts) dichtgezet. De oorspronkelijke deuren van de doorgang naar pand Bij de Put 13 vormen even verderop de ingang van de Voorhof. Achter de Voorhof komt de bibliotheek. Heel goed zijn op de benedenverdieping de imposante balken te zien. Het trappenhuis, oorspronkelijk naast de trap naar de kelder, verdwijnt en achter in de gang komt een lange statige trap. Nog ingrijpender zijn aanpassingen op de verdieping waar de zoldering van moerbalken en kinderbinten en het grootste deel van de gang verdwijnen om plaats te maken voor de Tempel - ook wel: de Werkplaats - met zijn imponerende gewelf.
Aan de achterzijde van het pand komt halverwege de trap een op kolommen rustende uitbouw waarin de toiletgroep een plaatsje krijgt.
Het dak wordt gedragen door een bijzondere sporenkap met dubbele krommers. De houten pen-gatverbindingen en de telmerken (links strepen en rechts halve maantjes) duiden op een zestiende-eeuwse en dus nog originele oorsprong.
Door het hele gebouw zijn, ingelijst of opgesteld in vitrines, documenten en attributen te zien die verwijzen naar de Vrijmetselarij en voor de loge van belang zijn. Heel fraai is het door de firma Bogtman in Haarlem gemaakte glas-in-loodraam dat de leerstadia van leerling, gezel en meester verbeeldt.


7. Arendstuin 41, Thomas Romein
De omgeving van Arendstuin 41 is een gebied dat qua gebruik en bebouwing veel ontwikkelingen heeft doorgemaakt. De naam stamt van Upke van Aerssen die in 1630 ‘de ledighe plaatse affter Hoexter kerckhoff' pachtte ‘ om tot een tuyn te gebruiken'. Vervolgens werd de naam Aerssen tuyn in de loop van de tijd verbasterd tot het huidige Arendstuin.
Het gebied lag oorspronkelijk buiten de stadsgrachten maar na de demping van 1859 kwam de Arendstuin binnen de structuur van de binnenstad te liggen. In 1848 werd hier de ‘Nieuwe kavalerie-stal' gebouwd naar een ontwerp van Thomas Romein. In de jaren zestig van de negentiende eeuw deden de stallen als zodanig geen dienst meer maar werd het complex door de gasfabriek gebruikt, die in de nabijheid stond. Vijftien jaar later werden de Cavaleriestallen afgebroken. Het enige deel dat ons rest is de Manege, dat het stallencomplex aan de westzijde afsloot.
Een bestek uit 1869 vermeldt dat het oostelijke deel van de stallen, waar thans Arendstuin 41 staat, werd ingericht tot 'Werk- en Bergplaatsen voor de Fabricage, Kantoor en Woning voor den Gemeente Architect en eene Bergplaats van turf voor de armen'. Uit dit bestek blijkt dat delen van de stallen waar de werk- en bergplaatsen gesitueerd werden, geïntegreerd zijn in het ontwerp voor de nieuwbouw. Tevens wordt duidelijk dat afbraakmateriaal afkomstig van de stallen werd hergebruikt en er kan dus opgemaakt worden dat Arendstuin 41 grotendeels is opgebouwd uit materiaal dat afkomstig was van de Cavaleriestallen. Het herenhuis werd door de toenmalige stadsarchitect Thomas Romein ontworpen als zijn ambtswoning.
Het pand is een fors herenhuis uit 1869-'70, gebouwd in de eclectische stijl. Van dit type panden zijn meer voorbeelden in Leeuwarden te vinden zoals bijvoorbeeld de panden aan de Willemskade. Het verspreidingsgebied van dit type in Leeuwarden is beperkt tot de stadsrandzone van ontmantelde vestingwerken omdat deze gebieden de eerste uitbreidingmogelijkheden van de stad waren. In architectonisch opzicht neemt Arendstuin 41 binnen deze categorie een bijzondere plaats in en is dan ook terecht in1960 geregistreerd als Rijksmonument.
Het pand is gebouwd op een nagenoeg rechthoekige grondslag en bestaat uit twee bouwlagen met daarboven een zolderverdieping. De gevel is onderverdeeld in vijf raamassen waarbij de ingangspartij in het midden is gesitueerd. De symmetrische en regelmatige indeling van de gevel word geaccentueerd door de pilasters en banden die de gevel sieren. De ingangspartij met omlijsting die doorloopt naar het venster erboven, vormt het centrale deel van de gevel vormt, geheel in de stijl van de toen heersende mode. De gevel wordt aan de bovenzijde afgesloten door een afgevlakt schilddak.
De begane grond is symmetrisch ingedeeld met een gang als middenas. Rechts van de gang bevindt zich het vertrek waar zich oorspronkelijk de grote voor- en achterkamer bevonden die middels suitedeuren met elkaar verbonden waren. Links van de gang bevinden zich een kleine voor- en achter kamer die door een riante trap van elkaar gescheiden worden. Op de verdieping heeft de plattegrond nagenoeg de zelfde indeling als de begane grond met dat verschil de grote voor en achterkamer wel van elkaar zijn gescheiden door een wand. De zolderverdieping bestaat uit een spantenconstructie met dekbalken die het afgevlakte dak dragen.

Romein heeft vanaf 1870 tot aan zijn dood in het pand aan de Arendstuin gewoond. Vervolgens heeft het pand onderdak geboden aan Th. Pethrus Adrians Bergsma, secretaris van de gemeente Leeuwarden (1882-1888); Johannes Ariens Kappers, directeur van de rijks HBS (1888-1910); Dr. Carel Johan Augustus Meerdink, leraar aan het gymnasium (1910-1913); Johannes Philippus Bruinwold Riede, directeur van de gasfabriek (1913-1916) en Johannes Nicolaas Blaauw, eveneens directeur van de gasfabriek en later directeur gemeentelijke lichtbedrijven (1916-1948). Later kwam de gemeentelijke dienst Sport en Recreatie in dit pand en omliggende gebouwen. De restauratie is inmiddels nagenoeg voltooid, zodat verwacht kan worden dat het huis nog op heel korte termijn wederom als woning wordt betrokken.

Thomas Annes Romein werd op 16 december 1811 in Leeuwarden geboren als zoon van de timmerman Jacob Romein. Na de stadstekenschool in Leeuwarden bezocht hij in Rotterdam de Academie van het Tekengenootschap ‘Hierdoor tot Hoger'. Toen hij de studie had afgerond keerde hij naar Leeuwarden terug en werd hij opzichter bij Waterstaat. Vanaf 1843 was Thomas Romein stadsarchitect van Leeuwarden en heeft hij veel belangrijke bouwwerken en verbouwingen in Leeuwarden op zijn naam staan. Een greep uit zijn gehele oeuvre is het ontwerp voor de Nieuwe Zaal in Leeuwarder stadhuis (1844-45), de verbouw van de Hoofdwacht (1844-'45), het Paleis van Justitie (1846-1852), de HBS (1864), het Beursgebouw (1880) en het Stedelijk Gymnasium (1880). Ook bij de ruimtelijke ontwikkeling van de stad werd Romein nadrukkelijk ingeschakeld. Zo heeft hij gewerkt aan de herinrichting van de Prinsentuin, de nieuwe stadsuitleg tussen het Zaailand en het NS-station en was hij betrokken bij de demping van de Nieuweburen, de Eewal en het Heerenwaltje. Hij overleed op 24 februari 1881. Thomas Romein heeft als architect een grote stempel gedrukt op de gebouwde omgeving van de stad Leeuwarden en het is een gelukkige gedachte geweest zijn naam te laten voortleven in het Theater Romein - de voormalige Westerkerk die onder zijn leiding in 1845 ingrijpend verbouwd werd.


8. Reijndersbuurt 5, Pieter Jelles Troelstra
Pieter Jelles Troelstra en zijn vrouw Sjoukje Bokma de Boer (Nynke van Hichtum) kochten het pand Reijndersbuurt 5 in 1892 en woonden er van 12 mei 1892 tot 11 juli 1893, samen met hun kinderen Dieuwke en Jelle, en dienstbode Antje van der Schaaf. Het was een roerige periode in het leven van Pieter Jelles Troelstra.
Pieter Jelles begint Hoofdstuk 1 van deel 2 van zijn Gedenkschriften met de volgende zinnen:
"Het jaar 1892 brengt de groote krisis in mijn leven. In dat jaar ben ik den strijd getrokken, en heb ik het besluit moeten nemen Leeuwarden te verlaten. Het is Domela Nieuwenhuis geweest, die mij in den strijd dreef en mij noopte mij van alles los te maken. Hij dwong mij moreel de strijdbijl op te nemen, vroeger dan ik had gewild. Ik had mij de toekomst anders voorgesteld. Ik dacht: ik blijf nog een paar jaar in Leeuwarden in mijn praktijk en maak mij in dien tijd rustig studie van het socialisme. Ik had vrij wat werk als advokaat, omdat ik niet alleen de gewone burgerkliënten had, maar ook talrijke arbeiders. Een verdere studie van het socialisme was wel noodzakelijk, omdat ik daarmede eerst na mijn studententijd was begonnen. Uitnoodigingen om op werkloozenmeetings te spreken, had ik tot dien tijd toe afgeslagen. Wel was ik altijd demokraat geweest, maar van de socialistische beweging moest ik eerst niets hebben; de mij onsympathieke persoonlijkheid van Nieuwenhuis droeg daarvan de schuld".
De strijd tussen Domela Nieuwenhuis en Pieter Jelles Troelstra was een strijd die ook elders in Europa werd gevoerd, de strijd binnen de arbeidersbeweging tussen parlementaristen en anarchisten. Deze strijd vond plaats tussen de Friese Volkspartij en de Sociaal-Democratische Bond en werd o.a. in het tijdschrift Recht voor Allen uitgevochten. In maart 1892 werd deze strijd in het voordeel van Troelstra beslecht.

Het bezoek van de jonge koningin Wilhelmina en haar moeder Emma in juni 1892 liep uit in een zeer emotionele gebeurtenis voor zowel Pieter als zijn vrouw. Oranjeklanten schreeuwden op straat "Hang die socialen op, Hang die Pieter Jelles op". Troelstra had een vriend van hem, de oude Zandstra, gevraagd zijn vrouw voor die avond gezelschap te houden. En dat bleek niet voor niets te zijn: "Inmiddels was gebleken, dat de voorzorgsmaatregelen ter bescherming van mijn huis niet overbodig waren geweest. Wij woonden achter het gymnasium en de leerlingen van die school liepen voor mijn woning te hoop, trachtten de deur in te trappen en gooiden steenen door de ramen van het kamertje, waar mijn zoontje lag. Er vielen zelfs steenen in zijn bed en het is een wonder dat de jongen niet is geraakt. Eén en nader maakte dat mijn positie in Leeuwarden op slag onmogelijk was geworden".
In het boek ‘Eigen Waarde, herinneringen van Nynke van Hichtum' van Tineke Steenmeijer-Wielinga wordt dit verhaal in iets andere bewoordingen bevestigd. Troelstra was extra verontwaardigd, omdat hij zelf na het behalen van zijn HBS-diploma nog twee jaar (1880-1882) op het gymnasium had gezeten teneinde toegelaten te kunnen worden voor de Rechtenstudie aan de Universiteit te Groningen.
Het huis aan de Reijndersbuurt was dus het laatste huis, waar Troelstra en zijn gezin, in Leeuwarden hebben gewoond. Het was bovendien het enige eigen huis dat het echtpaar samen kocht en bewoonde. Het huis is begin 1894 met groot verlies van de hand gedaan.

De Reijndersbuurt e.o. was tot het midden van de 19e eeuw grotendeels tuin, maar er stond ook enige oude bebouwing. Ten westen van de Arendstuin lag de buurtschap Camstraburen langs de Dokkumer Ee. Het pand Eebuurt 10 dateert van ongeveer 1750 en behoorde bij die buurtschap. Hier liep de oude trekweg naar Dokkum langs. De grond ter plaatse van Reijndersbuurt 5 werd vanaf in ieder geval 1820 gebruikt als "plaisiertuin" met zomerhuis. Vroegst vermeldde eigenaar was de kalkbrander Albertus Buysing. Een latere eigenaar verkoopt de pleziertuin c.s. in 1846, waarna het zomerhuis wordt afgebroken. Jan Aukes van der Meij laat in 1848 het nieuwe woonhuis voltooien. Aan de achterzijde van Camstraburen ontstond vanaf 1837 de Reijndershof, een tiental door Izaac Reijnders gestichtte arbeiderswoningen.
Camstraburen is in tweeën gedeeld door het aanleggen van de verbinding tussen de stadsgracht en de Dokkumer Ee in 1859. Het deel van de stadsgracht tot de Hoekster Poort werd gedempt. Op het terrein dat daardoor ontstond werd in 1879 het Stedelijk Gymnasium gebouwd. Op een kaart van 1868 heeft het huizenblok Reijndersbuurt/Eebuurt de omvang die het ook nu heeft. Rond die tijd moet de vrije toegang naar de achterzijde van Reijnderbuurt 5 door de bouw van het naastgelegen pand een stuk smaller zijn geworden. In 1870 werd bepaald dat "de eigenaar van het ten oosten gelegen perceel door geene betimmering of uitstalling van welke aard ook het vrije uitzicht [zal] mogen belemmeren door het zijraam van de voorkamer."
Reijndersbuurt 5 heeft een rechthoekige grondslag met enige verspringingen die veroorzaakt worden doordat enkele bijgebouwen bij het hoofdpand zijn gevoegd. Het hoofdpand bestaat uit twee bouwlagen en een kapverdieping met kajuit. De gevel is verdeeld in vier raamassen met een entree rechts van het midden. Aan de gevel is duidelijk te zien dat het pand in twee fasen is gebouwd. De begane grond is negentiende-eeuws, de verdieping is in de typische interbellumstijl. In het muurvlak van de begane grond bevinden zich drie grote negentiende-eeuwse vensters aan de voorzijde en de omlijste entreepartij. De invulling van de entree en het venster in de zijmuur zijn vernieuwd.
Het pand is verschillende keren verbouwd. In 1934 werd het dak van nr. 5 gelift. De vertrekken op de eerste verdieping kregen een hoogte van ca. 2.60 meter. Het nieuwe metselwerk en de dakpannen moesten passen bij het bestaande. In 1938 werden op de plaats van de oude "trochreed" tussen de nummers 5 en 7 slaapvertrekken gerealiseerd.

Vanaf 1848 hebben zo'n 17 of 18 gezinnen in het huis gewoond. De huidige bewoner, Piet Meerdink, kreeg in de winter van 1990 een steen door de ruit van zijn studeervertrek gegooid. Hij was toen lid van de gemeenteraad. De buurman Yme Remery kwam naar buiten en voegde Meerdink toe: "Zoiets hebben we nog nooit in deze buurt meegemaakt". Inmiddels is duidelijk dat hij er naast zat: ongeveer 100 jaar daarvoor was hetzelfde met Troelstra gebeurd.
De foto dateert uit ca. 1930, maar geeft nog een beeld van het huis, zoals dat er in de tijd van Troelstra uitzag.


9. Grote Kerkstraat 73 (Obbe Rommerts)
In het Historisch Centrum Leeuwarden ligt een reeks foto's van een welgestelde familie en hun tuin, eind negentiende eeuw. Een huishoudster bij een waterput, grote ramen, een groep mensen drinkt thee rond een tafeltje. Tussen die theedrinkers zijn Obbe Rommerts (1835-1902) en zijn vrouw Tjamke Waringa (1839-1925) te herkennen. Verder herinnert niets aan de tuin die er nu is achter Grote Kerkstraat 73. Daar moet het toch echt zijn geweest, want daar woonde de familie Rommerts. Drie zoons, twee dochters.

Obbe Rommerts wordt in de encyclopedie van Friesland ,pionier van de arbeidersbeweging' genoemd, en hij heeft zich inderdaad voor de arbeidersklasse ingezet. Maar een revolutionair socialist was hij niet: de maatschappij moest verbeterd worden in samenwerking met de bazen en niet veranderd in strijd met de heersende klasse, zo waren zijn opvattingen ongeveer.
Obbe Rommerts werd, net als zijn vader Hille en zijn broer Hoeke, typograaf bij de drukkerij van Leeuwarder drukker en uitgever Gerard Suringar, vanwege zijn kreukelige gezicht ook wel ,,ut perkamenten mantsje'' genoemd. In 1870 sloot Rommerts zich aan bij de dat jaar opgerichte Provinciale Friesche Werklieden Vereeniging (PFWV), een jaar later was hij er al voorzitter van. Uit, zoals de Leeuwarder Courant na zijn dood schreef, ,,een zucht om zich de volksbelangen aan te trekken''.
Die werkliedenbond bracht allerlei nieuwe werk mee. Rommerts stichtte nieuwe afdelingen, hij trad op als spreker en zat congressen voor. In Leeuwarden spande hij zich in voor een coöperatieve bakkerij, een winkelvereniging, een spaarbank, een ziekenfonds en een woningbouwvereniging. De woonwijk Werkmanslust is mede aan hem te danken. ,,Zonder volksonderwijs geen volkswelvaart'', hield hij Sneker luisteraars voor en meermaals pleitte hij voor een tienurige werkdag.

Hij zat ook in allerlei besturen. De ambachtschool, de Volksgaarkeuken, de vereniging ‘Voor Vaderland en Oranje', de Nieuwe Leeuwarder IJsclub, noem ze maar op. En wat een bestuurslid! ,,Steeds tot verzoenen geneigd, altijd samenwerking beproevende en onmiskenbaar verheugd, zoodra overeenstemming was verkregen'' (Leeuwarder Courant).
Het bedrijf van Suringar ging in 1874 verder als N. V. de coöperatieve Handelsdrukkerij. Rommerts werd directeur. (Het bedrijf ging in 2000 failliet). Makkelijk, want hij woonde een paar deuren verderop aan de Grote Kerkstraat. Vanuit een van de Handelsdrukkerijpanden, Grote Kerkstraat 63, was Rommerts ook redacteur, uitgever en drukker van de liberale Friesche Courant. Die verscheen in 1886 voor het eerst. Een jaar later meldde het blad dat Pieter Jelles Troelstra voortaan in de redactie zat. Er stond meteen die dag een gedicht van Pieter Jelles op de voorpagina.
Zoals het hoort bij een krant, was het nooit goed. Leeuwarder burgemeester Lycklama à Nijenholt werd boos toen er kritisch werd geschreven over de voorrechten van de rijke klasse. Sigarenmaker Jan Tadema van de Sociaal Democratische Bond schold Rommerts vanwege een spottend stuk over een arbeider zo de huid vol, dat hij later onder toezicht van de politie een excuusbrief aan de uitgever moest schrijven.
Op 3 december 1902 was Rommerts nog tot zeven uur 's avonds op kantoor aan het werk geweest. Die nacht overleed hij onverwacht, net geen 67 jaar. Als we de Leeuwarder Courant mogen geloven, ging met hem een lichtend voorbeeld voor alle lezers heen: ,,Zijn zoo wel besteed leven moge een voorbeeld ter navolging voor anderen zijn''

Het huis is in classisistische stijl rond 1850 gebouwd, op de plaats waar een achttiende eeuws huisje had gestaan met een kelder. Die kelder is er nu nog. De tuin was in Rommerts' tijd veel groter: kijk maar naar de foto's uit die tijd.
Het huis wordt sinds enkele jaren bewoond door LC-journalist Asing Walthaus, die het van binnen geheel heeft laten opknappen.


10. Grote Kerkstraat 212 (FLMD), Mata Hari
De markante voormalige huisvestiging van het Fries Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (FMLD) aan de Grote Kerkstraat staat sinds enkele maanden leeg. Het complex wordt links en rechts begrensd door respectievelijk de Kleine Hoogstraat en de Beijerstraat en is een samenstel van twee hoekpanden: Grote Kerkstraat 212 en 214. Van Grote Kerkstraat 214 was alleen de benedenverdieping voor museaal gebruik bestemd; daarboven werd gewoond. Oorspronkelijk vormden beide panden een geheel. Een detail van de betrouwbare stadsplattegrond uit 1603 van Sems en Bast getuigt hiervan. De plattegrond van de bovenverdieping van nummer 212 laat nog enigszins zien hoe ongeveer de opzet en voor een deel de omvang van het uit 1545 daterende huis moet zijn geweest. Het was een hoofdelingen-woonhuis, ook wel 'adelshuis' genoemd, gebouwd in de voor die tijd gangbare L-vorm met een traptoren. De voorgevel langs de Grote Kerkstraat is pas in de 18e eeuw aangebracht. Ooit was de hoofdingang gesitueerd in de traptoren. Het voorplein van toen komt grotendeels overeen met de hedendaagse tuin.

Ook de situering van het pand is bijzonder. Het staat zo ongeveer op het hoogste punt van Leeuwarden, ruim vijf meter boven NAP, en is strategisch gelegen op een kruispunt van vroeger belangrijke verbindingswegen: die tussen de oude terp Oldehove en de meest noordelijk gelegen terp Nijehove en de oude noord-zuid route via de Kleine en Grote Hoogstraat naar de Weaze richting Wirdum. Onderzoek impliceert dat delen van de fundering en ook enkele muren of muurdelen van het gebouw restanten zijn van een nog ouder gebouw, mogelijk uit de dertiende eeuw. De knik in de gevel langs de Beijerstraat wijst eveneens op een bebouwing van voor 1545. De veronderstelling is gewettigd, dat de voormuur van de kelder oorspronkelijk de fundering van een oude stins (steenhuis) is geweest. Langs de Grote Kerkstraat, oorspronkelijk opgeworpen als zeewering ter bescherming tegen de Middelzee, zouden aan weerszijden sloten zijn gegraven en de kelder zou in de sloot, aan de zuidkant van de dijk, gebouwd kunnen zijn; de aanwezigheid van humus wijst daarop, evenals de verzakking van het gebouw.

De eerste bewoners van het 'nieuwe' adelshuis uit 1545 waren mr. Julius van Gheel, procureur-generaal aan het Hof van Friesland, en zijn familie. Daarna is het huis eeuwenlang door adellijke en patriciërsfamilies bewoond geweest. Bewoners waren achtereenvolgens onder anderen Joachim Adreae (als voorzitter van de Staten-Generaal medeondertekenaar van de Vrede van Munster in 1648), Ulbo Aylva van Burmania (grietman van Leeuwarderadeel en ambassadeur in Zweden) Eyso de Wendt (directeur van de handel op China), C.P.E. Robidé van der Aa (procureur/dichter) en Isaäc Telting (gemeentearchivaris en rechtshistoricus). De meest beroemde bewoner was natuurlijk Margaretha Zelle, beter bekend als Mata Hari. In 1883 was vader Adam Zelle, als gevolg van gelukkige speculaties met aandelen (waarschijnlijk in petroleum) dusdanig gefortuneerd geraakt dat hij het zich kon veroorloven om het toen nog altijd imposante hoekhuis Grote Kerkstraat 28 aan te kopen. Het gezin, dat met de dienstbodes toen uit 9 personen bestond zal wat krapjes in het bovenhuis aan De Kelders hebben vertoefd.

De gelukkigste tijd van ‘Mata Hari' is waarschijnlijk de periode 1883-1889 geweest. Ze kon van een onbezorgde jeugd genieten. Zo waren de kinderen Zelle de enigen in de stad die over een eigen bokkenwagen (gestald op de hoek Pijlsteeg-Levisonstraat) konden beschikken. Vanaf 1889 vond in een kort tijdsbestek een aantal voor Margaretha vervelende en ingrijpende gebeurtenissen plaats. In de eerste plaats ging vader Adam failliet in 1889. Deze keer waren er ongelukkige aandelenspeculaties! Daarnaast was al geruime tijd het huwelijk tussen Antje en Adam niet goed meer en ging Adam apart wonen. In september 1890 vond er dan een scheiding tussen tafel en bed plaats, en in maart 1891 vertrok 'de baron' definitief naar Amsterdam, waar hij zijn brood als handelsreiziger moest verdienen. Vanwege gedwongen verkoop verruilde het 'prinsesje' haar 'paleisje' in juli 1889 voor een bovenetage aan de Willemskade nr. 30. op de hoek met de Schoolstraat. Het betrekkelijke aanzien van de Zelle's verdween daarmee helemaal. Op 9 mei 1891 overleed moeder Antje aan tuberculose. Vader Adam bracht zijn dochter en oudste zoon onder bij verschillende familieleden en nam zijn andere twee kinderen, een tweeling, weer zelf onder zijn hoede.

Margaretha ging in september 1890, net 14 jaar oud, naar de Middelbare Meisjes School aan de Grote Kerkstraat, pal tegenover het Princessehof. Van deze periode is nog een schoolrapport bewaard gebleven. Uit dit rapport ontstaat de indruk dat Margaretha, gezien haar aantekeningen voor orde en voor gedrag, geen gemakkelijke leerlinge is geweest. Desondanks haalde ze in het begin voor wat betreft haar vorderingen redelijke resultaten. Opvallend zijn haar cijfers voor zingen en gymnastiek die zelfs goed zijn te noemen. De resultaten in het derde semester waren in de breedte evenwel slecht. Het laatste semester heeft Margartha niet op de Leeuwarder MMS afgemaakt. Bij het rapport staat dan ook de aantekening: 'Is denkelijk vertrokken!'

Margaretha werd officieel uit het Leeuwarder bevolkingsregister uitgeschreven op 12 november 1891 vanwege vertrek naar Leiden. Ze zou, voor zover bekend is, nooit meer terugkeren naar haar geboortestad. 15 jaar later werd Margaretha als Mata Hari wereldberoemd door haar exotische (en erotische) danskunsten in Parijse clubs. In die jaren werd een zogenaamde autobiografie van Mata Hari gepubliceerd, die haar vroegere woonhuis niet bepaald waarheidsgetrouw als volgt beschreef: ‘Het oude kasteel Cammingha State, op een heuvel gebouwd, welke een veilig toevluchtsoord was als de Noordzee haar golven het land opdreef en alles met verwoesting bedreigde; dit schoone kasteel, eertijds de residentie van de Friesche Stadhouders, met zijn heerlijke omgeving, bood mij alles wat ik wenschen kon'. In 1917 kwam Margaretha wegens spionage voor de Duitsers voor het vuurpeleton en steeg de mythevorming naar ongekende hoogten. Honderden publicaties en een flink aantal films werden op haar gebaseerd. H.W. Keikes, Mata Hari-kenner bij uitstek, situeerde in 1976 in het pand aan de Grote Kerkstraat zijn roman ‘Moord in het huis van Mata Hari'.

Het pand is sinds 1975 eigendom van de Provincie Fryslân. In 1977 is de oude patricierswoning onder leiding van architectenbureau Offringa grondig gerestaureerd ten behoeve van het FLMD.Vooral het negentiende-eeuwse karakter van interieur en voorgevel heeft toen meer accent gekregen. Enkele kamertjes zijn samengetrokken tot grotere vertrekken. De zestiende eeuwse balken in de eiken kap zijn waar nodig hersteld. De oude buitendeur, begin twintigste eeuw aangebracht, werd weer in een raampartij gewijzigd. De oude keuken met zeventiende eeuwse tegels kreeg een nieuwe achtergevel. De vloer werd hersteld met de bovenste plavuizen uit de kelder met troggewelfjes. Om de zware last van het archiefdepot te kunnen dragen moesten in de achterkamer stalen balken worden aangebracht, zodat de vloer 30 cm hoger kwam te liggen. De beide achterliggende vertrekjes werden tot studieruimten verbouwd. Naast de traptoren werd een lift aangebracht waardoor het gangetje boven in het bijgebouw versmalde. Het spitsje van de stinstoren werd gekroond met een koperen windvaan die de Friese vlag uitbeeld met daarnaast het jaartal 1977. Eind jaren ´80 is (een variatie op) de oude muurkleur weer aangebracht op de gevel.

Tijdens de restauratie vonden de timmerlieden iets merkwaardigs. Toen de schoorsteen in de achterkamer werd gesloopt troffen ze het dekseltje van een pillendoos aan, waarop de Leeuwarder apotheker J.T.H. Kauwling op 2-5-1883 aan moeder Zelle het gebruik van "alle 2 uren 3 pillen" aanbeval. In de hal van het FLMD stond jaren lang een kleine permanente tentoonstelling over Mata Hari. Geïnteresseerden werden eveneens gewezen op de in het houtwerk van het trappenhuis boven ingekerfd Magere Hein. Deze zou volgens de overlevering aangebracht door zijn door werklieden, die sterk onder de indruk raakten van het tragische levenseinde van Margaretha. Uit de FLMD-periode dateert ook nog een gebeeldhouwd reliëf van Mata Hari vervaardigd door Jentsje Popma. Bij het ter perse gaan van dit boekje staat het gebouw te koop. Het plan om hier een Mata Hari Experience te vestigen bleek vooralsnog niet haalbaar.


11. Grote Kerkstraat 31 (H.H. Kuyper)
Hoe ver de bouwgeschiedenis van de woning aan de Grote Kerkstraat 31 teruggaat, is niet precies te zeggen. De eerste tot nu toe bekende eigenaar was Catharina 'Nitpheen' of Nitzen in 1688. De oudste delen zijn ook zeker zeventiende-eeuws, zoals stukken van de kap. In 1707 verwierf Ulbo van Aylva, grietman van Oostdongeradeel, het huis. Hij liet het in 1716 verbouwen. Vergelijken we de voorzijde met tekeningen uit 1722 en de late achttiende eeuw dan zou de conclusie kunnen zijn, dat het huis met zijn statige lijstgevel sindsdien onveranderd is gebleven. Het huis bestaat uit twee panden achter elkaar met de daknok evenwijdig aan de straat - op zolder zijn de afzonderlijke kapconstructies nog herkenbaar. De voorgevel wordt afgesloten door een bijzondere kroonlijst met vakken tussen gepaarde consoles. De deur in de opvallende entreepartij wordt geflankeerd door pilasters met vakken waarin zijlichten. De lichte, gecorniste architraaf rust op pilasterbeëindigingen met pluimen, schelp en kralenstreng in plaats van traditionele kapitelen. Boven de deur bevindt zich een fraai gesneden kalf met bovenlicht. Aylva besteedde ook zorg aan de inrichting.

Bij de overname door advocaat U.H. Huber in 1758 waren er kamerbehangsels, schilderijen, spiegels en schoorsteenmantels, duidend op een voornaam interieur. In 1767 verwierf Hendrik de Kempenaer uit Harlingen het huis, waarna het lang in bezit bleef van de familie Van Andringa de Kempenaer. Een schoondochter, Tjallinga barones thoe Schwartzenberg Hohenlansberg, bezat vanaf 1840 jaren een pandje ten oosten van de woning, maar pas in 1879 werd dat door haar zoon Julius, oud-grietman van Doniawerstal, definitief en uiterlijk bij het grote huis gevoegd. Het kreeg een tweede bouwlaag en de twee gevels werden samengevoegd door verlenging van de daklijst en aanpassing van de ramen. Opmerkelijk is het dat de voorgevel van het grote huis toen vrijwel geheel opnieuw is opgetrokken, weliswaar met behoud van achttiende-eeuwse details en gevelindeling, maar ook met enige typisch negentiende-eeuwse decoraties.

In 1887 werd het complex gekocht door de Nederduits Gereformeerde Kerk. Het grote huis werd pastorie. In de oostelijke uitbreiding tekende architect Willem Cornelis de Groot voor de fraaie neorenaissance poort naar de kerk die achter in de tuin verrees. Behalve de koster had het huis in de regel meer bewoners, waarvan de meest opmerkelijke Herman Hubertus Kuyper is. Kuyper was evenals zijn vader (de beroemde Abraham Kuyper, minister-president 1901-1905) gereformeerd predikant en theoloog. Kuyper woonde gedurende de periode 1896-1898 met zijn gezin en dienstbode in het benedenhuis. Hij speelde een rol bij de oprichting van de Provinciale Friesche Courant, de voorloper van het Friesch Dagblad. Ook rekende hij in 1898 in de Friesche Kerkbode af met gebedsgenezing en duiveluitdrijving. H.H. Kuyper wordt rond 1918 voogd van de later bekend geworden schrijver A. den Doolaard en brengt hem zijn liefde voor de bergen bij.

Rijksarchivaris S.A. Waller Zeper, woonde in de jaren twintig van de vorige eeuw in het pand. In de jaren vijftig, toen in het pand een pension was gevestigd, verleende dit enige tijd kost en inwoning aan de Friese schrijver-essayist Eeltsje Boates Folkertsma. In 1978 kwamen kerk en woonhuis in gebruik bij de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt. Enkele jaren geleden werd de kerk ingericht tot congrescentrum ‘It Aljemint'. De vrijgemaakten konden echter op zondag blijven beschikken over het kerkgebouw. De pastorie bleef tot in 2004 in gebruik ten behoeve van catechisaties. Inmiddels is het pand aangekocht door de familie Roy van Zuidewijn, die er weer een woning met allure van laat maken.

Binnen is een aardige doorsnede van de interieurstijlen tussen 1716 en het eind van de negentiende eeuw te beleven; van een prachtige trap met barok gesneden balusters tot negentiende-eeuwse stucplafonds en een deur met in gietijzer gevat, gekleurd en geëtst glas aan het eind van de weer achttiende-eeuwse centrale marmeren gang. Bijzonder zijn de schouwen op de verdieping. Daar bevindt zich in de linker voorkamer een zogeheten Engelse schouw met gobelin. De schouw in de rechter voorkamer heeft een schoorsteenstuk met bosscéne.


12. Doelestraat 8 (Fryske Akademy), Anthony Coulon
Het begin en einde van bouwmeester Anthony Coulons verblijf in Leeuwarden zijn een paar jaar geleden op bijzondere wijze aan elkaar geknoopt. Tegen de tuingevel van het chique woonhuis dat hij omstreeks 1713 voor zichzelf liet bouwen aan de Doelestraat, vroeg in zijn carrière als architect voor welgestelde en aanzienlijke dames en heren, is toen de zerk herplaatst die na zijn verscheiden in 1753 over z'n graf in de Westerkerk werd gelegd. Beide, het huis en de grafzerk, zijn in hun redelijke gaafheid en decoratieve overdaad passende monumenten voor de man die, leerling van de vermaarde Daniël Marot, als "Bouwmeester van Syn Hoogheid de Heere Prins van Orangien en Nassauw" de Lodewijk XIV-stijl in Friesland heeft geïntroduceerd. Een schilderij van het gezin Coulon hing tot voor kort in het stadhuis.

Het Coulonhuis is een deftig pand geworden, met een omlijste middeningang en daarvoor een dubbele trapstoep met hek. Boven het souterrain bevinden zich twee verdiepingen. De voorgevel wordt afgesloten door een forse geblokte kroonlijst. Daarboven verbinden zich twee dwarskappen met een zakgoot ertussen.
Met die kroonlijst is gevoelsmatig iets mis. Je zou aan dit gebouw een heel rijk versierd exemplaar verwachten, met verdiepte vakken en barok gesneden consoles zoals aan het door Coulon verbouwde Princessehof, in plaats van de bestaande lijst met de imposante neo-classicistische uitstraling. Helaas zijn er nog nimmer ontwerptekeningen van Doelestraat 8 opgedoken, die dat idee kunnen bevestigen. Wat het vermoeden versterkt dat de kroonlijst niet uit de vroege achttiende eeuw dateert, zijn de vensters - achtruiters en zesruiters - die evenals de fraaie entreepartij aan het begin van de negentiende eeuw zijn veranderd in empirestijl.

Het rijke interieur stamt voor een belangrijk deel nog uit de oorspronkelijke bouwtijd. In de gang bevindt zich een voorstelling in stuc van Aurora, de dageraad. De gevleugelde heer die door een putto wordt afgeweerd is de wijkende nacht. De vermoedelijke vervaardiger is de Zwitser Simon.
De salon recht tegenover de voordeur aan de achterzijde van het huis is een stijlkamer. Hierin bevinden zich een rijk gesneden schouw met boven de spiegel een schilderij met een grote bloemenvaas, ranken en aan weerszijden een bloot kinderfiguurtje (putto). Verder een fraai beschilderd plafond waarvan wordt aangenomen dat het nog origineel is, een sopraporte en op de wanden in Lodewijk XV-stijl beschilderd behangsel, afkomstig uit een patriciërshuis in Groningen.

De midden-zeventiende-eeuwse 'Spaanse stoelen' zijn afkomstig uit de gedeputeerdenzaal van het Provinciehuis. Ze zijn gesneden in Leeuwarden in 1649 en met leer bekleed. De schilderijen stellen Coulon, zijn vrouw en twee dochters voor.
Op de eerste verdieping ligt een viertal kamers, waarvan de belangrijkste: aan de voorzijde boven de ingang Börkum, rechtsachter Jüüst met een mooie schoorsteenpartij met een schilderstuk: een bloemstuk met een putto aan beide kanten, dat zich overigens tot 1938 als sopraporte in de burgemeesterskamer in het stadhuis bevond, en aan de achterzijde Nördernäi met een schoorsteenpartij waarin een schilderstuk met de mythologische voorstelling van Procris en Cephalus.
Souterrain en verdiepingen worden verbonden door een trap met rijk gesneden balusters. In de gang bevindt zich een poortje, afkomstig uit een huis naast de Waalse kerk. Meerdere interieuronderdelen zijn door notaris Nanne Ottema, die het Coulonhuis in 1938 liet restaureren, aangebracht. Hij was het ook die het Coulonhuis ter beschikking stelde aan de in 1938 opgerichte Fryske Akademy.

In de loop der jaren heeft de Fryske Akademy ook de omringende panden en de gehele binnentuin bij het complex betrokken. Over die andere gebouwen valt in dit kader eveneens wat interessants te melden. Op de hoek van de Doelestraat en Groeneweg schijnt in het midden van de 17e eeuw de bekende landschapsschilder Jaocbus Sybrandi Mancadan gewoond te hebben. De firma Draisma van Valkenburg fabriceerde in de eerste helft van de vorige eeuw in de panden die via een luchtbrug met het hoofdgebouw van de Fryske Akademy zijn verbonden levertraan.
Een telg uit dit fabrikantengeslacht, Samuel van Valkenburg, werd op 14 september 1891 in Willemskade 13 geboren. Later emigreerde hij naar Amerika en werd hoogleraar geografie aan de Universiteit van Detroit. In zijn samen met de beroemde Amerikaanse geograaf Ellsworth Huntington geschreven boek Europe, dat als geografisch handboek in 1935 te New York bij uitgeverij John Wiley & Sons Inc. verscheen, staat in de paragraaf 'Draining the land' een passage over Leeuwarden en omgeving die verraadt dat hij hier ter plaatse heeft gewoond: 'On the northcoast east of the Zuider Zee most of Friesland and the northern part of Groningen belong to the same type of swampy, half-drained or flooded country. Numerous lakes in this regio still remain undrained because their peaty bottoms are not well adapted to agriculture. In summer these Frisian lakes are much used for the sport of sailing. When they freeze during severe winters they are so much used for the national sport of skating that industry is almost crippled for the short time the ice remains good. Leeuwarden, the capital of Friesland, now located in the center of the province, grew up as a seaport on the shore of a former inland basin that now no longer exists'.


13. Grote Kerkstraat 20, Jacobus Voorda
Nummer 20 is een prachtig pand met een ingetogen allure en de uitstraling van de gegoede stand van degenen die door de eeuwen heen eigenaars/bewoners van het huis geweest zijn. En toch, ergens klopt iets niet. Er is iets vreemds aan het huis.

Grote Kerkstraat 20 is door de eeuwen heen een woning van heerschappen en patriciërs geweest. Aan het eind van de 16e eeuw kwam het huis in bezit van Buyck van Cammingha die het naastliggende pand (nr 18) al in bezit had. Op de bekende Sems-kaart uit 1603 is het pand goed te zien met z'n twee gevels: een topgevel aan de straat en daarnaast een dwarsgevel. De tuin liep evenals het buurpand door tot aan ‘het diept' - het grensslootje langs het terrein van Bagijneklooster. In 1625 komt het pand in handen van Thomas van den Bergh, vaandrig in de garde van Stadhouder Ernst Casimir.

Na hem is het een voortdurend wisselen van bewoners, want het huis werd veelvuldig verhuurd, en eigenaren van importantie: burgemeesters, gedeputeerden, de stadspensionaris, een grietman, een rector (aan de Leeuwarder Latijnse school), de Ontvanger-generaal van Friesland. En een hoogleraar: prof. dr. Jacobus Voorda. Voorda (Harlingen, 28 januari 1698 - Leeuwarden, 10 juni 1778) was een zeer geleerd, hij promoveerde tweemaal!, heer die na zijn studie al op zijn 20ste advocaat in Leeuwarden wordt. Enkele jaren later vertrekt hij naar Franeker om aan de universiteit hoogleraar in de rechtsgeleerdheid te worden. In 1730 volgt zelfs het hoogleraarschap in Utrecht. Rond 1745 vestigt hij zich weer en Leeuwarden om nog enkele jaren lid te zijn provinciale staten.
Men verwarre deze Voorda niet met zijn broer wiens portret jarenlang in het Stadhouderlijk Hof en het Stadhuis heeft gehangen en die we nu nog, vanwege een zeer opvallend deel van zijn uiterlijk, kennen als "De Neus".

De volgende eigenaar en ook bewoner was dr. Hans Hendrik van Wijckel (1728-1797). Waarschijnlijk is hij degene, die, kort na 1775, het huis aanzienlijk liet verbouwen en voorzien van een modieuze rococo-lijstgevel en een fraaie deurpartij.
In 1814 blijkt het huis bewoond te worden door de uit Neuchatel afkomstige Henrietta Henriod, die in 1807 door de dames Semler aan hun 'Kost- en dagschool voor jonge juffrouwen' was aangesteld als institutrice. Circa drie jaar later zette Henrietta, samen met mademoiselle Julie Snell, zelf - waarschijnlijk in dit pand - een Franse kostschool voor meisjes op, maar reeds in 1816 vertrokken zij naar Alkmaar.
Mr. Johannes Bieruma Oosting (1786-1829) uit Assen vestigde zich, kort na zijn huwelijk met Sjuwke Cats, hier als advocaat. In 1822 werd hij benoemd als rechter, doch zijn gezondheidstoestand dwong hem al in 1828 verlof te vragen om in Duitsland te gaan kuren. Intussen was Dodoneus Pierius van Kolde Reneman (1769-1843) in 1825 eigenaar/bewoner geworden van het huis, waarvan de huurwaarde in 1829 werd verhoogd van 268 naar 400 gulden per jaar.
Deze rustend apotheker bezat ook nog een aangrenzend pand in de Bollemanssteeg, en beide percelen gingen in 1838 over in het bezit van dr. Seerp Brouwer (1793-1856), geneesheer te Leeuwarden, 1823 hoogleraar wis- en natuurkunde te Groningen, 1835 terug in Leeuwarden, 1843-'45 lid Tweede Kamer. Het grootste deel van zijn belangrijke boekenverzameling is beland in de Provinciale Bibliotheek van Friesland. Zijn weduwe, ook een Sjuwke Cats (nicht van de eerder genoemde), bleef tot haar dood (1875) in de Grote Kerkstraat wonen. Het huis werd daarna geveild en kwam in handen van de stroohoedenfabrikant Petrus J.J. Sauveur.

En deze man doet iets merkwaardigs: hij verkoopt een strook grond ter breedte van een volledige raamtravee (zo'n 2,5 meter) aan baron van Heemstra, zijn oostelijke buurman. Die strook, een volledig verticaal raamvlak, wordt gesloopt waarmee de toch wat eigenaardige, onevenwichtige aanblik van het huis ontstaat. Overigens kunnen zelfs minder geoefende ogen nog gemakkelijk zien dat die amputatie ooit heeft plaats gevonden: de uiterste einden van de met de sloop verdwenen hanenkammen (metselwerk boven de ramen) zijn nog zichtbaar: er zijn geen stenen teruggeplaatst, maar cement. Ook is de breedte van de muren tegen de naastliggers niet gelijk (links is smaller) en is aan de kroonlijst en het dak te zien dat het hele huis er ooit anders heeft uitgezien.

Na Saveur hebben ondermeer nog in het huis gewoond: Wijbe Jacobus Oosterhoff, directeur Algemeene Friesche en dr. Hiskia Rintje Gerbrandy. Deze laatste moest boven de koopsom van f 13.923 nog 125 gulden extra neertellen voor de "filtreer op de plaats, drie gascomforen, de geiser in de badkamer, tien linnenstokken, den groenen vlaggestok, twee groote juffers liggende op den achterzolder, zeven brandstoffenkisten aldaar en de ijzeren rol met zonnescherm, passende boven het balcon". In 1930 komt het pand op de Voorloopige Monumentenlijst met de volgende vermelding: "Gevel uit de tweede helft der 18e eeuw. Houten attiek en dakvenster in omlijsting. Ingang tussen Ionische pilasters. Gesneden deur met medaillon (trant Lodewijk XVI) en bovenlicht. Onder de goot vijf consoles uit het derde kwart der 18e eeuw".
In 1946 verkocht de inmiddels naar 's-Gravenhage verhuisde dokter Gerbrandy zijn huis c.a., groot 3.30 are, voor f 18.000 aan de C.V. Jongbloed. Maar met de volgende aantekening: "Buiten den koop blijven de badkamer-inrichting, het Röntgenapparaat, de verdere medische apparaten en hetgeen bij die apparaten behoort". Wellicht waren deze zaken verkocht aan collega-arts Hendrik Theodorus van der Brug, die Gerbrandy's praktijk overnam en het huis huurde (tot 1949). Dan volgen er nog vier particuliere bewoners eer het pand in 1967 ingrijpend wordt ingekort en verbouwd en ter beschikking komt van het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaesjesintrum (FLMD). De gemeente Leeuwarden is zo goed de huursom voor haar rekening te nemen. Dit "rojael ûnderkommen" (jaarverslag 1968) biedt onder meer de gelegenheid voor tentoonstellingen, die jaarlijks gemiddeld 4000 bezoekers trekken. Al die gasten alsmede de duizenden patiënten van de beide huisartsen kregen terloops ook gelegenheid om delen van het fraaie interieur te bewonderen.
In 1974, toen het huis op de Monumentenlijst werd geplaatst, moest men zich bij de beschrijving beperken tot het front: "Pand met rijk versierde gevel van vier traveeën. Rechte kroonlijst met rocococonsoles. Omlijste deurpartij met gezwenkte kalf en bovendien halfronde bekroning. Oude deur en snijraam. In de bovendorpel der zeven vensters verschillende gesneden versieringen." Die versieringen boven de ramen zijn uniek in Leeuwarden.
Blijkens zijn jaarverslag 1974 had het FLMD toen "tomin earmslach" en keek men uit naar een ruimere behuizing; in 1977 kon de stins Grote Kerkstraat 28 (nu 212) betrokken worden. Mevrouw dr. Barbara Harrisson, directrice van museum Het Princessehof, kwam toen nr. 20 bewonen, in 1984 gevolgd door mr. W.J.G. Reumer, secretaris der gemeente Leeuwarden.

14. Grote Kerkstraat 11 (Princessehof), M.C. Escher
Museum het Princessehof heeft het geluk gehuisvest te zijn in een zo ongemeen boeiend complex van historische panden, dat alleen dit al de moeite van een museumbezoek waard maakt. Het brede middengebouw springt het meest in het oog, maar ook aan de andere panden is door hun uiteenlopende leeftijd, architectonische opzet en uitdrukking en hun decoratieve detaillering zeer veel te beleven.

De rechtervleugel is een representant van de talrijke middeleeuwse steenhuizen die Leeuwarden ooit rijk was. De Grote Kerkstraat was al in de zestiende eeuw in trek als woonplaats voor de adel en het patriciaat van Friesland. Dit stadshuis (nummer 13), naar de vroegst bekende eigenaar Camminghahuis genoemd, werd opgetrokken omstreeks 1542. De in L-vorm geplaatste vleugels met een traptoren in de oksel zijn nog in het complex herkenbaar. Als bouwtype verscheen het na 1550 meer in de stad.
In de stins bevinden zich nog de oude kelder met gewelfconstructie en een laat-gotische spiltrap. Verder zijn in de zalen oude moer- en kinderbalken die op enkele oude kraagstenen rusten, te zien. Ook de kapconstructie is uniek vanwege het oorspronkelijke materiaal maar de volgorde van de balken is verstoord.
Eén van de meest illustere bewoners was Willem Lodewijk, de eerste stadhouder van het huis Nassau in Friesland. Veel later, in 1731, nam Maria Louisa van Hessen Kassel, de weduwe van de zo jammerlijk bij Moerdijk verdronken stadhouder Johan Willem Friso, het huis over van grietman Duco van Haren, samen met het gebouw aan de westzijde (nummer 11). Beide gebouwen liet zij met elkaar verbinden met de bedoeling om een stadspaleis te creëren.

Nadat Maria Louisa haar bezit in westelijke richting met nog een pand wist uit te breiden (nummer 9), kreeg hofarchitect Anthony Coulon de opdracht om de drie panden tot een eenheid te smeden. Coulon ging daarbij uit van het principe van de Franse paleisbouw, met een naar achteren geschoven hoofdgebouw en twee vleugels aan een voorplein dat door een hek van de straat wordt gescheiden. Door de afstand van het middengebouw (nummer 11) tot de straat kon de monumentaliteit van de façade goed tot zijn recht komen.
Die façade was een helderrode pilastergevel, waarschijnlijk uit omstreeks 1660, van twee bouwlagen hoog en zeven traveeën breed, met prachtig zandstenen beeldhouwwerk. Vooral de versieringen boven de ramen zijn indrukwekkend door de afwisseling van verschillende motieven als timpanen, guirlandes en gevleugelde engelenkoppen. Coulon verhoogde deze gevel met een mezzanine of halfverdieping. Voorts liet de prinses het interieur verfraaien door stucplafonds en nieuwe schoorsteenpartijen.
Van de oude indeling rest nu alleen de eet- en muziekkamer als getuige van de hofcultuur van toen. Het goudleerbehang en de mooie portretten herinneren daaraan evenals het vele porselein. Hier bleek het mogelijk om te laten zien hoe porseleinen voorwerpen in het interieur werden toegepast. Voor het museum is dit een schitterende mogelijkheid om het porselein uit de eigen collectie in een kader te kunnen plaatsen.

Na het overlijden van de prinses in 1765 werden de verschillende panden weer apart bewoond. Bewoners met klinkende namen volgden elkaar in hoog tempo op, in het middengebouw onder meer de Hubers, het echtpaar Schwartzenberg en Hohenlansberg en burgemeester P. Lycklama à Nijeholt. Twee bewoners van het middengebouw verdienen afzonderlijk vermelding. In het midden van de negentiende eeuw is het eigendom geweest van J.W. Quaestius, een enthousiaste verzamelaar van fossielen, mineralen en voorwerpen uit de oudheid, die hij onderbracht in de vertrekken op de eerste verdieping. Quaestius kon toen nog niet bevroeden dat zijn huis in de volgende eeuw een museum zou worden!

In 1916 kocht de gemeente Leeuwarden het middelste huis aan om er de waardevolle collectie van notaris/verzamelaar Nanne Ottema onder te brengen. Met het oprichten van het zogenaamde Indisch Museum is in feite de basis gelegd voor het huidige keramiekmuseum het Princessehof. De eerste uitbreiding had plaats in 1958, toen de gemeente overging tot aankoop van het Camminghahuis om iets te doen aan het nijpende ruimtegebrek. Architect Andries Baart jr. zorgde voor de restauratie van de stins, waarbij hij de omstreeks 1830 afgebroken toren reconstrueerde. Dit element met de uivormige spits vormt thans een markant onderdeel van het complex. Vervolgens kon in 1963 het pand aan de westzijde aangekocht worden om er de bibliotheek en kantoorruimten onder te brengen. Hiermee kreeg het complex weer de achttiende-eeuwse omvang terug, toen Maria Louisa het bewoonde. Tenslotte werd aan de oostzijde het voormalige woon- en pakhuis van wijnhandelaar H.H. Menalda, door de bekende Leeuwarder architect H.R. Stoett in 1875 gebouwd, overgenomen.

Het stadspaleis van de prinses biedt nu onderdak aan het keramiekmuseum het Princessehof. Het middengebouw is nog steeds het hoofdelement van het complex, met de museumingang. De deurpartij dateert overigens niet meer uit de zeventiende of achttiende maar uit de negentiende eeuw en is in onze eeuw voorzien van een rijk versierd bovenlicht met lantaarn. De sporen van een eeuwenlange bouwgeschiedenis vormen binnen een fraaie achtergrond voor de bijzondere collectie keramiek: van Aziatisch porselein tot modern aardewerk.

De bekendste bewoner was stellig de graficus M.C. Escher. De man die er op 17 juni 1898 het levenslicht zag is met zijn grafische kunst wereldberoemd geworden: een eenvoudige zoekopdracht op een internet-zoekmachine levert maar liefst 675.000 ‘hits' op! Wie kent zijn werk niet? De vissen die transformeren in vogels. De monniken die in een mysterieuze processie gestaag een trap oplopen - om telkens weer onderaan uit te komen. Het water dat na in een cascade néérgestort te zijn, omhoog stroomt. Boven - dat toch eigenlijk onder is. Binnen - blijkt buiten te zijn. Over de hele wereld is Eschers wonderlijke spelen-met-het-oog bekend!

Maurits Cornelis (roepnaam: Mauk) Escher werd geboren als de jongste zoon van George Arnold Escher en diens tweede vrouw, Sarah Gleichman. Vader Escher was een waterbouwkundig ingenieur die zijn opleiding in Delft had genoten en een succesvolle loopbaan bij Rijkswaterstaat doorliep. Moeder Escher was van adellijke afkomst, wier voorvaders, evenals die van haar echtgenoot, uit Duitsland kwamen.
Naast Maurits Cornelis geniet zijn ook zijn oudere half-broer Berend George faam. Berend (geboren in Gorichem op 4 april 1885) studeerde geologie te Zürich. Hij werd één van de pioniers die het onderwijs in de geologische wetenschappen aan Nederlandse universiteiten op gang brachten en schreef een aantal belangrijke leerboeken. Berend George overleed op 11 oktober 1967 in Arhem. Naar hem werd de in 1994 B.G. Escherprijs genoemd, die jaarlijks kan worden toegekend aan de auteur de beste afstudeerscriptie in de (toegepaste) aardwetenschappen.

De jonge Maurits was een ziekelijk kind, maar kon niettemin terugkijken op een paar onbezorgde jaren in de Friese hoofdstad. In 1903 verhuisde de familie naar Arnhem, waar Maurits na de lagere school de HBS volgde. Die kon hij vanwege ondermaatse resultaten echter niet met een diploma afronden. In 1919 ging Escher, die volgens zijn vader een wetenschappelijke opleiding moest hebben, in Haarlem studeren aan de School voor Bouwkunde en Sierende Kunsten. In 1922 verliet Escher de school. Van dan af reisde Escher regelmatig en graag naar Spanje en vooral Italië, waar hij Jetta Umiker ontmoette, met wie hij trouwde in 1924 en die hem drie zonen zou schenken. In deze zuidelijke landen tekende Escher landschappen (die hij zou gebruiken in latere werken) en planten. In Spanje bestudeerde hij Moorse decoraties. Escher overleed op 17 maart 1972 in de Rosa-Spier-Stichting in Laren, een rusthuis voor bejaarde kunstenaars waar hij nog een eigen atelier had.


15. Grote Kerkstraat 7 (De Brasserie), Heer Ivo
Van Ivo Johannes (ook wel: Ivo Jansz.) weten we eigenlijk niet zoveel. Hij moet zo rond 1550 tot pastoor van de Sint Vitus kerk van Oldehove benoemd zijn, waarschijnlijk vanuit Goutum. Het is maar zeer de vraag of het ambt van pastoor in die tijd, met name na 1560, onverdeeld leuk geweest is. Het volk was arm en ontevreden. Vanuit Duitsland en Zwitserland deden de protestantse ideeën van Luther en Calvijn hun intrede. Het aantal kerkgangers in Leeuwarden liep drastisch terug. De overheid kondigde strenge maatregelen af en de beruchte Inquisitie kwam om te controleren of de pastores van de kansel wel de juiste leer verkondigden. Zo is in een verslag van een van de inquisiteurs een deel van een preek van Ivo Johannes bewaard gebleven. Daarin toont hij zich bewust te zijn van de misstanden in de kerk: "Dat men de keersen niet voor de houten Heyligen, die blind waaren, zouden zetten, maar datm er bij zou' spinnen, noodeloos was het die ter kercke te brengen. Béévaart naa Sant Jakob of Roomen was het spoyr bijster zijn: vrugtbaarder den armen bezoeken." Werkelijk geen onvoorwaardelijk volgen van de oude orde, maar Ivo werd er niet voor bestraft.
In 1566 keerde aanvankelijk het tij. Om de openlijke opstand tegen de Katholieke Kerk, die in de rest van het land gestalte kreeg in de Beeldenstorm, in goede banen te leiden, gaf de Leeuwarder overheid aan protestanten toestemming om op 8 september een kerkdienst te houden in Ivo's kerk - de Sint Vitus. Voorgangers daarbij waren twee gewezen pastoors die naar de nieuwe leer waren overgegaan. Geschrokken riep het Hof van Friesland terstond de in Leeuwarden actieve pastoors bijeen, waaronder Ivo, om hen te vragen of ze hun kerkelijk ambt nog wel met de juiste katholieke overtuiging uitvoerden. De opgeroepenen konden dat echter ronduit beamen. Ook is Ivo's naam enkele weken laten te vinden op een soort petitie waarin zo'n 180 Leeuwarder ingezetenen verklaren koning Filips II " ... in alles gelijck getrouwe onderzaten onderdanich te blyven soe dat wel behoort."
Kort daarna werd de oude orde hersteld en kreeg Ivo zijn kerk terug. Al in 1559 was besloten dat Leeuwarden een bisdom zou worden en in 1570 deed Cunerus Petri als bisschop zijn intrede. Hij zal Ivo's kwaliteiten op waarde geschat hebben, want hij benoemde Ivo, die al eerder tot aartspriester was aangesteld, tot eerste deken van het kapittel. Petri, die weinig aanzien genoot en wiens levenswandel zacht gezegd dubieus was, heeft het tij voor zijn kerk ook niet kunnen keren: zijn episcopaat duurde tot 1578. Toen verliet hij na veel gekrakeel zijn bisdom en ging hij gedwongen in ballingschap. Dat alles zal Heer Ivo, die er als deken nauw bij betrokken was, niet in de koude kleren zijn gaan zitten.
Pastoor Ivo heeft meer moeten verduren. In 1570 werden uit zijn kerk twee zilveren toonkasten en vier zilveren olievaten geroofd. Kort daarna werd het gebouw door een hevige storm beschadigd. Op 23 januari 1576 kreeg de toch al bouwvallige kerk er met een woeste storm nog meer van langs en stortte gedeeltelijk in. Misschien wel mede daardoor koesterde het volk genegenheid voor Ivo. Een genegenheid die wederkerig was, getuige het ‘segje' dat in die tijd in Leeuwarden ging: "Heer Ief heeft het volk lief." Het lot van zijn klerikale broeders en zusters, die nadat Leeuwarden in 1580 tot het protestantisme overging de stad werden uitgejaagd, bleef Ivo bespaard. Hij mocht blijven wonen in zijn huis. En toen hij een jaar later overleed, werden in de stad de klokken geluid als bewijs voor het warme plekje dat Heer Ivo Johannes in de harten van de Leeuwarder bevolking had veroverd. Dat blijkt, getuige de volgende opgeschreven herinnering: "Hy was een man van byzondere geleerdheit, godvrugtigheit en nedrigheit: en gelyk hy altyt getrou is geweest aan zyne Kerk, zo is hy ook van zyne Bisschop en van zijn Kapittel, ja, van al het volk altyt ten uytersten bemind geweest." Het Heer Ivostraatje is dan ook terecht naar deze vrome weldoener vernoemd.

De gebruiksgeschiedenis van het pand gaat ver terug. In 1511 werd door leden van de families Martena en Burmania "... een huus mit die stede unde mure unde alle syn anhanck, staende bij Oldehow, der nu ter tyt opghetimmert is tot een Pastoers huus tot Oldehow..." geschonken. Na Heer Ivo werd het achtereenvolgens bewoond door leden van de adellijke familie Van Donia, Feye Tiercx Heidema en zijn zoon Tarquinius Heidema (advocaat aan het Hof van Friesland), en Hendrik van Wyckel (onder andere ontvanger-generaal der lijfrenten en secretaris van Gedeputeerde Staten). Diens erfgenamen verkochten het huis aan de kamerheer van prinses Maria Louisa van Hessen-Kassel, jonkheer Robbert Hendrik van Hambroick, die het in 1766 weer aan de latere grietman van Ferwerderadeel, Imilius Josinus de Schepper en zijn vrouw Amelia Coehoorn van Scheltinga, verkocht. Met de volgende bewoner liep het niet goed af want op 1 juni 1793 meldde de Leeuwarder Courant, dat Justitie een beloning van 1000 gouden Hollandse ducaten uitloofde aan hem "... die Philip Hendrik Neering Bögel, ontvanger-generaal der floreenrenten van Friesland, die zich schuldig heeft gemaakt aan schandelijke landsdieverij en voortvluchtig is, in handen der Justitie levert". Uit zijn failliete boedel werd "de Heerlyke Huizinge" in de Grote Kerkstraat op 6 december 1793 verkocht aan de advocaat aan het Hof van Friesland, mr. Epeus Wielinga Huber en zijn vrouw. Hun zoon mr. Ulrich Herman Wielinga Huber en zijn vrouw, jonkvrouw Anskje Doyes Vegelin van Claerbergen, waren de volgende bewoners. Ook in de negentiende en twintigste eeuw kende het huis goed gesitueerde bewoners: onder meer een grietman, een predikant en enkele artsen. In de na-oorlogse jaren was het Heer Ivohuis lang in gebruik bij de uitvaartvereniging De Laatste Eer. Daarna is het korte tijd een winkel geweest en nu biedt "De Brasserie" er haar klanten al weer enige tijd een gastvrij onthaal.

Ivo's huis is nu een belangrijk Leeuwarder monument. Uit de bekende plattegrond van Johannes Sems van 1603 is af te leiden, dat het Heer Ivohuis een langgerekt, diep huis was met een kopgevel aan de Grote Kerkstraat. De ingang lag aan het voorplein aan de oostzijde. Het huis had boven de begane grond een verdieping en een zolderverdieping. Onder de achterkamer lag een door een dubbel tongewelf overkluisde kelder, die nog altijd aanwezig is. Op de verdieping van het oude huis zijn - heel verrassend - de laat-middeleeuwse moer- en kinderbalken met spreidsel en sleutelstukken met peerkraalmotief te zien. De huidige voorgevel werd in het tweede kwart van de achttiende eeuw opgetrokken. Hier kwam een nieuwe ingangspartij. Hoogstwaarschijnlijk had het huis daarvoor de ingang in de oostelijke zijgevel op een klein pleintje dat tussen Grote Kerkstraat 7 en 9 lag en dat aan het eind van de achttiende eeuw bij Grote Kerkstraat 9 getrokken is. Omstreeks 1905 werd het huis nogmaals verbouwd, waarschijnlijk door architect W.C. de Groot. Het kreeg toen de huidige verschijningsvorm. De zijmuur werd gepleisterd, de voorgevel geverfd en de oude kap omgebouwd tot een kap in de vernieuwingsstijl. De roodgeglazuurde pannen op het voor- en achterschild, de keramische pironnen op de hoeken en de drie karakteristieke drielichtkajuiten getuigen hiervan. Ook de decoratieve glas-in-lood ramen zijn uitgevoerd in de vernieuwingsstijl.
Ook het interieur herbergt zeer belangwekkende onderdelen. Bij binnenkomst valt eerst de monumentale, in rijke Lodewijk XVI-stijl uitgevoerde gang op, met marmeren vloeren en lambriseringen, gesneden deuren met bijpassende omlijstingen en door sierpleister gelede wanden en plafond. Boven het voorste paar deuren bevinden zich ronde holle nissen, waarin prachtig gemodelleerde putti ‘zweven'. De grote benedenruimte was vroeger in twee kamers verdeeld. De stucplafonds met kwart-ronde hoekornamenten en centrale ornamenten zijn eveneens uitgevoerd in Lodewijk XVI-stijl. In het achterhuis is de kamer met het zware balkenplafond bedekt met sierpleister. In de erachter liggende keuken zijn tegeltableaus verwerkt. Vanuit de keuken is via de oude spiltrap de met een dubbel tongewelf overkluisde kelder te bereiken. In een naar het oosten uitspringend deel van het huis bevindt zich het vermoedelijk omstreeks 1905 gebouwde trappenhuis met bovenlicht. De monumentale trappartij leidt naar de hal op de verdieping waar de moer- en kinderbalken en de zestiende-eeuwse sleutelstukken te zien zijn. Ook de grote voorkamer op de verdieping is van een verrassende schoonheid. Het belangrijkste interieuronderdeel is de gesneden schoorsteenpartij. Het is betreurenswaardig dat een vorige eigenaar het bijbehorende schilderstuk, een bloemstilleven met een rijkversierde lijst weggebroken en meegenomen heeft. Naast de grote voorkamer bevindt zich een smalle zijkamer. De verbinding ertussen wordt gevormd door een brede, gedrukte toog die gesierd is met rijk Lodewijk XVI-snijwerk, waarin blad- en bloemmotieven te herkennen zijn. Achter het Heer Ivohuis ligt een langgerekte en beschutte binnentuin waar het goed toeven is.


Westersingel 38, Geert Mak
Toen in 1900 de trambaan naar het noordwesten werd aangelegd, bleef er een strook land over tussen deze baan en de Westersingel. Aannemer Auke Gerhards van der Meij kocht het perceel in 1901 van de trammaatschappij en kreeg van de gemeente toestemming om hier woningen te bouwen.
Westersingel 38, is een pand uit een aaneengesloten rij woningen die gelijktijdig zijn gebouwd. Het pand is gebouwd in de Vernieuwingsstijl die rond de eeuwwisseling tot ongeveer 1915 in zwang was. De stijl is herkenbaar aan de plasticiteit van de gevel met een vooruitspringend deel waarin de entree en daarboven een erker en balkon geplaatst zijn. Voorts is de stijl te herkennen aan de gevelindeling en in de ornamentiek van het metselwerk, zoals de versnijdingen boven de entree, de geometrische decoratieve vormen in de borstweringen en in de boogtrommels boven de vensters en aan de gestucte banden om de vensters.
Het pand heeft een nagenoeg rechthoekige grondslag en bestaat uit een brede plint met twee woonlagen en een kapverdieping daarboven. De gevel is asymmetrisch ingedeeld waarbij het accent lig op het uitspringende segment aan de linkerzijde alwaar de entree gesitueerd is. Rechts van de entree bevinden zich twee grote vensters die omlijst zijn door gestucte banden. Op de eerste verdieping bevindt zich boven de entree een erker, met een groot gedeeld kozijn. De stijlen van het kozijn in de erker zijn aan de bovenzijde voorzien van klossen en korbeeltjes die de gootlijst van het balkon dragen. Aan de rechterzijde bevinden zich twee grote vensters die ten hoogte van de onder- en wisseldorpels met elkaar verbonden door gestucte banden. De borstwering onder de dakgoot is voorzien van een fries met decoratief metselwerk. De gevel wordt aan de bovenzijde afgesloten door een afgevlakt schilddak met een fraai, recent aangebracht dakraam. Links is de kapverdieping voorzien van een topgeveltje waar het balkon is gesitueerd. Het balkon is te bereiken door een rondgebogen deurkozijn met dubbele deuren. Het metselwerk alhier is voorzien van decoratief stucwerk en een gedraaide toppilaster.
Links naast de entree bevindt zich een steegje die toegang verschaft naar de tuin en naar de voormalige personeelsingang. De personeelsingang is nu dichtgemetseld. De steeg is verweven in de gevel van het buurpand.
Het interieur is heeft een functioneel plattegrond en voorzien van een sobere decoratie. De begane grond bestaat uit een tochtportaal met daarachter de gang die naar de keuken aan de achterzijde van het pand leidt. Rechts naast de gang bevinden zich de twee woonvertrekken die verbonden worden door suitedeuren. Hierachter bevind zich thans een vertrek die tijdens een recente verbouwing is toegevoegd. Voorheen was hier de serre gesitueerd, alhoewel deze niet zo diep was als het huidige vertrek. De decoratie van de twee woonvertrekken is eenvoudig, de neggen van de vensters zijn voorzien van panelen met eenvoudige profilering die identiek zijn aan de paneeldeuren en de suite betimmering. Het stucwerk van de plafonds is voorzien van een sobere omlijsting zonder enige opschmuck , evenals de schouw die in zwart, gepolijst hardsteen is uitgevoerd.
De keuken bevindt zich aan de achterzijde, hier de oorspronkelijke schouw en een wandkast nog aanwezig evenals het grote venster en de tuindeur in de achtergevel. Links van de gang bevindt zich de trap en daarachter het toilet. Door de hoge plafonds moet de trap op een relatief klein oppervlak een grote hoogte kunnen bereiken waardoor bijna alle treden verdreven zijn. Daarnaast is de trapleuning is voorzien van scherp gebogen leuningwrongen en kuipstukken wat de trap een zekere sierlijkheid geeft.
De verdieping heeft nagenoeg de zelfde indeling als de begane grond ook hier bevinden zich aan de linkerzijde twee grote vertrekken ensuite met identieke hardstenen schouwen als in de vertrekken op de begane grond. In de achtergevel bevinden zich nog de originele kozijnen, de ramen zijn vernieuwd. Op de zolderverdieping bevinden zich slaapvertrekken en enkele functionele ruimtes.

De eerste bewoner van het pand was Herman Hendrik Keij, een koopman in aardappelen (1903). Wanneer hij vertrok is niet zeker maar de verkoopakten geven aan dat Rijk Keij, een koopman in kaas, die vermoedelijk zijn zoon was in 1928 uit het pand vertrok. Dan betrekt de predikant Johannes Mulder het pand in 1933 en in de oorlog wordt het bewoond door achtereenvolgens Pieter Jacobus van Veen, (!942-'43) en Jan Kremer (1943-'47). Van 1947 tot 1961 bewoont de predikant Catrinus Mak met zijn familie het pand.
Geert Ludzer Mak, geboren op 4 december 1946 in Vlaardingen, was de jongste (6e) telg in het gezin van Catrinus Mak en zijn vrouw Geertje van der Molen. In 1947 verruilde het gezin Mak Vlaardingen voor Leeuwarden waar vader Mak een beroep had aangenomen als evangelisatie- en ziekenhuispredikant. In 1961 nam het gezin zijn intrek in een nieuwbouwwoning in Hurdegaryp. Geert volgde in Leeuwarden de lagere school en het Gereformeerde Gymnasium om vervolgens aan de V.U. in Amsterdam staatsrecht en rechtssociologie te studeren. Na voltooiing van de studie doceerde Mak enige tijd aan de Universiteit van Utrecht om zich in 1975 geheel aan de journalistiek en het schrijven te wijden. Tot zijn oeuvre behoren ondermeer de veelgeprezen boeken "Hoe God verdween uit Jorwerd" en "De eeuw van mijn vader". Voor zijn werk ontving hij diverse prijzen en hij bekleedde tweemaal de Wibautleerstoel aan de Universiteit van Amsterdam.

In het biografische boek "De eeuw van mijn vader" refereert Mak een aantal malen aan hun woonhuis op de Westersingel en de omgeving daar:
"De Westersingel was een brede weg aan de stadsgracht, met riante trottoirs, grasperkjes met ruisende populieren en aan de overkant een lange rij uitgewoonde tjalken. In een ervan woonden de schipper Vaartjes en zijn vrouw, twee bruingeteerde mensen die dagelijks in de naburige steeg een emmer water kwamen tappen. Met de andere schippers hadden we geen contact. Ze waren arm en vuil, ze dronken en vloekten. Later moest ik er op zondagochtenden weleens langs met de Elisabethbode, stichtelijke evangelisatielectuur waarin veel over zonde en genade werd geschreven. Met zakken vol snoep kwam ik altijd terug."
"Over de Westersingel voer nog hetzelfde, via een kabel voortgetrokken pontje als in 1910, en voor hetzelfde tarief: drie cent. Onze kruidenier bestond ook al een eeuw: een altijd warm en vol winkeltje, overladen met kruidenierswaren, emmers, borstels, bezems, touwen, kabels, petroleumvaten en anders schippersbenodigdheden. Er was één kruispunt met stoplichten waar altijd een agent naast stond, ter controle. Zo nu en dan kwam er een auto voorbij, maar we konden rustig op straat spelen."
"Onze buren behoorden tot de betere stand van Leeuwarden. Rechts van ons woonde de weduwe van een rijke hereboer die al eeuwenlang honderd was, daarboven woonde een wethouder en even verderop een leuk, jong veeartsengezin. Links woonde de procureur-generaal en zijn vrouw, deftige maar vriendelijke mensen. Daarnaast hadden we op de singel twee hervormde predikanten. De een was aardig, de ander kon als vrijzinnig predikant slechts neerkijken op ons gereformeerde domineesgezin, maar dat was meer een kwestie van stands- dan van godsdienstverschil. Dan was er de voorzitter van de Kamer Van Koophandel, wiens twee zonen samen met Hans de kinderen uit het achterafstraatje van onze gracht wegsloegen. Vervolgens had je een keurige accountant, een aardappelmagnaat en een rijk alcoholisch echtpaar dat in de veehandel zat. En op de hoek woonde "rijke Jan", een zakenman met een stel weelderige dochters, van wie er één later nog een centrale rol zou vervullen in Jan Wolkers'zedenroman Turks fruit."
"Ik probeer me de huiskamer aan de Westersingel voor de geest te halen, op een najaarsavond in 1952. Het is stil, op het getik van de kolenkachel na, de enige kachel in huis die brandt. Het licht van de lamp valt op de bruineiken tafel, op de bollige stoelen daaromheen, op het dressoir daarachter, op de rest van de kamer. Alles draait om die lamp en die tafel."
"In het huis aan de Westersingel was het dermate koud dat Tineke altijd hunkerde naar het einde van de kerstvakantie, want dan kon ze tenminste weer in een warme studiezaal zitten."
En die kou is tenslotte de reden van verhuizing naar Hardegarijp:
"Mijn ouders volgden op hun manier de vooruitgang. In december 1961 verruilden ze het oude, tochtige huis aan de Westersingel voor een splinternieuwe doorzonwoning in Hardegarijp, een forensendorp vlak bij Leeuwarden. Mijn vader reisde naar zijn werk met de trein."

Colofon

Uitgave: Aed Levwerd en HCL.
Redactie: Tom Sandijck, Leendert Plaisier, Peter de Haan, Klaas Zandberg.
Objectbeschrijvingen en andere tekstbijdragen: Jan Faber, Jaap Falize, Pieter de Groot, Anneke Hellinga, Hendrik ten Hoeve, Marga ten Hoeve, Peter Karstkarel, Leo van der Laan, Piet Meerdink, Rita Mulder-Radetzky, Leendert Plaisier, Ellen Schat, Asing Walthaus, Jopie van der Werf, Klaas Zandberg, Marieke van Zanten.
Fotografie: Leendert Plaisier en Tom Sandijck
Andere illustraties: HCL, FM, Piet Meerdink en fam. Mak.
Vormgeving: Invorm
Druk: Hellinga
Met dank aan: Momumentenzorg gemeente Leeuwarden, Communicatie gemeente Leeuwarden, NV Stadsherstel, Provinsje Fryslân, Museum Princessehof, Geert Mak
Sponsors: gemeente Leeuwarden, Blauwe Diamant

Terug