1. Het Zuiderplein en de Klanderijstraten

Verlaat men de oude stad over de Wirdumerpoortsbrug, dan komt men aan het Zuiderplein. Bij de behandeling van de eerste uitbreiding der stad is reeds meegedeeld, hoe de westzijde van dit plein is ontstaan. Aan den oostkant daarvan lag een twintigtal jaren geleden nog de Nieuwe-Stads-Herberg: de Klanderij, waarbij een stuk land behoorde, dat zich, ten westen aan den straatweg en ten oosten aan de bleek van van Asperen grenzde, tot aan de spoorlijn uitstrekte. In 1886 verleende de Gemeente aan de heeren T.A. van den Broeck en G.W. van Barneveld Kooi, concessionarissen tot den aanleg van eene drinkwaterleiding, eerst het recht van opstal op een gedeelte van het Klanderijland, om daarop den vereischten watertoren te kunnen plaatsen, en, toen in 1891 de Nieuwe-Stads-Herberg eene kostbare herstelling behoefde, besloot het Gemeentebestuur dit gebouw te doen afbreken en den vrijvallenden grond met het overige Klanderijland als bouwterrein te verkoopen. Terzelfdertijd hadden de heeren J. Swildens en E. Rodenhuis de naast dit land liggende bleek aangekocht met het doel om daarop burgerwoningen te doen bouwen. Om toegang tot deze huizen te verkrijgen, boden zij het Gemeentebestuur eene strook gronds aan tot den aanleg van straten en riolen, waarbij zij zich verplichtten het 2/3 gedeelte der kosten te zullen dragen. Dit werd aangenomen en zoo ontstond de Klanderijstraat met hare dwarsstraten. De Nieuwe-Stads-Herberg met het daarbij behoorende land werd daarop in 15 bouwperceelen verdeeld, waarvan er 4 ten noorden en de overige ten zuiden van de Klanderijstraat lagen. Op een der eerstgenoemde perceelen bouwde de Gemeente eene brug-wachterswoning: de overige 18 werden verkocht en brachten samen ruim fl. 19.000 op. Op de plaats, waar de Nieuwe-Stads-Herberg stond, is weer een logement gezet, dat den ouden naam “De Klanderij” draagt.

De rij huizen, tusschen de Klanderij en de voormalige herberg “De Posthoorn” gelegen, welke het Zuiderplein ten zuid-oosten begrenst, is reeds eerder ontstaan. In 1867 verkregen de heeren C. Hettema en J. Keyzer vergunning tot demping der sloot, die den straatweg van de bleek van van Asperen scheidde, met het doel om langs de noordzijde dier bleek woningen te bouwen. Ook liet de laatste in zuidelijke richting de reeks huizen zetten, welke, naar den stichter, den naam van “Keyzersbuurt” draagt. De oude “Posthoorn”, nabij het in 1857 gedempte paardenwad aan de Potmarge gelegen, verdween mede in den loop der tijden. Sedert de opheffing der paardenposterij enkel tot herberg gebruikt, werd zij in 1871 afgebroken en maakte voor andere woningen plaats.


2. Grachtswal, Romkeslaan en Tulpenburg

De Potmargebrug overstekende, bereikt men de Grachtswal. In 1870 lag hier tusschen de Romkeslaan en den puinweg “Achter de Hoven” eene weide: “de Oude Bleek” geheeten, die ten zuiden door de buurt Tulpenburg begrensd werd. Dit veld zoo uitnemend tot aanbouw van huizen geschikt, werd door den heer L. van der Scheer van de familie Looxma Ypey aangekocht, met het doel om het als bouwterrein in exploitatie te brengen. In 1877 verkreeg dr. van der Scheer vergunning tot demping der sloot, welke zijn land van den straatweg afscheidde, waarna in 1878 vier groote herenhuizen aan den Grachtswal werden aangebouwd. In 1879 werd hem toegestaan de scheidingssloot tusschen zijn bouwterrein en de weg Achter de Hoven, die sedert 1876 van den Grachtswal tot aan den overweg van het Staatsspoor bestraat was, te dempen ten behoeve van de perceelen, welke langs deezen weg werden opgetrokken. Binnen enkele jaren was dit terrein nagenoeg geheel bebouwd. Ten noorden van Tulpenburg lieten de heeren Jansen en Altena vele woningen zetten. Om een beteren toegang tot deze huizen te verkrijgen, boden zij in 1888 der Gemeente een strook grond tot den aanleg van eene straat aan. Daar zij echter de voorwaarden, welke de Gemeente aan de overname van deze grond verbond te bezwaarlijk achtten, hebben zij dit werk later voor eigen rekening ondernomen. Zoo ontstond de Hoveniersstraat, welke van den weg Achter de Hoven met eene bocht naar Tulpenburg leidt.

De Fabriekssteeg, die naar de in 1867 geopende stroo-cartonfabriek voert, was vroeger eveneens particulier eigendom. In 1891 werd zij door de Gemeente van H. Steffens overgenomen en bestraat, terwijl zij in 1899, bij de afbraak van het landhuis, dat vroeger op den hoek dezer steeg en den weg Achter de Hoven heeft gelegen, werd verlegd en verbreed.

De overname van de Romkeslaan heeft der Gemeente meer moeite gekost. De eigenaar daarvan weigerde nl. de laan, welke destijds uitsluitend toegang tot Tulpenburg verleende, aan de Gemeente te verkoopen, terwijl hij evenmin toestemming wilde geven tot het bestraten van den weg, die bij slecht weer in een modderpoel veranderde. Hij bemoeilijkte het verkeer op allerlei wijzen. Om hieraan tegemoet te komen stond de eigenaar van het perceel, ten oosten van de laan gelegen, gratis eene strook gronds voor den aanleg van een bestraat voetpad af. Zoo bleef de toestand, totdat de Gemeente, na den dood van den onhandelbaren eigenaar, in 1889 de Romkeslaan kon aankoopen en verbeteren. Op den hoek van deze laan en den Grachtswal lag destijds een timmerwinkel. Om de vrije beschikking over den grond daar te verkrijgen, kocht de Gemeente dien in 1891 voor fl. 1848 aan en liet hem, benevens de daarbij liggende brugwachters- woning, in 1896 afbreken. Het grootste gedeelte van den vrijvallenden grond werd bij den openbaren weg getrokken, het overige als bouwterrein verkocht.

De Romkeslaan, zoo genoemd naar den oprit, welke naar het huis van den vroegeren burgemeester Romkes leidde, beantwoordt thans weinig meer aan haar naam: de boomen zijn geveld ten behoeve van de groote pakhuizen en de nieuwe woningen, die aan den oostkant zijn verrezen. Het eenige groen, dat men thans aan het einde dezer straat ziet, behoort bij de huisjes van Tulpenburg en Klein Tulpenburg, die in 1830, 1838 en 1844 in de Romkeslaan werden gebouwd. Zij loopt uit op de Keetbuurt, welke, sedert hier in 1830 de eerste 16 woningen ter plaatse van de voormalige zoutkeet werden gezet, zeer is uitgebreid.

In 1860 voegde de tuinman K. R. Brink twee woningen toe aan het in 1844 door hem gebouwde “Klein Tulpenburg”. Twee jaar daarna liet hij eene rij van twaalf huizen in het noordelijk gedeelte van zijne bloemkwekerij plaatsen, welke streek mede den naam van Tulpenburg ontving. Door eene sloot was deze buurt van het land “De Oude Bleek” afgescheiden. Toen nu “De Oude Bleek” hier na 1880 bebouwd werd, ontstond reeds spoedig de wensch om deze sloot te dempen en in een weg te veranderen. In 1885 werd daartoe een adres bij den Raad ingediend, doch, daar in den aanvang niet alle rechthebbenden tot demping genegen waren, kon dit werk eerst in 1887 worden uitgevoerd. De Gemeente nam daarbij de sloot gratis over, dempte deze en bracht er rioleering en bestrating aan, terwijl op de voormalige sloot uitloopende bleekjes werden verlegd. In 1891 kocht de Gemeente daarenboven nog een plekje grond aan, dat de Romkeslaan met Tulpenburg verbindt.

Weldra ontstond er ten zuiden van Tulpenburg eene nieuwe buurt “Achter Tulpenburg” genaamd. Sedert 1884 liet de heer Steffens hier, zoowel als aan de Fabriekssteeg, eenige rijen huizen zetten. Deze buurt was door eene sloot van de Keetbuurt gescheiden. In 1891 besloot de Raad ook deze sloot te doen dempen, rioleeren en bestraten, waarbij tevens de van Steffens overgenomen Fabriekssteeg geplaveid werd. Op deze wijze is hier langzamerhand tusschen de Potmarge en Achter de Hoven eene geregelde en dichtbebouwde buurt verrezen.

Ofschoon wij thans, voor de topografische volgorde, de groote veranderingen zouden moeten behandelen, welke de weg Achter de Hoven en de Grachtswal hebben ondergaan, hangen deze zozeer samen met het ontstaan van de wijk langs het Nieuwe Kanaal, dat wij daarvoor verwijzen naar het hoofdstuk “De Uitbreiding der Stad naar het Oosten”, en eerst overgaan naar het Vliet.


3. Het Vliet, de weg naar Cambuur en het voetpad naar Schilkampen

Geen der buitenbuurten van Leeuwarden heeft uiterlijk zoo weinig verandering ondergaan als het Vliet, dat met zijne ophaalbruggen en zijn met boomen beplanten waterkant een der meest schilderachtige kijkjes in onze stad aanbiedt. Zooals boven is meegedeeld, werd de Boomsbrug in 1860 verlaagd en gedeeltelijk vernieuwd en de Wittebrug in 1861 afgebroken en vervangen door eene ijzeren ophaalbrug. Doch tot op onzen tijd heeft men de eigenaardige trapjesbruggen: de Blauwebrug en de Poppebrug behouden, ofschoon het bestaan van deze laatste thans bedreigd wordt door den aanleg van eene nieuwe brug, welke, ten behoeve van den in 1905 gemaakte rijweg van de Nieuwe Kanaalsweg tot het Kalverdijkje, over het Vliet geslagen zal worden.

Het oostelijk gedeelte van het Zuidvliet, was vroeger alleen langs het Vliet te bereiken. Toen in 1889 het Molenpad verlengd werd, verkreeg men een nieuwen toegang tot deze buurt en sedert den aanleg van het terrein ten noorden van het Nieuwe Kanaal staat zij met de Emmakade in verbinding door de Menno van Coehoorn- en Bothe van Bolswertstraten. In 1902 werd hier eene sloot achter de Chicoreibuurt gedemt, welke, door de Gemeente overgenomen, in eene breede straat met rijweg en trottoirs werd herschapen: de tegenwoordige Willem Lorestraat.

Ook aan het Noordvliet zijn in de laatste jaren ter hoogte van de Blauwebrug verschillende dwarsstraten verrezen, terwijl er in 1804 eene nieuwe reeks huizen tegenover het buiten “Welgelegen” is aangebouwd. Hier lag tot dien tijd het tichelwerk, dat uit handen van Mr. J. Dirks aan Mr. S. Salverda was overgegaan. Na diens overlijden werd het door den timmerman Brouwer gekocht: deze liet den steenoven afbreken en op het terrein van het voormalige tichelwerk twee rijen woningen zetten, waardoor de Tichelstraat ontstond. De gemeente kocht daarop in 1894 de strook grond aan, gelegen tusschen het vaarwater: het Vliet en het terrein van den heer Brouwer, terwijl deze in 1901 nog een gedeelte van den wal langs het Vliet, met straat en bleek, aan de Gemeente overdeed.

In 1899 dienden de heeren Brouwer en Bijlsma een bouwplan bij den Raad in betreffende de stichting van woningen ten noorden van het Noordvliet aan den weg naar Cambuur gelegen. Dit werd goedgekeurd en zoo verrees de buurt, waartoe de Noordvlietstraat, de Cambuurstraat en de eerste en tweede Cambuurdwarsstraten toegang verleenden. In 1904 werden deze straten, tegen een vergoeding van 1024 gld., door de Gemeente in eigendom en beheer overgenomen. In datzelfde jaar kocht zij een gedeelte van den weg naar Cambuur aan om hier het pad te verbeteren.

In 1869 en in 1877 verkreeg de Gemeente een strook gronds langs het Vliet van de Looyers- tot de Poppebrug, om daarop een klinkerpad te doen aanleggen. In 1871 werd ook de buurt Schilkampen door een smal voetpad met de Poppebrug verbonden, dat op particulier eigendom liggende, volgens de verleende vergunning niet verder dan 2 Meter van den oever mocht worden gelegd. Door afslag van den wal werd dit klinkerpad in 1887 verlegd. In 1895 was eene herstelling er van op nieuw hoogst noodzakelijk geworden, doch deze stuitte af op den onwil van de eigenaren van het daar liggende land om hunne wallen te verbeteren. Daarop besloot de Gemeente in 1900 het herstel der wallen voor eigen rekening te doen uitvoeren en het voetpad in goeden staat te brengen. In 1883 had de Gemeente reeds het “Hooghout”, dat over de Kurkemeer naar Schilkampen leidt, van de onderhoudplichtigen overgenomen, daar deze in gebreke bleven de bouwvallige brug te vernieuwen. Zij liet hier in dit jaar een voetbrug bouwen, waarvoor fl. 688 werd uitgegeven. Zoo is de weg naar Schilkampen thans geheel hersteld, doch tot de zoo dikwijls aangevraagde verlichting van dit voetpad is het nog niet gekomen. Mogelijk zal de aanleg van den nieuwen weg van het Kanaal naar het Kalverdijkje, die het voetpad naar Schilkampen snijdt, daarop van goede invloed zijn.


4. De Oostersingel, het Cambuursterpad, het Kalverdijkje en de Groningerstraatweg

Tot 1868 lagen er op den wal van den Oostersingel nabij de Boomsbrug eenige bleekjes, welke de Gemeente in dat jaar aankocht en liet opruimen, om den weg op dit drukke verkeerspunt te verbreeden. De bestrating langs den Oostersingel of de Vijversbuurt werd in den loop der jaren zeer verbeterd, terwijl men sedert 1876 is begonnen met de wallen langs de gracht, telkens bij gedeelten, van muren te voorzien. Bij dit werk werd in 1888 het Fabersbruggetje afgebroken en door een duiker vervangen, terwijl de sloot, welke zijn water daardoor loste, in 1801 werd gedempt.

Deze fraaie singel onderging eene groote verandering, toen de Raad in 1882 besloot de gemeenteschool No. 11 op het terrein van den in 1826 gegravenen zoetwatervijver op te richten. De mooie beplanting van dit terrein, dat naar het plan van den heer L. T. Roodbaard, aan wien Leeuwarden ook den aanleg van zijn Prinsentuin en van zijne begraafplaats te danken heeft, was ontworpen, moest nu plaats maken voor een groot steenen gebouw, zoodat slechts enkele hooge wilgen aan de noordzij nog van den vroegeren parkaanleg getuigden. Ook deze moesten vallen, toen de zeer druk bezochte school in 1902 eene uitbreiding behoefde. Jammer, dat onze aan lommer reeds zoo arme stad ook dit mooie plantsoen moest derven. Het kruitmagazijn, dat sedert de afbraak van het kruithuis boven de Lieve-Vrouwe-Waterpoort in 1840 naar het terrein van deze zoetwatervijver was overgebracht, is in 1889 bij de schietbaan aan het Kalverdijkje geplaatst.

Ten noorden van den Oostersingel tot aan het Cambuursterpad zag men vroeger niets dan warmoezerijen. Sedert in 1852 hier evenwel halverwege de singel een huis werd gezet, waarbij de scheidingssloot gedeeltelijk werd gedempt, is er ten westen van dat huis een nieuwe buurt aangebouwd, de Oosterbuurt genaamd, welke zich bij de huizenrij langs het Cambuursterpad aansluit. In 1904 werden twee huizen bij het Cambuursterbruggetje door de Gemeente afgebroken om den weg op dit punt te verbreeden.

Aan de zuidzijde van het Cambuursterpad staat nu eene rij woningen, welke door eene sloot van den weg zijn afgescheiden. Voor het overige loopt het pad, dat vroeger naar de in 1810 afgebroken Camminghaburg voerde, thans nog langs weiden en warmoezerijen. Tot 1889 was dit pad particulier eigendom, doch in dit jaar heeft de Gemeente het, met de daarnevens loopende vaart, van de oude bezitters van Camminghaburg, het geslacht Juckema van Burmania Rengers, aangekocht.

Langs het Cambuursterpad bereikt men het Kalverdijkje, dat met eene groote bocht op den straatweg naar Groningen staat. Dit dijkje was oorspronkelijk slechts een landweg, die toegang gaf tot verschillende daaraan gelegen boerderijen. Toen de Raad in 1849 besloot het exercitieveld, dat zich achter den Grachtswal tot aan de Soldatengracht uitstrekte, naar het Groot-Meenschar nabij het Kalverdijkje over te brengen, daar de schietoefeningen voor de omwonenden gevaar opleverden, werd het Kalverdijkje als toegangsweg tot dit veld, van den Groninger straatweg, bij het Tolhuis, tot even voorbij den molen van den Camminghabuursterpolder, verhoogd en bepuind. Ten behoeve hiervan stond de heer R. H. S. J. G. Juckema van Burmania baron Rengers eene strook van zijn land af, waardoor het Kalverdijkje, dat eertijds voor het tolhuis op den ouden Zwarten Weg uitliep, tot aan het tolhuis aan den Groninger straatweg kon worden doorgetrokken. Voor den aanleg van het exercitieveld in het Groot-Meenschar moest de stad eene ruiling van grond aangaan en dit land in den Camminghabuursterpolder doen opnemen. Op dit nieuwe veld, dat in 1850 in gebruik werd genomen, plaatste men een kogelvanger, daar dit terrein tot 1874 tevens voor schietoefeningen is gebruikt. Doch, omdat dit hiervoor op den duur ongeschikt bleek te zijn, gaf het Gemeentebestuur in 1871 gehoor aan het verzoek van de militaire autoriteit om meer in de nabijheid der stad eene afzonderlijke schietbaan op gemeentegrond te doen aanleggen. Daartoe wees de Raad een terrein ten noorden van het Kalverdijkje bij den Groninger straatweg aan, terwijl door schenking en aankoop een toegangsweg van dit dijkje tot de schietbaan werd verkregen. Daar de landweg bij slecht weer echter onbegaanbaar was, liet de Gemeente het Kalverdijkje van den Groninger straatweg tot de plaats achter Cambuur en vandaar tot Schoppershof, met den zijtak naar de schietbaan, met klinker bevloeren, terwijl de bestrating in 1872 tot aan bovengenoemde tweede stadsplaats werd doorgetrokken.

De schietbaan, die bij eene lengte van 250 M. eene breedte van 18 M. verkreeg en waaraan de Gemeente bijna fl. 5000 ten koste legde, werd den 18en Juni 1873, op den herdenkdag van de slag van Waterloo, in gebruik genomen. Zij voldeed echter niet aan de verwachting, want, hoewel aangelegd naar een plan van het Departement van Oorlog, bleek zij reeds spoedig verbetering te behoeven. Om meerdere schade te voorkomen, stemde de Raad er in toe, dat de Gemeente nog het 1/3 gedeelte der herstellingskosten, die 2270 gld. beliepen, voor hare rekening zou nemen. Den 31sten Juli 1874 werd de schietbaan op nieuw geopend. In 1887 bouwde men eene patronenbergplaats bij het terrein, waarna het oude kruithuisje bij den stadsvijver werd afgebroken.

Zoo bleef dan nog slechts een deel van het Kalverdijkje, n.l. dat, ’t welk van de tweede stadsplaats tot aan den molen van den Camminghabuursterpolder liep, in zijn oorspronkelijken toestand. Ook hierin zou verbetering worden gebracht. In 1885 nam de Gemeente dezen landweg, die aan particulieren toebehoorde, in eigendom over en legde daarop, met medewerking van de naastleggers, een kunstweg aan. Daarop stonden ook de overige eigenaren van het Kalverdijkje hun aandeel in deze weg aan de Gemeente af, onder voorwaarde, dat de in 1850 hierop aangelegde puinweg in een grintweg zou worden veranderd. Dit geschiedde en de nieuwe kunstweg werd tot bij het Tolhuis op den Groninger straatweg doorgetrokken. Zoo was het Kalverdijkje een fraaien wandelweg herschapen, waarlangs ook de militairen, die nu niet meer den omweg over het Tolhuis behoefden te maken, sneller het exercitieveld konden bereiken.

Dit exercitieveld was inmiddels te klein geworden. In 1889 besloot men het te vergrooten, waarbij de aarden van den ouden kogelvanger tot demping der omringende slooten werd gebruikt. Sedert geeft het Rijk jaarlijks fl. 200 voor de vermindering in huurwaarde van het terrein, dat bij het vroegere exercitieveld werd gevoegd. De toegang tot dit veld liep van het Kalverdijkje over een stuk land, toebehoorende aan het St. Anthony-Gasthuis. Toen men hierop een sintelweg wilde aanleggen, weigerde het Bestuur van genoemd Gasthuis daartoe zijne toestemming te geven, maar bood aan eene strook van dit land, als toegangsweg, aan de Gemeente te verkoopen. Gaarne nam deze dit voorstel aan en werd voor fl. 296 eigenares van den toegangsweg, die nu besinteld en door eene sloot van het perceel afgescheiden werd.

Sedert 1905 is het Kalverdijkje door een breeden grintweg in verbinding gebracht met het Vliet en het Nieuwe Kanaal. Men verwacht, dat hier mettertijd een nieuwe buurt zal ontstaan.

In het begin der vorige eeuw stond het Kalverdijkje met eene wijde bocht op den Zwarten Weg, die destijds de eenige verbinding te land van Leeuwarden met het oostelijk deel der Provincie vormde. Bij den aanleg van den Groninger straatweg nam het Rijk in 1831 dezen weg van de stad Leeuwarden over. De straatweg volgde tot Tietjerk grootendeels den ouden Zwarten Weg, doch van even buiten Leeuwarden tot het Tolhuis sneed men, door den straatweg eene rechte richting te geven, een belangrijk deel van den Zwarten Weg nu in 1866 de Gemeente Leeuwarden, Leeuwarderdeel en Tietjerksterdeel besloten een kunstweg aan te leggen van Leeuwarden over Lekkum en Miedum naar Giekerk, kocht eerstgenoemde Gemeente daarvoor een stuk van den afgesneden arm van den ouden Zwarte Weg van het Rijk aan, n.l. dat deel, dat tusschen den straatweg naar Groningen en het Lekkumerdijkje, op de grens dezer Gemeente ligt. Hierop bracht men den kunstweg aan, die in 1867 werd aanbesteed. Tengevolge van den aanleg van den grintweg naar Lekkum, liet de Gemeente de Bonkebrug bij Snakkerburen, waaraan thans geene behoefte meer bestond, in 1873 afbreken en werd het Lekkumerdijkje aan den openbaren dienst onttrokken en als weiland door de Gemeente verhuurd.

Sedert eenige jaren is tusschen den straatweg aldaar gedempt. Overigens is deze fraaie laan gelukkig nog ongerept gebleven, alleen is er in de nabijheid der stad reeds vroeger eene nieuwe buurt verrezen: Werkmanslust. Deze heeft haar ontstaan te danken aan de Vereeniging “Help u zelven”, welke in 1871 werd opgericht met het doel om aan werklieden langzamerhand eigen woningen te verschaffen, tegen eene storting van een dubbeltje per week. De Vereeniging stelde zich zoodoende voor binnen 4 jaar 15 woningen gereed te hebben. Om den woningbouw echter te bespoedigen ging zij eene leening aan, die binnen korten tijd geplaatst was, zoodat in 1872 reeds 50 woningen op het aan den Groninger straatweg aangekochte stuk land gezet konden worden. De eerste steen van Werkmanslust werd den 12en Mei 1872 gelegd. In 1873 werd er eene nieuwe leening gesloten voor den aanbouw van 50 andere woningen en sedert heeft Werkmanslust zich zoozeer uitgebreid, als het terrein dit toeliet. Thans bestaat deze buurt uit vijf rijen huizen met 156 woningen, die elk twee vertrekken, een zolder en een bleekveldje hebben. In 1878 heeft men een cooperatieve winkel aan het front der stichting aan den Groninger straatweg geopend: een dubbel huis, van grooter afmeting en twee verdiepingen, waarin zich tevens het vergaderlokaal der Vereeniging bevindt. “Werkmanslust” had vroeger alleen uitgang op den Groninger straatweg. Sedert in 1905 echter, door samenwerking met de Vereeniging “Eigen Brood Bovenal”, de Willem Sprengerstraat tot stand kwam, die van den straatweg naar de woningen dezer Vereeniging leidt, kan men van Werkmanslust ook Olde-Galileen bereiken. Ten behoeve van den aanleg der Willem Sprengerstraat heeft de Gemeente der sloot gedempt, die deze straat van haar eigendom, de Bleekerij, scheidde. Voor de verbetering van het voetpad op Olde-Galileen had de Gemeente n.l. in 1879 deze bleekerij met den daarachter liggenden tuingrond aangekocht en vervolgens het bleekveld verhuurd. Ook de aan de overzijde van van den Groningerstraatweg gelegen herberg “De Bleek” is het gemeente-eigendom. In 1874 kocht de Gemeente deze aan met het doel hier een ziekenhuis op te richten. Aan dit plan is geen gevolg gegeven, doch in 1905 werd op een gedeelte van het daarbij behoorende land de watergasfabriek gesticht, terwijl men op het terrein der “Bleek” ook het gebouwtje voor het onderzoek van het water der drinkwaterleiding aantreft.

De vriendelijke huizen langs den Hoekstersingel zijn sedert 1890 ten deele aangebouwd en ten deele vernieuwd. Hier langs gaande bereikt men de Lindebuurt, welke toegang geeft tot Olde-Galileën.


 

5. Olde-Galileën

De toestand op Olde-Galileën liet, zooals boven is meegedeeld, voor 1870 veel te wenschen over. Het oude voetpad naar Lekkum, dat daar langs liep, behoorde aan particulieren en stond sedert 1826 tot even voorbij den houtzaagmolen onder toezicht van twee Gecommitteerden. Doch behalve over dit gedeelte van de smalle bestrating, bekommerde zich niemand om het onderhoud van weg, wallen of slooten. De laatste waren dan ook deels vervuild en bijna dichtgegroeid, deels eigenmachtig gedempt en bebouwd. Dat er van eene geregelde rooilijn in deze buurt bij eene dergelijke verwaarlozing geen sprake kon zijn, valt licht te begrijpen: zelfs stonden er twee huisjes midden op het voetpad en vernauwde een hoefstal den toegang tot Olde-Galileen. Op den duur was zulk een toestand onhoudbaar, ook uit een hygienisch oogpunt. Zou er hierin echter verbetering gebracht worden, dan moest de Gemeente zelve krachtig ingrijpen. Wel was zij hiervan doordrongen, docht daar de uitbreiding der stad naar het zuiden in die dagen groote inspanning eischte, bepaalde zij er zich voorloopig toe stukken grond op Olde-Galileen aan te koopen, daar zij voor alles den weg in eigendom moest trachten te verkrijgen. Zoo werd er in 1873 een stuk land ter oppervlakte van 13.329 c.A. van den heer Romein aangekocht, om hierop eene nieuwe gemeenteschool te stichten, terwijl de Gemeente het volgende jaar ook nog eene woning op Olde-Galileen voor dit doel liet afbreken. Door de oprichting van deze school is de Eestraat ontstaan. Toen dit gebouw in 1874 gereed was, werd de oude tusschenschool tot bewaarschool ingericht, totdat men in 1885 eene nieuwe bewaarschool aan den westkant van Gemeenteschool no. 8 stichtte. De oude tusschenschool werd daarop beschikbaar gesteld tot locaal voor werkverschaffing, totdat zij in 1902 werd afgebroken en het vrijvallend terrein deels bij de openbare straat is getrokken en deels voor de vergrooting van Gemeenteschool no. 8 is gebruikt. Een stuk van het bovengenoemde perceel land aan de Dockumer Ee dient thans tot opslagplaats van materialen en baggerspecie, een ander gedeelte tot stadsboomkweekerij, terwijl ook het terrein voor houtveilingen in 1884 hierheen werd overgebracht.

Nadat de Gemeente herhaaldelijk, zoowel door aankoop als door afstand en ruiling, stukken grond op Olde-Galileen had verkregen, besloot de Raad in 1880 eindelijk tot verbetering van het voetpad aldaar. Ieder jaar zou er eene som op de Gemeentebegrooting worden uitgetrokken voor den aanleg van bestrating, rioleering en waterleiding voor de brandblussching. Met deze verbeteringen heeft men zich tot den hoofdweg moeten bepalen: de zijstraatjes vertoonen nog een getrouw beeld van de vroegere verwaarloozing: men denke slechts aan het veelbesprokene Peterselie-walletje. Doch, wat al moeite en hoofdbrekens heeft het niet gekost, eer men orde in deze verwarring kon scheppen ! Terwijl de Gemeente steeds voortging met stukken gronds aan te koopen, werden er slooten gedempt of verlegd, huizen geslecht, bleekjes voor woningen op stadsgrond achter die woningen overgebracht of naar de overzijde van de nieuwe straat getransporteerd, stoepen en strooken grond overgenomen tot het maken van een klinkerbestrating langs de huizen, en zoo kwam bij gedeelten de nieuwe straat tot stand, welke thans tot bij de Houtpolle is doorgetrokken. De beide huisjes van den heer Bokma de Boer, die vroeger het voetpad versperden, verdwenen in 1882. Op deze wijze is Olde-Galileen langzamerhand in eene frissche, heldere buurt herschapen, terwijl vele aan den weg gelegen woningen door verbouwing een netter aanzien hebben verkregen.

Eertijds strekte deze buurt zich alleen tusschen het voetpad naar Lekkum en de Dockumer Ee uit, terwijl men aan den oostkant slechts eenige woningen aan het begin van dit pad aantrof, dat verder langs warmoezerijen en weilanden liep. In 1864 richtte de Vereeniging “Eigen Brood Bovenal” aan deze zijde 66 arbeiderswoningen op, welke, op vier rijen geplaatst, met hare aardige bleekjes en tuintjes een vriendelijk voorkomen hebben. Terzelfder tijd werd er door particulieren eene reeks huizen gebouwd aan de noordzijde van het perceeltje land, dat als eene wig in den Hoekstersingel vooruitsteekt en aan welks oostzijde in 1874 de graan pakhuizen Odessa en Riga zijn verrezen. Dit buurtje, dat den naam van Lindebuurtje ontving, en eene nieuwe verbinding van Olde-Galileen met den Hoekstersingel vormde, werd ten noorden begrensd door eene vuile sloot. In 1882 besloot de Raad deze sloot te doen dempen en hier rioleering en bestrating aan te brengen.

Sedert 1905 heeft men ook van den straatweg naar Groningen een directen toegang tot Olde-Galileen verkregen, en wel door de uitbreiding der stichting “Eigen Brood Bovenal”. In 1904 liet deze Vereeniging achter de reeds bestaande huizenrijen een zestigtal nieuwe werkmanswoningen aanbouwen die, elk van een tuintje voorzien, door een plantsoen van de eerste zijn afgescheiden. Door samenwerking met het Gemeentebestuur en de Vereeniging “Help u zelven” werd de hierdoor ontstane buurt in verbinding gesteld met den Groninger straatweg door den aanleg van de bovengenoemde Willem Sprengerstraat.

Overigens is de oostkan van den weg langs Olde-Galileen nog weinig bebouwd: alleen treft men tegenover het Peterselie-walletje in 1877 opgerichte broodfabriek “De Zelfstandigheid” en iets verder eenige huizen, bekend onder den naam van
“Het Streekje”, aan. Aan gene zijde van den weg aan de Dockumer Ee, vindt men daarentegen verschillende industrien, zooals eene pannenbakkerij, eene chicoreifabriek, een houtzaagmolen en eene scheepstimmerwerf. Bij het Bonkehout gaat het voetpad over op het grondgebied der Gemeente Leeuwarderdeel en leidt dan spoedig naar Snakkerburen.

 

6. De Dockumer Trekweg en Camstraburen

Tegenover Olde-Galileen, aan de overzijde van de Dockumer Ee, ligt de trekweg, die sedert den aanleg van het grootscheepsvaarwater van Harlingen tot de Dockumer Nieuwezijlen en veel minder gebruikt wordt dan vroeger. De toestand van dezen weg, welke aan particulieren toebehoort, is allertreurigst. Door het drukke stoombootverkeer zijn er groote gaten in de wallen geslagen, de bruggetjes over de opvaarten leveren gevaar voor de passage op en bij slecht weer is de weg bijna onbegaanbaar. Herhaaldelijk heeft de Gemeente dan ook, op kosten der nalatige eigenaren, eenige noodzakelijke herstellingen in den trekweg, voor zoover die op het grondgebied van Leeuwarden gelegen is, doen aanbrengen. Het moet echter erkend worden, dat het onderhoud van den trekweg voor particulieren te bezwarend is geworden, vooral nu de opbrengst der tollen, sedert er bijna geene schepen meer getrokken worden, tot een minimum teruggebracht is. Vandaar, dat er sinds geruimen tijd onderhandelingen gevoerd zijn over de overname van dezen weg door de provincie, welke echter nog niet tot een resultaat hebben geleid.

Waar de Dockumer trekweg echter bij Camstraburen op de stad uitloopt, heeft de Gemeente zelve de hand aan het werk geslagen: de walmuren, in 1860 langs de doorgraving bij Camstraburen gebouwd, werden in 1864 en 1866 voortgezet en in 1873 doorgetrokken tot aan het eerste bruggetje in den Dockumer trekweg, terwijl het pad tot dit punt met keien werd bevloerd. Aan dit werk legde de Gemeente ruim fl. 7.500 ten koste.

Van de industrieën, welke vroeger aan deze zijde van de Dockumer Ee bloeiden, zijn er verschillende te loor gegaan en andere daarentegen opgekomen: nog vindt men er de kalkbranderij en de chicoreifabriek, doch op de plaats, waar vroeger de pelmolen stond, is eene oliezuiverij opgericht en naast den vroegeren oliemolen staat thans eene nieuwe cementfabriek. De houtzaagmolen, welke in 1840 door den heer Romein op Camstraburen was gebouwd, werd in 1879 verkocht en afgebroken en het terrein in bouwperceelen uitgegeven. Hier ontstonden in 1880 de verschillende Houtstraten, welke tegen eene tegemoetkoming door de eigenaren van fl. 1.100, in 1882 door de Gemeente overgenomen, van riolen voorzien en bestraat werden. De hier ontstane buurt is, ofschoon zij zeer gemakkelijk met de daarnaastliggende Bleekerstraat in verbinding gebracht kon worden, nog steeds door eene sloot en een hek daarvan afgescheiden, tot groot ongerief van de bewoners.

Vóórdat Camstraburen in 1859 werd doorgegraven, vormden deze buurt en de Eebuurt eene streek langs de Dockumer Ee. Toen het nieuwe vaarwater, waarvoor de woningen van de heeren Ruitenschild, Miedema en de Weduwe van der Mey plaats hadden moeten maken, gereed was, bleef het ten noorden daarvan gelegen terrein voorlopig nog onbebouwd, totdat E. Mulder hier in 1869 eene reeks huizen zette in aansluiting bij het oorspronkelijke Camstraburen, op het punt, waar vroeger zoo bekende herberg het Oud-Blauwhuis lag. Een dertigtal jaren later, in 1897, toen de bebouwing van de vroeger zoo fraaie Spanjaardslaan algemeen werd, zijn op het land achter deze huizen, tusschen genoemde laan en de Houtstraat, nieuwe rijen arbeiderswoningen verrezen, die de Spanjaardsstraat vormen. Zoo is hier langzamerhand eene dichtbevolkte buurt ontstaan.

 

7. De Noordersingel en de Spanjaardslaan

Met de bebouwing van den Noordersingel, waaraan vroeger alleen “De Gouden Bal” lag, is men in 1865 begonnen. In dit jaar werd het nog bestaande witte landhuisje op den hoek van de Spanjaardslaan en den Noordersingel gebouwd en weldra volgden er andere. Zoo werd hier in 1867 eene reeks huizen opgetrokken door de bouwspeculatie van den timmerman A. van Jelgerhuis. Aan de eigenaren dier woningen werd vergund de sloot, welke hunne panden van den singel scheidde, te dempen, op voorwaarde, dat zij hierin een riool zouden aanleggen en onderhouden en hunne erven door hekjes van de openbare weg zouden afscheiden.

Toen nu ook de Wed. Wester, eigenaresse van de herberg: “De Gouden Bal”, haar erf, dat zich van den Noordersingel tot de Spanjaardslaan en daarover uitstrekte, als bouwterrein wilde verkoopen, achtte de Gemeente het voor eene geregelde uitbreiding der stad wenschelijk, eene directe verbinding van den Noordersingel op het punt, waar de herberg lag met de Spanjaardslaan tot stand te brengen. Daarom ging zij in 1876 eene overeenkomst met de eigenares aan, waarbij deze zich verplichtte de uitspanning af te breken en een gedeelte van den haar toebehoorenden grond voor het maken van nieuwe straten met de daarvoor benoodigde riolen aan te leggen. De Wed. Wester verkocht daarop het aan haar gebleven terrein in bouwperceelen en zoo ontstonden in 1877 en 1878 de Singelstraat en de Looyerstraat. Om de eerste straat in rechte lijn op den Noordersingel te kunnen doen uitloopen, had de Gemeente nog 85 c.A. van het daaraangrenzende land noodig: zij heeft dit eerst in 1887 kunnen verkrijgen. Een deel van bovengenoemd terrein, aan den Noordersingel gelegen, werd in 1877 door de Voogden van het Marcelis-Goverts-Gasthuis aangekocht, om daarop een nieuw gesticht te plaatsen, daar het oude op den Grachtswal niet meer aan de behoeften voldeed. In 1880, met den aanbouw der daarnaast gelegen villa, was dit gedeelte van den Noordersingel, van de Spanjaardslaan tot de Singelstraat, volbouwd.

Voorloopig bleef het overige deel van dezen fraaien singel onaangetast en kon men den blik vrij laten gaan over het weiland, dat door de Spanjaardslaan werd omzoomd. Doch, in 1893 verrees hier het nieuwe Diaconessenhuis en spoedig daarop begon men met den aanbouw der reeks huizen, welke van hier tot de Singelstraat loopt. Zij werd in 1899, met den aanleg van de Paul Krugerstraat voltooid. In dit jaar dienden n.l. de heeren S. van der Veen en S. Schilderman een plan bij den Raad in tot bebouwing van een stuk land aan den Noordersingel, waarop de Paul Krugerstraat met twee zijstraten ontworpen was. Dit werd goedgekeurd en, terwijl de Gemeente voor den aanleg der straten eene subsidie van fl. 1700 toestond, nam zij deze, toen zij gereed waren, in eigendom over.

De heeren P.F. en A. de Boer, zetten thans dit stratennet voort op het land tusschen den Noordersingel en de Spanjaardslaan, dat eertijds voor den aanleg eener Roomsch-Catholieke begraafplaats was bestemd, doch aan welk geen gevolg is gegeven. Den 10den October 1905 werd hun bouwplan goedgekeurd en nu is men druk bezig met het gereedmaken van het terrein. Reeds verbindt de Steynstraat de Paul Krugerstraat met de Spanjaardslaan. Het geheele net moet op 31 December 1909 klaar zijn ! De Lijkvaart zal langs de nieuwe wijk worden gedempt en hier een trottoir worden aangelegd, waarvoor de boomen moeten worden gerooid en het heestergewas verwijderd. Ofschoon op deze wijze hier eene dichtbebouwde buurt zal ontstaan, betreuren vele ingezetenen het, dat op nieuw een van Leeuwardens mooiste wandelingen, de oude Spanjaardslaan, ten behoeve van de uitbreiding der stad te loor gaat.

Met de bebouwing van den Noordersingel heeft die van de Spanjaardslaan gelijken tred gehouden. Voor 1860 was die zuidzijde van deze straatweg, welke destijds over het terrein van de doorgraving en langs den Arendstuin de stad bereikte, geheel onbebouwd en vond men aan den noordkant slechts twee boerenplaatsen, waarvan de eene, op den hoek der Spanjaardsstraat, thans nog bestaat, terwijl de andere, welke ter hoogte van het Rengerspark gelegen was, omstreeks 1880 is afgebroken. In 1865 liet de eigenaar van eerstgenoemde boerderij eene rij huisjes op zijn erf, ten westen van zijne woning bouwen, terwijl, zooals boven is meegedeeld, in het zelfde jaar aan de overzijde van den weg het eerste landhuisje verscheen, dat weldra door een tweede en derde werd gevolgd. Zoo bleef de toestand eenige jaren, docht de gunstige ligging van dit terrein in de nabijheid der stad lokte spoedig tot bebouwing uit. In 1873 verrezen de eerste huizen op den hoek van de Spanjaardslaan en de latere Bleekerstraat, zoo genoemd naar de bleekerij van L. Huizinga, welke vroeger ten oosten dezer straat heeft gelegen: in 1874 werden de huizen aan de zuidzijde van de tegenwoordige Dwarsstraat gebouwd en in 1875 de woningen aan de Spanjaardslaan tusschen de Bleekerstraat en het tegenwoordige Rengerspark gesticht. Tot eene geregelde bebouwing kwam het echter eerst, toen de Wed. Wester het haar toebehoorende land ten westen van de Bleekerstraat in 1876 in exploitatie bracht. Hierdoor ontstonden de Bleekerstraat, de Dwarsstraat en de Westerstraat, welke in 1877 door de Gemeente werden overgenomen, verhoogd, bestraat en van riolen voorzien, terwijl de eigenaren der daarvan liggende panden het 1/3 gedeelte der hiervoor vereischte kosten droegen. De Bleekerstraat, welke toegang geeft tot de ijsbaan, werd in 1896 in noordelijke richting verlengd.

Aan de noordzijde is de verdere bebouwing van de Spanjaardslaan tot de begraafplaats thans voorkomen door den aanleg van het Rengerspark. Aan de zuidzijde daarentegen neemt deze vroeger zoo fraaie laan al meer en meer het karakter van eene straat aan. Nadat in 1877 de Singelstraat was aangelegd, heeft men de bebouwing een tijdlang gestaakt, totdat de heer Jansen in 1897 het plan opvatte om het land ten oosten van deze straat als bouwterrein te exploiteren. Hij vroeg en verkreeg van de Gemeente eene subsidie voor de demping van de sloot, welke ten noorden en ten westen van dit terrein liep en in 1900 werd het bouwplan voor de nieuwe buurt vastgesteld, waarbij hem tevens werd toegestaan de Lijkvaart over eene lengte van 10 M. te dempen. Hierdoor ontstonden, naast de huizen aan de Spanjaardslaan, twee straten: de De Wetstraat, welke rechthoekig op de Looyerstraat staat en de Bothastraat, die aan de eene zijdeop de Wetstraat uitloopt en aan de andere door een nauw steegje in verbinding is gebracht met den Noordersingel. Beide straten maken, met hare aardige tuintjes, een gunstigen indruk. Wat de bebouwing van de Spanjaardslaan tegenover de Begraafplaats aangaat, valt zij samen met den aanbouw der buurt achter den Noordersingel, welke wij zooeven behandeld hebben. Het is te vrezen, dat de bouw-speculatie zich meester zal maken van het geheele weiland, dat thans nog door de beide lanen wordt ingesloten.

 

8. De Straatweg naar de Bontekoe

Op den voormaligen “Breededijk” was in 1847 de straatweg naar de Groote Bontekoe aangelegd, die vandaar, op het grondgebied van Leeuwarderadeel, door een grintweg tot Hijum werd voortgezet. De Stad en de Grietenij kwamen overeen op dezen weg een tol te heffen, waarvan de opbrengst voor ¼ gedeelte aan Leeuwarden en voor ¾ deel aan Leeuwarderadeel ten goede zou komen. Tot dit doel werden er voor gezamenlijke rekening twee tolhuisjes opgericht, waarvan het eene aan het begin van den weg, ter hoogte van de tegenwoordige Landbuurt, en het andere bij het dorpje Britsum lag. Toen de straatweg naar de Bontekoe echter meer en meer bebouwd werd, begon men den druk van den tol in de nabijheid der stad hoe langer hoe erger te gevoelen, en telkens kwamen er verzoekschriften bij het Gemeentebestuur in om dezen op te heffen. Doch, hoewel de Raad in 1863 daartoe reeds in beginsel besloot, is deze zaak, door den tegenstand van Leeuwarderadeel, nog tot 1877 blijven hangen. Toen eindelijk werden beide tollen afgeschaft, waarvoor Leeuwarden aan Leeuwarderadeel eene som van fl. 5480, en daarenboven nog fl. 650 voor de tolgaarderswoningen uitkeerde.

Op den straatweg loopen verschillende zijwegen uit, zoo o.m.: 1. de Tjessingaweg, vroeger een landweg, welke van de Groote Bontekoe naar Beetgum liep. De eigenaren van eenige daaraan gelegen boerenplaatsen verzochten de Gemeente te vergeefs hierop een kunstweg te willen aanleggen, zoodat zij in 1894 dit werk zelf ten deele uitgevoerd hebben, terwijl het in 1901 door anderen werd voortgezet: 2. de Vierhuizerweg, welke van den Stienserweg naar den Dockumer trekweg leidt. Deze weg, welke particulier eigendom is, werd vroeger slecht onderhouden, doch sedert de oprichting van het Waterschap: “Het Leeuwarder Oud- en Nieuwland”, is hij veel verbeterd: 3. het Schapendijkje, dat, ten behoeve van de aan Leeuwarden toebehoorende plaats, “de Magere Weide”, in 1901 gedeeltelijk van gemeentewege werd besinteld, e.a.

Het ligt voor de hand, dat deze straatweg, welk zulk eene gunstige gelegenheid tot aanbouw van huizen in de nabijheid der stad opende, reeds spoedig werd bebouwd. Het voorbeeld daartoe gaf S. Olivier in 1852. Gelukkig heeft die bebouwing tot nu toe slechts sporadisch en alleen aan de westzijde van den weg plaats gevonden, waardoor den wandelaar nog steeds het mooie vergezicht vergund wordt, dat deze weg aanbiedt. Aan den oostkant treft men nu nog alleen, op eenigen afstand van de stad: Tonnenburg, de in 1860 gezette woningen nabij de Jonge Bontekoe en de huisjes op de hoeken van het Bilgaarderdijkje en den Vierhuisterweg aan.

In de laatste jaren is in de onmiddelijke nabijheid der stad, ten westen van dezen straatweg, eene geheel nieuwe buurt ontstaan: de Landbuurt genaamd. De eerste huizen hiervan werden in 1893 gebouwd en sedert heeft men er telkens andere aan toegevoegd, zoodat deze streek thans reeds verschillende rijen arbeiderswoningen telt. In 1901 werd aan de heeren W. Andringa en A. Brantsma vergunning verleend tot demping van de bermsloot tusschen de Landbuurt en den Stienserweg, voor de rij huisjes, welke zij hier hebben laten zetten. Ook het gedeelte van de Spanjaardslaan, dat tusschen den straatweg naar de Bontekoe en den Marssumerdijk ligt, is aan den westkant nagenoeg volbouwd: dit terrein wordt door vijf fraaie landhuizen ingenomen, welke in de laatste tien jaren daar gezet zijn.

 

9. De Marssumerdijk en de Harlingersingel

De Harlingerstraatweg, in de wandeling nog steeds de Marssumerdijk genoemd, daar hij in 1840 van hier tot Marssum bijna geheel op den ouden dijk werd aangelegd, bezit voor Leeuwardens ingezetenen eene groote aantrekkelijkheid: niet alleen, omdat hij eene mooie wandeling aanbiedt, maar ook, omdat hij dienstbaar is gemaakt aan een der meest nationale genoegens der Friezen: de harddraverij. Bij den aanleg van den weg werd daarvan dadelijk een gedeelte tot harddraversbaan ingericht. Weinig is deze weg nog bebouwd: aan het begin vindt men er slechts enkele huizen, en aan het einde der harddraversbaan ligt aan den eenen kant het oude “Veldzicht” en aan den anderen het in 1864 gebouwde “Baen’s Ein”, dat later hernieuwd is. Iets verder treft men de Roomsch-Katholieke begraafplaats aan, welke daar in 1881 is aangelegd.

Toen, in 1900, het noordwestelijk deel der Provincie door den stoomtram met Leeuwarden in verbinding werd gebracht, heeft men den tramweg op den Marssumerdijk aangelegd, terwijl korten tijd daarna de Noord-Friesche Locaal-Spoorweg dezen straatweg sneed en men op dit punt eene halte plaatste. Deze vervoermiddelen brengen nu Vrijdags tal van marktbezoekers naar de hoofdstad, hetgeen duidelijk merkbaar is aan de verminderde drukte bij de van ouds bekende herberg “De Groene Weide” aan den Harlinger Singel, waar het vroeger op marktdagen wemelde van kapwagens en sjeezen, karren en andere voertuigen. De Harlinger Singel, welke van het begin van den Marssumerdijk tot de Vrouwenpoortsbrug loopt, is voor het grootste gedeelte in lateren tijd ontstaan op een terrein behoorende bij bovengenoemde herberg. De eigenaar, de heer H.J. Alberts, liet hier in 1898 eene reeks huizen plaatsen, nadat het ontworpen bouwplan door de Gemeente was goedgekeurd. Het straatje hierlangs is particulier eigendom gebleven.

In 1903 is er eene nieuwe buurt verrezen op een stuk land tusschen “De Groene Weide” en het emplacement van het tramstation. Deze bouwonderneming ging uit van den heer C. Groenendijk. Hierdoor zijn twee straten ontstaan: Harlinger en Tramstraten, welke op den Harlingersingel uitloopen. Nadat zij voltooid waren, heeft de Gemeente ze tegen eene vergoeding door de eigenaren van ruim fl. 3300, in eigendom en beheer overgenomen.

 

10. De Westersingel

Van den Harlingersingel komt men op den Westersingel of “Het Verlaat”, dus genoemd naar de sluis, welke zich eertijds aan het einde van deze singel, ter hoogte van de Verlaatsbrug, bevond. Deze wegm vroeger een puinweg, werd in 1872 bestraat, waarbij men naast den weg een jaagpad aanlegde en het Fonteinspijpke bij de broodfabriek verlaagde. Zooals in een vorig hoofdstuk is meegedeeld, was deze singel toen slechts weinig bebouwd: op den hoek van den Harlingersingel zag men de tegenwoordig nog bestaande wagen-makerij van Radersma: daarachter lag eene herberg, iets verder kwam men aan den molen “Het Lam”, daarna bereikte men de in 1865 opgerichte broodfabriek en eindelijk stond even voor de nieuwe Verlaatsbrug de Harlingerstal. Voor het overige was het uitzicht naar het westen geheel onbelemmerd. Eene eerste verandering werd hierin gebracht in 1874, toen de tweede zoetwatervijver met zijn golvend en fraai beplant terrein, ontworpen door den heer G. L. Vlaskamp van Hardegarijp, ontstond.

Daar de zoetwatervijver, in 1826 aan den Oostersingel aangelegd, op verre niet na kon voldoen aan de behoefte aan drinkwater in de Gemeente, had men sinds lang het plan opgevat tot het maken van een tweeden vijver. In 1854 sloeg men daartoe het oog op het land ten westen van de Spanjaardslaan, tusschen de Harlinger- en Stienser straatwegen gelegen, doch hieraan is geen gevolg gegeven. Daarna nam men zich in 1869 door boring op het Blokhuisplein zoet water te verkrijgen, doch zonder resultaat. Eindelijk kocht de Gemeente in 1872, voor fl. 17.200, een stuk grond ter groote van 2.86 H.A. aan den Westersingel, van den heer F. Ijpey aan. Hierop werd een vijver gegraven ter diepte van 1.50 M. beneden zomerpeil, terwijl de oppervlakte er van 4.704 vierkante meter bedraagt. In den zomer van 1875 werd de nieuwe vijver op bepaalde uren voor het gebruik opengesteld, doch daar deze maatregel niet voldeed, bracht men spoedig daarop twee pompen aan: eene bij de broodfabriek en eene, met eene waterleiding onder de stadsgracht door, op de esterplantage.

Het terrein ten zuiden van de broodfabriek bleef langen tijd onbebouwd. De Harlingerstal, die sedert de opheffing van het trekveer in 1864 tot petroleumpakhuis had gediend, werd in 1878 voor fl. 651 op afbraak verkocht en de daardoor opengevallen plek gronds eerst verhuurd en daarna tot kweekerij gebruikt. Zoo bleef de toestand tot den aanleg van den tramweg naar Marssum. Reeds in 1881 had de Nederlandsche Tram-wegenmaatschappij te Utrecht vergunning verkregen tot den aanleg van een tramweg naar Stiens. In 1897 werd deze concessie vernieuwd, terwijl zij iin 1898 tot 1 Januari 1900 werd verlengd: men had toen tevens den aanleg van eene zijlijn naar Marssum in het plan opgenomen. Door het in exploitatie brengen van den Noord-Frieschen Locaal-Spoorweg is de tramlijn naar Stiens vervallen: die naar Marssum is echter tot stand gekomen. Na langdurige beraadslagingen over de richting, welke de tram door de stad zou nemen - waarbij eerst het voornemen bestond om eene afzonderlijke trambrug over de Harlinger Vaart te leggen, - besloot de Raad eindelijk, dat zij van het Stationsplein, door de Sophialaan, langs Willemskade zuidzijde, over de Harlinger Vaart, over particulier terrein aan den Westersingel en voor den stadsvijver langs naar het tramstation zou loopen, om vandaar met eene bocht over den Harlingersingel den Marssumerdijk te bereiken. De rijweg op den Westersingel voor den stadsvijver moest hierdoor worden verlegd en, daar het terrein op dit punt niet breed genoeg was, verzocht en verkreeg de Tramwegmaatschappij vergunning om een deel der stadsgracht tegenover den molen “De Arend” te mogen dempen. Zij liet hierlangs een basaltmuur optrekken, waarvoor de Raad eene subsidie van fl. 1500 toestond en welke, na voltooiing, in onderhoud en beheer aan de Gemeente overging. De bovengenoemde herberg van de Wed. Oosterhof werd tot tramstation ingericht.

Ten behoeve van den aanleg van deze tram moest de Tramweg-maatschappij van particulieren eenige perceelen, aan den Westersingel gelegen, aankoopen. Om over het geheele terrein tusschen de tramlijn en den singel te kunnen beschikken, trachtte zij ook den grond te verkrijgen, waarop vroeger de Harlingerstal had gestaan. In 1901 verkocht de Gemeente haar dit perceel voor fl. 3881, terwijl de hier gevestigde stadsboomkweekerij naar de Eestraat werd overgebracht.

Nadat de tramlijn was aangelegd, deed de Maatschappij den tusschen de lijn en den Westersingel liggenden grond over aan de heer A. J. van der Mey, die het plan had opgevat dit terrein in bouwperceelen te verkoopen. Daartoe diende hij in 1902 een bouwplan bij den Gemeenteraad in, die het goedkeurde en hem tevens vergunning gaf tot het dempen der sloot, welke zijn eigendom van den Westersingel scheidde. Op dit bouwplan was eene straat aangebracht: de Elisabethstraat, welke in eene gebogen lijn op den Westersingel staat. In hetzelfde jaar nog nam de Gemeente, tegen eene vergoeding door den eigenaar van fl. 5500, deze straat in onderhoud en beheer over. Zoo ontstond de nieuwe buurt aan den Westersingel, welke in 1904 verbeterd werd door den aanleg van een trottoir langs dezen singel, terwijl, ten gerieve der bewoners, in 1903 een pontveer werd ingesteld naar de Westerkade.

 

11. De Harlinger Trekweg

De Harlinger trekweg, die in vroeger eeuwen en reiziger zulke groote diensten heeft bewezen, is sedert den aanleg van den spoorweg naar Harlingen in 1863, in onbruik en verval geraakt. Herhaaldelijk hebben de Gemeenten Leeuwarden en Harlingen, aan wie deze weg toebehoort, onderhandelingen met de Provincie aangeknoopt tot overname van den trekweg: eerst in 1876, toen de Provincie daartoe wel genegen was, zoo de weg vooraf in goeden staat werd gebracht, waarvan de kosten destijds op eene ton gouds werden berekend: en later in 1884, toen het plan is afgestuit op verschil van meening tusschen beide betrokken Gemeentebesturen. Intusschen slaat de golfslag, veroorzaakt door het stoombootverkeer, steeds grooter gaten in den wal, die vooral aan gene zijde van den overweg van den Noord-Frieschen Locaalspoor veel te wenschen overlaat. In de onmiddelijke nabijheid der stad is de trekweg bevloerd, welke bestrating in 1902 tot de huidenzouterij der Gebr. Tulp werd doorgetrokken.

Bij het afbreken van het Verlaat en het verwijden van de doorvaart aldaar in 1859, zijn de Harlingervaart en de trekweg van de Verlaatsbrug tot den Sneekerstal een weinig in noord-oostelijke richting verlegd. Aan het begin van den trekweg, werd in 1861 eene brugwachterswoning gebouwd, terwijl, daar de dienst op den duur voor een man te zwaar bleek, in 1902 eene tweede brugwachterswoning op korten afstand van de eerste werd gezet. Aan dit naar het zuiden loopende gedeelte van den trekweg ligt sedert 1905 het sportterrein: “De Wilhelminabaan”.

Waar de trekweg zich naar het westen wendt, is sedert 1871 eene nieuwe buurt ontstaan. Vroeger lag hier alleen de oliemolen “De Kat”, totdat de heer P. Tanja in genoemd jaar den oliemolen “De Jonge”, met woonhuis, aan de bocht van den weg bouwde. Kort daarna, toen de graanmolen “De Fortuin”. In 1873 van den Wirdumerpoortsdwinger werd verdreven, werd hij hier weer opgericht, terwijl er na verloop van tijd tusschen deze molens eene rij arbeiderswoningen verrees. Thans zijn de molens alle verdwenen, alleen “De Fortuin” heeft zich schitterend gehandhaafd, daar hij door de Firma Swildens en Kuipers in eene groote stoommeelfabriek is herschapen. Verder treft men aan dezen weg nog eene huidenzouterij, een ijskelder, een beenderenpakhuis en eene werkplaats voor het vervaardigen van vuurwerk aan, terwijl op een plekje gronds, bekend onder den naam van “Het Oud Gerecht”, op de Galgefenne, in 1858 een huisje werd gezet, waarbij later nog enkele woningen zijn aangebouwd. Op de grens der Gemeente snijdt de Noord-Friesche Locaal-Spoorweg sedert 1902 de Harlingervaart en den trekweg: over de eerste is een spoorbrug gelegd, en aan den tweeden werd het wachthuis gebouwd. Ofschoon de trekweg hier op het grondgebied van Menaldumadeel overgaat en daardoor eigenlijk buiten de grens van dit werk valt, kan ik niet nalaten, nog melding te maken van eene belangrijke verbetering, welke de Gemeente Leeuwarden in dit tijdvak in het haar toebehoorend gedeelte van den trekweg heeft aangebracht, toen zij in 1898 in het dorp Dronrijp een basaltmuur langs de vaart liet maken, waaraan zij fl. 8.988 ten koste legde.

Hiermede is de beschrijving der gelijkmatige ontwikkeling van de stad, buiten hare grachten, voltooid. Thans blijft ons nog de beschouwing over van de uitbreiding van Leeuwarden naar het oosten, welke voor onze oogen plaats vindt. Deze is van zoo groote betekenis, dat wij een afzonderlijk hoofdstuk daaraan willen wijden.


Terug