Het St. Anthony-Gasthuis

Onder de philantropische instellingen hier ter stede bekleedt het St. Anthony-Gasthuis eene eerste plaats. Zijne ruime inkomsten stellen de voogden in staat deze stichting op de meest onbekrompen wijze te beheeren, terwijl het bestuur, getrouw aan zijne leus: “ter voorkoming van armoede”, daarboven verschillende andere inrichtingen krachtig steunt. Wel hadden de financien van het gesticht tijdens de Fransche overheersching een geduchten knak gekregen, doch door het zorgvuldig beheer der voogden herstelden zij zich in de eerste helft der vorige eeuw geheel. De bestemming der belangrijke jaarlijksche overwinsten gaf echter aanleiding tot een proces tusschen de voogden, die de zelfstandigheid van het gasthuis handhaafden, en de Gemeente Leeuwarden, welke dit gesticht, overeenkomstig de wet tot regeling van het armbestuur van 28 Juni 1854, onder de gemeente-instellingen van weldadigheid wenschte gerangschikt te zien. Een arrest van het Provinciaal Gerechtshof in Friesland, van 1 Februari 1860, besliste het geding ten voordeele der voogden van het gasthuis, terwijl eene voorziening in cassatie tegen dit vonnis den 8en Februari 1861 door den Hoogen Raad werd verworpen. Ter eere van de behaalde overwinning besloten de voogden gevolg te geven aan een reeds vroeger opgevat plan tot uitbreiding van den liefdadigen werkkring van het gasthuis door de oprichting van een nieuw gesticht, dat hoofdzakelijk bestemd zou zijn tot kostelooze huisversting van bejaarde lieden, zonder onderscheid van gezindte, en eene daaraan verbonden inrichting tot uitdeeling van soep aan behoeftigen gedurende de wintermaande. Als terrein, waarop dit gebouw zou verrijzen, werd een stuk tuingrond aangewezen, dat het St. Anthony-Gasthuis tegenover het Perkwalletje bezat en dat zich tot den Groeneweg uitstrekte. De bouw van het nieuwe gesticht werd op 5 Maart 1862 voor fl. 82.500 gld. aanbesteed; de eerste steenlegging daarvan had plaats op den 19en Juni daaraanvolgende en het geheele werk kwam op 1 Mei 1864 gereed.

Het nieuwe St. Anthony-Gasthuis bestaat uit vijf gebouwen, waarvan de eerste vier, door een fraaien tuin omgeven, aan hunne noordzijde onderling verbonden zijn door het vijfde, dat met een gevel van 88½ M. lengte langs den Groeneweg loopt. De vier vleugels, naar weldoeners der instelling: de Burmania-, Minnema-, Auckema en de Wiarda-vleugel genoemd, hebben aan de zuidzijde aan een hoofdgebouw van twee verdiepingen, waarvan de woningen, beneden tegen betaling en boven kosteloos, bestemd zijn voor lieden uit den beschaafden stand. Achter de Hoofdgebouwen liggen in de beide eerste vleugels tien kamers voor gehuwden: de Auckema-vleugel telt twaalf kamers voor weduwen en in den Wiarda-vleugel vindt men zit-, eet- en slaapvertrekken voor minstens twaalf mannen, die gemeenschappelijk gehuisvest worden. De laatste vleugel bevat buiten het mannenkwartier, het bureau en de woning van den vader en moeder, twee bestuurkamers, de keuken en de localen voor de soep-uitdeeling. Aan het einde van de Wiarda-gang ligt het ketelhuis, waarin de stoomketel, ten dienste van de soepkokerij en de wasch-inrichting, is geplaatst. De localen van de wasch-inrichting maken deel uit van het achtergebouw aan den Groeneweg of den St. Jacobs-vleugel, dus genoemd naar het St. Jacobs-Gasthuis, waarvan de bezittingen met die van het St. Anthony-Gasthuis samengesmolten zijn. Hier bevinden zich daarenboven drie ziekenvertrekken, twaalf kamers voor gehuwden en het magazijn. Kort nadat het gebouw gereed was, heeft het nog eenige uitbreiding verkregen. In 1865 had nl. het gasthuisbestuur eenige bouwvallige woningen aan de oostzijde van het nieuwe gesticht aangekocht: deze worden afgebroken en op het vrijvallende terrein zette men een nieuwe vleugel, die bij het gasthuis getrokken, eene turfschuur, eene ververs- en timmermanswerkplaats en eene smederij ten dienste der instelling bevat. Ook later, in 1888 hebben de voogden verschillende oude huisjes aan het Schoenmakersperk doen slechten en de ontstane ruimte tot vriendelijke tuintjes aangelegd, terwijl twee perceelen op den hoek van het Schoenmakersperk en den Groeneweg weder werden opgetrokken om tot woningen van de beide vaste timmerknechten der instelling te dienen.

Ten gevolge van den bouw van het nieuwe gesticht stelden de voogden van het St. Anthony-Gasthuis den 3en October 1864 een ander reglement op de inrichting en het bestuur der instelling vast, waarbij het aantal voogden tot negen werd vermeerderd, doch dat der voogdessen op vier bepaald bleef. Dit reglement leidde andermaal tot een geschil met het Gemeentebestuur van Leeuwarden, dat voornamelijk liep over de samenstelling en de benoeming van het Gasthuisbestuur. Hierbij kwamen later nog oneenigheden over het recht op het Gasthuispijpke in de Groote Kerkstraat en den eigendom van terreinen, gelegen bij en om het aschland. In 1868 en 1869 zijn al deze geschillen bij minnelijke schikking beslecht. De autonomie van het Gasthuis werd daarbij door de Gemeente Leeuwarden erkend en Burgemeester en Wethouders hervatten de eeuwenoude gewoonte om bij het vaststellen der jaarrekening tegenwoordig te zijn.

Zoo waren de voogden nu volkomen vrij en onafhankelijk in hunne handelingen. En zij gingen voort met de Gemeente te steunen, zoowel door de uitbreiding hunner zorg voor onvermogende krankzinnigen ook over die ongelukkigen, die van gemeentewege elders worden verpleegd, als door de oprichting van een weeshuis voor kindertjes, die te jong zijn om in een ander gesticht te worden opgenomen. Dit weeshuis, in 1869 op het Perkswalletje opgericht, draagt den naam van het St. Anthony-Weeshuis.

Intusschen bleek het steeds duidelijker, dat de inrichting van het oude St. Anthony-Gasthuis veel te wenschen overliet: de woningen der proveniers waren te bekrompen en beantwoordden niet meer aan de eischen des tijds. Na ernstige beraadslagingen besloten de voogden daarom tot den herbouw van het geheele gesticht volgens een door den architect F. Stoett ontworpen plan. Het aardige, gemoedelijke oude hofje, rondom een met boomen beplant grasveld gelegen, moest plaats maken voor een modern gesticht, dat wel al de voordeelen van den nieuweren tijd aanbiedt, maar waaraan de vroegere poezie en intimiteit ontbreekt. Bij het nieuwe gebouw is het gestichtsleven meer op den voorgrond getreden; het heeft aan de bewoners de illusie ontnomen van een eigen huisje te bezitten.

De voorgevel van het nieuwe proveniershuis, dat in 1877 voor fl. 144.889 werd aanbesteed, is een weinig achter de oude rooilijn geplaatst. Het gasthuisbestuur bood den daardoor vrijvallende grond, ter breedte van 1.25 M., aan de Gemeente Leeuwarden aan, onder voorwaarde, dat deze het bestaande brandriool zou doortrekken tot den hoofdingang van het nieuwe gesticht. Gaarna aanvaardde de Gemeente dit voorstel, dat haar de gelegenheid opende om aan de Groote Kerkstraat op dit punt eenige meerdere breedte te geven.

Evenals het nieuwe St. Anthony-Gasthuis bestaat ook het proveniershuis thans met een hoofdgebouw, gelegen aan de Groote Kerkstraat, met vier daaraan verbonden vleugels, die door tuinen worden gescheiden. De voorgevel biedt niets merk-waardigs aan: het aardige, vrij lage poortje, dat den hoofdingang was van het vroegere St. Anthony-gasthuis vormde, is daaruit verwijderd en overgebracht naar den Wiarda-vleugel van het nieuwe gesticht, waar het nu als soephuispoort dienst doet. Het geheele gebouw bevat 20 woningen voor gehuwde, en 49 voor alleenwonende personen, welke alle bestaan uit een beneden- en een bovenvertrek; een vereenigingslocaal voor de mannelijke proveniers, het reventer genaamd, de voogdessenkamer, de woning voor den vader en moeder, keukens, werkplaatsen, enz. Ook in dit gesticht heeft men de herinnering aan vroegere weldoeners der instelling verlevendigd, door aan de verschillende vleugels hunne namen te geven: zoo wordt het hoofdgebouw door de deur en de vestibule in eene Jellemagang en eene Wigamagang verdeeld en heeten de drie overige vleugels de Oenama-, de Minnema- en de Abbemagang, terwijl de keukengang den vierden vleugel vormt. Het gebouw, waaraan, met de uitgaven voor de inrichting, ruim fl. 167.000 ten koste is gelegd, kwam in het begin van 1880 gereed. Aan het einde van dit jaar gingen de voogden eene ruiling aan met Z.M. Koning Willem III, waarbij deze eene bergplaats met erf, groot 113 c.A., achter het paleis gelegen, aan het Gasthuis afstond en het bestuur van dit gesticht daarentegen van alle rechten afzag, welke het kon doen gelden op den massalen doorgang, loopende van het oude St. Anthony-Gasthuis, langs de oostzijde van het paleis, naar het Hofplein. Deze doorgang werd daarop gesloten tot groot verdriet van de spelende jeugd.

Waren in het oude gebouw eenige vertrekken tot bestuurskamers bestemd geweest, deze werden bij de hernieuwing van het gesticht overgebracht naar een aan het Gasthuis toebehoorend perceel in de Groote Kerkstraat. Men vertimmerde daarvoor dit pand, dat beneden tot bestuurshuis werd ingericht. Ook het belangrijke Gasthuis-archief is hier thans geborgen.

Het Sint-Anthony Gasthuis is gedurende eeuwen eene zegenrijke instelling voor Leeuwarden geweest, te meer, daar het zijnen liefdadigen werkkring ook buiten de muren van het gesticht heeft uitgebreid. Het is hier niet de plaats om op te sommen aan welke categorien van onvermogende ongelukkigen het Gasthuis zijn steun biedt, maar wel mag hier worden vermeld, dat de voogden hunne taak op zoo ruime wijze opvatten, dat zij “ter voorkoming van armoede” het opgroeiend geslacht in de gelegenheid gesteld hebben een nuttig ambacht te leeren en zich eene plaats in de maatschappij te veroveren. Aan het bestuur van het St. Anthony-Gasthuis dankt de ambachts-school hare zoo gewenschte uitbreiding en de industrieschool voor meisjes haar ontstaan. Moge het gesticht zijn weldadigen invloed nog lang in breeden ring uitoefenen.


Het Old Burger-Weeshuis

In den aanvang van het hier beschreven tijdvak lag het Old Burger-Weeshuis nog tegenover het stadhuis aan het Raadhuisplein, op de plaats, die thans door de gemeentescholen nos. 2 en 3 wordt ingenomen. Ook aan deze instelling had de omwenteling van 1795, met haren nasleep, financieel groote schade gedaan en ook hier zijn de voogden van het weeshuis er in geslaagd de geldmiddelen door een jarenlang zuinig beheer te herstellen. Evenals het St. Anthony-Gasthuis heeft het Old Burger-Weeshuis, ten gevolge van de wet tot regeling van het armbestuur, zijne zelfstandigheid moeten verdedigen tegenover het Gemeentebestuur, dat het gesticht onder de gemeenteinstellingen van weldadigheid wilde doen opnemen. Hier evenwel is het niet tot een rechtsgeding gekomen, daar de Raad, nog onder den indruk van de uitspraak in zijn proces met het St. Anthony-Gasthuis, in October 1861, na een rechtsgeleerd advies te hebben ingewonnen, besloot de zaak te laten rusten. Zoo is ook de voogdij van het Old Burger-Weeshuis geheel vrij in hare handelingen gebleven.

Het oude weeshuis aan het Raadhuisplein, dat reeds herhaaldelijk bij gedeelten was hernieuwd, eischte in den loop der jaren dringend eene algeheele verbetering. Dit leidde de voogden tot het besluit om een nieuw gesticht te doen bouwen, waarin ongeveer honderd weezen konden worden opgenomen. Zij zochten daarvoor een grooter terrein en hun blik viel op de gronden tusschen het Zaailand en de stadsgracht, welke door de Gemeente in exploitatie waren gebracht. In 1873 kochten zij zeven preceelen daarvan voor fl. 33.500 aan en in hetzelfde jaar werd de bouw van het nieuwe Old Burger-Weeshuis zelfs eens aanbesteed. Dit gesticht, dat aan de Rijks hoogere burgerschool grenst, is langs het Zaailand 37½ M. en langs de Zuiderstraat 47½ M. lang. Het is een ruim, hoog en frisch gebouw met flinke speelplaats, dat alle gemakken aanbiedt, welke men van eene uit zoo onbekrompen beurs bestuurde inrichting kan verwachten. Daar het lager onderwijs van wege het Weeshuis wordt verstrekt, bevat het ook schoollokalen en de woning van den aan het gesticht verbonden onderwijzer.

In Mei 1876 werd het gebouw betrokken, waarop het oude weeshuis, dat in 1875 voor fl. 33.000 aan de Gemeente Leeuwarden was verkocht, terstond is afgebroken. Het fraaie poortje, dat tot hoofdingang had gediend, werd bij de slooping voorzichtig verwijderd en in den zijgevel van het nieuwe gesticht, aan de Zuiderstraat, geplaatst. Thans, aan het einde van 1906, worden 59 weezen in het gesticht verpleegd, terwijl vijf elders hunne opvoeding genieten.

 

Het Gabbema-Gasthuis

De voogden van het Old Burger-Weeshuis zijn sedert 1712 tevens bestuurders van het Gabbema-Gasthuis. Dit gesticht, bestemd tot huisvesting van eenige on-gehuwde en weduwen, werd in 1634 ten noorden van de Groote Kerk gebouwd. Gedurende meer dan twee en een halve eeuw stoorde niets de rust van dit oude hofje, dat veilig onder de hoede der kerk, stil en onopgemerkt zijn bestaan rekte. Maar de heensnellende jaren lieten er hun spoor op na en langzamerhand geraakte het dermate in verval, dat de voogden in 1906 besloten het oude gesticht door een nieuw te vervangen en daardoor eene andere plaats te kiezen. Daartoe kochten zij voor 11.040 gld. eene plek gronds in de Wybrand de Geeststraat aan en in April 1906 werd de bouw van het hofje aanbesteed. Het nieuwe Gabbema-Gasthuis, dat aan alle zijden voor licht en lucht toegankelijk is, bestaat uit een middengebouw met twee zijvleugels, waartusschen een tuin ligt, welke door een hek van de openbare straat is afgescheiden. Het bevat, buiten de woning van den concierge en
werk- en bergplaatsen, 21 kamers voor de gestichtbewoonsters. In December van genoemd jaar verlieten deze hare oude kluisjes, die of aan de rustige straat, “Achter de Groote Kerk”, of om een nog stiller bleekveldje waren gelegen, om ze tegen deze vroolijke, keurige woningen te verwisselen. Het oude hofje zal thans worden afgebroken, terwijl de voogden het voornemen hebben opgevat, om het poortje, dat toegang tot het oude gasthuis gaf, eene plaats te geven in het nieuwe gesticht.

 

Het Nieuwe Stads-Weeshuis

Aan het stille Jacobijner Kerkhof, waarvan de rust slechts bij het aan- en uitgaan der scholen door kindergejoel wordt verstoord, ligt het Nieuwe Stads-Weeshuis met zijn blauwgetinten voorgevel. De drempel van dit gesticht, waarin zooveel ouderlooze en onverzorgde kinderen hunne opvoeding hebben genoten, werd zestig jaar geleden ook overschreden door de leergrage jeugd, daar het Stedelijk Bestuur in 1827 een der localen van dit weeshuis tot derde stads-armenschool had aangewezen. Deze inrichting van onderwijs bleef hier gevestigd tot 1864, toen de armenschool door eene bijzondere school voor stadswezen werd vervangen. Sedert heeft het gesticht twee belangrijke verbouwingen ondergaan. Tot de eerste werden de voogden van het weeshuis in staat gesteld door de milde gift van den heer Mr. B. Dorhout, die in 1867 bij de herdenking van zijn veertigjarig jubileum als weesvoogd, fl. 10.000 aan deze instelling schonk. Dit werk werd in 1869 uitgevoerd en bestond hoofdzakelijk in de vergrooting der beide slaapzalen, het aanbrengen van een vertrek voor de verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten, het maken van eene afzonderlijke zitkamer voor volwassen jongens en de inrichting van doelmatige droog- en mangelkamers.

De laatste verbouwing, welke in 1888 heeft plaats gehad, was van nog grooter belang. De westelijke vleugel van het weeshuis eischte nl. sedert lang een algeheele verbetering, zoodat de voogden besloten dit gedeelte af te breken en opnieuw te doen opbouwen. De nieuwe vleugel, met zijn keurigen gevel aan het Schoenmakersperk, bevat de eetzaal, de ruime keuken en de woning van den vader en moeder van het gesticht.

Het hek, dat het weeshuis aan de achterzijde van de openbare straat afscheidt, heeft de Gemeente daar in 1865 op hare kosten geplaatst, omdat het gesticht door de demping der oude gracht, loopende langs het Schoenmakersperk, van zijne oorspronkelijke erfscheiding werd beroofd.

Binnenkort zal het weeshuis wederom eene verbouwing ondergaan door de verplaatsting van het schoolvertrek, daar het tegenwoordige niet aan de bij de wet gestelde eischen voldoet. Het nieuwe locaal zal waarschijnlijk worden aangebracht in het gebouw, dat achter den noordelijken vleugel van het gesticht staat en thans gedeeltelijk voor slöjd-onderricht wordt gebruikt. Aan het het einde van 1906 vonden 50 weezen hun tehuis in dit gesticht.

 

Het Marcelis-Goverts-Gasthuis

In 1858 vierde het Marcelis-Goverts-Gasthuis zijn tweede eeuwfeest. Bij deze gelegenheid werd reeds eene verbouwing van dit gesticht, dat sedert zijne hernieuwing in 1766 geene ingrijpende veranderingen meer had ondergaan, ter sprake gebracht. Door hun zorgvuldig beheer hadden de voogden de geldmiddelen van deze instelling in den loop der tijden aanzienlijk verbeterd, terwijl het kapitaal ook door schenkingen was toegenomen. Voorloopig kwam er echter niet van dit plan: wel kochten de voogden in 1870 het belendende huis Grachtswal no. 36 met het oog op eene verbouwing van het gesticht aan, doch er verstreken nog eenige jaren, voordat men tot de hernieuwing van het gasthuis besloot. Intusschen eischte dit gebouw dringend verbetering: bijna de helft der inkomsten werd jaarlijks aan het onderhoud besteed. Dit noopte de voogden in 1876 door te tasten, en daar eene verbouwing van het gesticht op zijn oorspronkelijke plaats op te groote financieele bezwaren afstuitte, besloten zij het gasthuis over te brengen naar het juist te koop aangeboden bouwterrein aan den Noordersingel. Hier werd een stuk grond, groot 1.440 c.A. aangekocht en op 31 October 1876 had de aanbesteding van den bouw van het gesticht plaats, welke aan den heer L. van der Zwaag voor fl. 29.500 werd gegund. Daar het Marcelis-Goverts-Gasthuis, volgens testamentaire bepalingen, aan twintig vrouwen huisvesting moet verschaffen, werden er in het nieuwe gebouw twintig kamers aangebracht, benevens de woning van de portierster, twee werkplaatsen en eene voogdenkamer. Voor het nieuwe gesticht, waarin de poort van het oude gasthuis werd geplaatst, ligt een vriendelijke tuin. In 1877 werd het in gebruik genomen op den Grachtswal, bestaande uit het oude gesticht en drie aangrenzende woonhuizen, verkochten.

 

Het Ritske-Boelema-Gasthuis

Het oude Ritske-Boelema-Gasthuis, dat in de eerste helft der 17e eeuw in de Monnikemuurstraat was gevestigd, werd, hoewel het in 1823 hersteld en vergroot en in 1840 opnieuw uitgebreid was, op den duur bouwvallig, zoodat de voogden het plan opvatten een geheel nieuw gesticht op een ander terrein op te richten. Zij lieten daartoe het oog vallen op de plek gronds, ingenomen door het voormalige landschapshuis, dat, eertijds kapittelhuis van het Minderbroedersklooster, in 1594 tot vergaderplaats der Staten van Friesland was ingericht en van 1811-1838 het Hof van Assises en der Rechtbank van den eersten aanleg tot zetel had gediend. Dit fraaie gebouw, waarvan de voorgevel uit 1616 dateerde en waardig was zich naast de beroemde canselarij te verheffen, werd in 1849 voor fl. 6889 door de voogden van het Ritske-Boelema-Gasthuis aangekocht en daarop afgebroken. Daarbij bracht men de poort, te Cornjum over, terwijl de gedenksteen van den vrede van Munster, welke in 1648 in den voorgevel was aangebracht, eene plaats kreeg in het koor der Groote Kerk.

Op het opengevallen terrein werd nu het nieuwe gesticht, waaraan men ruim fl. 13.000 te koste legde, volgens het bestek en onder leiding van den architect F. Stoett opgetrokken. Dit hofje, waarvan de eerste steen op 3 September 1849 was gelegd, kwam een jaar daarna gereed en bevatte 35 kamers. De voogden verkochten daarop het oude gasthuis in de Monnikemuurstraat voor fl. 4.515. Dit gebouw werd sedert gedeeltelijk tot timmermanswerkplaats ingericht en gedeeltelijk in verschillende perceelen verhuurd. Het verviel al meer en meer, totdat het in 1905 onbewoonbaar verklaard en gesloopt is.

De gunstige financieele toestand, waarin het Ritske-Boelema-Gasthuis zich, dank zij eene zorgvuldige administratie en de stijgende opbrengste der bezittingen in de tweede helft der 19de eeuw, mocht verheugen, was oorzaak, dat de voogden in 1863, na aankoop van een aangrenzend perceel in Droevendal, tot eene vergrooting van het gesticht met zeven kamers overgingen. Zoo verleent het thans huisvesting aan 42 vrouwen, die eene geldelijke uitkeering van fl. 2 per week, benevens brandstof, ontvangen. Evenals de voogden van het Sint-Anthony Gasthuis en die van het Old Burger-Weeshuis, zijn de regenten van het Ritske-Boelema-Gasthuis, tengevolge van de wet tot regeling van het armbestuur, in conflict gekomen met den Gemeenteraad over de vervulling der vacatures in hun midden. Ten slotte heeft de Raad zich vereenigd met het gevoelen der voogden, zoodat dit college, waarvan vier der leden tot den Hervormden en drie tot den Katholieken godsdienst moeten behooren, zich zelf thans zooals vroeger, aanvult.

 

Het Diaconiehuis der Nederduitsch Hervormde Gemeente

In de laatste zestig jaren is het diaconiehuis, al naar gelang de toestand der verschillende gedeelten van dit gesticht dit eischte, bijna geheel hernieuwd. Reeds in 1846 werd de herstelling van den oostelijken vleugel, waarlangs destijds nog de Oude Gracht liep, ter sprake gebracht, doch, ofschoon deze zeer bouwvallig was, kon dit werk, door gebrek aan de benoodigde fondsen, eerst in 1850 worden uitgevoerd. Het omvatte den bouw eener nieuwe verblijfzaal voor vrouwen, welke tevens tot vrouwen-zwakken-zaal dient, en de verbetering van de gemeen-schappelijke eetzaal, de linnenkamer en het waschvertrek, terwijl er boven deze localen twee ruime slaapzalen werden aangebracht. Door eene verandering der inrichting van dit gedeelte van het gesticht werd de gelegenheid geopend om het getal verpleegden van zestig op tachtig te brengen.

Daarop volgde van 1873-1875 eene niet minder belangrijke hernieuwing, die zoowel het hoofdgebouw aan de Groote Kerkstraat, als het achterhuis aan den Zak betrof. Bij dit werk, dat voor fl. 28127 door den heer C. van der Zaag werd aangenomen, verdwenen de oude poort en de voorgevel, welke na den brand van 24 December 1794, ten deele was gerestaureerd. Het nieuwe voorgebouw bevat links van den ingang de kamer van den portier en de regentessenkamer, en rechts, het vertrek voor de bedeeling en de dokterskamer, terwijl aan de tuinzijde de woning van den Vader en Moeder en de beide vergaderzalen der diakenen liggen.

Wat de verbouwing aan het achterhuis aangaat, daartoe gaf de demping der gracht, loopende van het Gasthuispijpke tot de Lange Pijp, aanleiding. Toen hier de St. Anthonystraat was ontstaan, wenschten de diakenen den zuidelijken vleugel van het huis, welke wigvormig in den Zak vooruitstak, te veranderen. Ten behoeve van deze verbouwing, waarmede zoowel de inwendige verbetering als den uiterlijken welstand van het gesticht werd beoogd, moesten zij in het bezit geraken van het oostelijken gedeelte van den Zak en de daaraan grenzende timmerschuur van den heer F. Stoett. Zij wendden zich daarom in 1872 tot het Gemeentebestuur met het verzoek om een deel der openbare straat in ruil te mogen ontvangen tegen eene strook van het terrein, waarop deze werkplaats stond. Zoo zou de Zak vervolgens in rechte richting op de St. Anthonystraat kunnen uitloopen. Dit werd toegestaan. De Zak is naar het zuiden verlegd en het terrein, dat de diaconie had verkregen, werd gebruikt voor de vergrooting van de zwakkenzaal, het aanbrengen van meer geschikte bergplaatsen voor turf en andere verbeteringen.

Ten slotte is in 1886 de vleugel aan de Bollemanssteeg verbouwd. Deze was in 1762 opgericht op de plek, waar zooals de hier ingemetselde gedenksteen nog vermeldt, in 1607 de tien Bollemanskamers zijn gesticht. Een gedeelte van dezen vleugel had van 1779-1822 dienst gedaan als diaconieschool. Bij de hernieuwing, waaraan fl. 8800 ten koste werd gelegd, is de gezelschapszaal der oude mannen “de treemter”, naar dit locaal overgebracht, terwijl de zaal, welke men vroeger tot dit doel gebruikte, thans is ingericht tot mannen-zwakken-zaal.

In 1905 heeft daarenboven de zieken-zaal eene verbetering ondergaan. Hierin werd eene veranda gemaakt en er is eene gelegenheid geopend om ernstige patienten in het gesticht zelf te verplegen, terwijl ook kleine operaties in een daarnaast liggend vertrek kunnen worden volbracht.

 

Het Roomsch Katholieke Liefdesgesticht

Het armhuis en het weeshuis der Roomsch Katholieken zijn sinds 1882 onder een dak vereenigd. Voorheen was het armhuis, dat, in 1808 opgericht, in 1838 was herbouwd, in de Speelmanstraat gevestigd, terwijl het weeshuis in 1786 in de Oosterdwarsstraat (thans Kruisstraat) werd gesticht. In het eerste werden oude lieden verpleegd, in het laatste, sedert 1860, enkel knapen opgenomen, terwijl de meisjes in genoemd jaar een tehuis vonden bij de zusters van Tilburg, die zich in de oude St. Willebrorduskerk bij de Korenmarkt hadden neergezet. Omstreeks 1880 werd het armhuis eveneens onder de leiding der Tilburgsche zusters geplaatst en besloot het Roomsch Katholiek parochiaal armbestuur tot de stichting van een groot gebouw, dat zoowel oude lieden, als meisjes, tot verblijfplaats zou dienen, terwijl de jongens voortaan zouden moeten uitbesteed. Daartoe kocht dit armbestuur zes arbeiderswoningen benevens eene turfschuur op de Keizersgracht aan en liet deze, evenals het oude weeshuis in de Kruisstraat, afbreken. Op het opengevallen terrein werd nu, volgens het ontwerp van den architect P. H. J. Cuypers, een flink gebouw gezet, dat op de eerste verdieping een ronden uitbouw heeft voor de kapel. In dit gesticht, dat op 1 Mei 1882 in gebruik is genomen, worden thans door de zorgen van 11 zusters een zestigtal oude lieden en een tiental weezen verpleegd, die thans gescheiden zijn, samen kunnen wonen.

Wat het verlaten armhuis in de Speelmansstraat en de oude St. Willebrorduskerk aangaat, het eerste werd tot eene bijzondere school voor jongens ingericht, terwijl de laatste, nadat zij van 1883-1887 tot ziekenhuis had gediend, werd verhuurd en thans als kachelmagazijn wordt gebruikt.

 

Fribourg

In 1872 richtte Jhr. P.B.J. Vegelin van Claerbergen, naast zijn buiten Mariënburg achter de Hoven, een hofje op voor minvermogende lieden, zonder onderscheid van geloofsbelijdenis, kunne of leeftijd. Hij noemde deze stichting “Fribourg”, naar het Zwitsersche Vrijburg, vanwaar het geslacht Vegelin afkomstig is. Dit hofje telt zeven woningen, welke onder een dak zijn gebracht, terwijl het huis van den concierge het front vormt en door zijn voorgevel aan de Zwitsersche chalets herinnert. Aan de bewoners van Fribourg wordt, buiten vrije huisvesting en brandstof, eene jaarlijksche toelage verstrekt. Sedert den dood van den stichter wordt dit hofje beheerd door een bestuur van vijf leden, waarvan de burgemeester van Leeuwarden ambtshalve voorzitter, en een lid der familie Vegelin van Claerbergen penningmeester is.

 

Het Hof Gosen

In den Boterhoek vond men eertijds het Oranjeklooster, bestaande uit 16 woningen, welke rondom een bleekveldje waren gelegen. In 1859 kocht de kerkeraad der Israelitische gemeente “dit klooster” voor ruim fl. 3.000 aan om het tot een hofje in te richten. Nadat het in gereedheid gebracht, en van eene poort voorzien was, werd dit hof “Hof Gosen” aan het Israelitische armbestuur verhuurd, dat het in 1886 in eigendom verkreeg.

 

De Armenkamer en het Armhuis

Het armbestuur, dat eerst zijne vergaderingen in het Nieuwe Stads-Weeshuis had gehouden, verkreeg in 1826 een afzonderlijken zetel op de Keizersgracht bij het Nieuwstraatje terwijl de daarnaast gelegen woning aan den Bedienaar der armen werd toegewezen. Toen de Gemeente deze perceelen in 1854 voor den bouw eener school wenschte te gebruiken, kocht zij twee kleine woningen in de Haniasteeg aan, liet deze afbreken en stichtte hier eene vergaderkamer voor de arm voogdij. Zoo bevond de armenkamer zich thans in de onmiddelijke nabijheid van het armhuis, dat, in 1830 opgericht, in de verlaten kazerne was gevestigd. Dit gesticht werd zoowel door hulpbehoevende ouden, als door verwaarloosde kinderen bewoond. Daar het te voorzien was, dat dit gebouw op den duur eene flinke uitbreiding zou behoeven, ging het Gemeentebestuur geregeld voort met den aankoop van den perceelen in de Hania- en Ipe Brouwerstegen. In 1865 besloot de Raad tot eene vergrooting van het armhuis, waartoe drie der aangekochte woningen werden afgebroken. Door deze verbouwing, waarvan de kosten fl. 8.550 bedroegen, kon men aan de kinderen eene afzonderlijke huisvesting geven.

Doch binnen weinige jaren deed zich de behoefte aan eene uitbreiding van dit gesticht op nieuw voelen. Nadat er in 1877 eerst een hulplocaal bij het armhuis was gevoegd, greep de Gemeente in 1879 de gelegenheid aan om het wagenhuis met een gedeelte van den tuin van het oude Martenahuis in openbare veiling aan te koopen. Nu besloot de Raad tot eene nagenoeg geheele vernieuwing van het armhuis, welke in Augustus 1879 voor fl. 86.680 werd aanbesteed. Daartoe brak men het genoemde wagenhuis, twee perceelen in de Hania- en vier in de Ipe Brouwersteeg, en een gedeelte van het armhuis en het locaal der armvoogdij af. Op het opengevallen terrein werd een ruim en flink gebouw opgetrokken, dat gemiddeld 40 M. en 42 M. diep is. Het nieuwe gesticht, dat zoowel voor de huisvesting, als voor de bedeeling der armen dient en ook een vergaderzaal voor de voogden bevat, is in Juli 1881 in gebruik genomen.


Het Werkhuis

Het werkhuis, in 1695 hier opgericht, heeft zijn bestaan bijna twee eeuwen gerekt. Destijds stonden de Staten van Friesland de oude parochiekerk van Hoek, welke vroeger door de Magistraat van Leeuwarden aan ’s Lands Regeering was overgedragen om tot tuig- en ammunitiehuis te dienen, als werkhuis aan de Stad in gebruik af en tot de opheffing dezer instelling in 1874 heeft het gebouw, dat in 1834 geheel hernieuwd werd, deze bestemming behouden.

In 1847 nam het Stedelijk bestuur een voorstel in overweging tot verandering van dit werk- en spinhuis, zooals het meestal genoemd werd, in een bedelaarsgesticht, om daardoor ontheven te worden van de kosten der kolonisatie; doch dit plan is niet ten uitvoer gebracht. Zoo bleef het werkhuis gehandhaafd. De behoeftigen maaken er echter ongaarne gebruik van en het aantal dergenen, die zich daar aanmeldden, werd steeds geringer. Toen hier dan ook in 1871 eene pokkenepidemie uitbrak, werd dit locaal tijdelijk tot hospitaal voor pokkenlijders bestemd en bracht men de goederen en gereedschappen van het werkhuis, benevens de woning van den directeur, naar een huis in het Nieuwstraatje over. In het begin van 1872 werd het werkhuis weer heropend, doch slechts voor korten tijd, daar de Gemeente twee jaar later deze kwijnende instelling ophief. Toen hier in 1875 eene hevige typhus- en roodvonk epidemie uitbrak, wees zij het vroegere spinhuis op nieuw tot hulp-ziekenhuis aan. Het werd tot dit doel vertimmerd en in twee ziekenzalen verdeeld. Nog steeds word dit gebouw als gemeentelijk hospitaal voor besmettelijke ziekten gebruikt en zoo beantwoordt het weer aan dezelfde bestemming, welke er drie eeuwen geleden ook aan was gegeven, toen de voormalige parochiekerk van Hoek in 1580 tot verblijf strekte aan de pestlijders.

Van gemeentewege is hier geen werkhuis meer opgericht, doch in 1886 vormde zich, op particulier initiatief, eene vereeniging tot werkverschaffing. Op haar verzoek gaf het Gemeentebestuur het oude schoolgebouw op Olde-Galileën, dat van 1875-1883 tot bewaarschool had gediend, aan deze vereeniging ten gebruike. In 1902 werd dit gebouw afgebroken en sinds richtte de vereeniging op eene plek gronds aan de Eestraat eene werkloods op. Thans heeft de Raad een grooter terrein aldaar aan de werkverschaffing afgestaan, terwijl men de loods door een steenen gebouw wil vervangen.

 

Het Stads-Ziekenhuis en het Hulp-Ziekenhuis

Het stads-ziekenhuis, zooals wij dat thans kennen, dateert uit 1842. Nadat deze instelling hier in 1825 was gevestigd in de voormalige scherprechterswoning, welke later tot militair ziekenhuis diende, werd het oude gebouw in 1841 afgebroken en door het tegenwoordige vervangen. De ligging van het ziekenhuis, dat aan twee zijden aan de openbare straat en aan de beide andere kanten aan het water grenst, maakte eene uitbreiding van deze inrichting, ofschoon die anders zeer gewenscht zou zijn, moeilijk. Toch heeft dit gebouw in het hier beschreven tijdvak vele verbeteringen ondergaan. Zoo werd er in 1853 een locaal ter zijde van de bleek achter het huis aan toegevoegd om tot lijken- en sectiekamer te dienen, terwijl men de vroeger daarvoor gebruikte localen sedert tot bad- en waschkamer bezigt: zoo bracht men in 1889 eene eerste en in 1905 eene tweede isoleercel ter observatie van krankzinnigen aan, en werd in 1896 een der vertrekken ingericht tot operatiezaal, welke in 1901 van bovenlicht is voorzien. Doch het gebrek aan ruimte in dit gebouw heeft zich dikwijls doen gevoelen en was oorzaak, dat de Gemeente, reeds voordat de wet van 4 December 1872 tot voorziening tegen besmettelijke ziekten tot stand kwam, bij epidemien een afzonderlijk locaal voor de verpleging dezer patienten beschikbaar stelde.

Toen nl. in 1866 de cholera in ons land heerschte, bestemde zij het voormalige soephuis in de Groote Hoogstraat tot hulp-ziekenhuis, terwijl in 1870, bij het uitbreken van de pokken, eerst het werkhuis en vervolgens de koepel “Bellevue” als zoodanig dienst deed. Intusschen trad de bovengenoemde wet in Mei 1873 in werking en werd de Gemeente daardoor verplicht een locaal tot afzondering en verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten in te richten. Daar Bellevue in April van dat jaar, ten behoeve van de uitbreiding der stad, werd afgebroken, liet zij het oog daartoe vallen op het werkhuis. Deze inrichting, die reeds lang kwijnende was als het ging, tot hulp-ziekenhuis Ingericht. Eerst liet deze localiteit veel te wenschen over, doch in 1888 heeft zij eene kleine verbouwing ondergaan en sedert is zij herhaaldelijk verbeterd. Toch beantwoordt dit gebouw nog geenszins aan de eischen, die men tegenwoordig aan eene ziekenhuisinrichting stelt.

 

Het Diaconessenhuis

In 1879 vatte de heer M. Teffer, zendeling op Savoe, het plan op om hier een diaconessenhuis te stichten. Tot dit doel kocht hij eene woning in de Bagijnestraat aan, welke hij op 6 Januari 1880 overdroeg aan de op zijn initiatief gevormde vereeniging: “Het Diaconessenhuis”. Oorspronkelijk waren er aan deze inrichting twee zusters verbonden, terwijl mejuffrouw F. Rutgers uit Hallum als directrice optrad. Reeds spoedig bleek dit pand te klein en te ongeschikt te zijn voor eene ziekenhuisverpleging, zoodat de vereeniging in 1882, voor fl. 20.000 een groot huis op de Voorstreek, nabij de Hoeksterpoort, aankocht. Meer dan tien jaar is deze inrichting hier gevestigd gebleven, doch door het steeds aangroeiend getal patienten en de daarmee samenhangende toename van het aantal zusters werd men ten slotte gedwongen naar een ruimer perceel uit te zien.

Thans besloot de vereeniging een nieuw gebouw te stichten, dat geheel aan de eischen des tijds kon worden ingericht. Zij kocht daartoe voor fl. 20.000 een terrein aan de Noorder-singel aan en hier verrees het nieuwe diaconessenhuis, dat, door een mooien tuin omgeven, op flinke en onbekrompen wijze is gebouwd. Meer dan eene ton gouds legde de vereeniging hieraan ten koste. Het voorgebouw is voor de huishouding en de administratie bestemd. Dit is door eene korte gang verbonden met het eigenlijke ziekenhuis, dat zich daarachter in twee vleugels uitstrekt, en waarvan alle zalen en kamers op het zuid-westen liggen. Tusschen de vleugels bevindt zich de operatiezaal met bijbehoorende vertrekken.

Den 9en October 1894 werd het nieuwe diaconessenhuis, waaraan thans 21 zusters verbonden zijn, in gebruik genomen. Steeds gaat het bestuur voort met verbeteringen in deze inrichting aan te brengen. Zoo voegde men er in 1904 eene barak voor besmettelijke ziekten en in 1907 een draaibare ligbal voor lijders aan tuberculose aan toe. Door vele giften en legaten werd het bestuur daartoe in staat gesteld, doch er blijft nog steeds eene vrij groote schuld op de vereeniging rusten.

Een even voortreffelijk ziekenhuis bezit Leeuwarden in het St. Bonifacius-hospitaal, dat hier in 1883 werd opgericht en gedurende de eerste vier jaren van zijn bestaan in de voormalige St. Willebrorduskerk was gevestigd. Daar de geschiedenis van dit hospitaal reeds bij de stichting der St. Bonifaciuskerk is behandeld, verwijs ik daarvoor naar hoofdstuk XI.

 

De Bank van Leening

Ten slotte zij nog met een enkel woord de stads-bank van leening vermeld, die, officieel tot de instellingen “ter voorkoming van armoede” behoorende, in dit hoofdstuk eene plaats mag vinden, al kan men haar niet dadelijk onder de liefdadige gestichten rangschikken.

Naar Eekhoff meedeelt, besloot de Raad in 1833 de lommerd van stadswege te exploiteeren en het bestuur daarvan aan eene commissie van administratie op te dragen, die door vijf beambten werd bijgestaan. Deze commissie liet in 1844 het huis in de Heerestraat, dat in 1794 door de stad was aangekocht, vernieuwen en met een belendend perceel vergrooten.

De bank van leening is nog steeds in dit gebouw gevestigd, doch het huis behoort thans niet meer aan de Gemeente. In 1870 heeft de Raad nl. dit pand voor fl. 5.170 aan de commissie van administratie verkocht, na aftrek van het 4/5 gedeelte der onkosten van de verbouwing, bedragende fl. 6.080, welke in 1844 ten laste van de genoemde commissie waren gekomen. Zoo doet zich hier het geval voor, dat aan de commissie van administratie der bank van leening, wier leden periodiek aftreden en door den Raad worden benoemd, het perceel toebehoort, waarini de van gemeentewege beheerde bank wordt gehouden.

In 1887 is de lommerd op nieuw verbouwd. Thans werd het ten zuiden van dit pand gelegen pakhuis, dat door eene steeg daarvan is gescheiden, bij de bank van leening getrokken om daarmede het verkooplocaal, dat zich op de eerste verdieping van het gebouw bevindt, te vergrooten, en de daarboven gelegen magazijnen uit te breiden. De steeg werd daartoe gedeeltelijk overwulfd, terwijl men in de benedenverdieping van het voormalige pakhuis een nieuwen toegang tot het verkooplocaal maakte en de overige ruimte aldaar tot turfbergplaats bestemde. Bij dit werk, dat voor fl. 6.800 werd uitgevoerd, is de geheele voorgevel van het gebouw vernieuwd.


Terug