1. De demping van de oude gracht tusschen het paleis van justitie en de Lieve Vrouwe-Waterpoort

Toen Eekhoff zijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden sloot, was het Paleis van Justitie in aanbouw. Zooals bekend is, had men voor de stichting van dit gebouw een gedeelte van de oude Heerengracht, die het tegenwoordige Wilhelminaplein in tweeen scheidde, moeten dempen. Een ander gedeelte was echter nog blijven bestaan, nl. dat, ’t welk van de Lieve-Vrouwe-Waterpoort tot aan het Paleis liep. In 1850 werd ook dit water gedempt, en daarbij tevens de Havenbrug, die tegenover de Haniasteeg lag, en de steenen boog over de Waterpoort afgebroken. Het ruime open terrein, dat daardoor achter het Paleis van Justitie ontstond,- de Stad kocht in 1851 ook het oude molenaarshuis, dat bij den molen “De Hoop” behoorde en dicht bij de gracht lag, aan en liet het slechten,- is langen tijd eene grasvlakte gebleven. Daar sloegen de kermisgasten hunne tenten op en lokte het Circus Carre vele bezoekers tot zich. En thans, nu sedert 1880 de “Harmonie” een groot deel van dit terrein heeft ingenomen, blijft het overige nog altijd de geliefkoosde standplaats van de kermis-schouwburg.

In verband met de demping der oude Heerengracht, die bij de Waterpoort in het Schavernek uitliep, werd de doorvaart onder de voormalige Lieve-Vrouwe-Waterpoort verbeterd. Deze, nog geen 4 M. breed, was sedert lang voor de scheepvaart onvoldoende gebleken. Men greep daarom de gelegenheid aan om hierin verandering te brengen, en in 1853 werd dit werk voor fl. 6.000 aan J. van der Horst opgedragen. Deze liet de muren, waarop de oude waterpoort had gerust, afbreken en nieuwe walmuren tot aan de Westerpijp, ter weerszijden van het Schavernek, opmetselen. De wijdte van de doorvaart werd bepaald op 6.80 M. De muren, waarop de nieuwe brug zou worden geplaatst, werden hoog opgetrokken, om - zooals er dikwijls een hoogen deklast hadden, gelegenheid te geven, er door te varen en op de kade langs het Schavernek te lossen. In 1855 werd eindelijk de ijzeren brug, welke thans nog over de doorvaart ligt, daar geplaatst. De Raad voltooide het werk, door in 1854 een stuk grond aan te koopen van den tuinier Brink, wiens tuin ten westen van het Schavernek lag, ten einde daarmede den weg langs het Klein Schavernek te verbreeden en den parkaanleg daar te verfraaien.


2. De doorgraving bij Camstraburen met de daarbij behoorende werken en de demping voor den Cavalleriestal

Terwijl men nog met de verwijding der doorvaart van het Schavernek naar de stadsgracht bezig was, werd er reeds een ander groot werk ter sprake gebracht. Tot verbetering van den waterstaat in de Provincie en tot bevordering van de scheepvaart, besloten de Staten van Friesland den waterweg van de Dockumer Nieuwe Zijlen over Leeuwarden naar Harlingen tot in zee een grootscheeps-vaarwater te herscheppen. De Gemeente Leeuwarden, die groot belang bij dit werk had, werd hierin noodzakelijk betrokken. Voor grootere schepen toch waren de stads-grachten onbevaarbaar: de nauwe vaste bruggen beletten de scheepvaart ten eenemale, en de grachten waren dan ook sedert 1777 niet uitgediept.

De voorbereiding tot deze belangrijke onderneming kostte veel tijd. Bij het bespreken der plannen wezen Gedeputeerde Staten in 1854 reeds op het voordeel van eene opgraving bij Camstraburen, waardoor de omweg langs een gedeelte en langs de gracht voor den cavalleriestal zou worden afgesneden. Dadelijk keurde de Raad dit voorstel goed, maar tot de uitvoering van het werk kwam het niet eerder dan in 1859. Gedurende de jaren 1853-1857 werd de Dockumer Ee geslat en het Grootdiep van Dockum naar de Nieuwe Zijlen verbeterd en 1858 verstreek met onderhandelingen betreffende de werken rondom Leeuwarden. Er zat dan ook heel wat aan vast: het werk bepaalde zich niet slechts tot de doorgraving bij Camstraburen en de slatting van de Noordergracht, maar men moest ook het Verlaat met het daarnevensstaande huis afbreken, de doorvaart aldaar verwijden, de Harlinger trekvaartvan het Verlaat tot den Sneekerstal verleggen, de Vrouwepoortsbrug wegnemen en drie nieuwe beweegbare bruggen: 1. Bij het voormalige Verlaat, 2. Bij de vroegere Lieve-Vrouwepoort en 3. Over de nieuwe Doorgraving bij Camstraburen aanbrengen, terwijl buitendien de demping der gracht voor den cavalleriestal en de verlegging van den weg naar de begraafplaats met dit werk ten nauwste samenhing.

De Provincie kocht voor ruim fl. 10.000 de eigendommen van de heeren Ruitenschild, Miedema en de Wed. van der Mey, welke op het terrein der doorgraving lagen, aan. Nu toog men flink aan den arbeid: dat was een uitgraven, modderkruien, slatten, afbreken en metselen over de geheele linie, dat het een aard had: honderde handen hielden zich daarmee bezig. De uitgegraven aarde, gewonnen bij het werk op Camstra-buren, werd in de gracht, loopende langs den Wissedwinger en den Cavalleriestal, uitgestort, en de doorgraving aldaar vorderde zoo snel, dat in 1860 de nieuwe walmuren gereed kwamen. De slatting van de Noordergracht werd met niet minder ijver ondernomen. De slataarde, die men hieruit opdiepte, werd ook grootendeels tot demping van den oudenarm der gracht gebezigd. Bij dit werk deed zich eene eigenaardige moeilijkheid voor. De Gemeente was n.l. met de Provincie overeengekomen, dat zij de kosten der slatting zou dragen “tot op 1 M. 60 onder den ouden bodem”, terwijl de Provincie de verdere slatting tot op 2 M. 10 voor hare rekening zou nemen.

Toen men echter op eene diepte van 1 M. 60 was gekomen, had men “den ouden bodem” nog niet bereikt, zelfs op eene diepte van 2 M. 10 liet die zich nog altijd wachten: men stond hier dus blijkbaar niet voor eene vroeger gegraven gracht, maar voor een natuurlijk stroomend water. Er rezen bezwaren over de toegezegde subsidie: de Provincie eindigde echter met hiervoor fl. 4.000 uit te keren.

De werken tot verbetering van de doorvaart bij het Verlaat waren in 1859 mede in vollen gang. Daar verdween de oude sluis, met de aardige sluis-wachterswoning, die in 1600 gebouwd en in 1727 hernieuwd, aan het einde stond van de prachtige lindenlaan welke zich ”en berceu” langs den stads buitensingel van het “Thyske-Tiltje” bij de Wirdumerpoort tot aan de Harlinger vaart slingerde en daar overging in eene laan van statige olmen. Gaarne rustte de wandelaar uit aan de sluiswachterswoning, die tevens tot herberg diende, om trekschuiten en schepen door de sluis te zien schutten en te genieten van het schoone uitzicht op het aan de overzijde der gracht liggende, glooiende plantsoen, dat op de oude bolwerken was aangebracht. Tegenover hem verrees de “Hooge Berg” met den molen “De Hoop” eertijds ’s Prinsen Weitmolen, naar het noorden zag hij den molen “De Arend” op den Lieve-Vrouwe-poortsdwinger boven de boomen uitsteken, terwijl hij oostwaarts den molen ”De Fortuin” op den Wirdumerpoortsdwinger ontdekte.- Dit rustige plekje nu was in 1859 het tooneel van groote bedrijvigheid. Dammen werden op-geworpen, sluis en woning weggebroken, het vaarwater verwijd, de fundamenten gelegd voor eene nieuwe brug met twee doorvaarten en de richting van de Harlinger vaart, van het Verlaat tot den Sneeker stal, gewijzigd. In hetzelfde jaar nog werd de nieuwe brug gelegd.

Met de drie nieuwe bruggen: bij het Verlaat, bij de Vrouwepoort en bij Camstraburen, die samen fl. 18.570 kostten, is de Gemeente niet Voorspoedig geweest. Reeds in 1860 moest er aan alledrie eene verandering worden aangebracht, ten bedrage van fl. 600. Negen jaar later, op een Decembermorgen, brak de nieuwe Vrouwepoortsbrug, terwijl zij juist was afgedraaid, midden door, zoodat de beide helften in het water stortten. Dat was eene ramp! Naar aanleiding van dit ongeluk werden ook de Verlaats- en Noorder bruggen onderzocht, en het bleek, dat zij, tengevolge van het breken der binnenleggers, ook noodzakelijk herstelling behoefden. Intusschen was er een houten voetbrug als hulpbrug over de gracht bij den Oldehove geslagen, totdat men in het begin van 1871 met eene nieuwe Vrouwepoortsbrug gereed was. Thans mocht men met reden verwachten, dat de zaak in orde zou zijn, maar die hoop werd teleurgesteld. Spoedig deed er zich een ander incident voor: de nieuwe brug was te zwaar om te worden gedraaid! Wel trachtte men in 1873 daaraan door eene kleine verandering tegemoet te komen, maar op den duur bleek toch eene geheele vernieuwing der Vrouwepoortsbrug noodig. In 1879 sloeg men opnieuw de hulpbrug over de gracht bij den Boterhoek en werd de weerspannige brug voor fl. 6.600 hersteld. Sedert dien tijd heeft zij geen reden tot klagen meer gegeven.

In de nabijheid der bruggen drie aardige brugwachterswoningen gebouwd: in 1861 die aan de Verlaatsbrug, in 1864 die aan de Vrouwepoorts- en Noorderbruggen. Zooals reeds gezegd is, moest de richting van den straatweg naar de Begraafplaats eenigszins worden gewijzigd: vroeger liep hij over het terrein der doorgraving, thans werd hij een weinig naar het westen verlegd, in eene lijn met de Noorderbrug.

In 1860 was men met het geheele belangrijke werk gereed. De uitvoering daarvan had der Gemeente ruim een ton gekost.


3. De verbetering der in- en uitvaart bij de Hoeksterpoort en de aanleig van het terrein tusschen dit vaarwater en de doorgraving bij Camstraburen

De doorgraving bij Camstraburen had de demping der gracht langs den Wissedwinger en de Noorderkade ten gevolge gehad. Hierdoor was daar een ruim open terrein ontstaan, ten oosten begrensd door het vaarwater bij de Hoeksterpoort, ten noordwesten door de nieuwe doorgraving. In 1863 besloot de Raad hierop rij- en voetwegen aan te leggen, en wel: den rijweg, welke van de Hoeksterpoortbrug tot aan de Noorderbrug uitstrekt en dien, welke van de Noorderbrug langs de doorgraving bij Camstraburen en bij de herberg van D.B. Schaap tot aan de Manege, en vandaar zuidelijk naar den Opgang voor de Nieuweburen loopt, met de daarnevens liggende trottoirs en klinkertpaden. De Hoeksterbrug, die tot nog toe alleen voor voetgangers bestemd was geweest, werd in verband daarmede door eene ijzeren rijbrug vervangen. De Gemeente legde aan deze werken fl. 14.000 ten koste.

Het volgende jaar ging men er toe over om het terrein tusschen de manege en de doorgraving te beplanten: de open plek voor den cavalleriestal werd voorloopig echter slechts geeffend. Dit geschiedde met het oog op de voorgenomen verbetering van de in- en uitvaart bij de Hoeksterpoort, waarover reeds lang werd beraadslaagd. Men dacht er n.l. ernstig over, hier eene havenkom te maken. Ten slotte werd dit plan echter verworpen en besloot de Raad in 1865 de uitvaart uit de stads-binnen-gracht, van de Hoeksterbrug tot de Verversbrug in oostelijke richting te doen verleggen, de doorvaart onder de Verversbrug te verwijden, deze brug (destijds ophaalbrug) en de Hoeksterpoortsbrug af te breken en walmuren ter weerszijden van het verlegde vaarwater op te trekken. Tevens moest de bestrating van de Hoeksterbrug tot de Groote Draaibrug verlegd worden, en de straatweg van de Verversbrug tot de Groote Draaibrug tot op 1 M. 22 boven zomerpeil worden verlaagd. Dit geheele werk werd voor fl. 18.580 aangenomen.

Het leed echter niet lang, of de bewoners van Olde Galileen bestormden den Raad met verzoekschriften tot herstel van de Verversbrug. In 1869 werd aan dit verlangen voldaan en legde men daar de thans nog bestaande voetbrug over de Dockumer Ee.

Nu was ook de tijd gekomen voor den aanleg van het terrein voor den cavalleriestal: den Arendstuin, die door de verlegging van het vaarwater nog met eene strook was vergroot. Deze plek, welke gewoonlijk stil en verlaten daarheen lag, was eens in het jaar het tooneel van groote opgewondenheid, n.l. op den dag der druk bezochte “Bergumer Merke”, (klein Bergum) eene kermis, daar gehouden ter gelegenheid van de jaarmarkt te Bergum. In 1868 wilde men den A rendstuin reeds in orde brengen, docht dit werd nog tot het volgende jaar uitgesteld. Door de uitbreiding der gasfabriek toch werden in deze tijd de werk- en bergplaatsen voor de fabricage, de woning en het kantoor van den Architect en eenige andere gebouwen, welke aan de overzijde der gracht hadden gestaan, naar de oostelijke helft der cavalleriestallen, welke daartoe door het Rijk waren afgestaan, overgebracht, en het jonge plantsoen zou ongetwijfeld te veel door deze werkzaamheden hebben geleden. Zoo werd dan de Arendstuin eindelijk in 1869 naar het plan van den Architect, den heer Romein, aangelegd. Dit aardige plantsoen, dat de stad aan de noordzijde zulk een vriendelijk voorkomen verleent, sluit zich aan bij de schoone beplanting, welke zich tot aan de Westerplantage uitstrekt.


4. De demping van het kanaal loopende van de Dubbelepijp tot de Oldehoofsterwaterpoort en van het Gasthuispijpke tot de Langepijp

Terwijl men in 1859 met de slatting van de Noordergracht en de doorgraving bij Camstraburen bezig was, werd er in den Raad een voorstel gedaan om ook het terrein voor den ingang van den Prinsentuin tussschen de Noordergracht en het Keerweer door te graven, ten einde de binnengracht bij het Schoenmakersperk en het Perkswalletje tot bij het Gasthuispijpke, vandaar door particuliere tuinen naar het St. Jobsleen en zoo langs den Boterhoek naar de Oldehoofster-waterpoort, met een zijtak van het Gasthuispijpke tot de Langepijp op de Nieuwestad, verkeerde dan ook in een allerbedroevendsten toestand. Van de Dubbelepijp tot de Pottebakkersbrug was het vaarwater vrij goed, maar vandaar tot aan de Waterpoort ontaardde deze gracht, over de geheele lengte, in eene vuile sloot, die, met haar bijna stilstaand water, eene kweekplaats was voor allerlei bacillen. Afval en vuilnis hoopte zich hierin op: de slechte, grootendeels houten walbeschoeiingen verhinderden niet, dat bij regen voortdurend modder in het water afvloeide, zoodat de gracht zoo ondiep was geworden, dat kleine bootjes er zelfs nauwelijks door konden varen. Zoo kon het niet blijven. Verbetering was dringend noodzakelijk, hetzij men deze binnengracht voor scheepvaart, brandblussching en waterlossing behield, maar dan uitdiepte, verlegde en van betere walbeschoeiing voorzag, hetzij men tot demping overging. In 1860 werd er een voorstel in den eersten zin gedaan, maar na lange beraadslagingen besloot de Raad twee jaar later tot demping.

Dit kostbare werk werd bij gedeelten uitgevoerd. Men begon in 1863 met dat gedeelte, ’t welk het dringenst voorziening eischte, n.l. met de gracht loopende van de Pottebakkersbrug, welke voor de Monnikemuurstraat lag, tot aan de Perkspijp voor de Pijlsteeg. De kleine beekjes, welke hierop uitkwamen werden door de Gemeente aangekocht. Bij deze demping verdwenen de Pottebakkers- en Wabo Wissenbruggen. Daar de wallen zeer verschillend van hoogte waren, werden zij gedeeltelijk afgegraven, terwijl ook de Pijlsteeg werd verlaagd. De uitgegraven aarde gebruikte men tot opvulling van het kanaal. Hierin werden groote riolen aangebracht tot afwatering van het aanzienlijk afvoergebied der oude gracht, dat zich tot het Jacobijner Kerkhof en de Groote Kerkstraat uitstrekte. Daar het Nieuwe Stads-Weeshuis door de demping de afscheiding van zijn erf aan de westzijde verloor, werd hier in 1865 op kosten van de Gemeente een ijzeren hek geplaatst.

Het tweede gedeelte werd in 1864 ondernomen. Dit strekte zich slechts over eene geringe lengte uit: het liep van de Perkspijp tot achter het Bestuurshuis van het St. Anthony-Gasthuis. Ook hier moest de Gemeente bleekjes aankoopen, en er rees een geschil tusschen haar en de Voogden van genoemd Gasthuis over de grensbepaling van beider eigendom, dat echter in 1865 bij minnelijke schikking werd beslecht. Bij dit werk werd de Perkspijp afgebroken, die in 1856 het bruggetje aldaar had vervangen.

In 1865 ging men over tot demping van het water langs de Nieuweburen tot aan de voormalige Pottebakkersbrug. Hierdoor verviel de Sparreboomsbrug, voor de Breedstraat, en moest de Dubbelepijp worden veranderd. Daar de wallen langs de Nieuweburen aanmerkelijk in hoogte verschilden, werd de zuidelijke walmuur verlaagd, en moesten, als een gevolg daarvan, de daarop uitloopende zijstraten en belendende straten worden afgegraven. Vandaar, dat thans de Breedstraat, de Monnikemuurstraat en de straat achter de Groote Kerk zulke hooge stoepen vertoonden. Om aan de Nieuweburen eene betere rooilijn te geven besloot de Raad, aan ieder, die zijn huis volgens de vastgestelde rooiing vooruit wilde bouwen, gratis een stuk gemeentegrond af te staan. Herhaaldelijk is hiervan gebruik gemaakt, maar nog vertoont deze straat sporen van den ouden toestand.

Nu kwam er stilstand in het werk. De jaren 1866 en 1867 verstreken, zonder dat men den arbeid voortzette. De oorzaak hiervan lag in de bezwaren, die er waren gerezen tegen de demping der gracht van het Gasthuispijpke tot de Oldehoofsterwaterpoort. Dit water liep n.l. tot de Doelepijp door particuliere tuinen, behoorende bij de huizen aan de Groote Kerkstraat, zoodat, na de demping, een openbare weg deze percelen zou doorsnijden. De eigenaren verzetten zich hiertegen en de Raad hief ten slotte deze moeilijkheid op door den aangewonnen grond aan de naastleggers af te staan. Men toog opnieuw aan het werk en in 1868 werd dit gedeelte der demping tot aan de Oldehoofster-Waterpoort volbracht. Hierbij verdwenen: de Doelepijp, de Heer-Yvobrug en de Oldehoofster-Waterpoort. De toestand van het St. Jobsleen en van den Boterhoek, die tevens gedeeltelijk werden afgegraven en opgehoogd en van riolen voorzien, was hierdoor aanmerkelijk verbeterd.

Zoo bleef nog slechts dat gedeelte der oude gracht, dat van het Gasthuispijpke tot de Langepijp liep, te dempen over. In 1869 ving men hiermede aan. Het Gasthuispijpke werd afgebroken, de Bagijnepijp en de Langepijp veranderd: de straat in De Zak verhoogd. Door deze demping ontstonden twee nieuwe straten: de St.Anthonystraat, loopende van de Groote Kerkstraat tot de Bagijnestraat en de Bagijnesteeg, die zich van hier tot de Nieuwestad uitstrekt. In 1870 was het geheele werk, waaraan de Gemeente ruim fl. 124.000 ten koste had gelegd, voltooid. Door het verdwijnen van deze gracht onderging deze buurt eene groote verbetering en werd de algemene gezondheidstoestand zeer gebaat.


5. De verwijding der doorvaart onder het Potmargepijpke en de Tuinster- en Huizumer bruggen en de verbetering van het Vliet

In verband met den aanleg van het Grootscheepsvaarwater werd ook de verbetering van de kanalen, welke ten zuiden en ten oosten van de stad in de gracht uitloopen, in overweging genomen. Het gevolg hiervan was, dat de Raad besloot de Potmarge uit te diepen en den mond van dit water te verbreeden, de Tynje en het Vliet te slatten en de doorvaart onder de Tuinsterbrug te verwijden.

In 1857 werden de handen aan het werk geslagen. Naast de Potmargepijp lag het paardenwad voor de rijkspost-paarden, welke bij de herberg “de Posthoorn” uitgespannen werden. Dit paardenwad werd gedeeltelijk gedempt, gedeeltelijk bij de Potmarge getrokken, die daardoor aan de doorvaart een breedte van 7 Meter verkreeg. Walmuren werden hier opgemetseld en de oude pijp door eene ijzeren draaibrug vervangen, waarvoor men een huisje, dat op den oostelijken wal stond, moest afbreken. In 1858 ging men over tot het uitdiepen van de Potmarge, die sedert 1782 niet was geslat. Hierdoor werd deze verbindingsweg met het zuiden veel verbeterd en tot aan de opening van het Nieuwe Kanaal in 1895 bleef de Potmarge een der drukst bevaren waterwegen naar Leeuwarden.

Een andere verkeersweg naar het zuiden, waarlangs steeds eene drukke scheepvaart heeft bestaan, loopt langs de Tynje en het Vliet. In 1857 werden ook deze beide kanalen uitgediept. Destijds lagen er nog drie trapjes-bruggen over het Vliet, de zoogenaamde Witte-, Blauwe en Poppebruggen, waarvan de beide eerste aan particulieren toebehoorden. De Gemeente nam nu deze bruggen in eigendom en onderhoud over, en nadat eerst de Boomsbrug in 1860 was verlaagd en gedeeltelijk vernieuwd, werd de Witte Brug in 1861 afgebroken en daardoor eene ijzeren ophaalbrug in de plaats gesteld. Ook besteedde men in dit laatste jaar fl. 28.400 voor het maken van nieuwe walmuren langs het Noord- en het Zuid-Vliet.

De invaart tot de binnengrachten der stad liet bij den mond van het Vliet echter nog veel te wenschen over. Voor de Tuinen lag n.l. nog de houten brug, welke de waterpoort in 1818 had vervangen. Deze brug werd nu tevens in 1859 vernieuwd en de doorvaart daaronder verwijd, terwijl men in 1861 een steenen walmuur aanbracht langs de Nieuwe Kade tot aan den zuid-oosthoek van de kazerne.

Spoedig deed zich de behoefte gevoelen om ook den toegang tot de Weaze, tegenover de Potmarge te verbeteren. Dit geschiedde in 1864. Bij dit werk werd de Huizumerbrug met 2 Meter naar de zuidzijde verbreed. Ook zorgde de Gemeente hier voor eene geschikte los- en ladingplaats, welke, met den walmuur, in 1867 van het Ziekenhuis tot de Huizumerbrug werd aangebracht.

In het hier besproken tijdsverloop van ruim twintig jaren heeft het Gemeentebestuur, naar men ziet, niet stil gezeten. Belangrijke werken waren er uitgevoerd: de gracht ten westen en ten noorden der stad was bevaarbaar gemaakt voor groote schepen, eene kortere verbinding van de Noordergracht met de Dockumer Ee kwam tot stand, de waterwegen naar de stad: Harlinger trekvaart, Dockumer Ee, Vliet en Potmarge, waren alle verbeterd en de invaart tot de binnenstad werd zoowel bij het Schavernek als bij de Hoeksterpoort, de Tuinen en de Weaze verruimd. Daarbij had men een stuk van de Oude Heerengracht, een gedeelte van de Noordergracht en de geheele binnengracht van de Dubbelepijp tot de Oldehoofster Waterpoort, en van de Gasthuispijp tot de Nieuwestad gedempt. Voorwaar, geene geringe verbeteringen. Maar bij dit alles bleef toch de stad binnen de perken van hare oude vestingwallen. Deze verbrak zij eerst omstreeks het jaar 1870, bij hare groote uitbreiding naar het zuiden. Doch, voor wij tot de behandeling hiervan overgaan, willen wij eerst de overige veranderingen in oogenschouw nemen, welke de stad in dit tijdperk, zoowel binnen hare vroegere wallen, als in de buitenbuurten, onderging.


Terug